De goddeloze verlate zijne weg.
Predicatie door Ds. B. v. d. BERG, Em. pred. te Kampen.
Ps. 89: 3
Lezen: Jesaja 55.
Ps. 103 : 4
Ps. 95 : 2, 4, 5
Ps. 65:2
Ps, 32: 1
De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijne gedachten, en hij bekere zich tot de Heere, onze God, want Hij vergeeft menigvuldig,
Jesaja 55 : 7
De geschiedenis der Christelijke Kerk geeft ons treffende voorbeelden van christelijke zelfverloochening en ook moed, van ongeveinsde broederlijke liefde en nederbuigende goedheid jegens diep gezonken zondaren.
Een van de meest treffende voorbeelden mag wel genoemd worden de grote kerkvader uit het Oosten, Basileus. Uit een rijk en aanzienlijk geslacht gesproten, stonden de aanzienlijkste ereambten voor hem open, en had hij en zijn vrienden en broeder en verkrijgen uit de, meest vorstelijke familiën van zijn geboortestad, Caesarea.
Vroegtijdig had de Heere echter reeds. met Zijn genade aan hem gearbeid en de vreze Zijns Naams in zijn ziel gewerkt. Op jeugdige leeftijd toonde, hij reeds de Mozes-keuze te willen betrachten, en de versmaadheid van Christus meerdere rijkdom te achten dan de schatten der wereld. Hij verliet zijn rijke omgeving voor de studie te Athene, om daardoór, naar zijn begeerte, te mogen komen tot het werk van de prediking des Evangelies. Evenals Paulus vertoefde hij een tijd, afgezonderd van de mensen, in de woestijn, om des te nauwer met God te kunnen verkeren en des te beter toebereid te zijn tot het predikambt.
Geen wonder, dat hij later geroepen wei tot het ambt van bisschop, een van de hoogste ambten in de oude Christelijke Kerk.
Maar hoe hoog de Heere kern ook geplaatst had, hij bleef ootmoedig en klein en ontving genade om in ootmoed en, zelfverloochening zijn levensweg te wandelen.
Wie toch waren de voornaamste vrienden en broeders van hem? Niet de rijken en aanzienlijken, maar de armen, verachten en ellendigen. Deze zocht hij op. Met deze ging hij om. Deze gaf hij zijn schatten en goederen, waarin hij rijk was. Zelfs stichtte hij in zijn vaderstad Caesarea een hospitaal voor hulpbehoevende kranken en ellendigen, en vermaakte bij zijn sterven al zijn rijkdommen daaraan, ten bate der, armen en ellendigen, die daarin zouden ontvangen een wijkplaats.
Wel groot mag deze man genoemd in zijn nederbuigen tot zondaren.
Maar toch is deze Basileus slechts een zwakke afschaduwing van de nederbuiging des Heeren tot verloren en ellendige zondaren, Immers, de Hoge God, Die in de eeuwigheid woont, Die te rein van ogen is om het kwade te aanschouwen, buigt zich zo diep neder tot de zondaren, dat Hij goddelozen en ongerechtigen, met wie mensen soms niet te doen willen hebben, roept tot Zijn dienst en gemeenschap. Dat zal ons blijken als wij thans een roepstem des Heeren beluisteren, gericht tot de goddelozen en ongerechtigen. Zoeken wij echter vooraf de Heere met smeking en gebed.
Gebed.
Zingen: Psalm 95 : 2, 4, 5.
Tekst : Jesaja 55 : 7: „De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijne gedachten, en hij bekere zich tot de Heere, en tot onze God, want Hij vergeeft menigvuldig".
Ons teksthoofdstuk vangt aan met een liefelijke nodiging tot heilbegerige zondaren. Zo toch klinkt het woord des Heeren: „O alle gij dorstigen komt tot de wateren en gij die geen geld hebt;, komt, koopt en eet, wijn en melk, zonder geld en zonder prijs". Op die liefelijke nodiging volgt echter een smartelijk verwijt : „Waarom geeft gij geld uit voor hetgeen geen brood is en arbeidt voor hetgeen niet verzadigen kan ?" En dan komt tot het schuldig'" volk des Heeren een ernstige, vermaning : „Hoort aandachtiglijk naar Mij, en, eet het goede, en laat uwe ziel in vettigheid zich verlustigen".
Als om licht te geven over het voorgaande, toont de Heere dan, in welke weg Hij dat alleen doen kan. Dat is alleen in de Zoon Zijner liefde, van Wien de Heere nu aan dat schuldig volk betuigt: „Ziet, Ik heb Hem tot een getuigenis der volken gegeven, tot een Vorst en Gebieder der volken". Daarin ontsluit de Heere met enkele woorden de ganse weg der zaligheid, die Hij in Christus Jezus voor vele volken ontsloten heeft. O, indien Hij er niet was; geen hoop zou er zijn voor de mensenkinderen, en geen zondaar zou behouden worden,
Maar nu Hij er is, als de Gegevene des Vaders, kunnen zondaren niet slechts behouden worden, maar zullen er ook zondaren behouden worden.
Neen! niet tevergeefs heeft God in Hem de weg der genade ontsloten. Dat zag de profeet Jesaja reeds in de geest, toen hij 't uitriep : ,,Zie! Gij zult een volk roepen dat Gij niet kendet, en het volk dat U niet kende zal tot U lopen om des Heeren Uws Gods wil en om des Heiligen Israëls wil, want Hij heeft U verheerlijkt".
En dat geeft de profeet tevens moed, nu hij de ruimte der genade in God ziet, om een liefelijke vermaning te doen horen: „Zoekt de Heere, terwijl Hij te vinden is, roept Hem aan, terwijl Hij nabij is !"
En dan volgt het woord van onze tekst: „De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten en Hij bekere zich tot de Heere en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldig". Daarin beluisteren wij
DRINGENDE ROEPSTEM DES HEEREN,
die ons doet horen:
1. Een lieflijke nodiging;
2. Een noodzakelijke eis;
3. Een genadige belofte,
als wij zien: wie de Heere roept; waartoe de Heere roept, en op welke grond de Heere roept.
Wij horen in onze tekst:
I. Een liefelijke nodiging,
als wij zien : w i e d e H e e r e r o e p t. De Heilige Schrift toch leert ons op zo menige plaats, en ook in onze tekst, dat de Hoge God, Die in het hoge en verhevene woont, nietige Adamskinderen,
zondige mensen, tot Zijn gemeenschap en zaligheid wil roepen.
Wat toch zijn het voor mensen die de Heere in onze tekst roept en tot wie de liefelijke nodiging uitgaat ? O, geen rechtvaardigen en zondelozen, maar onrechtvaardigen en zondaren. Ach! van nature leeft de mens in de waan, dat het onberispelijke en rechtvaardige mensen in het oog der mensen moeten zijn, die God roept, en dat de Heere met dezen a1lee n te doen wil hebben.
Hoe duidelijk blijkt dat uit de gelijkenis van de verloren zoon, waar de oudste zoon maar niet begrijpen kan, dat de verloren zoon, die al zijn goed in de zonde doorgebracht heeft, door de vader met blijdschap ontvangen wordt, en een voorwerp van de vergevende liefde des vaders is. En ach! vinden wij die Farizeërsgestalte van nature niet in eigen hart terug, zolang de Heere ons door Zijn Geest geen zondaar gemaakt heeft ? Menen ook wij dan niet dat God b r a v e mensen roept, die in dwaze waan met de rijke jongeling kunnen zeggen: „Al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jonkheid aan ?"
Wat een liefelijk Evangelie wordt het echter voor de door Gods Geest aan zichzelf ontdekten, dat de Schrift ons leert, dat God "k zondaren en goddélozen tot Zijne zaligheid en gemeenschap roept. Heeft Jezus Zelf niet eenmaal de Farizeën in bestraffende ernst het woord doen horen : „Want de Zoon des mensen is niet gekomen om te roepen rechtvaardigen maar zondaren tot bekering". En dat was niet slechts het Evangelie des Nieuwen Verbonds, gelijk velen menen; maar dat was ook reeds het Evan-
gelie des Ouden Verbonds. Gelijk de mens van nature onder het Oude en onder het Nieuwe Verbond, dezelfde is in zonde, zo is God onder het Oude en Nieuwe Verbond Dezelfde in genade.
Daarvan getuigt ook onze tekst, als de Heere ons toeroept : „De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten", Het zijn dus goddeloze en ongerechtige mensen, die de Heere
wil roepen, die Hij liefelijk nodigt en waarmede Hij in Zijn grenzeloze en nederbuigende liefde te doen wil hebben.
Welk een blijmare mag dat zijn voor allen, die zich bij Geesteslicht als goddelozen en ongerechtigen voor God hebben leren kennen, Want als zij, die zich zelf in hun ware gedaante leerden kennen als goddelozen en schuldigen, van zichzelf een afkeer krijgen, en zichzelf verfoeien, welk een afkeer moet dan de Heere, de Heilige en zondeloze God, wel van de zonde hebben, en hoe verfoeilijk moeten zij dan wel zijn in de ogen van de vlekkeloos Reine God!
Neen! dan is het geen wonder, dat menig aan zichzelf ontdekt zondaar bij ogenblikken zegt, dat God met hem, goddeloze, niet te doen kan hebben, en dat het rechtvaardig zou zijn, als God hem ver stiet. En toch! zulke roept de Heere! Maar ziet! dat wordt nu juist het wonder der genade, dat God met zulken, met goddelozen, te doen wil hebben, ja dat Hij Zijn liefelijke nodiging en dringende, roepstem laat horen : „de goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten !"
Dat mag ons wel een wonder zijn, als wij even nagaan, wat gódde1oze n zijn. Immers, de naam zelf zegt het ons reeds.
Zij geeft ons de tweevoudige karaktertrek van dezulken duidelijk te kennen. Goddeloos betekent in de eerste plaats zonder God te zijn. Immers het achtervoegsel „loos" heeft in onze taal de betekenis van zonder. Zo is brodeloos iemand die zonder brood is ; zorge1oos zij, die zonder zorg zijn. Maar zo is dus ook goddeloos hij, die zonder God is. Hoe droevig is dus de toestand van de goddeloze. En wat het ergste is, hij heeft zich ze1f losgemaakt van God, Die oorspronkelijk de Bron zijns levens, en het Voorwerp zijner blijdschap en zaligheid. was. De mens toch is zó geschapen, dat hij niet slechts uit God zijn leven ontving, maar ook i n God zijn leven bezat, en de Bron van zijn gelukzaligheid vond. Helaas! door zijn zonde heeft de mens zich losgescheurd van God, en is nu gelijk geworden aan een boom, die uit de aarde gerukt is, zodat hij onherroepelijk moet sterven; tenzij hij weer met zijn wortelen in die levensgrond ingeplant wordt.
Hoe droevig is dus de staat en de toestand van de goddeloze. Ja wel schijnt het ons soms toe of die mens nog leven bezit, als wij zien, hoe hij zonder zorg voortleeft. Maar het is ook slechts s c hij n. Immers! gelijk een boom nog een tijdlang voortleeft, of beter gezegd: voorstelt, als hij met de wortelen uit de aarde gerukt is, zo is het ook met de mens, die los van God is. Zijn schijnleven is niet anders dan een voortdurend sterven. En al mag de drievoudige dood hem nog niet terstond in zijn volle kracht aangrijpen, toch werkt de dood in hem, zolang, tot hij de zondaar gans overwonnen heeft.
Wel droevig is dus de toestand van de goddeloze. O! dat gij het verstaan mocht, mijn medezondaar, en aan de dringende roepstem en liefelijke nodiging des Heeren mocht gehoor geven. Nog zijt gij in het heden der genade! Daarom, wat wij u bidden mogen, hoor naar de roepstem des Heeren!
Zo gij Zijn stem dan heden hoort!
Gelooft Zijn heil en troostrijk woord,
Verhardt u niet, maar laat u leiden!
Leer de droefheid van uw toestand en de vijandschap van uw hart verstaan, en belijden. Wel droevig is de toestand der goddelozen. Want die naam wil niet slechts zeggen dat wij 1os van en zonder God zij maar ook dat wij tegen God zijn. Dat is inzonderheid de ellende van de gevallen mens, dat hij een vijand van God geworden is. Het natuurlijke leven, dat hij nu nog bezit is niet slechts los van God, maar wat het vreselijkste is, ook tegen God. Met zijn hoogverheven schilden loopt hij tegen God zijt Maker aan. Moet gij dat niet erkennen, als gij een geopend oog voor uw droeve toestand ontvingt, dat gij u als een goddeloze tegen God hebt gekeerd ? Ja, zo is het !
Dat zal ons nog meer blijken als wij zien wat goddelozen doen en hoe zij zich openbaren. En dat is vreselijk ! Immers, goddelozen doen niets .minder, en niets liever, dan hetgeen Gode niet welbehagelijk is, en wat hen zelf en hun naaste slechts tot verderf kan strekken. Zij wandelen, zoals onze tekst duidelijk blijken laat, op een verkeerde weg, en overtreden Gods heilige wet met gedachten, woorden en werken. In hen wordt bewaarheid de tekening van de Apostel Paulus : ,,Hun keel is een geopend graf; met hun tongen plegen zij bedrog, slangenvenijn is. onder hun lippen; welker mond vol is van vervloeking en bitterheid; hun voeten zijn snel om bloed te vergieten, vernieling en ellendigheid is in hun wegen; en de weg des vredes hebben zij niet gekend; daar is geen vreze Gods voor hun ogen". Rom. 3: 13-19.
Hoe schril ook die tekening is, toch moet gezegd worden, dat zij naar waarheid is. En zij, die zichzelf als zulke goddelozen hebben leren kennen bij het licht des Heiligen Geestes, ontzetten zich en verschrikken menigmaal over de boze gedachten, die daar soms in hun binnenste kunnen woelen, en waarover zij met schrik en schaamte, zich met schuldbelijdenis voor God in ’t stof moeten neerwerpen.
Is het zo niet met u, gij die geen vreemdeling meer van eigen hart zijt? En wat meer is : Goddelozen denken niet alleen boze gedachten tegen God, maar zij komen er, als God hen niet weerhoudt, ook openlijk voor uit. Boze woord e n spreken zij menigmaal tegen God en hun naaste. De uiting hunner lippen is somtijds als in alsem gedoopt. Kunt ge dat niet dagelijks waarnemen, dat het slangenvenijn onder hun tong gevonden wordt? Beluister maar eens de uiting der lippen van de man, die op het pad der zonde wandelt en in de goddeloosheid zijn leven zoekt. Dat dit nu gelukkig nog niet bij al1e n zo is, ligt niet daaraan, dat sommigen van nature beter zijn, maar alleen aan de weerhoudende genade Gods. Wat de Heere eenmaal tot der Filistijnen koning zeide: „Ik heb u ook be1et van tegen Mij te zondigen" geldt nog van zovelen, die door God weerhouden worden om uit te spreken wat daar in 't hart leeft. Dát be1ijdt dan ook de door Gods Geest aan zichzelf ontdekte. Hij weet wat van nature daarbinnen woont, en ook hoe hij telkens nog in gevaar is om het naar buiten
te openbaren. Maar daarom heeft hij ook met David, de man naar Gods hart, leren bidden:
Zet, Heere! een wacht voor mijne lippen!
Behoed de deuren van mijn mond!
Opdat ik mij tot genèr stond,
Iets onbedachtzaams laat ontglippen!
En wat het ergste is: goddelozen spreken niet slechts goddeloze woorden, maar bedrijven ook goddeloze daden.
Naar waarheid getuigt de Psalmdichter:
Des nachts is 't kwaad zijn overleg,
Hij stelt zich op een boze weg
En schuwt geen snode werken!
Neen ! zij ontzien zich niet om hun boze daden te bedrijven. Van de goddelozen onder Israël moest de Heere reeds getuigen : „Zult gij liegen, doodslaan en stelen en dan in Mijn huis komen en zeggen: Wij zijn verlost om al deze gruwelen te doen ?" Hoe vreselijk M. G.!
En dit wijst er ons tevens op wie goddelozen zijn en waar zij gevonden worden. Misschien heeft menigeen onder ons zich reeds gevleid, dat toch op hem deze tekening niet past. Dat h ij toch geen goddeloze is.
Ach, M.G., laten wij ons niet bedriegen. Want goddelozen zijn niet alleen zij, die in de wereld in de uitgieting der ongerechtigheid leven, en de zwijmelbeker der zonde tot de laatste droppel begeren te ledigen, maar ook z ij die ofschoon levend onder het licht der genade, in de Kerk des Heeren, onder het verbond der genade in hun onbekeerlijkheid voortleven. Ja! wat zeggen wij, goddelozen zijn van nature alle Adamskinderen want er zal geen zondaar behouden worden of hij zal zich als een goddeloze moeten leren kennen, en als een goddeloze behouden moeten worden. Dat belijden allen die door Gods genade opgezocht, door Gods Geest ontdekt, in Christus hun behoudenis leerden zoeken. Neen! goddelozen zijn wij niet slechts als we midden in de wereld leven, maar ook als, wij, onbesproken voor de wereld, zelfs op nauwgezetheid en plichtsbetrachting kunnen bogen, zonderde wedergeboorte des harten deelachtig te zijn. Want in deze beslist niet wat en wie wij voor mensen zijn, maar wie en wat wij voor God zijn. En zeker! nu is het een groot, niet genoeg te schatten voorrecht, als wij voor openlijke goddeloosheid bewaard werden. Maar van nature zijn wij voor God allen goddelozen. Naar waarheid getuigt de Schrift: „Want daar is geen onderscheid, want zij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods !"
Welgelukzalig! als wij dat leerden verstaan, door de onderwijzing des Geestes. Want dat is de eerste vrucht der wederbarende genade, dat wij ons als zulke goddelozen leren kennen, en van harte voor God leren belijden, dat wij goddelozen zijn, die van nature niet slechts 1os van en zonder God zijn, maar helaas! ook vijanden van God zijn.
O, als wij dat bij aanvang door genade leerden zien, zal het ons een wonder worden, dat God naar zulken nog wil omzien. Dat Hij tot dezulken nog de liefelijke nodiging der genade doet uitgaan: „De goddeloze verlate zijn weg en de ongerechtige zijn gedachten, en Hij bekere zich tot de Heere zijn God!" Dat is juist het Evangelie der genade, dat de liefelijke nodiging des Heeren tot goddelozen komt. Zouden we niet veeleer moeten denken dat God zulken van Zich zou stoten, inplaats van ze tot Zijn heil te nodigen ? Immers, het zou recht zijn als God zulke goddelozen voor eeuwig van zich stiet en zou werpen in het eeuwig vuur. Maar neen! o wonder van genade! Hij wil met hen te doen hebben. Hij maakt zelfs bemoeienissen met zulken. Dat zullen wij zien, als wij nu nagaan :
II. Een noodzakelijke eis, waarin wij horen: waartoe God roept. Immers, dat wordt nu van het grootste belang voor de goddeloze en ongerechtige om te horen, waartoe de Heere hem roept. En welgelukzalig, als die vraag klem op onze ziel gekregen heeft en wij met Paulus op de weg naar Damascus leerden vragen: ,,Heere! wat wilt Gij dat ik doen zal ?" O, dat het zó met ons mocht zijn door genade.' Dan hoort gij uit uit ons tekstwoord, dat God zulken roept tot waarachtige bekering. Hoor slechts wat God zegt: „De goddeloze verlate zijn weg en de ongerechtige man zijn gedachten, en hij bekere zich tot de Heere en tot onze God!"
Zietdaar dus de noodzakelijke eis, waartoe God roept. Tot niets minder dan de waarachtige bekering, die bestaat in drie stukken : ' n.l. het inkeren tot onszelf, het afkeren van de zonde en het wederkeren tot God!
Ja! de Heere roept allereerst tot het inkeren tot onszelf. Zullen wij onze goddeloze weg verlaten, dan moeten wij allereerst de goddeloosheid van onze weg leren kennen. Daarom zeide de Heere tot het afkerige Israël: „Alleen ken uwe ongerechtigheid, dat gij tegen de Heere uw God hebt overtreden". Dat is dan ook de eerste vrucht, die gevonden wordt bij hen, die door de krachtdadige werking des Geestes aan de liefelijke nodiging des Heeren gehoor gevend, mochten leren verstaan, waartoe God hen als goddelozen roept, om hun boze weg te verlaten, Het gaat bij allen, die tot de waarachtige bekering geleid worden, als met de verloren zoon, van wie wij lezen „en tot zichzelf gekomen zijnde". Ja, zij leren hun goddeloosheid zien, keren tot zichzelf in om hun ongerechtige gedachten, die zij zo menigmaal in hun binnenste gekoesterd hebben, met smart en droefenis te overdenken. Nu schamen zij zich over de dingen, die zij vroeger schaamteloos bedachten en bedreven, en leren het met schuldbelijdenis voor Gods aangezicht belijden.
En ziet! dat is het eerste, waartoe God de goddelozen roept.; Was dat niet het eerste wat gij deed, toen God u door Zijn Geest bearbeidde ? Toen de Heere u aanvankelijke zelfkennis gaf? O, dat ook gij dat verstaan mocht, mijn medezondaar, die nu nog onbekommerd en onbeheerd, blind voor uw toestand, als een goddeloze voortleeft. Dan zou ook in u de smeking geboren worden, dat God allereerst door Zijn Geest u met uwe goddeloosheid en ongerechtigheid mocht bekend maken. Want dat is juist het wonderlijke : de waarlijk aan zich zelf ontdekte leert vragen om ontdekking. Hij leert verstaan, dat ook het inkeren tot ons zelf geen werk is dat wij doen kunnen in eigen kracht, maar dat wij daartoe bij aan- en voortgang door de Heilige Geest moeten bekwaamd worden. De Geest des Heeren moet onze ogen verlichten om onze goddeloosheid en ongerechtigheid te zien. Ja ook bij voortgang. Ook na de eerste bekering heeft de door God gezochte steeds meer tot zichzelf in te keren, maar ook daartoe steeds meer de Geest des Heeren van node Dat zullen allen, die door God getrokken zijn uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht, bij verdere voortgang op de weg des levens, steeds meer verstaan, zodat zij met David bidden :
En dat Uw Geest mij ware wijsheid leer,
Mijn oog verlicht! de nevelen op doe klaren.
Toch is met de inkering tot ons zelf de waarachtige bekering nog niet vo1tooid. Neen! zij strekt zich veel verder uit. God eist niet slechts het inkeren tot onszelf, maar ook tot afkeren van de zonde. Zo toch zegt onze tekst: „De goddeloze verlate zijn weg en de ongerechtige man zijn gedachten". Het zien van onze zonde en goddeloosheid moet leiden tot eenver1ate n van de zonde en de goddeloosheid. Er moet komen een breken met de zonde. De verkeerde weg, waarop wij tot nog toe gewandeld hebben, moet verlaten worden. Ja er moet een geheel omkeren o p, en verlaten van de weg der zonde, die tot hiertoe bewandeld werd, plaats hebben.
Dat wordt dan ook terstond beseft, zodra de Heilige Geest de waarachtige bekering in de ziel wekt. Dan komt de zondaar, die voorheen slechts de zonde en de afgoden der zonde diende, tot de hartelijke ontboezeming : Henen uit, wat heb ik meer met de afgoden te doen! Is dat niet de toon uwer ziele geworden, toen de Heere de bekering door Zijn Geest, in u werkte? Ja, zo zal het zijn! En er zal zelfs meer gewerkt zijn. Want, dan zullen wij bij de uitwendige daden niet zijn blijven staan. Ach, velen, die de waarachtige bekering niet kennen, menen dat de bekering alleen bestaat in het uitwendig verlaten van de weg der goddeloosheid. Zij zijn al tevreden, als zij nu` maar niet, gelijk weleer, zulke grove zonden doen. Hoe droevig! Want helaas, zij die daarmede tevreden zijn, en daarbij blijven staan, zijn nog niet verder dan de Farizeën, die ook uitwendig vrij waren van grove zonden, en toch door de Heere Jezus witgepleisterde graven genoemd werden, van buiten wel schoon, maar van binnen vol doodsbeenderen.
'Wel mag het onze gedurige bede zijn, dat de Heere ons voor zulk een uitwendige bekering beware, en ons de waarachtige bekering , des harten schenke, die niet bij de uitwendige daden blijft staan, maar doordringt tot het binnenste des harten. Op die waarachtige bekering des harten dringt de Heer aan, als Hij niet slechts ons toeroept: „De goddeloze verlate zijn weg", maar ook : „en de ongerechtige man zijn gedachten!" Ja, de waarachtige bekering dringt door tot het binnenste gedichtsel des harten. Zij eist niet slechts het verlaten van boze daden, maar ook van de ongerechtige gedachten. Daarom roept de Heere niet slechts: De goddeloze verlate zijn weg, zijn boze levenswandel", maar ook, wat nog veel dieper gaat: „en de ongerechtige man zijn gedachten". Hoe wordt hier veroordeeld het lichtvaardig spreken der wereld over de boze, binnenste gedachten des harten, als zij, om zichzelf te verschonen, de onwaarheid verkondigd : „gedachten zijn tolvrij". Ja, daar wil de natuurlijke mens wel aan. Gretig grijpt hij alles aan om zich toch maar niet schuldig tot kennen en in zijn zonde ongestoord zich te kunnen behagen en voortdromen. Maar de Heere oordeelt anders. De Heere eist dat de zondaar ook zijn ongerechtige gedachten verlaat. En ziet! dat maakt de grootste strijd uit voor de zondaar, die de Heere tot de waarachtige bekering door Zijn Geest roept. Daarmede heeft de waarlijk aan zichzelf ontdekte gedurig te worstelen, zijn ganse leven. Immers, al ontvangt de door God getrokkene als een goddeloze, bij aanvang genade om zijn goddeloze weg te verlaten; toch moet hij bij voortgang op de weg der genade nog zo dikwijls ,klagen, dat zovele ongerechtige gedachten zijn ziel soms doorkruisen. O, als hij daarop ziet, moet hij zo menigmaal zichzelf afvragen of de ware bekering wel bij hem gevonden wordt. Dat doet hem soms met een dichter vragen :
Daar is één grote vraag, die 'k brandend ben te weten, Een vraag, die mij zo vaak beangstigt en verdriet: Mag ik met enig recht een kind des Heeren heten! Ben ik Zijn eigendom of ach! ben ik 't niet?
Vindt ook gij daar soms de stemming uwer ziel in uitgedrukt ? Moet ook gij ,zeggen :
Als ik in de eenzaamheid mijn hart tracht te onderzoeken. Dan vind ik alles vol van ijdelheid en kwaad!
Dan zie ik ongeloof en zonde in alle hoeken......
Kan 'k zijn verloste in zulk een droeve staat?
Twijfelt ook gij soms aan uw staat, omdat gij met de Catechismus loet belijden, dat gij nog steeds tot alle boosheid geneigd zijt ? Weet dan,: M.G., dat de ware bekering niet is het werk van één ogenblik, maar van het ganse leven. Ook de begenadigde heeft nog gedurig weer als een goddeloze zijn weg te verlaten en als een ongerechtige zijn gedachten, en zich te bekeren tot de Heere!
En ziedaar tevens het derde stuk van de bekering. Want de ware bekering is niet slechts in keren tot ons zelf en afkeren van de zonde, maar ook een wederkeren tot God! Zo roept de Heere Zelf : „De goddeloze verlate zijn weg en de ongerechtige man zijn gedachten en hij bekere zich tot de Heere en tot onze God!
Ja, in de bekering roept de Heer ons om tot Hem weder te keren, Die wij in het Paradijs verlaten hebben. Het moet niet zijn, gelijk het helaas bij sommigen is, een bekering van de zonde tot de deugd, van de wereld tot de kerk, van de Satan tot de mens, hetzij dan tot zichzelf, of tot een hooggeacht vriend of voortreffelijk leraar. Neen! het moet een bekering zijn tot de Ware, de Levende God, Die wij door onze zonden snood beledigd en de rug toegekeerd hebben, en Die nochtans zo liefderijk nodigt, ja, de zondaar toeroept : „Keer weder, keer weder gij afkerige kinderen, want waarom zoudt gij sterven !"
O gelukkig, M.G., als het daartoe bij ons mocht of m a g komen, dat wij aan Zijn liefelijke nodiging gehoor geven, en wij als een goddeloze onze weg moge verlaten, en als een ongerechtige onze gedachten, om tot de Heere weder te keren. Immers, daartoe roept de Heere ! Met minder is de beledigde God niet tevreden en ons heil niet verzekerd. Daarom roept de Hëere het de zondaar o zo liefderijk toe : „Door wederkering en rust zoudt gij behouden worden"! Wel ons, als wij door genade tot Hem mochten wederkeren. Of vreest gij misschien, nu gij uzelf als een goddeloze en ongerechtige hebt leren kennen, dat de Heere niet met u te doen wil hebben, wijl uw goddeloosheid en ongerechtigheid in uw schatting te groot is ?
O, ofschoon het billijk ware, dat wij de Heere op Zijn woord, op de welmenendheid Zijner roeping. geloofden, toch wil de Heere in Zijn nederbuigende goedheid onze ongeloofsbedenkingen nog tegemoet komen. Dat zal ons blijken als wij overdenken:
III. Een genadige belofte, waaruit ons blijkt op welke grond de Heere roept. Bij God toch is een grond voor het roepen der goddelozen. Die grond is niet in ons te vinden, dat wij nog niet zulke grote zondaren zouden zijn. Neen! die grond ligt alleen in de Heere. In Zijn vrije ontferming! Hoor slechts wat de Heer zegt: „De goddeloze verlate zijn weg en de ongerechtige man zijn gedachten en Hij bekere zich tot de Heere en tot onze God, zo zal Hij Zich zijner ontfermen, want Hij vergeeft menigvuldig". Dat is niet slechts een lokkende belofte! Neen! het is meer, ‘t Is ook een betuiging van de nederbuigende goedheid Gods tegenover dé zondaar ten opzichte van Zijn grote vergevensgezindheid. Ja ! de Heere is een gaarne vergevend God. Hij is niet gelijk aan de mens, die zo moeilijk en slechts node vergeven kan. Neen ! 't is Zijn 1ust om zondaren te vergeven hun schuld, als zij zich waarlijk tot de Heere bekeren en in Christushun gérechtigheid' zoeken. Ja, over de goddeloze, die zich waarlijk bekeert, zal de Heere Zich ontfermen op grond daarvan dat Hij menigvu1dig vergeeft. Bij de Heere is veel vergeving. Zijne barmhartigheden zijn vele. De zonde der goddelozen moge vee1 zijn; de genade des Heeren is nog vee1 overv1oediger. 't Is Gods natuur, niet alleen dat Hij rechtvaardig is, maar niet minder dat Hij barmhartig en genadig is. Dat hebben allen die zich als goddelozen tot de Heere bekeerd hebben, rijkelijk ondervonden. Daarvan getuigt de genade bewezen aan Manasse, in Babels kerker; aan de moordenaar aan het kruis, aan de stokbewaarder in Filippi's gevangenis. Daarvan getuigt het leven van alle waarlijk bekeerden, dat de Heere menigvuldig vergeeft! Op die grond, dat de Heere een gaarne vergevend God is moogt ge als een goddeloze tot Hem de toevlucht
nemen, zowel bij aanvang als bij voortgang; als gij uzelf als een
goddeloze bij Hem moet aanklagen, en als een ongerechtige voor Hem in 't stof moet buigen.
„Hij vergeelt menigvuldig". Dat is een onwanke1bare grond, waarop God de zondaar roept. Wie toch is het, van Wien de profeet getuigt: Hij vergeeft menigvuldig ? O, 't is geen mensenkind, dat Hij liegen zou, maar de Heere der heirscharen Zelf, de Waarachtige en Getrouwe! de Waarheid en het Leven! Die nog nooit Zijn woord heeft gebroken. Al Zijne beloften zijn in Christus Jezus, ja en a m e n. Geen één van Zijn woorden zal op aarde vallen. Naar waarheid is, wat door Gods volk, als door God Zelf gesproken, gezongen mag worden:
'k Zal nooit herroepen, 't geen Ik eenmaal heb gesproken.
Wat uit Mijn lippen ging, blijft vast en onverbroken
Hebben niet al Gods kinderen dat reeds in meerdere of mindere mate ervaren?
Zie, dat mag moed geven aan de goddeloze om vrijelijk tot de Heere de toevlucht te nemen om ontferming. Want het woord hier geschreven: „Hij vergeeft menigvuldig", is ook een zie1-
verruimende grond voor de goddeloze, die zichzelf als goddeloze leerde kennen. Daarom houdt moed, gij die aan uwe goddeloosheid ontdekt zijt, en vrees of er voor u wel genade zou zijn.
Want de Heere vergeeft! Ja! de Heere vergeeft menigvu1dig! Laat dat u moed en hope geven. Neen! gij kunt uw bedreven zonde niet meer ongedaan maken, hoe gaarne gij het ook zoudt willen, en hoe menigmaal gij het misschien ook beproeft.
Maar dat behoeft ook niet. Neen! God wil de zonde niet over 't hoofd zien. Dat kan Hij niet. Hij kan ook niet tevreden zijn met uw poging om er voor te betalen en het weer goed te maken.
Want met al uw gewaande deugden kunt gij niet één zonde verzoenen. Neen! God wil ze u vergeven. Dat wil zeggen : Hij wil ze verzoenen door het bloed van Christus, en om dat eenmaal volmaakt gebrachte offer, waarin al de schuld der verkoornen is geboet, ook de schuld uwer zonde van u wegnemen, en van de verdoemende kracht u bevrijden. Welk een zielsverruimend Evangelie en hechte grond dus voor goddelozen en ongerechtigen! Maar gij zegt misschien dat uw zonden zo talloos vele zijn, dat ge met het woord van de oude vrome moet zeggen:
Een heir, niet t' overzien;
Die ik veel minder, dan
Mijn hoofdhaar, tellen kan!
Zij doen mijn krachten vlièn !
Maar ook dat is geen bezwaar, mijn medezondaar, want het is ook een g e n a d e r ij k e belofte, en een genadevolle grond, waarop de Heere vergeeft. Want Hij vergeeft m e n i g v u 1 d i g, zegt de profeet. Ja, de Heere vergeeft niet een m a a 1, maar ve1e malen. Niet zevenmaal, maar zeventig maal zeven maal. Hoor slechts, hoe de Heere zelf roept en betuigt: „Al had gij ook met vele boeleerders geboeleerd, keer nochtans weder. Keer weder gij afkerige kinderen, en Ik zal uw afkeringen genezen !" Zo wil de Heere Zelf alle ongeloofsbedenking, ja alle hinderpalen voor de verslagen zondaar wegnemen, opdat hij met belijdenis zijner zonden en smeking om vergeving tot de Heere toevlucht zou nemen.
Staat gij daarover niet met recht verbaasd en verwonderd? Vraagt ge met een heilbegerig hart hoe de Heilige en Rechtvaardige God dat doen kan ? Hoor dan, hoe de Schrift ons allerwege predikt, dat het een volkomen en a1genoegzame grond is, waarop God aan goddelozen de zonde vergeven kan. Die volkomen grond ligt in Christus en Zijn Borgwerk. In Hem kan God met goddelozen te doen hebben. Buiten Christus is God een verterend vuur voor de zondaar, maar in Christus een gaarne vergevend God. Christus heeft de schuld der zonde volkomen betaald, en al haar vloek gedragen, ja weggedragen. Hij heeft de zonde geboet gedurende Zijn ganse leven, maar inzonderheid in Gethsemané en op Golgotha, waar Hij de toorn Gods tegen de zonde volkomen heeft gedragen en weggedragen. Van Hem kon de profeet des O. T. reeds getuigen: ,,De Heere heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen. Als dezelve geëist werd, werd Hij verdrukt. Als een Lam werd Hij ter slachting geleid en als een schaap dat stemmeloos is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open.
Zo kon de Apostel met de profeet jubelen, dat Hij Zelf onze zonden gedragen heeft tot op het hout, ja tot op het hout des kruises. Op die grond mag nu de snoodste der zondaren zelfs toegeroepen worden: „Hij vergeeft menigvuldig !" Daarom komt ook tot ons nog heden de roepstem des Heeren : „De goddeloze verlate: zijn weg en de ongerechtige man zijn gedachten en hij bekere zich tot de Heere". Mocht gij dat door genade doen ? Dan zult gij ook ervaren hebben: Hij vergeeft menigvuldig! Maar dan zal ook bij tijden het loflied uit de ziel opstijgen:
Een stroom van ongerechtigheden,
Had d' overhand op mij, enz. Ps. 65:2.
Ook tot ons M,G., kwam in deze ure van Godswege weer de dringende roepstem des Heeren : „De goddeloze verlate zijn weg en de ongerechtige man zijn gedachten, en hij bekere zich tot de Heere !"
Daarom nu de ernstige vraag : Hebt ook gij die roepstem gehoord, M. G., als tot u gericht? Daar toch zal het met ons moeten komen, zal het wel met ons zijn, dat wij die roepstem hoorden, als tot ons persoonlijk gericht. Ach! hoevelen zullen er nu zijn, die dit woord gehoord hebben, alsof het hun niet aanging. Die dit woord wel zeer gepast vonden,, voor die en die, maar het voor zichzelf niet nodig achten, omdat zij onbekommerd voortleven op de weg naar de eeuwigheid! Ach! hoevelen zijn er, die het zo druk hebben met de dingen der aarde en des tijds, dat zij geen tijd hebben om aan de dingen der eeuwigheid te denken. En wat het ergste is? Zij zijn in eigen oog en besef geen goddelozen en ongerechtigen, en menen dus dat dit woord hun niet geldt. Ze zijn geen goddelozen in eigen schatting en behoeven dus ook hun weg niet te verlaten. Zij zijn geen ongerechtigen en denken, in eigen schatting, niets kwaads. Waarom zouden ze dan hun gedachten moeten prijsgeven. Behoort gij nog bij hen, mijn medezondaar ? O, hoor dan in deze ure nog van 's Heeren wege de vernederende waarheid, dat ook gij een goddeloze zijt; maar ook de roepstem, ja de dringende roepstem om uw goddeloze weg te verlaten en uw ongerechtige gedachten prijs te geven, en u te bekeren tot de Heer! Meent gij, dat gij geen goddeloze zijt ? Bedenk dan eens even wat dit woord wil zeggen. Immers! gij hoordet het reeds : het wil zeggen zónder God, ja tegen God te zijn. En nu mag dat misschien in onze wandel niet zo openlijk openbaar worden, wijl wij bewaard bleven voor de uitgieting der ongerechtigheid, toch geldt het van ons allen, wie wij ook zijn, dat wij zonde r God zijn, omdat wij in het Paradijs God afgevallen zijn en de Satan toegevalen zijn. Daarom, wie gij ook zijt, bekeer u tot de Heere. Nog zijt gij in het heden der genade. O bedenk het, dat het vreselijk is te vallen in de handen des Levenden Gods! Ach! hoe droevig is het, als in ons iets leeft van de Farizeër die zich boven de tollenaar verheven acht. Als wij evenals de Farizeër, onze deugden opsommen voor God, en onze tienden geven voor kerk en armen, omdat wij ons niet durven onttrekken; onze zogenaamde plichten getrouw waarnemen en voorts de Heere danken, dat wij niet zijn als die andere mensen, geen rovers, geen overspeler, en ook geen tollenaren die zich op onrechtmatige wijze verrijkt hebben, zodat wij ons dus niet van goddeloosheid hebben te beschuldigen.
O, als gij daarin uw beeld getekend vindt, moeten wij u toeroepen: arme mens! als ge zo u zelf beschouwt, en daarop gerust uw weg voortleeft! O, wat wij u bidden mogen: Ontwaak nog heden uit die geruste slaap der zorgeloosheid ! Wordt eens een goddeloze en zondaar in eigen schatting. Vraag of de Heilige Geest uw blinde zielsogen eens wil ontsluiten, opdat gij u in uw ware gedaante zien moogt en de roepstem des Heeren ook als tot u gericht, moogt beschouwen, en als een verloren zondaar, als een goddeloze en ongerechtige tot Jezus de toevlucht mocht leren nemen!
Welgelukzalig daarom, als wij deze roepstem gehoord hebben, en verstaan, als tot ons persoonlijk gericht. Dan zullen wij door dit woord Gods gezien hebben, dat wij niet voor God zijn, zoals
Gods wet het van ons eist; dat wij geen deugden maar wel ontelbare zonden hebben, ja dat wij goddelozen en ongerechtigen zijn, die zó voor Gods aangezicht niet bestaan en verschijnen kunnen!
Wel ons M. G.! als wij bij aanvang tot die erkentenis mochten komen, dat niet slechts anderen, maar ook wij goddelozen en ongerechtigen zijn!
Maar dan komt met niet minder aandrang tot ons de vraag : Hebt gij die roepstem des Heeren niet slechts gehoord, maar ook opgevolgd? Hebt gij waarlijk als een goddeloze uw weg verlaten en als een ongerechtige uwe gedachten? Daartoe toch zal het moeten komen! Met smart hebben wij niet slechts te erkennen onze goddeloosheid en ongerechtigheid, maar ook als een goddeloze onze weg te ver1a ten, en als een ongerechtige onze gedachten, om ons af te keren van de zonde en terug te keren tot God.
Ach ! zegt ge misschien, ik gevoel er wel de noodzakelijkheid van. Ook heb ik het menigmaal beproefd! Maar ik bevind telkens, dat het zo moeilijk is, en dat al mijn bekeringswerk nog zo gebrekkig is. Want al wandel ik niet openlijk op de weg der goddelozen; al word ik ook voor grove afwijkingen bewaard; de boze gedachten en de ongerechtige neigingen leven nog in mijn binnenste, en doen nog menigmaal mijn voet struikelen. Daarom vrees ik dikwerf of de ware bekering wel mijn deel is. Is dat waarlijk uw gemoedstoestand ? Dan heeft Gods Woord een bemoediging en een onderwijzing voor u.
Een bemoediging. Want de Schrift leert op elke bladzijde, dat het werk der bekering hier op aarde maar ten dele is. Moeten al Gods kinderen niet dagelijks de waarheid ervaren en belijden, door onze Catechismus zo juist omschreven, dat de allerheiligsten zolang zij in dit leven zijn, maar een klein beginsel hebben van deze gehoorzaamheid? Ja! zo zal het zijn. Maar dan zal toch ook in de ziel leven, wat onze Heidelberger er aan toevoegt: „doch alzo, dat zij met een ernstig voornemen niet alleen naar sommige maar naar alle geboden Gods beginnen televen". En niet minder waar is wat ons Kort Begrip er bijvoegt : „Ge1ijk zij ook d e Heere geduriglijk bidden om dagelijks daarin toe te nemen". O, is dat ook niet uw begeerte, gij die geen vreemdeling er van zijt, om als een goddeloze uw weg te verlaten en als een ongerechtige uwe gedachten ? Dan onderwijst de Schrift u om u dagelijks te bekeren. Neen! wij hebben aan de eerste bekering niet genoeg, maar hebben een "dage1ijkse bekering van node. Alleen, tracht u niet te bekeren in eigen kracht. Met u ze1f zult gij teleurgesteld worden. Zoek de kracht daartoe alleen bij de Heere. Vraag niet slechts om schudvergeving door Jezus' bloed, maar ook om zondereiniging en zondeverlating door de Heilige Geest. Die Geest Gods kan ons alleen bekwamen om als een goddeloze onze weg te verlaten en als een ongerechtige onze gedachten.
Mist gij, bij het zien op uzelf, daartoe de vrijmoedigheid ? Om dat gij u steeds meer als een goddeloze en ongerechtige ziet ? O, hoor dan gedurig naar de moedgevende waarheid van onze tekst: „Want Hij vergeeft menigvuldig". Daaraan kunt, maar moogt gij ook gedurig de vrijmoedigheid ontlenen, om gedurig met uw schuld en zonde tot de Heere te gaan. Ja, in Christus is de Heere een gaarne vergevend God. Steun, bij de steeds diepere ontdekking aan uw goddeloosheid, op dit woord. Sla voortdurend het oog op de Enige Borg Christus Jezus, om Wiens wil God alleen goddelozen in vergevende gunst aanschouwen kan. En dan zult gij het zalig ervaren, dat de Heere zaligt die, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die de goddeloze rechtvaardigt om niet!
Amen.
Januari 1947