Jesaja 22 : 12-14 'Roepen tot geween en tot rouwklage' ds. B. van den Berg

Roepen tot geween en tot rouwklage!

Predikatie door Ds. B. v. d. BERG, Em. Pred. te Kampen.

Ps. 18:8
Lezen: Jesaja 22 : 1-14
Ps. 34 : 8
Ps. 32:3,5 Ps. 95 : 5, 7
Ps. 97 : 2

En te dien dage zal de Heere der heirscharen roepen tot geween en tot rouwklage en tot kaalheid en tot omgording des zaks; maar ziet er is bladschap met runderen te doden, en schapen te kelen, vlees te eten en wijn te drinken, en te zeggen : Laat ons eten en drinken want morgen zullen wij sterven. Maar de Heere der heirscharen heeft zich voor mijne oren geopenbaard: Indien ulieden deze ongerechtigheid verzoend wordt totdat gij sterft.
Jesaja 22 : 12-14.

t Is een grote genade M.G., als de Heere Zijne verootmoedigende genade, aan de van Hem afgevallen zondaar verheerlijkt, zodat hij met schuldbelijdenis en berouw tot de Heere de toevlucht leert nemen en Hem smeekt om genade en ontferming.
Zulke voorbeelden vinden wij in de Heilige Schrift getekend op verschillende wijzen.
Wij zien dat in een Jacob, als hij zijn schuld voor de Heere belijdt; in een David, als hij in zijn boetepsalm zijn smeking tot de Heere opheft:
O! God! Gij God mijns heils, vergeef mijn schuld
Mijn bloedschuld toch! hoe billijk ook te doemen
Dan zal mijn mond, met zangstof weer vervuld
Uw heilig recht, gepaard met goedheid, roemen.
En welgelukzalig de mens, die zo in verootmoediging tot de Heere mag naderen. Hij zal ervaren dat de Heere een God is groot van genade en barmhartigheid; Die de ongerechtigheid en overtreding vergeeft.
Maar helaas! niet altijd vinden wij die verootmoedigende gestalte des harten bij de mens! Neen! integendeel! De grote menigte gaat in verharding des harten, in onverbrijzelde stemming der ziel voort op reis naar de eeuwigheid. Van nature wordt het bevestigd bij alle Adamskinderen, dat de zegeningen des Heeren de ziel niet vertederen, en de oordelen des Heeren haar niet verschrikken, zodat men in steeds droever gestalte in verharding des harten zijn weg gaat!
Ziet gij dat niet bij de enkele personen, ja somstijds bij gehele volken ? En dat niet slechts bij die volken, die buiten de openbaring der genade en des genadeverbonds staan en leven, maar ook zelfs bij die volken, die met het Evangelie van Gods genade in de Christus Gods verwaardigd werden. Wij zien het aan het Bondsvolk Israël, dat zich onder de zegeningen en de roepstemmen der genade niet verootmoedigde, maar steeds meer verhardde. Op die verharding van Israël willen wij u thans wijzen. Bidden wij echter eerst om de verootmoedigende genade des Heeren.
Gebed.
Zingen: Psalm 32 : 3, 5.
Tekst : Jesaja 22 : 12-14.
Tussen de gezichten over de Heidense volken en steden, M.G., vinden we hier plotseling een gezicht over de stad Jeruzalem, en het Heilige land, Palestina. Het wordt door de profeet ingeleid met het treffende woord : „De last van het dal des gezichts."
Dat dit gezicht over Israël tussen de gezichten over andere volken gezien wordt, doet ons zien dat de Heere ook het volk Israëls met Zijne heilige ogen onderzoekt, evengoed als de andere volken. Wanneer Juda en Jeruzalem zondigen, worden zij evenmin verschoond als de andere volken, maar moeten zij ook de oordelen des Heeren ondervinden. En dan nog veel strenger dan de andere volken.
Dat oordeel wordt door het zienersoog van Jesaja reeds aanschouwd, ofschoon het nog ver in de toekomst ligt.
Dat het echter een vreselijk oordeel zal zijn, blijkt ons wel uit de tekening daarvan in ons teksthoofdstuk van vers 1-11.
Eerst schildert de profeet de verschrikking die het volk zal bevangen. In de geest ziet hij reeds de verschrikte mannen en vrouwen de hoge plaatsen der stad beklimmen, en roept nu uit : Wat is u nu, dat gij al tegader op de daken klimt?
En dan beschrijft hij de grote verandering, die zal plaats hebben, als zij van een vrolijk huppelende stad, die vol volk was, een dode stad zal worden, die beroofd is van al hare inwoners.
Dat gezicht grijpt de profeet zo aan, dat hij uitroept : „Wend u van mij af, laat mij bitterlijk wenen, want het is een dag van beroering." En, als was hij er ooggetuige van, zo ziet hij onder de benaming van Elam en Kis (waarmede de volken van het Babylonische rijk aangeduid worden), de koning van Babel reeds op Jeruzalem aanrukken, en aanschouwt hij in het profetisch gezicht dat men in Jeruzalem de huizen zal afbreken om er de muren van Jeruzalem mee te bevestigen, en dat zij grachten zullen graven om Jeruzalems weermacht te verhogen.
Maar, wat wel het smartelijkst is voor de profeet ?
Dat Israël in al die benauwdheid blind zal zijn voor de hand des Heeren Die dit alles doet. Zo toch profeteert hij reeds van dat volk: „Maar gij zult niet opwaarts zien, op Dien, Die zulks gedaan heeft, noch aanmerken Dien, Die zulks van oude tijden geformeerd heeft." En dan volgen onze tekstwoorden, waarin ons getekend wordt Israëls verharding onder dat alles; dat de Heere roepen zal tot rouwklage en geween, maar dat in plaats daarvan gevonden wordt blijdschap met runderen te doden en schapen te kelen en wijn te drinken.
Overdenken wij dan thans :
ISRAELS DROEVE VERHARDING ONDER GODS OORDELEN,
als wij horen:
1. Waartoe de Heere roept;
2. Wat de Heere vindt;
3. Waarmee de Heere dreigt.
Israëls verharding blijkt ons M.G. als wij horen:
I. Waartoe de Heere roept.
Zo toch luidt het woord van de profeet in onze tekst: „En de Heere der heerscharen zal te dien dage roepen tot geween en tot rouwklage en tot kaalheid en tot omgording des zaks."
't Blijkt ons dus daaruit dat de Heere dat Israël roept tot waarachtige en diepe verootmoediging.
Immers het zijn de tekenen van de diepste verootmoediging en verbrijzeling, die de Heere bij Israël zien wil, als Jeruzalem van heirlegers omsingeld en belegerd wordt.
De Heere roept allereerst dat Israël tot geween.
Het wenen toch is een uiting van de diepste smart. En dat wil de Heere bij dat Israël zien, dat zij smart zullen gevoelen over de zonde en onder de oordelen des Heeren, die op Jeruzalem zullen neerdalen.
Neen! de Heere wil niet, dat de mens ongevoelig zal zijn onder de tuchtigende hand des Heeren, en er geen pijn onder gevoelen. t Is wel een diepte van verharding als de Heere moet klagen, dat Hij de zondaren geslagen heeft, maar dat zij geen pijn hebben gevoeld. Wenen over de slagen des Heeren wil de Heere bij het getuchtigde Israël zien, maar wil de Heere ook nu nog bij elke zondaar zien, dien Hij tuchtigt en slaat, vanwege de afwijking en de zonde.
Daarom mogen wij ons hieraan wel toetsen M.G. Want ook nu roept de Heere nog elke zondaar, dien Hij slaat en tuchtigt tot rouwklage en geween, met de klaagtoon der harten: „Wee nu onzer, dat wij zo gezondigd hebben, want de kroon onzes hoofds is afgevallen." Welgelukzalig daarom gij, die daar gekomen zijt, toen de Heere met Zijn tuchtigende hand over u was. Zullen wij toch tot de ware verlossing door Christus komen, dan zullen wij eerst met droefheid en berouw moeten geleerd hebben, hoe groot onze zonden en ellenden zijn. Dan zal waarlijk het Gode welbehagelijke wenen des harten bij aan- en voortgang bij ons gevonden moeten worden. En dat wilde de Heere nu bij Israël ook zien, dat zij smart zouden gevoelen over de kastijding des Heeren, en deswege door wenen, hun smart naar buiten zouden openbaren. Daarom roept de Heere ook tot rouwklage en tot kaalheid en tot oorgording des zaks.
Dat waren drie dingen, die bij Israël golden als tekenen van de grootste verbrijzeling en verootmoediging des harten. Als de lichtbewogen Oosterling werkelijk door smart en droefheid gefolterd werd, uitte hij smartelijke rouwklachten en maakte groot misbaar. Bovendien schoor hij het haar zijns hoofds af, zodat het kaal werd en verwisselde zijn feestklederen voor een grove linnen zak, om aldus te tonen dat alle vreugde en blijdschap van hem geweken was.
Die tekenen van droefheid waren maar niet willekeurig gekozen. Neen! de Heere Zelf had aan Israël voorschriften gegeven, op welke wijze zij hun smart en droefheid voor Zijn aangezicht moesten openbaren.
Te dien dage nu, als de Heere met Zijne oordelen Israël zou bezoeken, zou de Heere ook het volk roepen tot rouwklage en tot geween, en tot kaalheid en tot omgording des zaks.
Maar daartoe roept de Heere ook nu nog, zowel volken als personen, als Hij hen met Zijne oordelen bezoekt en Zijne tuchtiging over hen is. O, dat de volken het ook nu verstaan mochten. Maar dat ook elk zondaar in de ure der tuchtiging het ter harte mocht nemen.
En wel was er oorzaak voor Israël om te wenen en te rouwklagen; om zich kaal te maken en met zakken te omgorden. Was niet de Heere met Zijne grimmigheid en oordelen tot hen gekomen ? Was niet de dood hunne vensteren binnengeklommen; en versloeg hij niet velen, zowel in hutten als paleizen ? O, zie, daarom was er wel oorzaak voor hen om te wenen en rouwklagen!
Maar is er ook nu voor de volken geen oorzaak om te rouwklagen en te wenen ? Is de Heere ook nu niet met Zijne oordelen over de volken? Klimt niet door oorlog en pestilentie, door hongersnood en rampen, ook nu de dood bij velen ten venster in?
En is er ook niet voor ieder mens in het persoonlijk leven veel oorzaak om zich voor de Heere te vernederen en te rouwklagen en te wenen ? O! dat wij het, een ieder persoonlijk. ter harte mochten nemen. Want de weg naar de hemel loopt door de droefheid tot de blijdschap. Naar waarheid is het getuigd:
't Is een weg van droef geween, Maar van zoete vreugde tevens, Vaak door donkere neev'len heen! 't Is de nauwe weg des levens!
En roept de Heere nu tot geween vanwege Zijn oordelen; inzonderheid roept Hij tot geween vanwege de zonde. Vanwege hunne zonde had dat Israël wel in de eerste plaats oorzaak om te wenen en te rouwklagen en zich in de grootste droefheid voor Gods aangezicht in 't stof te buigen. Immers! zij hadden de Heere getergd door hunne euveldaden! Zij hadden Gods Wet en dienst verlaten en andere goden gediend in plaats van de Ware en Levende God, Die hen uit het diensthuis van Egypte had verlost en gebracht had in een land, vloeiende van melk en honing. Gezondigd hadden zij tegen een goeddoend God ! En daarover mochten in de eerste plaats wel hunne tranen vlieten, gelijk de profeet Jeremia dan ook, toen het oordeel (hier door Jesaja aangekondigd), over zijn volk gekomen was, het klaaglied aanhief: „Mijn oog, mijn oog vliet af van water", en zijn getuchtigd volk toeriep : „Wat klaagt dan een levend mens ? Een iegelijk klage vanwege zijne zonde !"
Dat woord eenmaal door de profeet Jesaja uitgesproken geldt echter ook wel voor onze tijd. Ook thans toch roept de Heere de volken en alle mensenkinderen tot geween en tot rouwklage, tot ontbinding van hunne versierselen en tot verwisseling van het feestkleed met het rouw- en boetekleed. En dat niet alleen vanwege de gevolgen der zonde; vanwege de oordelen, die de Heere over volken en landen heeft uitgestort, maar vanwege de zonde zelf, die al deze dingen over ons gebracht heeft.
Zeker! wel mag de mens, als des Heeren hand zwaar op hem drukt, en Zijne plagen soms smartelijk zijn, ook wenen over de gevolgen der zonde. Zo deden ook de heiligen des Ouden Verbonds, als de roede hen trof. Neen, de Heere vraagt geen Stoïcijnse ongevoeligheid van Zijne mensenkinderen. Hij wil wel, dat zij wenen zullen, als de smart hen treft en zij in nameloze droefheid zijn neergezonken. De Heere Zelf roept tot geween, gelijk uit ons tekstwoord blijkt.
Maar toch mogen zij in hun wenen en rouwklagen daarbij niet blijven staan. Het wenen over de gevolgen der zonde, moet doen geboren worden een wenen over de zonde zelf, en tot belijdenis brengen van de zonde; ja met de profeet doen weeklagen: „Wee nu onzer, dat wij zo gezondigd hebben, want de kroon onzes hoofds is afgevallen." Gelukkig de zondaar, die door de onderwijzing des Geestes tot deze weeklage mocht komen !
En heeft de Heere ook thans geen oorzaak om ons tot rouwklage en tot geween te roepen over de zonde van land en volk; over de zonde van 's Heeren volk en kerk, en over de zonde van eigen hart en huis ? Wat al zonde en ongerechtigheid wordt er bij landen en volken, en helaas! ook bij ons land en volk gevonden. De Ware God wordt hoe langer hoe meer vergeten en in Zijn plaats allerlei afgoden van eigen maaksel gediend. Of zijn het geen afgoden, als het volk, in plaats van de Ware God te dienen naar Zijn Woord, allerlei filosofische stelsels en schijnbaar vrome godsdiensten van eigen maaksel uitdenkt, maar waarin juist de arme, verloren zondaar en de reddende, rijke Christus ontbreekt ?
Wat een prediker enkele eeuwen geleden reeds zei, past nu nog veel meer :
„Des levens ware Boom wordt t' enenmaal vergeten,
Zo zeer wordt 't oog bekoord door d' ijdelen boom van ’t weten!"
Daarbij, het recht struikelt op de straten, en wat recht is, kan niet ingaan, zodat wij somtijds wel met smart moeten vragen of de volken nog wel recht hebben de naam christelijk te dragen.
En niet minder is er oorzaak om te wenen over de zonde van s Heeren Kerk. De ware vreze des Heeren en het teder wandelen voor Zijn aangezicht wordt bij het grootste gedeelte tevergeefs gezocht, terwijl vorm en sleurdienst, de plaats van het levend geloof, dat door de liefde werkende is; hoe langer hoe meer inneemt.
Wereldgelijkvormigheid en werelddienst krijgen hoe langer hoe weer de overhand, terwijl zelfs van de ware kinderen Sions soms geklaagd moet worden : „Hoe is het kostelijk goud zo verdonkerd ; hoe zijn de kostelijke kinderen Sions de aarden flessen gelijk geworden ?" Moet gij dat niet belijden als uwe ogen door Gods genade geopend werden, en gij een gezicht kreegt op u zelf ?
En niet minder is er dan ook oorzaak om tot geween te roepen, als wij zien op de zonde van eigen hart. Woekert niet in menig hart soms de zonde onbeteugeld voort ? Ja wordt zij niet menigmaal gekoesterd, geliefkoosd en gekweekt ? Wordt zelfs niet menigwerf het kwade goed, en het goede kwaad geheten?
En zelfs, waar wij door genade de zonde als zonde mochten leren kennen en verfoeien ; wordt dan menigwerf nog niet te weinig ernst met de strijd tegen de zonde gemaakt, zodat van menig kind des Heeren getuigd moet worden, wat ons van zovele koningen van Juda beschreven staat, dat zij deden wat recht was in de ogen des Heeren, maar dat zij alleenlijk nog offerden en rookten op de hoogten?" Ach ! als wij maar ogen hebben om te zien, zullen wij het wel moeten belijden, dat de Heere wel reden heeft om ons te roepen tot geween en tot rouwklagen!
Maar ach! hoe ver is het daar nog menigwerf van verwijderd. Dat zal ons blijken als wij nu zien:
II. Wat de Heere vindt.
Hoe toch was het bij dat Israël gesteld, toen de Heere Zijne oordelen uitstortte ? Weenden en rouwklaagden zij daarover? Vond de Heere verbrijzeling des harten, zodat zij gebukt gingen onder de last hunner zonden? O neen! Wel waren daar enkelen, ook in het gekastijde Israël, die gehoor gaven aan de roepstem des Heeren, en zuchtten en weenden over al de gruwelen die daar in het midden van Jeruzalem geschiedden......; maar de grote massa leefde onbewogen voort, zonder smart, onder de oordelen des Heeren, en zonder droefheid over de zonde. Wat toch vindt en aanschouwt de Heere in Zijn Bondsvolk Israël? Inplaats van droefheid en smart, vreugde en blijdschap. Dat ziet reeds de Profeet. Jesaja met zijn door Gods Geest ontsloten zienersoog, en doet hem van te voren reeds profeteren : „En te dien dage zal de Heere roepen tot geween en tot rouwklage, tot kaalheid en tot omgording des zaks...... maar zie, daar is vreugde en bladschap met runderen te doden en schapen te kelen, vlees te eten en wijn te drinken en te zeggen : Laat ons eten en drinken, want morgen zullen wij sterven."
Niet in 't minst stoorde zich het getuchtigde Israël aan de roepstem des Heeren. In droeve verharding verkeerde het onder de slaande hand Gods.
Als was er geen gevaar te duchten, en geen God, Die toornde, gingen zij door met feestmalen aan te leggen, met runderen en schapen te slachten, en vlees te eten en wijn te drinken, ja met zelfs de lichtzinnige en gruwelijke spottaal te bezigen : Laat ons nog zoveel vreugde in 't leven scheppen als wij kunnen, want het zal spoedig gedaan zijn, want morgen zullen wij sterven...... Wat een droeve verharding mogen wij wel zeggen. Abrahams zonen hielden feest, terwijl de vlammen van Gods oordelen rondom brandden en uitsloegen, en de heilige stad Jeruzalem verteerden. Zij hielden gastmalen, terwijl de dood reeds op weg was om hun leven af te snijden. Niet de minste verootmoediging was er bij het volk te bespeuren, en geen vluchten om in de Rots der ontkoming, de Beloofde Borg en Zaligmaker, het oordeel Gods te ontkomen!
Hoe vreselijk, mogen wij wel zeggen...... Maar M.G., is het in onze tijd anders ? Ach! als wij onze blik even in 't rond slaan ; zien wij dan in onze tijd bij de volken en helaas! ook bij de grote meerderheid van ons volk, niet dezelfde verharding ? Terwijl de donder van Gods oordelen de ganse aarde beroert, ......zit men avond aan avond in bioscoop en schouwburg, in cabaret en danshuis, om te eten en te drinken, en vreugde te bedrijven.
Terwijl de Heere roept om 't boetekleed aan te trekken, denkt men alles uit om zich een weelderig feestkleed te laten maken, en zich op te pronken om in 't oog der medemens te schitteren. En terwijl de Heere roept om Zich in Zijn bedehuis te verootmoedigen, is men Sabbath op Sabbath bezig om wedstrijden en feesten te organiseren, en spreekt het met woord en daad uit: „Wie is de Heere, dat wij Hem gehoorzamen zouden ?, evenals eens de koning Farao, van Egypte.
Zie! zo beantwoordt ook in deze tijd de grote massa der mensenkinderen aan de tekening die de profeet eens moest geven van het Israël van de Ouden Dag. En ook thans vindt de Heere onder de volken, en helaas! ook onder ons volk van Nederland slechts verharding en ongevoeligheid, in plaats van rouwklagen en geween!
Moet ons hart daarover niet schreien als wij door genade enigermate de oproep des Heeren hebben verstaan? Want ja ook thans is er gelukkig nog een kleine schare, nog een overblijfsel naar de verkiezing der genade, evenals onder Oud-Israël, dat met Jeremia soms moet zeggen : ,,Och! dat mijn hoofd water ware en mijn oog een springbron van tranen om te bewenen de ongerechtigheid van de dochter mijns volks." Ja, ze zijn er ook nu nog; de kinderen Gods, die het bij ogenblikken gevoelen, dat geen vreugdegedruis, maar rouwbetoon ons past voor het aangezicht des Heeren, als zij zien op de zonde des volks, de zonde der kerk en de zonde van eigen hart. 0, als het ontdekkend licht des Heiligen Geestes hen bestraalt, vinden ze zoveel waarover zij hebben te weeklagen en te schreien. Dan zeggen zij, vooral als zij letten op eigen hart:
„Als ik in d' eenzaamheid mijn hart wil onderzoeken vind ik in alle hoeken slechts zonde en schuld."
Dat doet hen dikwijls met verootmoediging voor het aangezicht des Heeren nederbuigen en wenende en smekende toevlucht nemen tot het bloed der verzoening, dat alleen van alle zonden reinigen kan, met de smeekbede des dichters :
Gedenk niet meer aan 't kwaad dat wij bedreven
Ons euveldaad worde ons uit gunst vergeven.
Waak op o God! en wil van verder lijden
Ons klein getal door Uwe kracht bevrijden!
Help ons Barmhartig Heer!
Uw Grote Naam ter eer!
Uw trouw koom' ons te stade.
Verzoen de zware schuld,
Die ons met schrik vervult,
Bewijs ons eens genade!
O, kent gij niet die zielsgestalte, begenadigd volk! onder de oordelen en tuchtigingen des Heeren? Ja zo zal het zijn. Want te allen tijde heeft de Heere hier nog een volk op aarde, dat, (al is het in veel gebrek en in eigen oog gans onvolkomen) weent over de ellenden. En dat niet slechts over de gevolgen der zonde, maar bovenal over de zonde zelf. Ja, Gods kinderen wenen en rouwklagen, als zij zien hoe land en volk steeds meer de Levende God en de Christus verwerpt, om zich zelf bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden. Zij wenen, als zij dagelijks zien, hoe de heilige Wet en ordonnantiën des Heeren vertreden worden, en de vorst der duisternis gediend, zodat zij met David weeklagen: „Waterbeken vlieten uit mijne ogen af, omdat zij Uwe wet niet onderhouden !'.
En niet minder wenen zij, als zij zien op de afwijking van 's Heeren Kerk; over de, inzonderheid in onze dagen, dagelijks zich openbarende dor- en dodigheid onder 's Heeren volk, wat hen in smart-gevoel des harten soms voor het aangezicht des Heeren doet klagen, met de vromen van Oud-Israël: Heere! waarom doet Gij ons van Uwe wegen dwalen ? Waarom verstokt Gij ons hart, dat wij U niet vrezen ?
Maar zij wenen en rouwklagen bovenal, als zij zien op eigen zonde en schuld ; op de overgebleven verdorvenheid des harten, waarvoor zij gedurig verzoening zoeken in het bloed des kruises, maar ook de heiligende werking des Geestes voor begeren, die ook na ontvangende genade hen nog altijd aankleeft, en om hen te verlossen van alle smet der zonde. O, wel leven zij meningwerf in diepe smart en droefheid over de zonde, maar toch zijn ze gelukkig te prijzen meer dan de goddelozen in al hun gewaande en zelfgemaakte blijdschap.
Want de blijdschap der goddelozen zal eenmaal veranderen in eeuwige droefheid, maar de droefheid van Gods kinderen zal eenmaal overgaan in eeuwige blijdschap. Aan hen zal bevestigd worden, wat van oude jaren reeds getuigd werd:
Waar dan al de vreugd van 't leven;
De zondedienaar gaat begeven,
Daar vangt de vreugd des christens aan.
Ja, de vreugd van 't leven, zal eenmaal voor de dienaars der wereld in rouw veranderd worden.
Dat zal ons blijken als we nog letten op :
III. Waarmede de Heere dreigt.
Niet straffeloos toch laat de Heere zijn roepstemmen verachten. Als de lankmoedigheid Gods, inplaats van ons tot bekering te leiden, ons steeds meer verhardt, is het oordeel zeker. Dat heeft het feestvierende en etende en drinkende Israel ondervonden. Zo toch roept de profeet uit voor de oren van het schuldig Israel, als een donderslag te midden van hun ijdele feestvreugde: „Maar de Heere
der heerscharen heeft Zich voor mijne oren geopenbaard, zeggende : Indien ulieden deze ongerechtigheid verzoend wordt, totdat gij sterft; zegt de Heere der heirscharen".
Ziet daar dus de vreselijke dreiging des Heeren over het OudTestamentische Israel. Zij houdt in, dat de lankmoedigheid des Heeren ten einde is, en dat Hij het niet langer in zijn genade zal dragen en het oordeel over Israel niet langer zal uitstellen, maar in rechtvaardigheid zal voltrekken.
En welk een vreselijk oordeel is het, waarmede de Heere dreigt. Immers! dat Israel wordt bedreigd met een in toorne geopenbaard oordeel. Aan zijn profeet Jesaja heeft hij het nu geopenbaard dat de mate zijner lankmoedigheid ten einde was. ja! de Heere was uitermate lankmoedig geweest over zijn Bondsvolk. Lang had Hij het volk gezocht tot bekering te leiden. Gedurig riep Hij het door Zijn profeten : „Keer weder! keer weder, o Israel, want waarom zoudt gij sterven !". Maar dat Israel had niet naar de roepstemmen des Heeren gehoord! Gedurig was het verder van de Heere afgeweken en had met woord en daad gezegd : „Wijk van ons want aan de kennis Uwer wegen hebben wij geen lust". Maar nu dat Israel zelfs des Heeren genaderoepstemmen had geweigerd te horen en in ijdele feestdwaasheid had verworpen, was de mate der ongerechtigheid vol geworden en de lankmoedigheid Gods ten einde. Ook aan de tijd der genade Gods is een grens en aan Zijn lankmoedigheid een paal.
Wel zingt de Kerk des Heeren:
's Heeren goedheid kent geen palen!
en mocht David, pleitende op 's Heeren genade, zeggen: ,,Uw goedheid wordt noch paal noch perk gezet", maar dat is alleen voor hen, die onder de roede des Heeren hebben leren buigen en naar de roepstem des Heeren hebben leren horen. Maar zij die hun nek verharden, zullen in het kwaad vallen.
O, dat de volken van onze tijd op de roepstemmen des Heeren acht mogen nemen. Anders zien zij hier in Israel van de oude dag wat ook hen eenmaal wacht. Want gelijk Israel, zal het hen ook gaan, als zij op de roepstemmen des Heeren geen acht geven ; en zich tegen de Heere der heirscharen blijven verzetten. En toch, helaas! hoe zien wij de waarheid daarvan nu reeds meer dan eeuwen. Wat Da Costa in 1848, nu meer dan een eeuw geleden reeds moest getuigen, is ook thans nog waar. Ook nu moet hem nagezegd worden: „Het oproer heeft zich door de volken,
Als een verslindend vuur verspreid.
Een woeste kreet heeft tot de wolken;
Zijn daverende galm verbreid!
Een leus van waanverstand en logen,
Verrijst, God lasterend, ten hogen!......
En 't zinneloos Euroop juicht toe
't Juicht toe en ziet met gretig ogen,
Hoe d' uitkomst van hun gruwzaam pogen,
Het in de afgrond zinken doe !"
Hoe vreselijk, M.G., als de volken zó zich zelf rijp maken ten oordeel, evenals Oud-Israel.
Maar niet slechts vreselijk is hetgeen de Heere dreigt voor de volken, maar ook voor elke zondaar persoonlijk, die naar de roepstemmen des Heeren tot geween en rouwklage niet wil horen, maar in wufte zondeblijdschap des Heeren Woord verwerpt, en met sprekende daden tot Hem zegt: „Wijk van mij, want aan de kennis Uwerwegen heb ik geen lust!". Is het zo met U mijn medezondaar? O, in welk een droeve toestand verkeert gij dan! Geen droever toestand dan deze, dat de roepstemmen des Heeren ons onverschillig laten ; ja meer en meer verharden. Dan maken wij ons zelve rijp voor de dag der slachting en gaan een zeker oordeel tegemoet.
O, daarom bedenk het mijn medezondaar opdat gij in de tijd der genade nog de toevlucht moogt leren nemen tot de Rots der ontkoming, Jezus Christus, bij Wie uitkomsten zijn tegen de dood en ook tegen de eeuwige zondedood.
O, dat het geslacht onzer dagen er op mocht letten, opdat de roepstemmen des Heeren tot bekering niet eenmaal tegen haar mogen getuigen. Dat begeert dan ook de zondaar te doen, die waarlijk door God ontdekt werd aan zijn droeve staat ; aan zijn schuld en oordeel
Want juist de ontdekte door Gods Geest leert het verstaan en belijden, dat hij van nature een hard hart in zich omdraagt. dat maar gedurig door de Geest week gemaakt moet worden. Ja, Gods kinderen klagen menigwerf over de hardheid van hun hart en smeken om de Geest der genade en der verootmoediging. Zij zeggen het de dichter na :
Kon ik mij maar dieper buigen;
Dieper zinken in de grond!
Kon ik dus mijn hart vertederen;
Dat 'k Uw liefde wedervond!
Welgelukzalig als wij geen vreemdelingen van deze zielsstemming zijn. Dan is niet de dreiging die de Heere Israel in onze tekstwoorden dreigt, voor ons bestemd. Neen! dan zal de Heere ook tot ons zeggen, gelijk eens tot een van Israels koningen: „Omdat uw hart week geworden is, daarom zal Ik u in genade aanzien, en zal het oordeel over u niet komen”.
O! onderzoeken wij ons dan of wij reeds bij deze bevoorrechten mogen behoren. Anders zal er geen ontkoming voor ons zijn. Want is hetgeen de Heere hier tot Israel zegt een in toorn geopenbaard oordeel, het is ook een vastbesloten oordeel.
Zo zegt de Heere tot het Israel van de Oude Dag : „Indien ulieden deze ongerechtigheid zal verzoend worden, totdat gij sterft". t Is als wil de Heere hiermede zeggen, dat deze misdaad hen niet vergeven zal worden, maar dat de Heere het uitgesproken oordeel zeker op hen zal doen nederdalen, omdat zij naar de roepstemmen des Heeren niet geluisterd hebben en er geen gehoor aan hebben gegeven.
En dit woord heeft de Heere vervuld, toen Hij het volk weg liet voeren naar Babel. Toen moest Israel het ervaren, dat het kwaad en bitter was, de Heere hun God te verlaten- en dat Zijn vreze niet bij hen was.
Maar wat de Heere eenmaal aan Israël dreigde, dat dreigt Hij ook nu nog aan de volken, die naar Zijn stem niet horen en aan elk zondaar, die de roepstemmen des Heeren veracht en in de wind slaat. O, dat de volken onzer dagen er op mochten letten! Dat ook elk zondaar persoonlijk er acht op mocht geven en naar 's Heeren roepstemmen horen.
Aan oud-Israel werd in dit woord aangekondigd dat de tijd der genade en lankmoedigheid Gods nu voorbij was; wijl zij die zelve moedwillig hadden veracht. Maar ook nu geldt dit woord nog voor elk volk en voor elke zondaar, die naar de roepstem des Heeren niet heeft willen horen. O, tot dezulken zal de Heere eens zeggen : „Toen Ik geroepen heb, hebt gijlieden geweigerd, nu zal Ik spotten als uw vreze komt, en lachen als uw verderf nadert".
Ontzettend, M.G., als de zondaar zolang tegen de goedertierenheid en lankmoedigheid Gods zondigt, dat er geen genade meer voor hem is. Dan gaat het hem eens als Ezau, die een plaats des berouws zocht ; zelfs met tranen zocht, maar die niet vond. Dan klinkt het ,,te laat", voor allen, die de roepstem des Heeren veracht hebben. 0, wel mag het ons met vreze en schrik vervullen en doen gehoor geven aan de vermaning van de Psalmist:
Verhardt u niet; neemt Zijn gena
Ootmoedig aan; laat Meriba,
Laat Massa u ten afschrik wezen;
Waar 'k door uw vaders ben verzocht,
Toen alles, wat Mijn almacht wrocht,
Hen niet bewoog. om Mij te vrezen.

Dies heb Ik, door hun tergend kwaad
Op 't hoogst vergramd, dit volk versmaad,
En met een dure eed gezworen,
Dat, wegens zijn geschonden trouw,
Het nooit Mijn rust genieten zou,
Die voor Mijn volk nog blijft beschoren.
Psalm 95 : 5, 7.
Vreselijk M.G., is het oordeel der verharding! En toch zien wij in het woord van onze tekst een heldere spiegel, waarin wij het beeld van velen aanschouwen.
Ach! hoevelen worden er gevonden, die trots de oordelen des Heeren, Zijne roepstemmen tot verootmoediging, in de wind slaan. Ja, die, waar de Heere roept tot rouwklage en geween, niet slechts over de gevolgen, maar over de zonde zelf en tot ware droefheid des harten; zich zoveel mogelijk daar tegen verzetten en elke neiging tot droefheid, zowel bij zich zelf als anderen onderdrukken en in valse gerustheid voortleven.
O! worden daar ook nu niet velen gevonden, die, waar de Heere roept tot rouwklage en geween; en dreigt met Zijne oordelen; zich zelf en anderen paaien met de geruststelling, dat het nog wel wat mee zal vallen ; en zich zo spoedig mogelijk werpen in de maalstroom van 's levens genieting, en blijdschap zoeken in te eten en te drinken om die droefgeestige en onaangename gedachten te verdrijven...... Ach! de zondaar wil van nature niet bedroefd en verbrijzeld zijn. Liever wenst hij zich te baden in de ijdele blijdschap der wereld, dan als een boeteling in de droefheid naar God, die een onberouwelijke bekering werkt tot zaligheid, voor God in 't stof neer te buigen.
Misschien zijn zij er ook wel onder ons, die zodra maar enige droefheid op hen aankomt, en zij door de Heere geroepen worden tot rouwklage en geween, terstond afleiding zoeken om die droefheid te ontvluchten, en in ijdele blijdschap verstrooiing zoeken. O, wat wij u bidden mogen, doe het niet. Zoek niet de ijdele blijdschap, die vergaat en verkeert, in eeuwige droefheid. Wilt gij eenmaal ware blijdschap smaken, dan zult gij eerst de ware droefheid moeten kennen, die niet slechts gaat over de gevolgen der zonde, maar over de zonde zelf. Dat is de droefheid naar God, die een onberouwelijke bekering tot zaligheid werkt. O! bestrijdt die droefheid niet, als zij op u aankomt. Vraag liever of de Heere u die droefheid steeds meer wil doen kennen, opdat gij er door tot Christus als de schuldwegnemende, maar ook als de Enige blijdschapgevende Borg moogt uitgedreven worden. Kent gij daar iets van ?
O dan wordt dit woord voor u een ontroerende waarheid. Dan zult gij uw schuld enigermate hebben leren kennen en gevoelen. Immers! hoe menigmaal heeft de Heere u reeds geroepen tot rouwklage en geween; tot kaalheid en oorgording des zaks ! Maar gij zijt er dikwijls, ofschoon met veroordeelde consciëntie, onder doorgegaan. Wel hebt gij het niet in de ijdele vreugde gezocht, maar tot rechte verbreking en droefheid kwam het bij u nog niet...... ! En toch zijt gij overtuigd, dat het daar moet komen, als ge ziet, wie gij zijt voor God! Dat doet u bij ogenblikken met schrik vrezen dat de Heere u aan de dwaasheid en de hardheid uws harten zal overgeven ?
O, hoe bang het u dan ook bij ogenblikken is ; toch wel u, als het zo met u is. Want dan mogen wij u toeroepen, dat er hope voor u is. Als we waarlijk de hardheid van ons hart leerden kennen en gevoelen, en ook daarmede als een schuldenaar voor God leerden buigen en tot Hem de toevlucht leerden nemen met de smeking of de Heere door de almachtige werking Zijns Geestes ons harde hart wil verbreken; dan wil de Heere onze smeking verhoren en ons Zijne hartveranderende en zielverbrijzelende genade geven. Ja, wat meer is, dan heeft Hij ook aan ons bij aanvang Zijne belofte vervuld: „Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen en Ik zal u een vlesen hart geven", en zal Hij die belofte ook bij de voortgang steeds meer aan ons vervullen. Immers! dat hebben wij nodig!
Ach! hoe menigmaal moet door Gods kind, ook na ontvangen genade, bij voortgang op de weg des levens over de hardheid des harten geklaagd worden.
Zijt gij daar geen vreemdeling van? Is dat ook uw toestand en klacht des harten, zo menigmaal ? O, dan vindt gij hier juist een toetssteen der genade.
Die waarlijk ja en amen heeft leren zeggen op de roepstem des Heeren tot geween en tot rouwklage; tot kaalheid en omgording des zaks, omdat hij zich als een gans doemwaardig, schuldig, en verloren zondaar voor Gods aangezicht leerde kennen, is reeds bij aanvang tot verbrijzeling des harten voor God gekomen en zal met David hebben leren smeken:
Gena o God! gena, hoor mijn gebed
Verschoon mij toch naar Uw barmhartigheden.
Delg uit mijn schuld, verzoen mijn overtreden!
Uw goedheid wordt noch paal noch perk gezet
Ai! geef mij weer gewenste zielevreugd
Doe uit Uw mond mij stof tot blijdschap horen!
Zo wordt opnieuw 't verbrijzeld hart verheugd.
En in mijn geest de ware rust herboren!
O, dan zal bij ogenblikken diep gevoelde droefheid in de ziel gevonden worden en het zal hen juist smarten, dat het hart nog menigwerf zo hard is. Want die droefheid naar God zouden zij niet missen willen voor al de blijdschap der wereld. Van die droefheid naar God kunnen zij nog getuigen:
Al wordt de ziel door zondeschuld,
Met droefenis en rouw vervuld ;
Dit treuren zelfs geeft meerder vreugde,
Dan hier de zondaar ooit verheugde.
Maar zo wordt ook dit woord des Heeren, dat Hij roept tot rouwklage en geween juist het kenmerk der ware kinderen Gods. Waarin zij ook van elkander mogen verschillen : hierin zijn zij allen één, dat ze de droefheid naar God kennen, die een onberouwelijke bekering werkt tot zaligheid.
Immers aan de droefheid over de zonde, het wenende toevlucht nemen tot God, met de belijdenis hunner schuld, in en door Christus, zijn de ware begenadigden te kennen. En dat niet alleen bij aan- maar ook bij voortgang. Zij zijn en blijven hier leeddragers, en vinden telkens weer nieuwe stof tot geween en rouwklagen. Hoe meer ze zich zelf en de zonde rondom zich leren kennen, hoe meer hun tranen vlieten. Maar toch mogen zij te midden van hun droefheid getroost en verblijd zijn. De Heere Zelf. hun Borg en Zaligmaker, roept het hun, als een balsem der ziele toe : Zalig zijn zij, die treuren, want zij zullen vertroost worden!
Amen.

Psalm 97 : 2,
Een vuurgloed gaat Hem voor,
De ganse hemel door,
En blaakt aan alle zijden
Hen, die Zijn macht bestrijden;
Zijn felle bliksemschicht
Snelt door al 't zwerk, verlicht
De ganse wereldkloot;
Het aardrijk ziet zijn nood,
En ijst, en beeft, en zwicht.


Februari 1954