Psalm 51:20 'Doe wel bij Zion naar Uw welbehagen' ds. L.H. van der Meiden

Davids bede om Zions heil.

PREDIKATIE DOOR DS. L. H.V.D. MEIDEN, TE DEN HAAG (C)

Ps. 9:11,14.
Lezen: Psalm 102:14-23.
Ps. 74:2.
Ps. 102:7, 9.
Ps. 89:8.
Ps. 69:14.

Doe wel bij Zion naar Uw welbehagen; bouw de muren van Jeruzalem op.
Psalm 51 :20.

In het gedenkjaar der Afscheiding wordt er heel wat gesproken over de Kerk, heel wat geschreven tegen haar. Maar wordt er veel voor haar gebeden, geliefden? Nog enkele dagen en het herdenkingsuur slaat. Wat staat ons dan te doen? Dan én nu én daarna klimme ons gebed op voor Zion. Ontzettende dagen doorleeft de Kerk. De afval is groot. De verwarring neemt toe. Velen verstaan de zuivere waarheid niet meer. In sommige werelddelen wordt Zion benauwd en verdrukt, is de lelie tussen de doornen in, lijden. Denk maar eens aan Rusland. Is het niet vreselijk, dat een vader (zoals een blad schreef) een' dochtertje van negen jaar bij het beeld van Marx doodsloeg, omdat zij nog geloofde! En veel meer is te noemen. Ach!, er is zooveel te bidden voor Zion; er is zoveel te worstelen voor het Zaad der Kerk. Vergeten wij dit toch niet. En hoe zullen wij bidden?
Het reukwerk, dat voor de getuigenis in de tent der samenkomst gebracht moest worden, moest bestaan uit gemengde, reine, heilige specerijen, gestoten tot klein pulver. Dit mocht niemand voor zichzelf namaken; zulk een werd uit het midden van Israël uitgeroeid. (Ex. 30 : 34-38).
Geliefden, dit geldt ook van ons bidden. Ons gebed moet een heiligheid den Heere zijn. Dit gebed moet zijn een mengsel der genade Gods; in het rechte gebed moet gevonden worden het geheiligd schuldbesef, de smart over de zonde, de droefheid naar God, het diepe gevoel van onze onwaardigheid en het smeken om genade in den Naam van Jezus Christus. Dit gebed moe ook aanbidden en danken zijn en opstijgen uit een verslagen, een verbroken hart. Rein en heilig moet het zijn; niet nagemaakt.
Maar wie is tot deze dingen bekwaam? De Heilige Geest kan alleen ons die genade schenken. Ons gebed, geheiligd in den enigen Hogepriester, zal alleen als lieflijk reukwerk voor Gods aangezicht opklimmen Wij hebben te bidden voor Zion, dat nu verdrukt en uiteengeslagen ligt. Eens zal de Kerk als de ééne Bruid heerlijk openbaar komen; eens zal zij één kudde blijken, waarvan geen klauw wordt gemist; eens zal zij volmaakt, zonder vlek of rimpel, Gode worden voorgesteld. Hoe ver zijn wij daarvan nog verwijderd! Smart het ons? Wij hebben voor Zion te bidden.
Komt, geliefden, slaat met mij Gods Woord open en laten wij ons door dat Woord voorlichten! Smeeken we allereerst Gods zegen af over de bediening van Zijn Woord
GEBED.
Ps. 102 : 7, 9.

Tekst: Psalm 51:20. Doe wel bij Zion naar Uw welbehagen; bouw de muren van Jeruzalem op.
Psalm 51 moest aan de kerkdeuren gespijkerd worden, merkte eens iemand op, opdat Gods arme volk er vertroosting uit zou kunnen putten. Bedoeld werd, dat deze boetspalm dus daarom niet in de binnenkamer van Davids paleis gebleven is. Gode zij dank! Hoeveel kinderen Gods hebben dezen psalm niet tranen van boetvaardigheid nagelezen; hoeveel zielen baden met David hartelijk mee om vergeving van eigen schuld. Heel het levende Zion kent dezen psalm voor eigen hart. Ge vindt in dezen psalm het geheiligd schuldbesef en het gebed des geloofs. Het geheiligd schuldbesef blijkt uit de eerste verzen al heel duidelijk. De dichter erkent zijn schuld, zijn zondigen tegen God, zijn ontvangen en geboren zijn in ongerechtigheid. Allen, die door den Heiligen Geest tot zaligheid bearbeid worden; kennen dit schuldbesef. Hoe krachtig en diep is het in den wedergeboren zondaar; hoe heerlijk blijkt bij David des Geestes werk. En dit schuldbesef moet eigenlijk nooit ontbreken.
Bij dit schuldbesef vindt ge ook het gebed des geloofs. Hoe aangrijpend bidt de dichter ten eerste voor zichzelf. Hij is de ellendige; voor zich zelf bidt hij om genade en vergeving, om reiniging en herschepping, om bewaring en vreugde. Hoe rijk is dit gebed; hoe vertolkt het de hartsbegeerten der levende Zionieten. Maar David bidt ook voor anderen. Genade leert meeleven; genade leert ook aan den nood van anderen denken. David beseft hier duidelijk, dat hij een lid van het Lichaam van Christus is; daarom smeekt hij voor heel het Lichaam. Het heil van Zion gaat hem ter harte. Hij heeft schuld; en door zijn schuld is ook Zion gewond en Jeruzalem gescheurd. En zóó klimt, in geheiligd schuldbesef en in geloof, de bede op: Doe wel bij Zion naar Uw welbehagen; bouw de muren van Jeruzalem op. Mochten wij zoo meebidden, dan zal er een recht reukwerk des gebeds, door Gods Geest, opstijgen voor Gods aangezicht. Wij hebben in de woorden van onzen tekst:
Davids bede om Zions heil;
een bede,
1. treffend in haar insluiten;
2. (de/lijk in haar begeren;
3. grondig in haar pleiten;
4. zeldzaam in haar beoefenen.

1. Treffend in haar insluiten.
Doe wel bij Zion; bouw de muren van Jeruzalem op. David sluit dus heel Zion, heel Jeruzalem in.
Wat hebben wij onder Zion te verstaan? Gij weet, dat Zion de berg is, op welken in Davids dagen de tabernakel binnen een eenvoudige tent, en in, Salomo's tijd de. prachtige tempel stond. Israël zong van dien berg:
God Zelf heeft dezen berg begeerd
Ter woning, om, aldaar geëerd,
Zijn heerlijkheid te tonen;
De HEER, Die hem verkoren heeft,
Die trouwe houdt en eeuwig leeft,
Zal hier ook eeuwig wonen.
Zion is verkoren. God heeft uit vrije gunst Zion gekozen tot Zijn woonplaats. Dit zegt ons reeds dadelijk, dat alle genade vrij valt; dat zondaren zalig worden naar eeuwige verkiezing; dat Gods volk een verkoren volk, een volk des welbehagens is. Die gedachte geeft het geloof rust. Die heerlijke waarheid ontslaat ons niet van onze heilige roeping; doch wel zegt ze tot het geloof: God staat voor Zijn werk in; de poorten der hel zullen de Gemeente van Jezus Christus niet overweldigen.
De HEERE heeft Zion verkoren om aldaar Zijn heerlijkheid te openbaren. Woord vol van genade! Wij zijn in Eden gevallen; hebben ons losgescheurd van God; liggen dood in de misdaden en de zonden; zijn, verdorven van nature, vijanden van God en onzen naaste. Welk een breuk is er door de zonde geslagen! Niemand vraagt nu van nature meer naar God; wij zijn allen verdorven; derven allen de heerlijkheid Gods; niet één is er, die God zoekt. Maar naar Zijn eeuwig welbehagen zoekt God den mens; daalt Hij neder -tot dien diep gezonken slaaf der zonde en vijand Gods. O, God is liefde! Zie het op Zion, waar de HEERE Zijn heerlijkheid openbaart in het heilige der heiligen, beven het gouden verzoendeksel. Predikt dit ons niet, dat God rechtvaardig en genadig is? De wet onder het verzoen-deksel en het verzoendeksel boven de wet zeggen dit reeds zoo duidelijk. Als aan liet recht Gods voldaan is, betoont Hij Zijn, gunst in Zijn verzoening. Die heerlijkheid Gods is ten volle geopenbaard in Jezus Christus, het Woord, Dat vlees geworden is, de Verlosser, Die tot Zion gekomen is.; Jezus Christus, Die gehoorzaam werd tot den dood des kruises; Die Zich Zelf offerde aan het vloekhout, en een volkomen verzoening teweeggebracht heeft; in Wien de verkorenen tot kinderen Gods worden aangenomen,. Hij heeft onder ons getabernakeld; zalig, die jubelen mag: wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eeniggeborenen van den Vader, vol van genade en waarheid. In Christus daalt God tot Zijn verkoren volk, zoekt Hij het verlorene en zaligt het ellendige. In Hem raakt de, hemel de aarde tot verzoening. In Christus wordt de verbroken gemeenschap hersteld. Is het dan wonder, dat de echte Zionieten den Heere eren, Hem dienen, vrezen, liefhebben? O, zeker, dit is alles nog maar in een klein beginsel; maar dit beginsel is er, en de gedurige bede dier oprechten is:
Leer mij naar Uw wil te hand'len,
'k Zal dan in Uw waarheid wand'len;
Neig mijn hart en voeg het saam
Tot de vrees van Uwen Naam.
De Heere zal daar eeuwig wonen. Toch is de tent reeds eeuwen weg en de heerlijke tempel van Salomo is verwoest. We weten, dat de Heilige Schrift zegt : „De Allerhoogste woont niet in tempelen met handen gemaakt'. Zion was vrucht van Zijn scheppende hand; de tent en de tempel waren het werk eens mensen. Maar de Heere heeft een verkoren Zion, dat in den tijd levend gemaakt wordt, het begenadigde volk; dat is het blijvende Zion, in Christus met God verzoend, in hetwelk de Heilige Geest woont en werkt door de middelen der genade; dat is het Zion naar Gods hart.
Wat van Zion gezegd is, kan in velerlei opzicht ook van Jeruzalem getuigd worden. Jeruzalem is de bekende stad. Jeruzalem is ook beeld van de stad Gods, de Gemeente des Heeren. De Gemeente des HEEREN zal eens verheerlijkt zijn en dan als de volmaakte berg Zions en het heilige Jeruzalem uitblinken. Voor de Nieuw-Testamentische Gemeente geldt: ,,Gij zijt gekomen tot den berg Zion, en de stad des levenden Gods, tot het hemelse jeruzalem" (Hebr. 12:22-29). Dit rijke woord zegt ons, wat het Oud-Testamentische Zion en, Jeruzalem voorstelden, wat in de Nieuw-Testamentische bedeling aanvankelijk vervuld is en wat in den Hemel volmaakt aanschouwd zal worden.
Waren nu al de vereerders op den Zion wedergeboren Israélieten ? We weten beter. En hebben wij te veronderstellen, dat de leden en de doopleden der Kerk alle levende Zionieten zijn?
We weten wederom beter. Des apostels vermaning: „Ziet toe, dat gij Dien, Die spreekt, niet verwerpt", en: ,,Veel meer zullen wij niet ontvlieden, zoo wij ons van Dien afkeren, Die van de hemelen. is", aangedrongen door: „Want onze God is een verterend vuur", zegt wel anders. De kinderen Israëls waren bondelingen; zouden de kinderen der Nieuw-Testamentische Gemeente, levend in de zoveel rijkere bedeling, het dan niet zijn! Maar bondeling te zijn door geboorte uit Christen-ouders (1 Cor. 7 :14), of bondeling te zijn door geboorte uit God (Rom. 2 :28, 29) is een groot verschil. Van nature zijn allen kinderen des toorns, dood in de misdaden en de zonden. Wij en onze kinderen zijn in Adam verdoemelijk voor God, gescheurd van God, zonder God en Zijnen' Christus. Wéé den gerusten te
Zion (Amos 6:1). Wij moeten uit God, van boven, in Zion geboren worden; wedergeboren worden. Dan leeren we de breuk tussen God en onze ziel kennen. Is dit ons deel? Heeft God ons verkoren? Hoe we dat weten kunnen? Dit kunnen we hieruit weten: Als God ons verkoren heeft, dan heeft Hij dat gedaan, om in ons te wonen. Dan heeft Hij door Zijn Geest ons wedergeboren en in ons wedergeboren hart het geloof gewrocht. Hij heeft ons dan de breuk, die er door de zonde is, recht geleerd, maar -ook de heerlijkheid Zijner genade in Christus geopenbaard. Door Zijn Geest woont en werkt Hij in ons hart; Hij zal daarin eeuwig wonen. Kennen wij dit levendig, gegrond? Bedriegen wij ons niet! En laten wij als ambtsdragers hierop in onzen tijd vol vervloeiing en verwatering toch den vollen nadruk leggen en deze dingen, door Gods Woord recht te verklaren, duidelijk prediken, opdat de levende Zionieten
zich mogen verblijden en de gerusten in Zion huiveren. Voor de gerusten zijn al deze dingen klanken, die het hart niet raken; Gods arm en behoeftig volk leeft er bij.
Voor dat Zion bidt David. Mag ik dat geen treffende bede noemen? David heeft, na zwaren val, weder vergeving ontvangen, al hunkert hij nog naar het genieten der vreugde van Gods heil. Als hij voor zich zelf zijn ziel uitstort, vergeet hij anderen niet; hij bidt voor Zion en in die bede sluit hij heel de Kerk in; vergeet hij niet één van Gods kinderen; hij vraagt voor de kleinen met de groten; voor hen, die met hem in de diepte kermen om genade, zowel als voor hen, die juichen op de hoogte van Zion. Hij is ruim van hart en toch niet oppervlakkig, want hij weet goed, dat allen, die den naam van Zioniet dragen, daarom nog geen levende Zionieten zijn. Zo hebben wij te bidden voor heel de Kerk. Wij moeten ruim van hart zijn en toch ook het begrenzen kennen; bidden voor heel het koninkrijk Gods, voor al Gods volk en voor heel de Kerk, zonder van veronderstellingen uit te gaan, de belijdenis uit te wissen of ons kerkelijk beginsel los te laten.
Mochten we de Kerk zó meer in ons gebed insluiten, zoekend haar heil.
Deze bede is dan ook, gelijk we in de 2e plaats zien,
2. Lieflijk in haar begeeren.
Doe wel bij Zion; bouw de muren van Jeruzalem op. Doe wel bij Zion.
David was diep gevallen en had door zijn grove en gruwelijke zonde Zion geen goed gedaan en Jeruzalems muren niet gesterkt. Maar God heeft dit diep gevallen kind, dezen boeteling naar Gods hart, vergeven. David deelt weder in Gods gunst en vergevende liefde. Opmerkelijk is, dat hij nu niet langer alleen over zichzelf spreekt. Doe wel bij Zion. O, als God ons deed en doet delen in Zijn rijke liefde, in Zijn genadegunst; als wij voor 't eerst of wederom mogen geloven, dat onze zonden in Christus vergeven zijn, zouden we dan de Kerk, onze naasten, vergeten?
Doe wel bij Zion, of aan Zion, doe Zion goed. Davids hart brandt nu van liefde voor Gods Kerk. Hij begeert zeker, dat God nu Zijn werkingen des Geestes, de schatten Zijner genade tot bloei en uitbreiding van het levende Zion als een milde regen op Zijn erfdeel doe dalen. Goed is, wat naar de maatstaf Gods goed is.
Doch deze bede sluit ook in, dat God goed doet, als Hij keurt Zion door vele verdrukkingen te doen gaan. David bidt om Zions heil en keurt kruis en druk goed, als de Heere dit nodig oordeelt.
Doe wel bij Zion. Die bede houdt zeker ook in de smeking om de toebrenging der uitverkorenen, de zielskreet tot God om zondaren in Zion te doen geboren worden en de gerusten uit den dood te doen opstaan. Maar die bede is toch niet minder de verzuchting om den geestelijken wasdom van Zion. O, mocht de Heere de sappen des Geestes rijkelijk in de ranken schenken, opdat de vruchten in den hof nog eens bloeien mogen! Mocht het geloof wassen en de vergeving der zonden meer worden
genoten. Mochten vrede, liefde, vreze en Godsvrucht meer uitspruiten. Mocht het leven in gemeenschap met Jezus en het verwachten van Jezus meer worden beoefend. Mocht het kruisdragen blijmoediger geschieden en het bewustzijn van door Gods hand geleid te worden meer worden genoten.
Doe wel bij Zion. Dat is de bede om zelfverloochening, Godsverheerlijking en wonderen der genade in Jezus Christus in de volle, zalige doorwerking des Heiligen Geestes.
Schreeuwt uw ziel reeds mee om deze dingen, gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen? O, levende Zioniet, hunkert ge niet naar dat volle goede, dat in Jezus Christus is, opdat gij ook volmaakt voor God leven moogt?
Maar, zegt ge, ge moest eens weten hoe het bij mij is; mijn hart is als een vervallen hut, vol spleten en scheuren; mijn hart is als een stad niet verscheurde muren!
Hoe zal dan uw ziel aansluiting vinden aan de bede: „Bouw de muren van Jerualem op". De muren van Jeruzalem ondervonden het gevolg van de slopende krachten der natuur, van de verwoestende macht van den vijand, en van de verscheurende macht der zonde van Zien.
Tegenover deze slopende macht staat David krachteloos. Hij wendt zich tot God met zijn bede. 't Spreekt van zelf, dat David niet met zijn hart aan hout en steen blijft hangen. Zijn ziel gaat uit naar de bevestiging en de voltooiing van Israëls burger- en kerkstaat en we weten, dat David dan tevens en vooral bedoelt de vervulling van de beloften voor het verkoren Zien. Niet meedoen aan het sloperswerk, maar bidden om heeling van het gescheurde, is dat niet lieflijk?
Drie slopende machten dreigen ook ons. Onze verdorven natuur zal nooit anders doen dan verscheuren; dat is hqt booze werk der oude natuur in eigen leven, in ons huis, in de Kerk, en in den staat. Wie niet meer geestelijk dood is, weet en ziet dit zeer goed! O, die boze. natuur openbaart zich, helaas, nog zoo vaak bij de Zionieten, ook bij de wachters op Zions muren; die boze natuur verbreekt de muren. Dit geldt toch niet voor u, broeder of zuster, zóó, dat gij heden uw natuur laat spreken, en Jeruzalems muren aan het verbreken zijt? O, die boze natuur openbaart zich op de terreinen van het overige leven, helaas, ook zoo dikwerf. Denk maar aan de verkiezingsperioden en aan de werkstakingen. Verscheurende machten, geliefden, vergeten we het niet; ze zijn...... uit de hel.
Er is nog een verwoestende. macht. Ik bedoel Jeruzalems. vijand. 't Is niet nodig hem volledig te tekenen. De satan met heel zijn aanhang is hiermee genoemd. Het beest, de antichrist, heel de hellemacht bedoel ik er mee. Die vijand openbaart zich ook op. onderscheidene wijze, zoowel in het persoonlijke, huiselijke, kerkelijke, als staatkundige leven. De vijand zoekt de tucht uit het huisgezin te verdrijven; hij heeft er een welgevallen in, als het kerkelijke leven met het politieke leven wordt verward; het is zijn wreed vermaak, 'als hij ziet, hoe de leer verwaterd wordt en het leven kwijnt. Satan zoekt de muren van Jeruzalem te scheuren. En ieder onzer neme deze ernstige waarschuwing ter harte, opdat hij niet eeuwig omkome.
Maar er is nog een derde verscheurende macht. 't Is zo pijnlijk die te noemen. Die slopende macht is de zonde der Zionieten. Zoowel op staatkundig terrein als in het kerkelijk leven ondervinden we dit smartelijk. Kinderen Gods staan tegenover kinderen Gods, in plaats van naast elkander, in de scheur, door de zonde geslagen, op de knieën schuld te belijden en uit de diepte van ellende te roepen: ,,bouw de muren van Jeruzalem op".
Neen, geliefden, wij willen niet lijmen en krammen. Dat knutselwerk vergaat en behaagt God niet. Maar waar ik met ernst op wil wijzen is dit: de scheur is er en blijft er door de zonde; zonde bij mij en bij u; zonde ook bij de levende Zionieten, die met ons niet samenleven. En inplaats van te roepen, te bidden om opbouwen, verscheuren we dikwerf nog meer; zetten we het sloperswerk voort. En, ach, hoeveel scheuren en slopen geschiedt er in eigen kring! Elk kind Gods heeft dit ook voor eigen leven te verstaan. David ondervond zoo pijnlijk, welk een sloperswerk de zonde verricht had; Gods volk kent dit pijnlijke bij ervaring.
Tegenover dit verscheurend werk staan wij machteloos. Zeker, we hebben te arbeiden, onze roeping is het Woord uit te dragen; zending te drijven, op te voeden, onderwijs te geven, gemeentelijken arbeid te verrichten en onze kerkelijke vergaderingen te houden.
Maar wat zullen wij bouwen, als God niet bouwt? Zullen wij één scheur helen? Zullen wij één zondaar, van God losgescheurd, met God verzoenen? Zullen wij één verscheurd Davidshart helen? Kunt gij het, wenend kind Gods? Wij kunnen scheuren, slopen, maar niet, nooit bouwen. O, dat kan God alleen; Hij doet dit door Zijn Woord en Geest. Genadiglijk gebruikt Hij daartoe mensen. Zijn knechten mogen, als middelen in Zijn hand, bouwen. Maar 't is toch God, Die bouwt.
En de Zijnen bidden om dit bouwen.
Heerlijke, diepe, lieflijke, Gode verheerlijkende bede!
Bouw de muren van Jeruzalem op. Velen schenen levende steenen en vielen uit, veroorzaakten scheuren! O, God, voeg vele stenen toe; uit onze kinderen en dierbaren, uit onze gemeenten en andere kringen, uit Joden en heidenen. Bouw, o HEERE, op onze vaderlandse erve ook nog eens aan het
huis van den staat. Heel de scheuren in het hart en liet leven van uw bemind Davids volk, dat soms zo diep valt.
Bouw op; bouw Gij op!
Doe wel bij Zion; doe Gij wel!
Al ons werk is stukwerk. Bouw Gij naar Uw gemaakt bestek. Dan zal 't vast gebouw van Uw gunstbewijzen heerlijk rijzen. Want, zoo de HEERE het huis niet bouwt, tevergeefs arbeiden
deszelfs bouwlieden daaraan; zoo de HEERE de stad niet bewaart, tevergeefs waakt de wachter.
Deze bede is voorts:
3. Grondig in haar pleiten.
Doe wel bij Zion, naar Uw welbehagen.
David pleit niet op Zions werken. De allerbeste werken der priesters en van het volk zijn voor God een wegwerpelijk kleed. Dit geldt ook voor de Nieuw-Testamentische Gemeente niet haar arbeiders; dit raakt ook ons; wij kunnen, geliefden, niet pleiten op ons werk. Wij hebben, daarop ziende, geen heil te wachten. En wie onzer, onder een vroom kleed, een Farizeeër koestert in zijn hart, en zoo hoopt in te gaan, zal in de diepte der hel storten.
David pleit ook niet op Zions rechten. Rechten, waarom God Zion zou moeten weldoen, en Jeruzalems muren zou moeten opbouwen, zijn er niet. Wie zal het beter verstaan dan David, die zijn schuld uitklaagt voor God? O, als God in 't recht zou treden met Zion en gadeslaan al de ongerechtigheden, door de Davids-kinderen bedreven, wat zou er dan volgen? En als God deed naar recht met onze Kerk, met ons als ambtsdragers, met een ieder onzer persoonlijk, wat, wát hebben we dan te wachten? En als God deed naar recht met land en volk, o, wat zou dan het gevolg zijn? Krimpt uw ziel niet ineen? O,
als God deed naar recht, dan zou de aarde zich moeten openen en wij zouden levend ter helle zinken. Neen, ook daarin hebben we geen pleitgrond.
Maar David heeft door 't genadelicht des Heiligen Geestes een anderen pleitgrond ontdekt. Hij bidt: naar Uw welbehagen. Dit woord is vol rijkdom der genade.
Wij zijn van nature kinderen des toorns. Gods toorn is tegen ons ontbrand sinds wij verloren, in Edens hof, datgene; waarin de Heere een lust heeft, wat Zijn eigen werk was. Vreselijk is nu, dat ons hart afstoot alles, waarin de Heere een welbehagen heeft. Zóó ontstellend is ons bestaan door de zonde; zóó verdorven en vijandig zijn wij.
Gods welbehagen is „de volzaligheid van Zijn Goddelijk genieten" genoemd. God heeft een welbehagen in het zaligen van zondaren. In de verkoren zondaren, die Hij van eeuwigheid aan-
merkte als geschapen en gevallen, kon Hij Zich niet verlustigen buiten Christus; Hij heeft dan ook de Zijnen uitverkoren in Christus. Dat Hij zulk een volk verhoort, is vrije gunst, die eeuwig Hem bewoog.
Maar naar dat welbehagen, dat God ten volle in Christus heeft, en dat Hij in Christus in Zion heeft, bearbeidt Hij Zion, doet Hij Zion wel, bouwt Hij Jeruzalems muren op.
Op dat welbehagen pleit David; dat is de hechte pleitgrond van den man naar Gods hart.
Op dat welbehagen hebben ook wij te pleiten. Dan zien we af van ons werk; dan erkennen we geen rechten te hebben; dan pleiten we op genade, op vrije gunst. Dan hebben we onzen pleitgrond in het welbehagen Gods, „in de volzaligheid van Zijn Goddelijk genieten", in den Christus, Die aan Gods recht voldeed, door Wien Zion door recht verlost wordt en in Wien Zion al de zaligheid heeft. Die pleitgrond kan ook alleen een pleitgrond zijn voor doemschuldige zondaren, voor diep gevallen Adamskinderen. Naar dat welbehagen kan de Heere ons alleen verhooren. Wij pleiten dan alleen op Zijn eigen werk. Want waarin kan de Heere nu alleen Zijn welbehagen hebben?
Immers niet in Zion op zich zelf genomen, maar in den Christus, in de vleeswording des Woords, in de inwoning des Geestes, Die Zion zaligmakend bearbeidt tot een Hof des levenden Gods.
De Zionieten worden gewassen in het bloed des Lams en geheiligd door den Geest des Heeren en zo kan de Heere Zich ook in Zion verlustigen.
Zouden wij, geliefden, in onzen arbeid voor School en Kerk, voor huisgezin en Staat, op iets anders, kunnen pleiten?
Zullen we op ons knutselwerk kunnen wijzen, dat in onze handen nemen en zeggen: Heere, doe nu wel aan Zion en bouw Jeruzalems muren op? Zullen wij wijzen op onze prediking, op onzen arbeid in de gemeente en ons meeijveren voor de belangen voor land en volk?
Neen, als 't recht met ons staat, hebben we geen anderen pleitgrond dan David.
Zions wedergeboren kinderen leren dit recht verstaan. Als de Heere dieper graven leert, ontdekt Hij door Zijn Woord en, Geest niet alleen hoe langer hoe meer gruwelen, maar ook hoe langer hoe meer droggronden. Dan sterft de Farizeër meer en meer in ons. Door genade leren we verstaan geen recht op enig goed te hebben. We verliezen den grond uit onze tranen, uit onze gebeden, uit onze gestalten, uit onze bevinding, uit ons zeggen, dat we zeggen den grond uit alles te moeten verliezen en we leren pleiten, op Gods welbehagen alleen. Als Gods kind dan in den weg van struikelen en vallen steeds meer ervaart, hoe diep afhankelijk het is, hoe het nog steeds tot alle boosheid geneigd is; hoe gans verdorven het is en welk een vuile bron van wanbedrijven het in zich omdraagt, dan leert het in een diep srnartelijken weg, dat er in hem nooit iets gevonden kan worden, waarin de Heere Zich zou kunnen verlustigen. In dien weg wordt Christus zoo noodzakelijk en dierbaar en dan leert Gods kind het werk des Geestes recht als onmis baar kennen. Alleen om Jezus wil, in Wien God al Zijn welbe-
hagen heeft, kan Hij de Zijnen gedenken. Hoe heerlijk, als de Heilige Geest ons dat leerde en door .'t
geloof gaf te omhelzen dien dierbaren Borg. O, de arme en ellendige gunntgenoten Gods pleiten niet op eigen werk; verlaten zich niet op vlees en bloed, als Gods Geest hen leidt in het heiligdom en hen onderwijst in de verbondsgeheimenissen. Neen, dan zullen ze in hun bidden alleen pleiten op het wel-
behagen Gods in Christus Jezus, roemen in dat vrije genadewerk. Juist in den weg van strijd, van struikelen en vallen, van verzoeking des satans en der hel, van verleiding der wereld en worsteling met eigen vlees en bloed leren ze dit verstaan. In den weg, waarop de l arizeër sterft en Gods kind leert, dat hij als een goddeloze moet gerechtvaardigd worden, wordt ook verstaan, dat zijn gebed alleen Gode welbehagelijk kan zijn door des Geestes werk en alleen verhoord kan worden naar Gods welbehagen. In deze diepten leert de verkoren Kerk, het levende Zion, deze dingen kennen. Naar dat welbehagen zal God Zion wel doen en Jeruzalems muren bouwen, naar dat welbehagen worden de verkorenen toegebracht en zal de bruid van het Lam door de geweldige branding vlak voor de haven der eeuwig-
heid heen komen; naar dat welbehagen zal Zion, door kruis en druk heen, worden 'geheiligd en eens, schooner dan de meest schitterende diamant, te voorschijn komen en blinken in heerlijkheid. En zo wordt van het levende Zion en door het levende Zion. Zions roempsalm geleerd, dien ook wij willen zingen:
Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht;
Uw vrije gunst alleen Wordt d' eere toegebracht;
Wij steken 't hoofd omhoog, en zullen d' eerkroon dragen,
Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen;
Want God is ons ten schild in 't strijdperk van dit leven,
En onze Koning is van Isrels God gegeven.
Psalm 89: 8.
David heeft een hechten pleitgrond, als hij bidt om Zions heil. Doe wel bij Zion; David bidt om Zions heil. Zalig voorrecht een bidder te mogen zijn. Uit dit woord en uit heel den psalm blijkt duidelijk, dat David een bidder gemaakt is door den Heiligen Geest. Hier stijgt reukwerk des gebeds op, dat den Heere behaagt. Hier is heilig reukwerk, vrucht van de gemengde specerijen der genade Gods.
David bidt om Zions heil. Hier is geen goede spreker aan 't woord; hier wordt niet getwist, ook niet gescholden, niet gelasterd, maar gebeden, geliefden, recht, heerlijk gebeden. Zalig, wie, als David, het gebed voor ion beoefenen mag. Zeldzaam wordt dit recht beoefend.
't Lust me niet, om te spreken over het twisten en kijven in Zion; 'k wil niet spreken over het kwaadspreken •en lasteren, dat ge ook al binnen Zion vinden kunt. 'k Wil erop wijzen, dat David voor Zion bidt. Laten we onze verwachting hebben van den groten Voor bidder Jezus Christus.
Er is, ten spijt van afval en Godsverachting, nog een overblijfsel naar de verkiezing Gods. Zion is niet weg; Zion gaat nooit weg; de poorten der hel zullen Zion nooit overweldigen.
Ook heden kunnen we met Da Costa nog zingen:
„Maar 't overblijfsel leeft! Trots Wet- en Woordverkrachting, daar is een toekomst voor 't geloof! een heilverwachting voor onze zuchtende aard! Daar is een Christuskerk, niet in de gunst des Tijds, maar in haar Heiland sterk".
Voor die Kerk bidden we: Doe haar wel Heere; bouw haar op. Deze bede is ook:
4. Zeldzaam in haar beoefenen.
Zo hebben te bidden Zions wachters. Ze moeten. op de muren van Zion waken; ze moeten krachtige bazuinstoten laten horen, als de gevaren dreigen; ze moeten op die muren en aan die muren als middelen in Gods hand arbeiden; ze moeten de Zionieten leren en leiden, maar bovenal hebben ze voor Zion te bidden. Doen we dat genoeg? Hebben we eelt op onze knieën vanwege ons bidden voor Zion? Kost het ons slapeloze uren? Worstelen we om de komst van Gods rijk; om den bouw van Jeruzalem; om de eenheid der Bruid; om het komen van den Bruidegom? Elke vraag is een aanklacht, die ons diep beschaamt. O, Zions wachters, bidden, bidden we toch meer als David: Doe wel bij Zion, naar Uw welbehagen, bouw de muren van Jeruzalem op.
Zo hebben te bidden Zions kinderen.
Binnen Zions muren woont een volk, dat bidden geleerd heeft en bidden leert. Behoren wij er ook toe? Die in Zion geboren is, is een geboren bidder; in hem woont de Heilige Geest en door dien Geest stijgt het reukwerk des gebeds op. Die bidders smeken, om Zions heil. Hoe staat het in dit opzicht met u, volk Gods? Is er bij u een aanhouden als bij Jacob en, bij de Kananesche? Is er niet veel verslapping in dit opzicht? Verraadt het pad naar uw bidvertrek niet, dat ge er weinig komt? En als ge nog gedurig, als Daniël, in uw opperzaal komt, is er dan nog gebed om Zions heil? Wie, wie van Gods kinderen gaat hier vrij uit? O, mocht er in onzen tijd meer een biddend Zionsvolk zijn, dat het gemengde reukwerk des gebeds veel opzendt. Te zeldzaam is dit bidden.
Maar als Zions wachters én Zions kinderen al baden, gelijk David bad, het zou, zonder meer, Zion nog geen heil aanbrengen; ja, zonder meer, zouden er geen biddende wachters en biddende kinderen kunnen zijn.
Doch er is meer. Boven Zion woont en troont Zions Heere, Jezus Christus, de enige Voorbidder, de grote Hogepriester des gebeds. Hij bidt, blijft bidden: O, Vader, doe wel bij Zion, bouw de muren van Jeruzalem op. En Zijn gebed is volmaakt; Zijn gebed wordt altijd verhoord en daarom zal Zion ook wél gedaan worden en zullen Jeruzalems muren worden gebouwd. Er is nóg meer. In Zion woont Gods Geest. Dat is de vrucht van den groten Hogepriester Jezus Christus en de Heilige Geest bidt in de levende Zions-kinderen en ware Zions-wachters. Zoo rijst, door Gods Geest, in Christus geheiligd, het ware gebed door Zion op en dit gebed zal heerlijk worden verhoord.
Dit woord roept een ieder toe zich nauwkeurig, te toetsen aan den enigen toetssteen.
Wij zijn geen wedergeboren, levende Zionieten krachtens geboorte uit Christenouders, krachtens het verbond, krachtens onzen doop of onze belijdenis. Wij zijn wedergeboren, als Gods Geest ons levend gemaakt heeft. Dan hebben we de breuk der zonde leren kennen. Is dit waar voor u en mij ? Hebben we levendig, bevindelijk leren kennen, dat we God missen? Is het geheiligd schuldbesef val David en zijn bidden des geloofs om genade ons niet vreemd?
De levende Zionieten leergin ook, dat Zion naar recht verlost wordt. Met David belijden ze: Ik heb gedaan, dat kwaad was in Uw oog; Dies ben ik, Heer', Uw gramschap dubbel waardig; 'k Erken mijn schuld, die U tot straf bewoog; Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig.
Die levende Zionieten leren ook de noodzakelijkheid van het offer, van de enige Offerande kennen; de noodzakelijkheid van Hem, Die het Zelf offerde, Jezus Christus den enigen Borg er Middelaar. Op Hem leren ze hun schuldige handen leggen en Hem door 't geloof, naar Gods Woord, omhelzen. In de belofte van het Evangelie wordt Hij toch, 'de Beloofde, aangeboden. Maar om de belofte, en in de belofte den Beloofde en door den Beloofde den Belover te omhelzen, moet ik én de belofte én den Beloofde én de Belover door Gods Woord en Geest leren kennen. Wie zó de belofte omhelst, ja, die heeft iets anders dan een historisch geloof. Die heeft ook alleen in den weg des gebeds dit heil verkregen. En zou zulk een bidder dan Zion vergeten! Dat kan niet; zulk een bidt mee: Doe wel bij Zion, raar Uw welbehagen; bouw de muren van Jeruzalem op.
Wie nog vreemd van dit heil is, bedenke toch, dat onze God een verterend vuur is. Zondaar, hoe zult gij voor God bestaan, als Hij u niet naar Zijn welbehagen in Christus gedenkt? Dringe dit u nog tot roepen om genade. Nog biedt God het genadeheil aan; heden kunt ge nog behouden worden; heden kunt ge nog in Zion geboren worden. Wij bidden u, van Christus' vege, laat u heden, heden nog met God verzoenen.
Veel levende Zionieten zullen moeten erkennen, dat het gebed te veel verslapt is; dat er te weinig heilig reukwerk opstijgt. Beschaamd moeten we dan buigen en ons voor den Heere verootmoedigen. Smeken we tevens veel om het vuur, het werk des Geestes, opdat we weder recht én voor ons zelf én voor Zion bidden mogen.
Zalig, die dit bidden levendig mogen ` beoefenen.
John Knox, de beroemde Schotsche hervormer, sloeg, in den moeilijksten tijd van zijn leven vol worstelen en zorgen, op een avond in zijn studeervertrek zijn boeken dicht. 't Was tijd om ter ruste te gaan. Maar éér hij dit deed ging hij in 't gebed.. Een vriend, die bij hem logeerde, hoorde den hervormer bidden: „o God, geef mij Schotland, of ik sterf!" - Toen werd er een oogenblik niets gehoord. Maar daarop hoorde de vriend andermaal bidden, met trillende stem uit een door tranen bewogen gemoed: „o God, geef mij Schotland, of ik sterf!" - 't Was weder stil; de pauze duurde langer..... Doch hoor!, als een noodkreet wordt voor de derde maal beluisterd: „o God, geel mij Schotland, of ik sterf".
Hebben wij zó leren bidden, zó leren worstelen? Wie onzers staat niet beschaamd?
Zions wachters, o, mochten we zó leren roepen, mocht als een noodkreet onzer ziel worden gehoord: o God, doe Zion wel, naar Uw welbehagen; bouw de muren van Jeruzalem op, of...... ik sterft
Zondaren, mocht de noodkreet uwer ziel beluisterd worden: o God, red mij...... of ik sterf.
Kinderen Zions, in Zion geborenen, mocht er zó meer én voor u zelf én voor Zion gebeden worden. O, nu stemt gij mij zeker toe, dat dit bidden zeldzaam is in haar beoefenen.
Maar Gode zij dank, boven Zion bidt een Ander, de enige Voorbidder en Die bidt: o God, geef Mij Zion, want.... Ik ben gestorven en Ik leef en Zion zal met Mij leven, naar Uw welbehagen, eeuwiglijk.
Daarom mag de rechte bidder versterkt opstaan en gaan tot den arbeid, tot de worsteling,
Want God zal aan Zijn Zion hulp bewijzen,
En Juda's steen herbouwen uit het stof.
Daar zal Zijn volk weer wonen naar Zijn raad,
God eeuwig hun Zijn volle gunst betonen;
Daar zullen zij, Gods knechten, met hun zaad,
Zij, die Zijn Naam beminnen, erf'lijk wonen.
AMEN.
Psalm 69 : 14.
Gij, hemel, aard' en zee, vermeldt Gods lof;
Laat al wat leeft Zijn trouw en goedheid prijzen;
Want God zal aan Zijn Zion hulp bewijzen,
En Juda's steen herbouwen uit het stof.
Daar zaI Zijn volk weer wonen naar Zijn raad,
God eeuwig hun Zijn volle gunst betoonen;
Daar zullen zij, Gods knechten met hun zaad,
Zij, die Zijn Naam beminnen, erflijk wonen.


Oktober 1934