Gerechtigheden en Sterkte.
PREDIKATIE DOOR Ds. W. BIJLEVELD, TE HAARLEM (C).
Ps. 25: 1.
Lezen: Jes. 45: 11-einde.
Ps. 32:1.
Ps. 68:7, 14.
Ps. 66:8.
Ps. 65:2.
Jes. 45:24-25: Men zal van Mij zeggen: Gewisselijk in den Heere zijn gerechtigheden en sterkte; tot Hem zal men komen, maar zij zullen beschaamd worden, allen die tegen Hem ontstoken zijn; maar in. den Heere zullen gerechtvaardigd worden en zich beroemen het ganse zaad Israëls.
Op den zesden scheppingsdag zette de Heere de kroon op Zijn arbeid, en schiep Adam en Eva, het eerste mensenpaar. Die eerste mens en waren beelddragers Gods. Dat beeld bestond in ware kennis, gerechtigheid en heiligheid. Van deze beelddragers Gods lezen wij zon treffend in het laatste vers van het tweede Hoofdstuk van Genesis, dat zij heiden naakt waren en zich niet schaamden. Zij waren innerlijk rein en hadden mitsdien geen bedekking nodig. Hoe geheel anders werd dit, toen de, tegen God in overtreding was gekomen. God had uitdrukkelijk verboden, om te eten van den boom der kennis, des goeds en des kwaads, en had bij overtreding van Zijn gebod met den dood gedreigd. Toen nu evenwel de mens Gods gebod over trad en dus van God afviel, verloor hij terstond Gods beeld. De sleutel der kennis was verloren gegaan; de ongerechtigheid was in de plaats gekomen van de gerechtigheid, en voor heiligheid kwam onreinheid. Dadelijk trad de geestelijke dood in : Hoe vreest hij nu voor God die eerst door hem werd bemind. Hij voelt het, hij staat naakt voor God. Hij ziet nu zijne naaktheid er, zoekt dadelijk een bedekking er voor. Als hunne doen voor de naaktheid geopend zijn, hechten ze vijgenboombladeren te samen en maken zich schorten. Doch elke bedekking die de mens zichzelf bereidt, om zich voor God te bedekken, zal onvoldoende zijn. Zie het maar hier. Als God in den hof komt, dan verbergen zich Adam en Eva voor den Allerhoogste. Doch als zij geroepen worden, dan moeten ze komen en worden voor den Rechter der ganse aarde gesteld. Deze spreekt wel een vreselijk, vonnis uit over de overtreders, maar geeft dadelijk ook de heerlijke moederbelofte, waarin belooft wordt den Zoon des welbehagens tot redding van gevallenen. Daarna maakt God rokken van vellen en trekt ze hun aan. Een enkele gedachte wil ik even uit deze woorden naar voren brengen. Allereerst dan dit. Het kleed dat de mens zichzelf heeft bereid, kan niet genoegzaam dekken voor God, maar het kleed dat God schenkt en aandoet, dat is van algenoegzame waardij. Voorts let er wel op, dat God Zelf het hun aantrekt. Daarin kunnen wij zien, dat God genadig en ontfermende is, 'en dat Hij de eerste in de genade is en blijft. Ja meer, niet alleen de eerste maar ook de voortzetting en ook de voleinding. Hij bereidt niet alleen de rokken en geeft ze hun, maar trekt ze ook aan. Er zijn wel schriftverklaarders geweest, die er op wijzen, dat die vellen komen van dieren, die dus eerst moesten gedood worden. Zou de mens een passend kleed ontvangen, dan moest er eerst bloed vloeien. Er is veel schoons in deze verklaring. Immers de naakte mens spreekt ons van onze grote ellende wegens onze zonden. Zullen wij voor God kunnen bestaan, dan moeten wij bedekking daarvoor ontvangen, Wel tracht de mens zelf zijne zonden te bedekken door eigengerechtigheid, maar deze gerechtigheid is slechts een wegwerpelijk kleed. Zal de mens schuldbedekking ontvangen dan zal er bloed, offerbloed moeten vloeien. Nu dat bloed wordt in de moederbelofte beloofd en in het gestorte bloed van deze gedode dieren afgeschaduwd. Door de gehoorzaamheid en het lijden en sterven van dien beloofde Redder zou worden geweven en is bereid een dekkend en sierend en verwarmend kleed. In Zijne dadelijke en lijdelijke gehoorzaamheid heeft de Borg geweven het gewaad van de rechtvaardigmaking der heiligen. Met eigen bedekking zullen wij eeuwig moeten omkomen, maar in dit kleed gehuld wordt gezongen: „Welgelukzalig is hij wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is". Die gerechtigheid van Christus kan de onze worden in, den weg van den gift des Vaders, welke wij door een geschonken geloof aanvaarden.
Laten wij heden u daar nader van spreken, doch bidden wij vooraf om een zegen.
GEBED.
Psalm 68 :7, 14.
Tekst: Jesaja 45 : 24-25.
Men zal van Mij zeggen: Gewisselijk in den Heere zijn gerechtigheden en sterkte; tot Hem zal men komen, maar zij zullen beschaamd worden, die tegen Hem ontstoken zijn; maar in den Heere zullen gerechtvaardigd worden en zich beroemen het ganse huis Israëls.
De Heere had Zijn volk Israël vanwege zijne zonden geworpen in het gevangenhuis van Babel, alwaar het zeventig jaren gezucht heeft, ver van stad en tempel verwijderd. De Heere zou evenwel Zijn verbond gedenken en Zijn volk weer uit de ballingschap verlossen en terugvoeren naar Jeruzalem, opdat aldaar stad en tempel herbouwd zouden worden en Israël er weer zou wonen naar Gods raad. De Heere heeft op Zijn tijd verwekt, Kores, Zijn knecht, die het volk weer vrijheid gaf, om naar zijn eigen land terug te keren. De Allerhoogste heeft Zelf Zijn volk weder uitgeleid en in Zijn vrijmacht teruggevoerd. Zelf had Israël dat nooit kunnen tot stand brengen. Het is een werk van Gods alvermogen. Van die terugkeer gaat dan ook een bijzondere sprake uit. Allereerst tot Israël zelf. Gods trouw en genade, Zijn almacht en liefde blinken in dit alles uit. Israël mocht zijn als degenen, die dromen droomden. Maar ook gaat er een roepster, van dit alles uit tot de heidenen. Er mocht in die dagen wel gezongen worden: „Toen hieven zelfs de heidenen aan, de Heere heeft hun wat groots gedaan". Hoort hoe een Jesaja van deze dingen getuigd in het verband met onzen tekst. Wij lezen in vers 21: ,,Verkondigt en treedt hier toe, ja, beraadslaagt te samen wie heeft dat laten horen van oudsher, wie heeft dat van toen aan verkondigd? Ben Ik het niet, de Heere? en daar is geen God meer behalve Mij, een rechtvaardig God en een Heiland, niemand is er dan Ik".
Maar voorts doet ook de Heere Zijn roepstem uitgaan tot de volkeren van rondom met de woorden: „Wendt u naar Mij' toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde; want Ik ben God en niemand meer". En naar die roepstem zal gehoord worden. De Heere zal door Zijn Geest toebrengen ook uit de heidenen. Daar lezen wij van in vers 22 alwaar het ons tegenklinkt: „Ik heb gezworen bij Mijzelf, daar is een woord der gerechtigheid uit Mijnen mond gegaan en het zal niet wederkeren: dat Mij alle knie zal gebogen worden, alle tong Mij zal zweren".
O, ja, er zullen er zich zowel uit de Joden als uit de heidenen veinzend buigen voor Gods macht, maar er zullen er ook zijn die met blijdschap uitroepen: „Gewisselijk in de Heere zijn gerechtigheden en sterkte", terwijl van de eersten in onzen tekst gezegd wordt, dat zij tegen den Heere ontstoken zijn.
Plaatsen wij als hoofdgedachte boven onze prediking: „Gerechtigheden en sterkte in den Heere",
en zien wij dan achtereenvolgens dat,
1. dit met nadruk wordt verzekerd,
2. dat deze met ernst worden gezocht,
3. dat zulks met blijdschap wordt ervaren,
4. dal deze in vijandschap worden bestreden.
En geve de Heere ons dan in ons hart en op de lippen dit getuigenis „Gewisselijk in den Heere zijn gerechtigheden en sterkte, tot Hem wens ik te komen". Dat zij zo.
1. Met nadruk wordt verzekerd.
In den Heere zijn gerechtigheden, zoo wordt u hier geleerd. Wij kunnen van Gods gerechtigheid spreken als van een strafoefenende gerechtigheid en als van een bedekkende gerechtigheid. Hoe openbaart God Zijn strafoefenende gerechtigheid in het leven der mensenkinderen. Als wij Gods Woord opslaan, dan lezen wij daar van Gods oordelen over de zonden der eerste wereld in Noachs dagen. De zonde riep om wraak en God bezocht de ongerechtigheden met Zijn gericht in den zondvloed. Welk een gerechtigheid Gods. Of lees maar eens de strafoefening Gods over de steden van het Siddim dal. De zonden waren roepende zonden geworden en de Heere kwam neder, om Sodom en Gomorra, Adem'a en Zeboïm te verdelgen. Toen deed de Heere vuur en zwavel regenen op die steden en zij werden omgekeerd. Gods gerechtigheid. Zo ook openbaart God nog Zijne gerechtigheid in onzen tijd. Somtijds lijkt het rel, alsof God maar alles toelaat en van geen vergelding wil weten. Dan openbaart Hij Zijne lankmoedigheid, opdat de mensen nog tot bekering zuilen komen. Doch ook grijpt Hij op Zijn tijd in en wordt het psalmwoord bevestigd: „Gewis er is een God die leeft en die op aarde vonnis geeft".
't Is zo waar, wat zeker spreekwoord zegt: „Gods molens malen langzaam, maar zeker". Of zijn er somtijds niet oordelen Gods op de aarde, die Gods kerk doen zeggen: „Gods gerechtigheid?" En eindelijk wijs ik u, om maar niet meer te noemen, op het jongste gericht, dat door de kerk des Heeren verwacht wordt. Wil verwachten naar Gods Woord, de grote biddag der wereld, als de vierschaar zal zijn gespannen. Dan zal vervuld worden wat wij lezen in Openbaringen 6: „En de Koningen der aarde, en de groten, en de rijken, en de oversten over duizend, en de machtigen, en alle dienstknechten, en alle vrijen, verborgen zichzelf in de spelonken, in de steenrotsen der bergen, en zeiden tot de bergen en tot de steenrotsen: Valt op ons, en verbergt ons voor het aangezicht desgenen, die op den troon zit, en voor den toorn des Lams; want de grote dag Zijns toorns is gekomen en wie kan bestaan?"
Ziedaar de openbaring van de gerechtigheid Gods. Doch er is ook nog een andere gerechtigheid Gods dan deze strafoefenende, en wel de bedekkende. Aan deze gerechtigheid denken wij bijzonder bij het lezen van onze tekstwoorden. Er wordt hier immers gesproken van een gerechtvaardigd worden in Jehova, dat is in den Heere onze bedekkende gerechtigheid. ', De kerk zal voorts roemen in God, die zulk een gerechtigheid schenkt. Ook wordt er nog verzekerd dat men tot den Heere komen zal, terwijl :ver juist voor Gods strafoefenende gerechtigheid verberging zoekt. De bedekkende gerechtigheid Gods is voor de kelk van oud er nieuw Verbond gelegen in Jezus Christus. Van Hem toch zegt een andere profeet: „Zie, de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik uit David een rechtvaardige Spruit zal verwekken, die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde; in zijne dagen zal Juda verlost worden en Israël zeker wonen, en dit zal zijn naam zijn waarmede men hem zal noemen: de Heere onze gerechtigheid". (Jer. 23 : 5—b)
Er wordt in onzen tekst in het meervoud gesproken van gerechtigheden des Heeren. Nu wij kunnen dan voorts ook van de Borggerechtigheid spreken als van Christus' lijdelijke en dadelijke gehoorzaamheid. Christus heeft de zonden Zijner kerk op Zich genomen en Hij is zonde voor zondaren gemaakt. Daarom is op Hem, als op eten Borg, Gods strafoefenende gerechtigheid gekomen. De Vader heeft op Hem getoornd, om de zonden dergenen, die door Hem behouden zullen worden. Hij heeft daarom den ganse tijd Zijns levens, maar inzonderheid aan het einde Zijns levens, geleden en is eindelijk daarom den smadelijke en smartelijke dood des kruises gestorven. Dat alles heeft Hij gedragen, opdat Hij de Zijnen van die strafoefenende gerechtigheid zoude verlossen. Ook heeft Christus de dadelijke gehoorzaamheid beoefend. Hij is niet alleen gehoorzaam geweest tot den dood, maar heeft ook in Zijn ganse levensgang Gods wet volbracht. Nimmer heeft ook maar één zondige gedachte Zijn leven bezoedeld. Nooit is Hij in één woord gestruikeld. Immer beantwoorden Zijne daden aan Gods heilige wet. Voorwaar, Hij is de Heere, onze gerechtigheid. Maar hoe staan wij daar nu tegenover?
Wel, er zijn er, die in de ongerechtigheid voortleven en straks onder de strafoefenende gerechtigheid eeuwig zullen moeten erkennen, dat Gods loon en straf beantwoorden aan Gods eer.
Maar ook zijn er, die in eigengerechtigheid hun weg gaan en menen Christus gerechtigheid niet nodig te hebben. Hoe beklagenswaardig zijn evenwel ook dezulken. Laat mij dan iets van die gerechtigheid mogen zeggen. Zij is allereerst onmisbaar. Indien eer, mens toch sterft in zijne zonde, of na een leven
van uitwendige deugd, dan zal hij straks beluisteren: „Gaat weg van Mij vervloekten in het eeuwige vuur, hetwelk de duivel en zijne engelen bereid is".
Al onze gerechtigheid is voor God slechts een wegwerpelijk kleed. Christus' gerechtigheid is voorts ook een toegerekende gerechtigheid. Er is een wet der toerekening. Adams zonde is ons toegerekend in den weg van het werkverbond. De eerste Adam viel en wij in hem. Maar volgens die wet der toerekening is het nu ook mogelijk, dat in den weg van het genadeverbond de gerechtigheden van den tweeden Adam ons worden toegerekend, zodat ze de onze worden en wij voor God staan in Christus alsof wij nog nooit geen zonde gekend of gedaan hadden. God de Vader rekent in Zijn genade de uitverkorenen die gerechtigheid toe en zoo wordt een mens gerechtvaardigd van schuld' en straf en krijgt een recht ten eeuwigen leven. Ook mogen en moeten wij Christus' gerechtigheid een volmaakte noemen. Er ontbreekt ir. het geheel dan ook niets aan. Of heeft de Heere Jezus Zelf niet uitgeroepen aan het hout des kruises: „Het is volbracht?'' Hij heeft volbracht Gods raad, ons tot zaligheid. Hij heeft volbracht Gods wet, tot zelfs in tittel en jota toe. Hij heeft volbracht al de ceremonieele wetten van het oude verbond. Vol is vol, er kan niets meer bij. Zoo is het ook met Christus' gerechtigheid. Er kan niets meer bij; en er behoeft niets meer bij, er mag niets meer bij, en als wij als ontledigde zondaren onder die gerechtigheid worden gebracht, aan willen wij er ook niets meer bij hebben. Alles is volbracht.
Eindelijk, om niet meer te nomen, wijs ik er u nog op, dat deze gerechtigheid ook schoon is. Zij mag vergeleken worden bij de reine sneeuw. Gelijk de sneeuw van den hemel nederdaalt, zo daalt ook Goddelijke gerechtigheid van boven. Zoals de blanke sneeuw dekt de zwarte aarde, zoo wil God ook ons zwarte zondaarshart bedekken met Christus' gerechtigheid. Hoe nodigt de Heere in Jesaja's godsspraken, om tot Hem te komen. om gericht te worden. Hij belooft aldaar: „al waren uwe zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol".
Ook begeerde een David, om met die gerechtigheid bedekt te zijn toen hij bad: „Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn; was mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw". En eindelijk herinner ik nog aan hetgeen wij zoo straks hebben gezongen:
„Wanneer Gods onweerstaanb're hand,
De vorsten uit het ganse land,
Verstrooit had en verdreven,
Ontving Zijn erfdeel, eedler schoon
Dar, sneeuw, hoe wit zij zich vertoon,
Aan Salmon ooit kon geven".
Welk een voorrecht, indien wij met die sneeuwblanke gerechtigheid bedekt, instemmen mogen met een Paulus: „Zoo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen maar naar den Geest". Dan toch willen wij erkennen met onzen tekst: „Gewisselijk,
in den Heere zijn gerechtigheden en sterkte". Ja, ook sterkte. Want immers de beloofde Spruite, de Heere onze gerechtigheid is God en mens in enigheid des persoons. Hij is de tweede persoon van het Drieënige Wezen. Zijn geboorte is pas weer door ons herdacht en wij hebben het weer beluisterd, wat Johannes uitroept: „Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond, en wij hebben Zijne heerlijkheid aanschouwd ,een heerlijkheid als des eengeborenen van den Vader, vol van genade en waarheid". Hij is de meerdere Boaz. In Hem is kracht om te lossen. Hij heeft Zijn sterkte getoond in Zijn woorden. Van Hem moet worden getuigd: „Een profeet machtig in woorden en werken voor God en al het volk". Gok betoonde Hij in Zijne wonderwerken Zijne sterkte. Van Hem staat ons opgetekend, dat een ieder die Hem aanraakte, gezond werd. En tenslotte wijs ik er u nog op, dat Zijne sterkte uitkomt in Zijn opstanding uit de doden ten derde lage. Hij is niet alleen opgewekt door den Vader, maar ook opgestaan door Zijn eigene kracht. Daarom roept dan ook de apostel uit, dat Christus klaaglijk betoond heeft de Zone Gods te zijn, door de opstanding uit de doden. Hij heeft den dood verslonden tot overwinning en heeft degene, die het geweld des doods had, n.l. de duivel, volkomen overwonnen. Zo kan Hij ons tot een volkomen Verlosser zijn. In Hem is kracht, om ons te roepen uit de dood tot het leven. In Hem is kracht, om ons te bekeren en te bedekken met Zijn schild der gerechtigheid. In Hem is kracht, om ons te heiligen en straks tot Zich in eerlijkheid op te nemen. Doch gelijk alleen maar zij, die ontdekt zijn aan zonde en schuld, behoefte krijgen aan de gerechtigheid van den Borg zoo ook alleen degenen, die door God ontkracht zijn, er. als een Jacob de sterkte des Heeren nodig hebben en begeren. Wij moeten eerst ontdekt orden aan onze onmacht, zullen wij ons in Zijne sterkte verheugen en getuigen: „Gewisselijk in den Heere zijn gerechtigheden en sterkte". In ons is geen kracht, om ons te bekeren; om te geloven; om te bidden; om ons zelf te verzorgen voor dit, en het toekomende leven. Als dat beleefd wordt, omdat de Heere door Zijne sterkte zo onze zwakheid heeft ontdekt, zie, dan zullen wij gelijk wij nu ten 2e zulIen zien,niet ernst des Heeren gerechtigheden en sterkte zoeken.
2 Dat deze met ernst worden gezocht.
Wij lezer. daarvan in deze woorden van den tekst: „Tot Hem zal niet, komen".
Men zal tot Hem komen, zoowel uit de Joden als uit de heidenen. Israel zou in Babel zuchten ver van Jeruzalem en Tempel verwijderd. Daar, in dien Tempel, woonde voorheen Jehova. Nu Israel zon door de kracht des Heeren naar Jeruzalem teruggevoerd worden. en Gods genade en gerechtigheid zoeken in 's Hoeren huis bij priesters en offers. Maar ook de Heidenen zouden van verre komen tot Sion. De Heere riep ze toch reet .de woorden : „Wend u naar Mij toe, alle gij einden der aarde, want Ik ben God en niemand meer". Ook de dichter profeteert van die komst der Heidenen tot der Heere als hij zingt: „Alle de heidenen, Heere, die Gij gemaakt hebt, zullen komen en zullen zich voor uw aanschijn nederbuigen, en Uwen naam eren".
En wie denkt ook niet aan de belofte Gods voor de heidenen, aan Psalm 81, waarin de Heere getuigt: „ik zal Rahab en Babel vermelden onder degenen die Mij kennen; zie, de Filistijn en, de Tyriër met de., Moor, deze is aldaar geboren. En van Sion zal gezegd worden: Die en die is daarin geboren, en de Allerhoogste zelf zal at bevestigen'.
Dat alles is vervuld in de volheid des tijds, toen niet alleen. Joden, maar ook Jodengenoten tot den Heere Jezus werden toegebracht. ja, dat woord wordt nog dagelijks vervuld, als daar een mens ontdekt wordt aan zijn zonde en schuld, aan zijn nietigheid er onwaardigheid. Laat ik u op einge zaken, die bij dat komen. tot Christus behoren, mogen wijzen. Zie, net is onder anderen, een komen van verre. Gelijk de Joden van verre naar Jeruzalem moesten worden gevoerd en de heidenen van verre moesten komen tot den berg Sion, zoo moeten wij ook van verre konen Er is toch een afstand tussen den Heere en ons. Hij is de Heere en wie zijn wij? Nietige mensenkinderen! Hij is de Rechtvaardige, en wie zijn wij? Schuldenaren! Hij is de Heilige, en wie zijn wij? Onreinen! Er is een grote afstand tussen Hem er: ons. Doch degenen, die ontdekt worden aan dier afstand, zij zuilen komen, want de Heere trekt dezulken met mensenzelen, met koorden der liefde. Dat komen is een kooien met smeking geween, zoals een Jeremia ons verhaald. Dat wenen gaat over hun schuld bij God, en die smekingen hebben tot inhoud, wat David eens bad in den 51sten Psalm: „Wees mij genadig, o God! naar Uwe goedertierenheid: delg mijne overtredingen uit, naar de grootheid Uwer barmhartigheden. Was mij wél van mijne ongerechtigheden, en reinig mij van mijne zonde. Want ik ken mijne overtredingen, en, mijne zonde is steeds vóór mij".
Wat de Heere door Hosea omtrent Israël doet profeteren, geldt ook nu nog van degenen die mogen komen tot Hem. Het is een bevend komen gelijk wij lezen in Hosea 11, al,waar staat: „Zij zullen den Heere achterna wandelen, Hij zal brullen als een leeuw; wanneer Hij brullen zal, dan zullen de kinderen van de zee af al bevende aankomen; zij zullen bevende aankomen als een vogelken uit Egypte en als ene duive uit het land van Assur, er Ik zal ze doen wonen in hunne huizen, spreekt de Heere". Het komen van een ziel tot Christus is voorts ook een begerig komen. Zij zien in zich niets dan de zonde en nare gevolgen: zij gevoelen zich ellendig met het oog op een aanklagend verleden; met het oog op een droevig heden en met het oog op een donkere toekomst. Doch bij den Heere is het heil. En waar zij door Gods Woord en Geest daar een oog voor hebben gekregen, daar gaan zij begerend, dat heil, uit tot den heilaanbrenger, den Heiland van zondaren. Dat uitgaan is vrucht van Gods vrije verkiezende liefde. Nooit zal een mens behoefte aan den Heere Jezus en Zijn gerechtigheid en sterkte krijgen; nooit zei iemand heilbegerig tot den Heiland uitgaan, tenzij de Heilige Geest het hart bearbeidt en voert. Of sprak Jezus al niet, niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, die Mij gezonden leeft hem trekke? En nu worden tot Jezus getrokken, de gekenden van eeuwigheid, zodat dus het komen tot Jezus een vrucht is uiteindelijk van hetgeen den Vader in de stilte der eeuwigheid reeds deed: De Vader gaf toen reeds de uitverkorenen in belofte aan Zijn Zoon, gelijk Jezus ons leert: „Al wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen". Het komen tot Jezus is een geloofsdaad. Indien er nog geen geloof in ons verheerlijkt is, dan kunnen wij wel over den Heere en Zijne gerechtigheid en sterkte denken en spreken, maar wij zullen niet tot Hem uitgaan. Eerst moet er geloof in het hart worden uitgestort, zodat wij geloven, wat de Heere in Zijn Woord en waarheid van ons getuigt, dat het ganse hoofd krank is en het ganse hart mat is we lezen bij Jesaja wat ook van ons geldt: „Van de voetzool ar tot het hoofd toe is er niets geheels aan hetzelve, maar wonden en striemen en etterbuilen, die niet uitgedrukt noch verbonden zijn, en gene derzelve is met olie verzacht". Het is ons portret, dat de Heere hier geeft. Doch van nature geloven wij niet, dat dat onze ware beeltenis is. Maar als de Heere nu ons het geloof schenkt, dan geloven wij, dat wij zo ellendig en verdorven zijn. Dat geloof drijft ons uit, zo wij de hopeloosheid van verlossing door onszelf mogen leren kennen, tot den Heere Jezus Christus, Die ons als de heelmeester van Gilead wordt voorgesteld in Gods getuigenis. De Heilige Geest werkt in ons hart het geloof, zodat wij erkennen dat wij alleen, door den Heere behouden kunnen worden. Daarom is het komen tot Jezus een geloofswerk. Ook is het een komen in hope. In dien de Heere ons geen hope in het hart schonk, dat er genade voor zulk snode zondaren was, dan zouden de ontdekte zielen wanhopend verloren gaan. Maar de Heere ontdekt de Zijnen niet om hen te doen verstikken in hunne ellende, maar om hen te doen genieten van Zijne grote barmhartigheid geopenbaard in de zending Zijns Zoons in de volheid des tijds en in de opstanding van Hem uit de doden. Er wordt een hope door Gods Geest in het hart geboren, dat de Heere hen genadig zal zijn. Ook is het gaan tot en komen bij Christus een uitgang der liefde.
O, niet, dat zulke zielen reeds een lied der liefde zingen, maar wel zo, dat zij een innerlijke betrekking op den Heere hebben gekregen, die ze onder geen woorden kunnen brengen. Hoe gelukkig, zalig, zijn dezulken te noemen, want de Hond der waarheid heeft van zulke komende tot Hem gezegd, dat zij niet door Hem zullen worden uitgeworpen. Neen, Hij verwerpt de zulken niet, maar Hij nodigt ze daarentegen gelijk Hij in Zijn omwandeling op aarde sprak: „Komt herwaarts tot Mij, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven". Bij den Heere komt geen sterveling beschaamd uit en Hij laat geen bidder staan. Hij is het licht voor degenen, die wandelen in duisternissen en in een land van de schaduw des doods. Hij is de kracht desgenen, die geen sterkte in zichzelf hebben, en Hij is het schild ter beschutting voor den zondaar in het oordeel Gods. Dat doet dan ook zeggen van Hem: „Gewisselijk in den Heere zijn gerechtigheden en sterkte, tot Hem zal men komen". En bij Hem komende, zal men
3. Met blijdschap die gerechtigheid ten sterkte ervaren.
Daarvan spreekt onze tekst ook nog en wel met de woorden: ,,Maar in den Heere zullen gerechtvaardigd worden en zich beroeren, het ganse zaad van Israël". De rechtvaardiging eens zondaars is een rechterlijke daad Gods, waarin Hij ons vrijspreekt van schuld erg straf en een recht geeft tot het eeuwige leven. Die twee weldaden heeft Christus voor de Zijnen in Zijn lijdelijke en dadelijke gehoorzaamheid verdiend. In Zijn lijden en sterven heeft Hij voor de Zijnen de straf gedragen, doorgedragen, weggedragen, zodat zij om Zijnentwil van de straf voor eeuwig worden ontheven. Het recht ten leven is door Christus verdiend door Zijn dadelijke gehoorzaamheid. Op het onderhouden der wet had God aan Adam het eeuwige leven beloofd, en nu heeft Christus door Zijn leven naar Gods wet, dat leven als den tweeden Adam verdiend en verworven. Hij is de oorzaak der eeuwige zaligheid voor de gelovigen geworden. In den Heere zullen ze
gerechtvaardigd worden. Buiten Jezus is geen leven,. maar een eeuwig zielsverderf. En toch hoevelen zijn er, die helaas de rechtvaardiging buiten Christus zoeken. Ik denk allereerst aan de Farizeën. Zowel in Jezus' dagen als ook nu nog willen zij gerechtvaardigd worden door de werken der wet. De Heere Jezus spreekt ons van hen in de bekende gelijkenis van den Farizeër en de Tollenaar. Van den Farizeër verhaalt ons Jezus, dat als hij tot God nadert, dat hij in zijn gebed uitstalt al zijn goede werken. Hoort hoe Jezus hem ons tekent: „De Farizeër staande, bad dit bij zichelven: O God! ik dank U dat ik niet ben gelijk de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, overspelers of ook gelijk deze tollenaar; ik vast tweemaal ter week, ik geef tienden van alles wat ik bezit". Hoe geheel anders was de toestand dan van den Tollenaar. Jezus zegt er van: „En de tollenaár van verre staande, wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar den hemel, maar sloeg op zijne borst, zeggende: O God, wees mij zondaar genadig!" Zie, als straks de gebedssamenkomst geëindigd is, gaan beiden gerechtvaardigd naar huis, De Farizeër heeft zich zelfgerechtvaardigd; maar de Tollenaar is door God gerechtvaardigd, omdat hem genade geschonken was. In Hem gerechtvaardigd. Er zijn ook nog anderen dan de Farizeën. Ik bedoel degenen, die én door genade én door eigen werken willen gerechtvaardigd worden. De Apostel heeft er op zijne reis dikwerf zulken ontmoet. In zijne brieven heeft hij ernstig tegen hunne leer "en wijze van doen gewaarschuwd. Zij prediken den Heere Jezus en roemen Zijn gerechtigheid, maar tevens noodzaken zij de heidenen, dat zij zich zullen laten besnijden. Zij willen door de werken der wet tevens nog hun zaligheid werken. Hoe klaagt de apostel: „Ik vrees dat ik tevergeefs onder ulieden gearbeid heb". En hij houdt het de Galatiërs voor: „Mijne kinderkens, die ik werderom bearbeide te baren, totdat Christus een gestalte in u verkrijge". In Christus, zie, daar komt het op aan. Van nature zijn wij zonder God en Christus in de wereld, en zonder gegronde hope voor de toekomst. Door Gods Geest wordt een mens daaraan ontdekt en wenst hij door zichzelf Gode te behagen. Maar ook daar moet hij worden afgebracht. Wij moeten leren, dat het genade is en genade alleen. Hoe schoon leert ons de Heere Jezus wat genade is in de gelijkenis van den Tollenaar. Hij bad: „O God, wees mij zondaar genadig". Zo is tenminste de woordschikking bij ons. Maar in het oorspronkelijke is de woordschikking een andere. Daar staat: „O God, wees genadíg, mij den zondaar". Genade staat daar tussen God en den zondaar in. Die genade is de verzoening. Het woord genade in het Grieks gebruikt, staat met verzoening in verband. Nu, Christus is Zelf de verzoening der zonden en als hij nu tussen den eisende en rechtvaardigen God en den strafschuldigen zondaar instaat, dan wordt ervaren, de vergeving der zonden, wat de vrede des harten ten gevolge heeft.
Waar Christus tussen de partijen instaat, daar wordt liet beroemen in God beluisterd, waar onze tekst van spreekt. Er is veel dwaze roem in deze wereld. Daarvoor worden wij gewaarschuwd, terwijl wij bij Jeremia worden opgewekt om den Heere te roemen. Een wijze, zo lezen wij daar, beroeme zich niet in zijne wijsheid, en de sterke beroeme zich niet in zijne sterkheid; een rijke beroem zich niet in zijne rijkdom; maar die zich beroemt, beroem, zich hierin, dat hij verstaat, en Mij kent dat Ik de Heere ben, doende weldadigheid, recht en gerechtigheid op de aarde; want in die dingen heb Ik lust, spreekt de Heere.
In Christus wordt de ware roem geboren. Hij leert ons onszelf te verfoeien en uit Hem het leven te zoeken en te vinden. Wie Hem vindt, vindt het leven en trekt een welgevallen van den Heere. Toen Christus op aarde zou komen en geboren werd, was het de zangtijd voor de kerk. Toen hebben zich in God beroemd een Zacharia en Elisabeth; een Jozef en Maria; een Sirneon en een Anna. Zij hebben Gods grootheid, macht, genade. liefde en trouw Godverheerlijkend bezongen. En zo gaat het nu nog. Als een mens de zaligheid buiten zichzelf in Christus zoekt en vindt, dan wordt het zangtijd. In Christus, d.w.z. met Hem verenigd te zijn als een rank met den wijnstok, om alzo uit Christus te leven. In Christus, dat geeft ware blijdschap. Dat maakt zalig, dat maakt welgelukzalig. In Hem, dat doet de ziel blijmoedig getuigen: „In Zijn mantel ingehuld, vind ik bedekking voor mijn schuld". In Hem, dat doet roemen gelijk de kerk in vroeger jaren reeds deed: „ Ik ben zeer vrolijk in den Heere, mijne ziel verheugt zich in mijnen God, want Hij heeft mij bekleed met de klederen des heils, de mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan; gelijk een bruidegom zich met priesterlijk sieraad versiert en als een bruid zich versiert met haar gcreedschap".
In Hem, dat doet ons uitgaan, rnet den dichter zingend:
„Komt, luistert toe, gij Godgezinden,
Gij, die den Heer van harte vreest,
Hoort, wad mij God deed ondervinden,
Wat Hij gedaan heeft aan mijn geest.
'k Sloeg heilbegeerig 't oog naar boven,
Ik riep den Heer ootmoedig aan;
Ik mocht met mond en hart Hem loven,
Hem, die alleen mij bij kon staan". Ps. 66 :8.
De gerechtigheid en sterkte wordt helaas niet door velen gezocht en geroemd, maar wel door velen vijandig bestreden. Daar spreken wij ten slotte nog over.
4. Deze in vijandschap wordt bestreden.
Onze tekst zegt zulke bestrijders het oordeel aan met de woorden: „Maat zij zullen beschaamd worden, allen die tegen Hem ontstoken zijn". Onder de heidenen is er geen liefde tot Gods recht en macht, maar een steunen op de afgoden en een bouwen op eigen offeranden. Doch zij zullen beschaamd worden, want de afgoden der heidenen kunnen het niet doen regenen , zodat als God geen regen schenkt, men zal omkomen van dorst. Heere dienst der afgoden vermeerdert de zonde nog en zal het oordeel te zwaarder doen zijn. Hoe beschaamd zullen daarom de heidenen zijn. Leest maar eens de eerste vers en van het volgende, het zes en veertigste hoofdstuk. Hoort wat God van de hoofdgod der Assyriërs, van „Bel" zegt, en wat Hij van een andere god dier volkeren, n.l. Nebo, getuigt: „Bel is gekromd, Nebo wordt nedergebogen, hunne afgoden zijn geworden voor de dieren ' en voor de beesten; uwe opgeladene pakken zijn een last voor de vermoeide beesten; te samen zijn zij nedergebogen, zij zijn gekromd; zij hebben den last niet kunnen redden, maar zijzelf zijn in de gevangenis gegaan". En niet alleen de heidenen die in de afgoden roemen en op hun offers vertrouwen, zullen als vijanden Gods beschaamd worden, maar ook het vrome Israël, dat niet den .Heere zocht, maar zichzelf. Die God wachten, dekt nooit schaamt', maar die de deugd zonder oorzaak stout verachten. Hoevelen van de Joden bleven er in Kores' tijd achter in Babel, die geen behoefte meer hadden aan Jeruzalem 'en aan den Tempel. Zij voelden zich geheel thuis in het land der afgoden en hadden geen levende begeerte, om den Heere te dienen in het heilige land. Doch zij zullen beschaamd worden, omdat zij in eigen krachten blijven in Babel en hun zonde alzo vermeren en Gods dekkende gerechtigheid missen. Hoe vreeslijk zal eens hun vonnis zijn. Maar hoevelen zijn er ook nu nog, die tegen den Heere ontstoken zijn. Er zijn er die brallend schreeuwen : „Geen nood, wij redden het zonder Hem". Hoevelen zijn er, die de zonde indrinken als koud water en den Heere niet als Koning van hurv hart duiden. Zij zullen beschaamd worden, want Christus zal als Koning heersen en dan zal Hij van hen zeggen: „Brengt ze hier en slaat ze voor Mijne voeten dood, want zij hebben niet gewild, dat Ik Koning over hen zoude zijn". Doch wij hebben de vijandschap tegen God en Zijn genade niet alleen te zoeken bij de wereld. die in het boze ligt, maar kunnen ze ook vinden binnen de muren van de kerk. Elk onherboren mens is een liefhebber van zichzelf, en geneigd God en zijn naaste te haten. In eigen kracht wandelt de mens daarheen en reist met eer ongekende schuld naar den rechterstoel Gods. De genade wordt niet begeerd en de schuld wordt gedurig vermeerd. Hoe beklagers', aardig is toch een onbekeerd mens. Want in dit leven mist hij de schuilrots ter ontkoming in dagen van leed en ellende en straks zal hij staan voor den rechterstoel van den eeuwige rechter. Het is den mens gezet eenmaal te sterven en daarna het oordeel.
In dat oordeel zal al onze deugd, zonde blijken te zijn en zal de mens om eigen schuld verloren gaan. De Heere zal beschamen, de tegen Hem ontstokenen reeds in dit leven, want zij missen Gods troost in droefenis en Gods licht in levens duisternis. Zij worden beschaamd in de ure des doods, want zij moeten alleen door der. donkeren doodstunnel. Zij zullen beschaamd worden ir. hei oordeel, want gelijk Jezus eens in Gethsémané Zijn vangeren achterover deed vallen met Zijn woord: , Ik ben het"; 'zoo zal Hij ook eens tot al Zijne vijanden zeggen: „Ik ben het", en zij zullen achterover in de hel nedervallen. Gelukkig, wij leven nog in het heden der genade. Nog laat de Heere het ons toeroepen uit ons tekstverband, gelijk wij reeds hoorden: ,,Wend u naar Mij toe". Van nature staan wij met den rug naar God toe, en hebben wij ons aangezicht naar wereld en zonde gekeerd. Doch nu moeten wij omgewend, omgekeerd, bekeerd worden van de zonde tot den Heere, om onze zonde Hem te belijden en Zijn genade deelachtig te worden. Bekeert u dan nog, bekeert u, want waarom zoudt gij sterven? En nu kunt gij als rechtzinnig mens misschien wel zeggen, maar ik kan mij niet bekeren, doch dit argument om onbekeerd te blijven, wordt u heden uit de handen genomen, want onze tekst zegt ons, dat in, den Heere sterkte is. Wij kunnen ons niet bekeren, maar Hij kan het in Zijn almacht wel. Mocht uwe onmacht ten goede u maar intijds uitdrijven tot Hem, die kan geven en wil geven, wat u tot zaligheid nodig is. Bidt om ontdekkende genade, opdat gij Gods gerechtigheden en sterkte moogt nodig hebben. Als God toch Zijn genade verheerlijkt, dan leren wij onze dwaasheid, onmacht, vijandschap en zondigheid kennen. Hebt gij daar reeds kennis van ontvangen? Dat is gelukkig, maar niet genoeg. 't Is gelukkig, want zo kan er plaats komen voor den Heere Jezus Zelf. Maar het is niet genoeg, want onze kennis van ellende geeft geen zaligheid en maakt ons straks niet zalig, maar alleen Jezus Christus, de rechtvaardige, die een verzoener is der zonden. In Hem is kracht, om te lossen. Het in onszelf onmogelijk, want het vlees onderwerpt zich der wet Gods niet en het kan ook niet, maar bij Hem is het zalig mogelijk. Hij kan het jubeljaar ons pi doen beleven, want Hij heeft het als Gods Gezalfde verworven. In het Oud Testamentische jubeljaar werden de slaven vrijgelaten en de schulden vrij gescholden en de verloren bezitting terug ontvangen. Nu in Christus wil God ons doen jubelen, over de verzoening der schuld; over de vrijmaking van onder het recht Gods en uit satans dienst, en over de herstelling in Gods gemeenschap. Binde de Heere in steeds voortgaande ontdekking maar op uw hart, dat gij Hem en Zijn gerechtigheid uit de hand des Vaders moet ontvangen, opdat gij moogt komen tot God, om die wonderlijke ruil te ervaren, dat de Heere Jezus uwe zonde op Zich neemt en gij rijke gerechtigheid ontvangt. Zulks wil God schenken in vindenstijd, opdat gij u zoudt beroemen in den Heere en in de sterkte Zijner macht. Volk des Heeren, men zal van Hem zeggen: in den Heere zijn gerechtigheden en sterkte. Mocht gij dat veel zeggen en beleven. Eigen gerechtigheid en eigen krachten te verachten, worde ons hoe langer hoe meer, op Jezus' school geleerd. Christus worde meer en meer, de kracht van uwe kracht. Hij zij uwe kracht om te u eiker in Zijn wijngaard, waarin Hij al de Zijnen tot werken roept en tot dienen wijdt. Hij zij uwe sterkte om te strijden in den heiligen krijg, om met Hem straks te triumferen. Hij zij de kracht van uwe kracht bij het trekken door het moerbeziéndal dezes tijds. Uw levenspsalm zij dan ook:
,'t Is Isrels God, die krachten geeft,
Van Wien het volk zijn sterkte heeft,
Looft God, elk moet Hem eren".
Ja, de lof is betamelijk. Het is Gods vrijmacht en liefde als wij aan onze zonden ontdekt zijn. Het is Gods welbehagen, dat Christus te Zijner tijd gekomen is en voor de zondaren geleden heeft en gestorven is. Het is vrije gunst, indien onze schuld door den Heere is weggenomen en wij mogen zeggen, dat Zijne gerechtigheid uit genade de onze geworden is. In Hem hebben wij dan ook alleen te roemen. Die roem zij geen lippentaal, maar een lied des harten. Looft den Heere mijne ziel, en al wat binnen in mij is; Zijnen heiligen Naam. Alle roem is immers uitgesloten. onverdiende zaligheên, wordt door u van God genoten, roem dar in vrije gunst alleen! Die roem is de voorsmaak van de roem der zaligen in de eeuwigheid. Dan zal de roemtaal zeel hoger klinken dar hier beneden het geval is. Dan zal daar het nog dieper worden gevoeld, wat hier op aarde reeds vaak wordt gezongen: „Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht".
AMEN.
Psalm 65:2.
Januari 1934