DE HEERE ROEPT ZIJN VOLK TEN GERICHTE
Predikatie over Jesaja 1: 18
Door Ds. P. BEEKHUIS
Psalm 147 : 10
Lezen: Jesaja 1: 1-20
Psalm 51: 1,4en5
Psalm 40: 4
Psalm 32: 1
Jesaja 1 : 18: Komt dan, en laat ons tezamen richten, zegt de HEERE; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.
Geliefde gemeente,
Wanneer iemand een misdrijf heeft gepleegd, wordt hij voor de rechtbank gedaagd. Dan wordt daar recht gesproken en ontvangt hij de straf, overeenkomstig het gepleegde delikt. In het Woord van God is meerdere malen sprake van een gericht. Daar wordt gesproken over het -gericht, dat eenmaal gaan zal over de volkeren der wereld. Daar wordt gesproken over het gericht, dat plaats heeft direkt na ons sterven: „Het is de mens gezet eenmaal te sterven, en daarna het oordeel". Daar wordt gesproken over het laatste oordeel, n.l. wanneer de Zoon des mensen wederkomen zal om te oordelen de levenden en de doden. En dat is dan het eindgericht. In het woord van onze tekst gaat het ook over een gericht. Dit is echter niet het eindgericht, maar een gericht dat tot het volk van Juda komt in het heden der genade! En de bedoeling van dit gericht is niet om de mens te doen omkomen, maar juist om hem te behouden. Het is een zeer bijzonder gericht. Het is een genadegericht. We kunnen het ook een liefdegericht noemen.
We willen met elkaar nadenken over: De Heere roept Zijn volk ten gerichte:
I. De verbondsrechtén, die Hij hun voorhoudt.
II. De verbondsgenade, die Hij hun belooft.
I.
„Komt dan, en laat ons tezamen richten". Met deze woorden wendt de Heere Zich, door middel van Zijn knecht Jesaja, tot het volk van Juda. Tot het volk, waarmee de Heere zulke rijke bemoeienissen gehouden heeft. Immers dit is het volk, dat de Heere Zich ten eigendom verklaard heeft. Dit is het volk des verbonds! De Heere heeft met dit volk een verbintenis aangegaan. Zonder dat dit volk daar ooit naar gevraagd heeft. Wat is dan toch wel de reden, dat de Heere juist dit volk heeft uitverkoren? Omdat dat volk beter was dan andere volkeren? Allerminst! Misschien omdat Juda machtiger en talrijker was dan de volkeren rondom hen? Neen, zegt de Heere, veeleer waart ge de minste van alle volkeren, maar Ik heb u uitverkoren, omdat Ik u liefhad! In het volk zelf was niets te vinden wat de liefde van God zou kunnen opwekken. De Heere heeft de liefde tot dit volk uitsluitend ontleend aan Zichzelf.
O onbegrepen liefde! Deze verbondssluiting ging eenzijdig van de Heere uit, maar het was de bedoeling dat het tweezijdig zou worden. Ons Doopsformulier zegt het zo treffend: „Overmits in alle verbonden twee delen begrepen zijn, zo worden wij ook weder van God door de Doop vermaand en verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid". En wat kwam er terecht van die nieuwe gehoorzaamheid? „De Heere leerde z' in Zijn wegen wand'len" hebben we bij de aanvang gezongen. Het volk echter wilde niet bij de Heere ter schole gaan. Zij wandelden naar de ingevingen van hun verdorven hart! De Heere moet nu klagen, zoals in de dagen van Jeremia: „Mijn volk heeft twee boosheden gedaan; Mij, Mij, de Springader des levenden waters, hebben zij verlaten om zichzelf bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden".
Hoe ontroerend is de aanklacht, die de Heere houdt tegen Zijn volk. Hij moet hen er van beschuldigen, dat zij Zijn verbond hebben verbroken: „Zij hebben tegen Mij overtreden". Daar is ondankbaarheid en verachting van God: „Een os kent zijn bezitter, en een ezel de krib zijns heren; maar Israël heeft geen kennis, Mijn volk verstaat niet". Daar is nationale afval.
Kerk en staat is in verval: „Wee het zondige volk, het volk van zware ongerechtigheid". Daar wordt propaganda gemaakt voor het kwade: „Het zaad der boosdoeners, de verdervende kinderen! " „Zij hebben de Heere verlaten, zij hebben de Heilige Israëls gelasterd, zij hebben zich vervreemd, wijkende achterwaarts". „Zo niet de Heere der heirscharen ons nog een weinig overblijfsel had gelaten, als Sodom zouden wij geworden zijn; wij zouden Gomorra gelijk zijn geworden".
Zo laag is het met het volk des verbonds afgedaald! Maar, zo vraagt u, was er dan helemaal geen godsdienst meer? Hebben ze dan overal mee gebroken? Godsdienst? Neen maar, dat was er genoeg. Het was echter alleen maar vorm. Vorm zonder inhoud. De Heere moet getuigen: „Dit volk nader tot Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij". Het was allemaal uitwendig, zonder dat hun hart innerlijk aan de dienst des Heeren verbonden was.
Neen, aan godsdienst ontbrak het niet. Zij betraden getrouw de voorhoven des Heeren en brachten daar hun offers. De Heere echter hecht er geen enkele waarde aan. „Waartoe zal Mij zijn de veelheid uwer slachtoffers? zegt de Heere; Ik ben zat van de brandoffers der rammen, en het smeer der vette beesten, en heb geen lust aan het bloed der varren, noch der lammeren, noch der bokken". Zo oordeelt de Heere over al hun godsdienst.
Het volk maakte zich rijp voor het oordeel. „Wie God verlaat heeft smart op smart te vrezen". Jesaja komt met de boodschap: „Komt dan. en laat ons samen richten". Het was ten tijde van de Syro-Efraïmitische oorlog in 754. Syrië in bondgenootschap met het broedervolk Efraïm had het op de ondergang van Juda gemunt. Geheel Juda is reeds onder de voet gelopen van de vijanden. Alleen Jeruzalem is nog vrij. Is nog overgebleven als een nachthutje in de komkommerhof. En in deze stad predikt Jesaja. En dan houdt hij de verbondsrechten voor, die zij aan de Heere verschuldigd zijn! En dat komt hier op neer, dat zij het kwade moeten laten: „Doet de boosheid uwer handelingen van voor Mijn ogen weg, laat af van kwaad te doen", en het goede moeten doen: „Leert goed doen, zoekt het recht, helpt de verdrukte, doet de wees recht, handelt de twistzaak der weduwe".
En wat is de reaktie op de prediking van Jesaja? Nemen zij de woorden des Heeren ter harte en komt het tot verootmoediging? Het tegendeel is waar. Zij gevoelen zich verongelijkt. Immers, waarom komt de Heere hen tegen in de weg van tegenheden? Waarom komt Hij ten oordeel? Waarom houdt Hij hun Zijn verbondsrechten voor? Beantwoorden zij daar niet aan? Zie, gemeente, dat was hun instelling. Zo verkeerden zij onder de ernstige prediking van Jesaja. Zij meenden met hun uitwendige godsdienst voor de Heere te kunnen bestaan. Wat een verblinding!
En nu komt de Heere tot dit volk, dat zich zo verongelijkt gevoelt, met de boodschap: „Komt dan en laat ons samen richten". Betuig tegen Mij. Zeg maar gerust wat Ik u misdaan heb, naar u meent. Dan zal Ik zeggen wat u Mij hebt aan- gedaan. Laten we samen een rechtsgeding aangaan, dan kunnen we zien aan welke zijde de weegschaal doorslaat.
Terwijl het volk van Juda benauwd wordt aan alle zijden, komt de Heere nog met Zijn prediking. Wil de Heere nog aan de spits treden dergenen, die hen hulpe biên! Het volk echter laat de prediking over zich heengaan en gevoelt er niets voor om met de Heere te richten. Zij leven voort, zich verhardend onder de prediking.
Er is een spreekwoord dat zegt: nood leert bidden. De nood op zichzelf echter leert ons dat niet. Alleen als de Heere er in meekomt en het hart eronder verbroken wordt, dan drijft de nood ons naar de Heere uit. De Heere slaat dan als het ware Zijn kinderen naar Zich toe. Dan wordt ervaren, dat de Heere niet kastijdt uit lust tot plegen, maar uit liefde. Dan voelen we achter de slaande hand des Heeren Zijn liefdehart kloppen. Dan leert de nood bidden. We moeten het nog anders zeggen: De Heere leert hen weer bidden. De nood gebruikt Hij als een middel in Zijn hand.
Zonder de Heere leert de nood niet bidden. Dan leert de nood vloeken. Dan komen we in opstand. Wanneer de Heere slaat en er wordt geen pijn gevoeld, vervallen we tot het oordeel der verharding. Dit zien we duidelijk bij het volk van Juda. Zij kunnen niet meer vooruit, ze kunnen niet meer achteruit, alleen de weg naar boven staat nog open! En die weg wordt hun bovendien door de profeet Jesaja gepredikt: „Komt dan en laat ons tezamen richten".
Helaas: het volk gaat er niet op in. Terwijl de Heere lokt en nodigt, blijven zij doorgaan met de Heere hun trotse nek toe te keren. Niets kon hen bewegen om de Heere te vrezen! Nu hoor ik u zeggen: wat is dat verschrikkelijk. Inderdaad! Maar laten wij nu voor één ding oppassen, n.l. dat wij ons niet boven het volk van Juda gaan verheffen! Want immers: wie zijn wij? Wij, die behoren tot de nieuw-testamentische gemeente? Wij, die Zijn merk- en veldteken mogen dragen? Moeten we niet, wanneer we rondzien op het kerkelijk erf, zeggen, dat de tijd waarin wij leven verrassend veel overeenkomst heeft met die van Jesaja? De kerk vandaag is in diep verval. De wereldgelijkvormigheid neemt hand over hand toe. Er is, evenals in de dagen van Jesaja, godsdienst genoeg. Daar ontbreekt het niet aan. De massa echter maakt van de uitwendige godsdienst een grond voor de eeuwigheid. Kerkelijk leven ziet men aan voor geestelijk leven. De woorden wedergeboorte en bekering mogen in de prediking niet meer genoemd worden. Dat zijn, zo zegt men, verouderde begrippen. Die doen het vandaag niet meer. Vroeger was dat anders. Toen leefden de mensen -nog zo bekrompen en keken niet verder' dan hun eigen woonplaats. Vandaag echter denken wij in wereldverband en dan krijg je een veel ruimere blik. En daarom: je moet niet praten over wedergeboorte, want daar begrijpt de jeugd niets van. Neen, laten ze ons zeggen hoe we moeten leven. Laat er toch veel gewezen worden op onze roeping in de wereld.
De vraag: „Mijn ziel, doorziet gij uw lot? Hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God? " wordt niet meer gesteld. Men gaat er vanuit dat de verhouding tot God in orde is en zo maakt men de eerste en tweede tafel van Gods wet van elkaar los. En zo verzeilt men in het vaarwater van het humanisme en wordt het evangelie van zijn kracht beroofd. En deze geest, die niet anders is dan een geest uit de afgrond, dringt al verder door. De satan komt als een engel des lichts. Hij is godsdienstig geworden. De godsdienst van de medemenselijkheid. Nu is hij des te gevaarlijker. Hij komt nu op pantoffels en verslaat zijn tienduizenden. Van vele preekstoelen in ons vaderland, waar voorheen de lamp van Gods Woord helder heeft geschenen, is nu de kandelaar van Gods Woord weggenomen.
Het evangelie is gestroomlijnd. Aangepast aan de moderne mens. Wat een geestelijke armoede en een geestelijke onkunde. De geesteloosheid van onze tijd komt met name ook hierin uit, dat men allerlei vernieuwingen gaat invoeren in de kerk. Daar is een niet te stuiten drang naar vernieuwing. De mens zelf echter moet vernieuwd worden, zoals de apostel Paulus schrijft: „Wordt dan veranderd door de vernieuwing uws gemoeds". Wanneer dat door genade in ons leven mag plaats hebben, gaan we leven bij het Woord des Heeren en hebben we geen behoefte aan allerlei veranderingen in de liturgie. Heeft de grote reformator Calvijn ons niet gewezen op de centrale plaats van het Woord des Heeren en op soberheid in de eredienst?
„Komt dan en laat ons tezamen richten". Met deze woorden komt de Heere vandaag ook tot u. Niemand heeft recht om op het volk van Juda neer te zien. Het is een voorrecht wanneer wij door de algemene genade er voor bewaard worden de zonden uit te leven zoals het volk van Juda, bedenk het wel: de zonde leeft in het hart van ieder mens. In Adam heeft heel het menselijk geslacht zich van God afgekeerd en zijn we de zonde toegevallen. Van nature geneigd God en de naaste te haten. De haat tegen God is zo groot, dat wij zelfs onder de oordelen ons verharden. Wij hebben alleen maar liefde tot onszelf en ons hoogmoedige hart wil niet buigen voor de Heere. Dat is de reden dat het volk van Juda de lieflijke nodiging van de Heere van de hand wees. Dat is de reden, dat wij al de roepstemmen van de Heere in de wind slaan.
U vraagt: was er dan niemand, die de prediking van Jesaja ter harte genomen heeft? Ja, gemeente, gelukkig wel. Al waren het er niet veel, er was toch nog een overblijfsel naar Zijn verkiezende liefde. 0 zeker, wanneer het aan het volk van Juda gelegen had, zou er niet één geweest zijn, die de prediking zou hebben gehoorzaamd. De Heere Zelf moet ons er voor inwinnen. Het overblijfsel dat naar de Heere terugkeerde was niet beter dan de anderen. Zij waren even onwillig, maar de Heere heeft hen gewillig gemaakt.
„Komt dan, en laat ons tezamen richten". Hoe moeten wij dit lezen? M.a.w.: moet de nadruk gelegd worden op het woordje komt of op dan? De twee verzen, aan onze tekst voorafgaande, houden het volk de verbondsrechten voor. Daarin wordt hun gezegd, dat zij het verkeerde moeten nalaten en het goede moeten doen. En daarop volgt onze tekst: „Komt dan en laat ons tezamen richten". Wanneer de nadruk gelegd wordt op het woordje dan, dan moeten we, zullen we gehoor geven aan de nodiging van de Heere, eerst aan bepaalde voorwaarden voldoen. Dan moeten we eerst onszelf wat opknappen. De nadruk echter valt op het woord komt. „Komt dan". Het is juist de rijkdom van het verbond der genade, dat de Heere ons aanneemt, zoals we zijn. Met al onze vuile kleren. Hoe afzichtelijk wij ook door de zonde geworden zijn, de Heere zegt: „Komt dan".
Het is een groot wonder dat de Heere zondaren wil aannemen. Het is een oorzaak van eeuwige aanbidding, dat de Heere nog in ontferming wil neerzien op gevallen schepselen. De zonden kunnen ons in de weg staan, ze staan de Heere niet in de weg! We moeten echter wel bedenken: zullen we tot de Heere gaan, dan moet het wel komen tot een breken met de zonde, een strijden tegen de zonde! Het is niet mogelijk de roepstem van de Heere op te volgen en ondertussen de zonde aan de hand te houden! Als het echter waarheid in ons binnenste is en de Heere overgekomen is, dan heeft de Heere Zelf het schuldbesef en de haat tegen de zonde meegebracht! Wanneer echter Zijn volk in de schuld komt, missen zij alle vrijmoedigheid om tot Hem te komen. Zij zien de berg van schuld zo hoog oprijzen, dat ze er niet overheen kunnen zien! De Heere echter neemt alle bezwaren weg door de
II.
verbondsgenade, die Hij hun belooft.
Daar is een overblijfsel, dat in deze hachelijke omstandigheden tot zichzelf inkeert en gaarne aan de oproep van de Heere gevolg wil geven. „Door schuldbesef getroffen en verslagen" als zij zijn, missen zij alle vrijmoedigheid. Immers hoe zullen zij ooit een rechtsgeding kunnen aangaan met de Heere? Aan hun kant is er toch enkel verlies? En de Heere heeft hun toch nooit anders dan goed gedaan? En daarom leeft het in hun hart:
Wil Uwe knecht, door schuld verslagen,
O Heer', niet voor Uw vierschaar dagen,
Want niemand zal in dat gericht,
Daar zelfs zijn hart hem aan moet klagen,
Rechtvaardig zijn voor Uw gezicht!
Hun hart is onder de prediking van Jesaja verbroken. Zij zijn gewillig om gehoor te geven aan de prediking. En hoe komt het dat zij gewillig zijn en de massa onwillig? Zij waren van nature even onwillig als de anderen, maar de Heere heeft hen gewillig gemaakt. De Heere Zelf heeft hen er voor ingewonnen. En dan wordt het een heilig moeten. Dan komt in hun leven zo duidelijk openbaar, dat de Heere een zeer gewillig volk heeft op de dag van Zijn heirkracht. Zij komen met smeking en geween. Waarom? Omdat zij er iets van inleven tegen een goeddoend God te hebben gezondigd. Zij kennen iets van de droefheid naar God over de zonde. De liefde van God is uitgestort in hun hart en hun hart gaat uit naar de Heere.
„Komt dan en laat ons tezamen richten". Zeker, hun hart gaat naar de Heere uit, maar met de Heere een rechtsgeding aangaan, neen, dat durven zij niet. Want dat betekent: omkomen. Hoe zullen zij met hun verzondigde leven voor de Heere kunnen bestaan? Hoe zullen zij kunnen verkeren in de nabijheid van de heilige en majesteitelijke God? Hoe zullen zij, zondaren, kunnen naderen tot God, Die te rein van ogen is dan dat Hij het kwade zou kunnen aanschouwen? Immers: „Geen zondaar zal 't gewis verderf ontkomen, als in 't gericht door God wordt wraak genomen".
„Komt dan, en laat ons tezamen richten". De vrijmoedigheid echter ontbreekt. En dat is zo goed te begrijpen. Immers,
wanneer wij onze doodstaat voor de Heere mogen leren in 0 leven, en wij niet alleen met onze werkelijke zonden, maar ook, zoals de Catechismus zegt, met onze aangeboren zonden te doen krijgen, dan worden alle wegen voor ons afgesloten. Dan wordt het aan onze kant een onmogelijke zaak. Dan wordt het verstaan wat de dichter van Psalm 116 doorleefde:
Ik lag gekneld in banden van de dood,
Daar d' angst der hel mij alle troost deed missen;
Ik was benauwd, omringd door droefenissen,
Maar riep de Heer' dus aan in al mijn nood.
Ja, dat laatste blijven ze doen. Ze blijven de Heere aanroepen. Dat kunnen ze gewoon niet nalaten. Daar worden ze innerlijk toe gedreven. En dat uitstorten van hun hart voor de Heere geeft reeds verademing in hun ziel.
Wanneer nood nood wordt in ons leven, gemeente, hebben we geen rust meer. Wanneer wij onze verloren staat voor de Heere mogen leren inleven en in het verborgen onze zonden voor de Heere mogen leren bewenen, kunnen we ons niet meer op de been houden met allerlei redeneringen. Dan bezoeken we veel de binnenkamer. Dan bidden we:
'k Roep, Heer', in angst tot U gevloden,,
Ai haast U tot mijn hulp en red!
Hoor naar de stem van mijn gebed,
Daar ik U aanroep in mijn noden.
En wat zijn die klachten? Klachten over de Heere, zoals de massa van het volk van Juda? Neen, integendeel. Klachten over zichzelf. Over hun zonden. Zij mochten in praktijk brengen de woorden van Jeremia: „Wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn zonden".
De Heere roept Zijn volk ten gerichte. Het overblijfsel naar de verkiezing Zijner liefde wil gaarne komen, maar de vrijmoedigheid ontbreekt. De zonden staan hun in de weg. En nu is dit het wonder. De zonden mogen ons in de weg staan, ze staan de Heere niet in de weg. De Heere zegt: „Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol". Scharlaken en karmozijn waren twee oosterse verfstoffen. Dat waren in- en in-rode kleuren. Ieder wist: een scharlaken- of karmozijnrode lap stof is niet meer wit te krijgen. Dat is totaal onmogelijk.
Zo nu komt de ontdekte zondaar voor de Heere te staan. Het is onmogelijk zijn zonden te betalen. Hij maakt zijn schuldenregister zelfs dagelijks meerder! Hij leert het verstaan: „Al wielt gij u met salpeter en naamt u veel zeep, zo is toch uw ongerechtigheid voor Mijn aangezicht getekend, spreekt de Heere HEERE". Zo wordt het aan onze kant een onmogelijke zaak. Maar nu komt de Heere met Zijn mogelijkheden! O wonder van genade. Aan onze kant onmogelijk, maar aan Gods kant mogelijk. Moeten we hier onwillekeurig niet denken aan het antwoord van de Heere Jezus aan Zijn discipelen? Toen de rijke jongeling bedroefd wegging, vroegen de discipelen: „Maar wie kan dan zalig worden? " Het antwoord van Jezus was: „Bij de mensen is dit onmogelijk, maar niet bij God".
De Heere kan de zonden, al waren ze rood als scharlaken en karmozijn, wit maken. De zonden worden hier aangeduid met de kleur rood. Wij hadden dat niet verwacht. Wij denken eerder aan de kleur zwart. Denk aan de uitdrukking: „iemand zwartmaken", d.w.z. iemand ergens van beschuldigen.
In het Woord van God wordt de zonde wel meer aangeduid met de kleur rood. En dan denk ik aan het gezicht van Johannes op Patmos. De grote hoer, die Johannes zag en waarmee de wereldmacht werd aangeduid, was een vrouw, die zat op een scharlaken rood beest. En de vrouw zelf was bekleed met purper en scharlaken. Die vrouw is als het ware de verpersoonlijking van de zonde en de ongerechtigheid. Rood is een schreeuwende kleur. De zonden schreeuwen als het ware naar de hemel.
Daar komt nog iets bij. Velen van het volk van Juda zijn rijk geworden over de rug van de armen. Zij hebben de weduwen en wezen verdrukt. Zo erg zelfs, dat sommigen door hen zijn omgekomen, zodat hun handen bevlekt zijn met bloed. Wanneer de zonden nu vergeleken worden met de kleur rood, dan zit daar een prachtige kleurensymboliek in.
„Komt dan, en laat ons tezamen richten, zegt de Heere” tegen dat overblijfsel, dat het niet meer weet. Met de nadruk op het woordje komt. Wat komt de Heere hier lieflijk te lokken en te nodigen. Komt dan, zegt de Heere. Hij wil hen er toe uitlokken. Wij zouden dit met een eenvoudig beeld willen duidelijk maken. Het beeld van moeder en kind. Moeder is alleen in de kamer met haar kind van één jaar. Haar kind kan al wel lopen tussen vader en moeder in, maar nog niet alleen. Nu is vader aan zijn werk en moeder is alleen in de kamer en nu wil ze zo graag dat haar kind alleen zal leren lopen. Wat doet nu de moeder? Terwijl haar kind met haar handje de poot van de stoel vasthoudt en staat te aarzelen, roept de moeder een eindje verder: Kom dan, terwijl ze met uitgebreide handen klaar staat. Kom dan, lokt de moeder uit, kom dan, en als je dreigt te vallen dan sta ik gereed om je op te vangen.
Zo nu, maar dan in nog veel sterkere mate, lokt de Heere Zijn volk uit om met Hem te richten. Want, zegt de Heere, „al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw". En wat is er witter en reiner dan sneeuw, die vers op de aarde nedervalt? Sneeuw echter is niet duurzaam, niet blijvend. Als er een pak sneeuw is gevallen en de zon gaat er over schijnen, is de sneeuw gauw weggesmolten en verdwenen. Maar de Heere is met eerbied gezegd nog niet uitgesproken. Hij gaat nog verder. De Heere zegt nu: „al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol". En wol is duurzaam, wol is blijvend. Wol kan de stralen van de zon verdragen. Wol smelt niet weg. Welnu, kan het rijker? De Heere wil de zonden ongedaan maken. Ze vergeven. Dat is evangelie! Dat is een blijde boodschap! Nu kan de zondaar met God verzoend worden. De zonden immers maken scheiding tussen de Heere en ons. Als onze zonden worden weggenomen, wel, dan kunnen wij Gods vriendelijk aangezicht weer in gunst aanschouwen.
„Ik delg uw overtredingen uit als een nevel", zegt de Heere elders. Wat een wonder. Hier staat ons verstand met eerbied stil.
Nu hoor ik iemand zeggen: hoe kan dat? De Heere is toch niet alleen barmhartig, maar ook rechtvaardig? De Heere kan toch geen gemeenschap hebben met zondaren? Hij is toch - door onze zonden - een verterend vuur en een eeuwige gloed, bij wie niemand wonen kan? En de zonde, die tegen de allerhoogste Majesteit bedreven is, moet toch ook met de aller-zwaarste straf aan lichaam en ziel gestraft worden? God haat altoos het kwade en het behoort toch tot Zijn Goddelijke Wezen, dat Hij schrikkelijk toornt tegen de „aangeboren en werkelijke zonden"? Alle schenders van Gods heilige wet liggen toch onder de vloek? Zegt de Heere Zelf niet: ,,Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen"? De Heere kan toch, van Zijn recht geen afstand doen? Inderdaad. Met eerbied gezegd: God zou ophouden God te zijn indien de deugd van Zijn rechtvaardigheid zou worden gekrenkt. En toch is het zo, dat de Heere onze zonden, die rood zijn als scharlaken en karmozijn, wit maakt als sneeuw.
De Heere kan dat doen, omdat er uit het volk van Juda Eén geboren zal worden in de volheid des tijds, Die het gericht zal ondergaan: Jezus Christus. Hij heeft het gericht in al zijn zwaarte en hevigheid ondergaan. De Heere heeft de zonden van Zijn volk bezocht aan Zijn lieve Zoon Hij heeft de straf ondergaan. Aan Hem is de rekening gepresenteerd. Hij, de Rechtvaardige, voor de onrechtvaardigen. De profeet Jesaja zegt het in het bekende 53ste hoofdstuk: „Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden". De toorn van God, zegt ons Avondmaalsformulier, waaronder wij voor eeuwig hadden moeten verzinken, is op Hem neergekomen. Wij gaan in gedachten naar de kruisheuvel Golgotha. Daar is Hij aan het kruis genageld in het gezelschap van twee misdadigers. En daar is Hij door allen verlaten. Verlaten van de wereld. Verlaten van de kerk. Zijn eigen volk heeft Hem uitgeworpen. „Hij is gekomen tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen". Verlaten van de levende kerk. Van geen van Zijn discipelen ontving Hij ook maar de geringste steun.
Hij is echter niet alleen verlaten door alle mensen, maar ook door Zijn Vader. In de drie-urige duisternis heeft Hij het onder grote benauwdheden uitgeroepen: „Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? " Hoort u het: de Vadernaam kon Hij niet meer gebruiken. De Vader heeft Zijn aangezicht voor Hem verborgen. De Zoon van God ondergaat de straf op de zonden van Zijn volk. De gramschap van Gods toorn wordt geblust op Hem.
Hij is gestorven, maar de dood heeft niet overwonnen. De dood had niet het laatste woord. Hij is opgestaan en heeft getriomfeerd over de dood. Hij heeft de weg gebaand tot God voor arme zondaren. Hij heeft de wet volkomen volbracht.
Aan onze kant de onmogelijkheid om aan het recht van God te voldoen. Daarom veroordeelt de wet ons. De wet kan alleen maar eisen: betaal wat u mij schuldig bent. Aan de eisen der wet moet worden voldaan. Daartoe is Christus in de wereld gekomen, waarvan wij willen zingen (Ps. 40 : 4):
Brandofferen noch offer voor de schuld,
voldeden aan Uw eis noch eer.
Toen zeid' Ik: Zie, Ik kom, o Heer',
de rol des boeks is met Mijn Naam vervuld.
Mijn ziel, U opgedragen,;
wil U alleen behagen,
Mijn liefd' en ijver brandt;
Ik draag Uw heil'ge wet,
die Gij de sterv'ling zet,
in 't binnenst' ingewand.
Toepassing.
„Komt dan, en laat ons tezamen richten". Laten wij met dit woord tot onszelf inkeren. Want deze boodschap raakt ook ons. Wij zijn, evenals het volk van Juda, rijk bevoorrecht. Wij leven op de erve des verbonds. De woorden Gods zijn ons toebetrouwd. En wat een arbeid heeft de Heere al aan ons ten koste gelegd! De eerste zondag van ons leven is er in de kerk al voor ons gebeden. Nog maar enkele weken oud, mochten wij het teken en zegel van Zijn verbond ontvangen. Maar is het in ons leven al gekomen tot verbondsinwilliging?
Van nature zijn we als de massa van het volk van Juda. En bent u ook nog zo'n natuurlijk mens? Ligt u voor tijd en eeuwigheid voor eigen rekening? Maar wat moet er dan van u terechtkomen? Dan gaat u uw eeuwige ondergang tegemoet. Wanneer u niet geborgen bent in Christus zult u straks zelf het gericht moeten ondergaan. Want dan is Christus niet uw Redder, maar uw Rechter. En dat zal vreselijk zijn. Dan zult u voor eeuwig de last van de toorn van God moeten ondergaan. Dan ligt u voor eeuwig onder de vloek van God. Dan zal de weg des heils, die u op aarde zo menigmaal is voorgehouden, in uw herinnering voortleven als een weg, die u voorbijgegaan bent. Dan zal alles tegen u getuigen. Verschrikkelijk. Wel de weg te hebben geweten en hem niet te hebben bewandeld. U leeft echter nog in het heden der genade. De Heere komt nog tot u met Zijn genadegericht! „Zo gij Zijn stem dan heden hoort, verhardt u niet, maar laat u leiden". Ja maar, een mens kan zichzelf toch niet bekeren, zegt u. De mens toch is dood in zonden en misdaden. Het geloof is toch een gave Gods. Een mens kan het toch niet grijpen. En zegt het Doopsformulier ook niet, dat de Heilige Geest ons toeëigent hetgeen wij in Christus hebben? Inderdaad. Het is volkomen waar. Maar wiens schuld is het, dat wij niet kunnen en niet willen? Dat is niet de schuld van onze Schepper, maar onze eigen schuld. De Heere heeft ons zo geschapen, dat wij dat konden doen. In het paradijs echter hebben wij ons van God losgescheurd en zijn we, om met de Catechismus te spreken, onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad geworden.
Het is dus een schuldige onwil en een schuldige onmacht. En de Heere doet van Zijn eisen geen afstand. Daar komt geen mens onderuit. Maar weet u wat nu het heerlijke is? Het is een genade-eis. De Heere wil ons geven wat wij niet kunnen. Wij hebben geen hart om God te vrezen en nu zegt de Heere dat Hij ons leven wil vernieuwen, zodat ons hart naar Hem leert uitgaan en Hem liefheeft. En dat kan Hij nooit doen om ons, maar alleen om Zijns Naams wil, om Zijns verbonds wil.
Opent uwe mond,
Eist van Mij vrijmoedig,
Op Mijn trouw verbond,
Al wat u ontbreekt,
Schenk Ik, zo gij 't smeekt,
Mild en overvloedig.
Misschien is er iemand, die zegt: ik bid al zo lang om bekering. Er verandert echter niets in mijn leven. Het blijft allemaal hetzelfde. Mag ik u dan een vraag stellen? Strijdt u wel tegen de zonde? Er zijn namelijk veel mensen, die wel vragen om bekering, maar intussen de zonde aan de hand houden. En dat kan niet. De Heere zegt duidelijk in de verzen voorafgaande aan onze tekst, dat wij het goede moeten doen en het kwade nalaten. De waarachtige bekering houdt immers in: inkeer tot zichzelf, heenkeer tot God en afkeer van de wereld! Wie waarlijk tot de Heere bekeerd wil worden, moet ook van de zonde af willen. Wij kunnen geen twee heren dienen.
Misschien zijn er in ons midden, die evenals het overblijfsel van Juda, tot de Heere terugkeren. Terugkeren met smeking en geween. Mensen, die de droefheid naar God kennen over de zonde, die een onberouwelijke bekering werkt tot zaligheid. Mensen, die ontgrond zijn van alles wat van hen is, en niets hebben aan te bieden dan een leven verknoeid door de zonde. Wij willen hun toeroepen: gaat maar op Zijn lieflijke nodiging in. Hij heeft op een zondig volk gerekend. „Gij, die God zoekt in al uw zielsverdriet, houdt aan, grijpt moed, uw hart zal vrolijk leven. Nooddruftigen, veracht Zijn goedheid niet. Nooit zal Hij Zijn gevangenen begeven".
Wanneer het werkelijk nood wordt in ons leven, wanneer de last der zonde zwaar op ons drukt, gaan we uit naar de Heere. Dan wordt Christus ons noodzakelijk. Dan wordt het: „Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk". En waarom is Hij begeerlijk? Omdat Hij het is, Die aan het recht van God voldaan heeft. Nu kunnen wij zalig worden, zonder dat er één van Gods deugden behoeft te worden gekrenkt. Hij heeft gezegd: „Het is volbracht". En het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt ons niet van vele zonden, ook niet van bepaalde zonden, maar van alle zonden. Voor de grootste der zondaren is er behoudenis in Hem.
De eeuwigheid is er voor nodig om het uit te wonderen: verloren in zichzelf, maar behouden in Hem. Hem in het geloof te mogen omhelzen is enkel zaligheid. Hij spreekt ons vrij van schuld en straf en geeft ons een recht op het eeuwige leven. En die in de Zoon gelooft, krijgt niet, maar heeft reeds het eeuwige leven, zegt Johannes. Het begint dus reeds in dit leven. „Nademaal ik het beginsel der eeuwige vreugde in mijn hart gevoel",, zegt de Catechismus. Die vreugde is straks volkomen.
Mijn God, U zal ik eeuwig loven,
Omdat Gij 't hebt gedaan.
Amen.
Oktober 1970