Ezechiƫl 9:4 'Teken een teken op de voorhoofden der lieden, die zuchten', ds. C. Smits

GETEKEND EN BEWAARD

Dankdagpredikatie over Ezechiël 9: 4

Door Ds. C. SMITS

Psalm 89:14
Lezen Ezechiël 9
Psalm 106:4 en 23
Psalm 85:2
Psalm 79:4

Groot zijn de weldaden en zegeningen, die de Heere in voorleden dagen ons volk verleend heeft. Groot ook is Gods lankmoedigheid en weldadigheid, die Hij ons geschonken heeft in dit afgelopen seizoen, dat de Heere het verbond van de dag en de nacht niet vernietigd heeft. Ja, niettegenstaande de klimmende schuld van land, volk en kerk, dat de Heere het verbond, met Noach aangegaan, ook thans weer heeft bevestigd, dat zaaiing en oogst, zomer en winter, niet zouden. ophouden.
Maar zie dan ook tegenover al die zegeningen de zonden temidden van een afhoererend en daardoor wégzinkend vaderland en een gescheurde kerk.
Immers groot is de lankmoedigheid Gods, doch daar komt een einde aan. Dit hebben we inzonderheid op deze dankdag voor het gewas wel te bedenken. Ja, vanwege de indrukloosheid en toenemende afval hebben we op deze dag wel op een extra-ordinaire wijze op te roepen tot boete en bekering. En te waarschuwen: „Hoort de roede, en Wie ze besteld heeft". Want immers de rechtvaardige oordelen Gods kunnen niet uitblijven. We hebben ze als van de hemel afgedwongen; want:
Een dwaas volk heeft Uwe Naam gelasterd,
Van Uwe vrees en van Uw dienst verbasterd.
Donker toch tekent zich de toekomst af. Immers het ontbreekt de rechtvaardige, strafeisende gerechtigheid Gods niet aan middelen om schuldige landen, volken en personen te straffen en te oordelen. Doch nu een groot onderscheid, of we in deze oordelen een verberging hebben in die God, Die temidden van alles wat wisselt en keert, een overblijfsel heeft, dat onder de schuld en afval zucht, en dat van alle schepsel afgebracht, alleen op Zijn goedertierenheid leerde hopen en wachten. Daarover toch spreken onze tekstwoorden. Het is uit de profetieën van Ezechiël, dat wij het Woord Gods willen openen.
Ezechiël, de priesterlijke ziener, is wel eens genoemd de Johannes van de oude dag. Beiden toch verstoten en verbannen; Johannes op Patmos en Ezechiël aan de rivier Kebar. Als balling beiden optredend in een tijd, waarin ontroerende dingen geschiedden en de Heere Zijn raad kwam te vervullen temidden van oordeel en verbanning, van vervolging en verdrukking. Beiden hebben in een ontsloten hemel gezien, maar ook vandaar de oordelen Gods aanschouwd en als boetgezanten deze verkondigd. Welnu, het is zulk een stoot uit de boetbazuin van deze ziener, die we beluisteren in het woord van onze tekst.
Om deze woorden te verstaan, hebben we wel na te gaan welke de historische achtergrond is derzelve. En dan kan van dit, als van menig ander schriftwoord getuigd worden, dat het geboren is in een zeer donkere tijd.
De profeet Ezechiël was een jongere tijdgenoot van Jeremia. Doch terwijl laatstgenoemde zijn profetieën uitsprak binnen Jeruzalem, zo klonk het woord van Ezechiël in Babel. Het rijk der tien stammen is reeds lang verwoest en het volk in ballingschap gevoerd in Assur. Juda's rijk echter bleef nog voortbestaan. Doch ook hieraan zou een einde komen. Reeds was een gedeelte weggevoerd. En bij de tweede wegvoering, waaronder vele jongelieden waren van de voornaamsten des lands en van het priesterlijk geslacht, bevond zich ook Ezechiël. Met deze schare gevangenen werd hij gezonden naar Mesopotamië en ontving daar een woonplaats aan de rivier de Kebar.
Daar nu begint zijn profetische arbeid. Daar werden de hemelen voor hem geopend en zag hij gezichten Gods. Daar kwamen dikwijls de ballingen tot hem, om uit zijn mond de openbaring des Heeren te vernemen; doch ook gebeurde het wel, dat de profeet in het openbaar voor zijn woning het volk toesprak, en dan stroomde het van alle zijden tezamen om de profeet te horen, doch het was meer om de vorm dan om de inhoud te doen.
Immers het schijnt, dat Ezechiël een bijzondere gave van welsprekendheid bezat, hetgeen wel blijkt uit wat de Heere zegt: „Gij zijt hun als een lied der minne, als één, die wel speelt, en daarom horen zij uw woorden, maar ze doen ze niet". En toch was het woord van Ezechiël zo diep ernstig. Jeruzalem stond nog; de tempel was nog niet verwoest en het lot van het bedreigde vaderland hield deze ballingen dagelijks bezig. En zij, die in waarheid de Heere vreesden, verkeerden in diepe moedeloosheid. Immers de profeet sprak van een algehele verwoesting. Deze heeft plaats gehad onder Zedekia, toen Jeruzalem door heirlegers is omringd, het bloed door de straten der stad heeft gevloeid en stad en tempel zijn in de as gelegd. Het is ten opzichte van dit schrikkelijk gericht over Juda en Jeruzalem, dat het woord van onze tekst door de Heere Ezechiël op de lippen is gelegd (Ezechiël 9 : 4):

En de Heere zeide tot hem: Ga door, door het midden der stad, door het midden van Jeruzalem, en teken een teken op de voorhoofden der lieden, die zuchten en uitroepen over al die gruwelen, die in het midden derzelve gedaan worden.

In deze woorden wordt gesproken over een zuchtend volk in de oordelen getekend en bewaard. We zien dan:

I. van welk een diep verval hier sprake is;
II. welk een gericht hier wordt voltrokken;
III. welk een genadige bewaring hier wordt gepredikt.
I.
Van welk een diep verval hier sprake is.
Dit wordt met deze woorden gezegd: „De gruwelen, die in het midden van Jeruzalem gedaan worden". Jeruzalem toch en Juda waren met goddeloosheid vervuld. De maat van goddeloosheid was tot overlopens toe. Het besluit van Gods rechtvaardig oordeel was aan het baren. Eerlang zouden stad en tempel verwoest worden door de Chaldeën. Rijk was Israël bevoorrecht boven andere volken, maar dan ook wordt vervuld wat Dr. Owén zegt, dat de Heere vaak een slechter volk gebruikt om een oordeel te zijn voor een beter volk. Ja dan wordt vervuld:
Maar zo zijn kinders ooit Mijn zuiv're wet verlaten,
Zo 't richtsnoer van Mijn recht ter reeg'ling niet kan baten,
Zo zij ontheiligen, wat Ik heb voorgeschreven:
Dan mogen zij gewis voor Mijne straffen beven!
De allersnoodste afgoderij, gepaard gaande met een- tergende godsverachting. Zonde van overspel, geweld -en afgodendienst, en dat bij mensen van allerlei rang en soort. Zo het volk was, was de priester. Het land en , de stad waren geheel en al met bloed bevlekt om deszelfs inwoners.
En nu in een vierderlei visioen heeft de Heere dit aan Ezechiël getoond. De profeet dan, waar hij zich bevindt in ballingschap in Babel aan de rivier de Kebar, wordt vandaar in de; geest weggeleid naar Jeruzalem. Hij zegt: „De Geest vatte mij bij het haar mijns hoofds en voerde mij naar Jeruzalem", en daar, wordt hij geleid naar de ingang van het heiligdom en ziet daar ten eerste: Een beeld der ijvering aan de ingang van de voorhof.
Schandelijker kan het niet worden ingedacht; vlak bij het altaar een afgodsmonster. Dit toch verzwaart de misdaad. - Doch de profeet wordt een tweede gezicht getoond. De Heere zegt in hoofdstuk 8 : 6: „Gij zult nog wederom groter gruwelen zien". En ziet, daar zag hij niet alleen één afgod, maar een grote menigte. En daarbij komt, dat de afgodsbeelden verfoeilijker waren dan al wat te bedenken was. Geheel de voorhof rondom was beschilderd met de beeltenis van alle goden der rondom wonende volken. Deze afgoden werden gediend door zeventig oudsten, de voornaamsten van het volk, en onder hen was Jaazanja, een man, bij het volk in grote achting. En een ieder had zijn wierookvat in zijn hand.
Dan wordt ons in het 13e en 14e vers de derde manier van afgoderij getoond, namelijk vrouwen, bewenende de Thammuz. Dit was waarschijnlijk de Egyptische afgod Oziris, die elk jaar beweend werd. Dit geschiedde op de allerschandelijkste wijze. De vrouwen ontblootten zich, alsof ze zich voor deze god ter ontucht aanboden. En voor die schandelijke schouwspelen; stond nu de tempel open.
Vervolgens zien we het vierde gezicht, nadat de Heere gezegd heeft: „Hebt gij, mensenkind, dat gezien? Graaf nu in die wand en gij zult nog meerdere gruwelen zien". Hij ziet dan vijfentwintig mannen, hun achterste leden waren naar de tempel des Heeren en hun aangezicht was naar het Oosten gericht, en dezen
bogen zich neder voor de zon. De tempel, dus de plaats des heiligdoms, was herschapen in een afgodstempel, waar allerlei gruwelen op de schandelijkste wijze werden gepleegd.
Dit nu, wat de profeet in dit vierderlei visioen aanschouwt, is een beeld ook van onze tijd, een beeld van de zonde van land en volk. Immers niet alleen dat in de duisternis de zonde gediend wordt, maar ook in het openbaar wordt de wet des Heeren met voeten getreden. Ja, evenals bij Juda en Jeruzalem schaamt men zich niet de inzettingen van die God, Die zoveel wonderen heeft verricht in het midden van ons vaderland, te vertreden en Zijn geboden te verachten. Gods Naam, dag en dienst worden ver- guisd. De zonde wordt met Sodom openlijk uitgesproken. Sport en spel worden gediend. Men bemint de ontkleding boven de bekleding. Kortom, het zijn alle gruwelen, zoals de profeet ze in zijn visioen aanschouwde. En slaan we een blik op de kerk en de godsdienst onzer dagen: de oude en zielsbevindelijke waarheid heeft veelszins plaats gemaakt voor een waarheid, die geen waarheid meer is, maar een evangelie naar de mens, waarin de noodzakelijkheid der bekering en van de kennis Gods en van Jezus Christus wordt gemist.
Onze tekst spreekt over de gruwelen. Kennen wij die gruwelen van ons eigen hart? Want waarlijk, als de Heere ons met onszelf bekend maakt, dan zal het gezicht van Ezechiël ons niet vreemd zijn. Dan is het: „Graaf nog maar dieper, mensenkind, en gij zult nog meer gruwelen vinden". O, als het ontdekkend licht van Gods Geest naar binnen valt, dan leren wij wat Hart zingt:
Heere, als Uw Geest in 't harte daalt,
Om 't boze te doen zien.
Bezwijmeld, door dit licht bestraald,
Zou hij van afschuw vliên.
Ja, dan leert hij: 'k Ben door Uwe wet te schenden, krom van lenden, enz., en dan is hij diep beschaamd; dan leert hij zijn bed- stede doornetten met tranen, dan komt hij aan Gods kant te staan. God in Zijn recht toevallen en met David zeggen: „Heere, Gij zijt rechtvaardig en elkeen Uwer oordelen is recht. Dan leert hij, dat God van Zijn recht geen afstand kan doen, ja dat het recht der wet vervuld moet worden. Velen lopen over deze zaken heen. Het zijn dezulken, waarvan we lezen in de Openbaring van Johannes, dat er sprinkhanen met mensengezichten zullen zijn. Dezulken springen over het recht Gods heen. De duivel Ieert het tegenwoordige geslacht, en hun mond spreekt het uit: dat is ouderwets, mystiek, ziekelijk. Immers wij zijn verbondskinderen, wij hebben de belofte. „Spreek ons van zachte dingen en beschouw onze bedriegerijen". Het zijn de mannen, die' bij voorkeur komen met de producten van onze oppervlakkige en verwaterde tijden. Met een nieuwe bijbelvertaling, nieuwe psalmberijming, nieuwe zangwijze, nieuwe kerkorde, en.... een nieuwe bekering. Maar al deze nieuwigheden zijn uit de duivel en uit de hel. Het zijn vruchten van de dood. Dezulken kennen geen zielebanden en benauwdheid over de gruwelen van hun . hart, maar ze grijpen de beloften aan als een .roof. Het geldt hier: „Moab is van zijn jeugd gerust geweest; hij is van vat in vat niet geledigd; daarom is zijn reuk aan hem gebleven en zijn smaak is niet veranderd".
O, de Heere moge nog onze blinde zielsogen openen .voor de gruwelen van ons hart, maar dan- ook voor het zielsverderfelijke -van onze tegenwoordige godsdienst, waar God met Zijn lieve Geest niet in is.
Doch we willen overgaan tot ons tweede stuk en tot u gaan spreken over:
IL
Welk een gericht hier wordt voltrokken.
Want zes mannen ziet de profeet komen met een verpletterend wapen. Zes is het getal des mensen. Zeven is het Goddelijk getal. Zeven wil zeggen: de Drieëenheid Gods en de vier hoeken der aarde. Hemel en aarde met elkander verenigd. Het getal der verzoening; het getal des geloofs. Doch zes, het getal des mensen, wil dit benaderen. Daarom het getal van Babel: laat ons een toren bouwen, welks opperste in-de hemel reikt. Het eigengerechtigd vleselijk beginsel des mensen, om door zijn eigen werken ten hemel te klimmen. Het is het getal van Rome, van de antichrist. Zeven is het getal van de nederdaling Gods van de hemel naar de aarde. Bethlehem. „Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond". Zes is het getal van de opklimming van de mens naar de hemel. Het getal zes: zonde, eigengerechtigheid, vijandschap en rebellie. Zeven: genade, barmhartigheid en vrede.
Het. getal zes betekent ook straf, vergelding, oordeel, en hier wel bijzonder, dat God mensen door mensen komt te slaan. Te weten Babel, de Chaldeën, die God gebruikt als een roede over Juda en Jeruzalem. Want zij komen van de weg van het Noorden. Het betekent, dat God beveelt, dat zij naderen moeten om hun 'werk te doen, namelijk om Jeruzalem te verwoesten. Ze hadden elk een verdervend wapen in hun hand. Het betekent een knots'4Ïn te verpletteren. Ze moeten dan doorgaan door de stad en niemand sparen, geen vrouwen of kinderen of ouden van dagen. Het zou dus allervreselijkst zijn. Een grote slachting zou plaats hebben. En dan te beginnen bij het heiligdom, bij priesters en Levieten. Dit nu is vervuld. Want ze zijn gekomen, de zes mannen van het Noorden, de Chaldeën, een sterk en bitter volk. Zijn paarden zijn lichter dan luipaarden, en hun ruiters verspreiden zich. Een ontroerend tafereel heeft dan ook plaats gehad. De zonen van Zedekia, de koning van Juda, zijn voor zijn ogen geslacht. En hijzelf, zijn ogen zijn verblind en met koperen ketenen is hij weggevoerd naar Babel. De schatten van het huis des Heeren zijn weggevoerd. Welk een gericht zien we hier voltrekken. Lang heeft de Heere gewaarschuwd. Want God is traag tot toom en groot van lankmoedigheid, doch daar komt een einde aan.
Ook in ons land heeft het niet aan roepstemmen ontbroken. Voorwaar schrikkelijke verdwazing, deze roepstemmen niet te horen. De stem des Heeren roept: Hoort de roede, en Wie zè besteld heeft. Het is als het ware of de Heere met de roede klopt, doch wee onzer als die roede, die thans dreigt, zal neerkomen als een roede der vergelding en der verdelging. Want dan zal het gaan als met Juda en Jeruzalem, en deze plaats zal herschapen worden in een Akeldama, een akker des bloeds. Ja, dan kon de dag naderen, dat we te doen krijgen met zwijgende roeden, wier stemmen wij niet meer kennen. Ja dan krijgen wij te doen met zwijgende geboden, zwijgende beloften, zwijgende bedreigingen, zwijgende consciëntiën, en bovenal een zwijgend God. En dan zien we aan het eind van die schrikkelijke verdwazing een uiteindelijk strafgericht. Dan geeft God een volk volkomen over. Dan bezoekt Hij zonde met zonde; dan twist Zijn Geest niet meer. Dan geldt het: „Want dit volk keert zich niet tot Die, Die het slaat; en de Allerhoogste kennen zij niet".
Zwaar heeft Nederland gezondigd. Schuldig staan we voor God, de Allerhoogste. De nationale zonden rijzen tot aan de hemel. Hierover nu kunnen de rechtvaardige straffen niet uitblijven. Daarom, bedenkt het, vóór het voor eeuwig te laat zal zijn, opdat we nog zondaar en schuldenaar worden voor het aangezicht Gods. Om een welgevallen te krijgen in de straf onzer ongerechtigheid, om de Heere te voet te vallen met smekingen en geween. Om te leren treuren over de zonden van onszelf, maar ook over de zonden van anderen, dat is over land en volk. De dichter van Psalm 119 zegt: „Waterbeken vloeien af van mijn ogen, omdat ze Uw wet niet houden". Immers van zulk een recht naar God treurend volk, dat zucht over de gruwelen, die in het midden van haar, dat is dus allereerst het inwonend verderf van het eigen hart, maar ook in het midden van land, volk en kerk, gedaan worden, wordt voorts gesproken in het woord van onze tekst, namelijk dat de Heere temidden van het oordeel des ontfermens gedenkt. Een volk, dat zuchtend de binnenkamer bezoekt en dat Gods Naam vreest en op Zijn heil blijft hopen. En zie, nu zal God Zijn wraakzwaard uitstrekken, doch voor dat volk zal Hij een toevlucht zijn in de dag des gerichts. Bewarend en beschermend zal Hij dat volk een bedekking zijn ten dage der wapening. En daarom:
III.
Welk een genadige bewaring hier wordt gepredikt.
Onder de zes mannen met een verpletterend wapen, die de profeet zag naderen, wordt dus Babel verstaan. Dit Babel zou de Heere gebruiken als een verschrikkelijke geselroede, als een oordeel ten opzichte van Juda en Jeruzalem. „Tot een oordeel hebt Gij hem gesteld, en, o Rots! om te straffen hebt Gij hem gegrondvest", Habakuk 1 : 12. Dr. Owen zegt ergens: God gebruikt soms een slechter volk om een beter volk te slaan".
Nu ziet de profeet echter bij die zes mannen ook een zevende. Deze zevende echter is grotelijks verschillend van die zes. Immers hij is bekleed "met priesterlijke kleding, heeft een gordel om zijn lendenen, en daaraan een schrijversinktkoker.
De zes mannen kwamen met een zeker doel, om met hun verpletterend wapen alles neer te slaan en niets te sparen. Ja zo klinkt het bevel: „En begint van Mijn heiligdom". Doch deze zevende komt met een ander doel tot Jeruzalem, namelijk om een teken te tekenen. Dit was het tweede deel van het bevel, want hij zegt aan het einde van dit hoofdstuk: „Ik heb gedaan gelijk Gij mij geboden hadt".
De man met de schrijversinktkoker komt hier kennelijk voor om ons te tekenen de bedekking, die de Heere geeft in het oordeel, dat over allen gaat. En deze bedekking is alleen Jezus dierbaar bloed. ;,Alleenlijk als Ik dat bloed zal zien, dan zal Ik u voorbij gaan". Dit bloed is het dierbaar bloed, het verlossende en bewarende bloed. Het heilige en het zielzaligende bloed. Dit bloed is op Golgotha gestort. Jezus' handen en voeten zijn doorboord. Maar ook lezen wij, dat de krijgsknechten kwamen en verbrijzel den de beenderen van de moordenaren, doch komende tot Jezus, zagen zij, dat Hij alrede gestorven was. Doch één der dienstknechten doorstak Zijn zijde met een speer, en terstond kwam er bloed en water uit. Deze speerstoot lag in Gods raad besloten. Deze speerstoot is de kerk tot eeuwig heil geworden. Bloed en water: rechtvaardigmaking en heiligmaking. Beide weldaden tot schulduitdelging en zondereiniging.
Deze zevende man nu; met tedere eerbied gezegd, is op Golgotha geweest en heeft zijn inktkoker gevuld met dat edele bloed. 0, het is dat bloed, dat reinigt van de snoodste zonden. Het is door dat bloed, dat de kerk verlost wordt., Gij zijt duur gekocht, zegt Paulus. Niet door zilver of door goud, maar met de dure prijs van Jezus' dierbaar bloed, als van een onbevlekt en heilig Godslam. Het is door dit bloed, dat de kerk ook bewaard wordt. „Die in de kracht Gods bewaard wordt tot de zaligheid". Het is door dit bloed, dat de kerk verzegeld en getekend wordt. Zo ook hier. We lezen: „En teken een teken aan de voorhoofden van de lieden, die zuchten en uitroepen over al die gruwelen".
Wie moeten dus getekend worden? Wie worden hier afgezonderd? Zijn het de priesters, de edelen en voornamen des volks, de wijzen en geleerden? Zijn het degenen, die zuchten over schade en verlies, die huilen om de tarwe en de gerst, omdat de oogst des velds is vergaan? Neen toch! Het zijn degenen, die zuchten. Zuchten, het betekent de adem inhouden en dan sterk uitstoten. In het natuurlijke leven hebben wij wel eens behoefte om te zuchten temidden van onze werkzaamheden, hetzij met het hoofd of met de hand, en voornamelijk als het niet erg lukt. Dan slaken we wel eens een zucht. Zo is er ook op geestelijk gebied wel eens een zuchten. Doch letten we wel, er is een groot verschil waarover we zuchten en of het waarlijk wel zuchten is. Er is ook een nagemaakt zuchten. We kunnen zwartgallig van aard zijn; we kunnen ook voor anderen godsdienst of vroomheid aanwenden, om wat te schijnen. Een mens heeft een vreselijk bestaan. Hij kan als een eigengerechtige farizeeër het gebed, niet van de farizeeër, maar van de tollenaar overnemen en zuchten: „0 God, wees mij, zondaar, genadig". Hij kan zuchten over de schadelijkheid of schandelijkheid der zonde. Hij kan zijn aangezicht in de plooien van de godsdienst zetten, een godsdienstige houding en spraak aannemen, de woorden van Gods volk overnemen. Huntington preekte eens ergens, terwijl er een man onder de preekstoel zat, al maar met het hoofd voorover, met veel godsdienstig gebaar enz. Hij kende deze man en midden onder zijn prediking viel zijn oog op hem. Huntington hield even op en riep: „Daar zit een man onder de preekstoel, die altijd ziet of hij opgehangen zal worden, maar van de bevindingen, die ik verkondig, verstaat hij niets".
Zo is het zo vele malen, er is zo veel namaakgodsdienst, voornamelijk in onze dagen. Weinig ontdekking, veel godsdienst, veel vertoon, wat het merkteken van Gods Geest echter mist. Zo is er ook veel geroep in onze dagen: Wij zijn verbondskinderen enz. Zonder dat men ooit geleerd heeft in een verbroken werkverbond buiten God en Christus te liggen. De apostel zegt: ,,Vreemdelingen van de verbonden der belofte, geen hoop hebbende en zonder God in de wereld". Er is veel „hallelujagodsdienst", die hoog roemt als in Jezus omwandeling op aarde: „Wij zijn Abrahams zaad", maar die van het waarachtig zuchten naar God en Christus vreemdeling is. Het is de eigengerechtige en godsdienstige inbeelding van een gepolijst, zelfgenoegzaam christendom, hetwelk is de fijnste manier van verharding en de zekerste weg om eeuwig verloren te gaan. Het zal daarom niet baten of men beweert: Het tegendeel bleek niet; d.w.z. men is gedoopt en veronderstelt dat men is wedergeboren, totdat het tegendeel blijkt. Doch nu groeit men godsdienstig en kerkelijk op; men doet belijdenis en gaat ten Avondmaal. Immers men bevestigt daarmede, dat men is wedergeboren. Ik zeg daarom: het zal niet baten, of men al beweert, dat het tegendeel toch niet bleek. Het komt er op aan, niet of ge het tegendeel mist, maar of ge daadwerkelijk de zaak van een ware zuchter bezit. Wanneer het over het ware zuchten gaat en wat daarmede verband houdt, dan leert de duivel ons tegenwoordig godsdienstig geslacht en gebruikt zelfs de voorgangers daarvoor, zeggende: Dat is ouderwets, mystiek enz. We moeten met onze tijd mee, en men beeldt zich in, dat men tot een gezond christendom behoort, dat zich er gaarne op laat voorstaan, dat ze goede calvinisten zijn.
Het klinkt echter in onze tekst, dat de man, die met linnen bekleed is, een teken moet tekenen aan de voorhoofden, niet van al degenen, die we zoëven noemden, maar aan de voorhoofden dergenen, die zuchten. ja, die zuchten over al die gruwelen. Dat zijn degenen, die geleerd hebben: „Graaf nog maar dieper, mensenkind, en ge zult nog meer gruwelen vinden", die hebben leren graven in de wand des harten, die zichzelf hebben leren kennen, ook na ontvangen genade, na de heerlijkste openbaringen en uitlatingen van Gods gunst voor hun ziel, die met Paulus kunnen zeggen: „Wij dan gerechtvaardigd zijnde door het geloof", en arme zuchters zijn en blijven. Want hoe meer genade, hoe meer ontdekking, en daarom leren ze met dezelfde apostel: „Van welke ik (namelijk van de zondaren) de voornaamste ben". Niet van welke ik de voornaamste was, vroeger, vóór zijn bekering, maar ben, vanwege het bestaan, dat zij voor God omdragen.
„Teken een teken aan de voorhoofden der lieden, die zuchten". Van een teken wordt in Gods Woord op meerdere plaatsen gesproken. Zo stelde God een teken aan Kaïn. Israël moest het bloed hebben op de voorposten. Rachab moest een scharlaken draad uithangen. Zulk een teken was gesteld ter bewaring, opdat ze niet beschadigd zouden worden. En zulk een teken was een type van die enige bedekking, van dat enige bloed, waardoor het verbond der genade verzegeld is. En zie, met zulk een teken hebben we ook hier te doen. Teken een teken. Voor het woord teken staat in het oorspronkelijke maar één letter, en deze letter heeft de vorm van een kruis, en betekent zo veel als onze letter t. Dus staat er eigenlijk: teken een kruis. Waarom nu juist deze letter en niet een andere? Omdat de engel spaarde en bewaarde hen, die met hun hart geloofden in de Messias tot zaligheid. En Deze nu zou gehangen worden aan een kruis. Welk een rijke symboliek. Dit teken betekent dus Christus in Zijn kruisgestalte, in Zijn gerechtigheid, bloed en wonden, de enige bedekking en het enige schild voor een ellendig en arm volk, maar die op de Naam des Heeren mogen vertrouwen.
Ja, die dat schild, dat teken, die enige bedekking kent temidden van de oordelen, die komende zijn over land en volk, mag met de dichter zeggen:
O Heer', mijn Rotssteen, mijne Sterkte,
Gij hebt mij steeds tot heil verstrekt;
En in de strijd, daar 't elk bemerkte,
Mijn hoofd als met een schild bedekt.
De grote en allesbeslissende vraag geldt ons allen: Behoren wij tot die zuchters? Want dezen alleen zullen met dat schild bedekt worden. En nu zullen ze niet getekend worden omdat ze zuchten, maar nu raken ze aan het zuchten omdat ze reeds getekenden waren vóór de tijden der eeuwen. Dit toch leren ze alleen door terugleidend licht. God heeft van eeuwigheid dat volk afgezonderd en getekend. Ze zijn afgezonderd en getekend in de eeuwige raadslagen Gods, in de borgstelling van Christus, in de koping op het kruishout, maar nu ook door toepassing, en daarom worden ze in de tijd een voorwerp gemaakt voor het onderwerp. En dat onderwerp worden ze alleen door ontdekking en door hartvernederende genade. Dat zijn dezulken, die met de profeet leerden graven: „Graaf maar dieper, mensenkind, en ge zult nog meer gruwelen vinden". Om de gruwelen van binnen en van buiten leerden ze zuchten:
Gij, Die 't zuchten hoort der armen,
Wil U over mij erbarmen,
Dat ik U niet langer mis,
Die mijn ziel zo dierbaar is.
Nochtans leren ze, dat ze met al dit zuchten geen bestaan voor God hebben. In deze weg worden ze gans ontledigd en ontbloot en raken ze de grond kwijt uit al hun werkzaamheden. Men zegt wel eens: De eerste wereld verging door water, maar de tweede wereld door vuur. O, door dat vuur van Gods Geest, door die Geest der uitbranding en ontdekking komen ze als een goddeloze, uitgezette en verdoemelijke zondaar voor God te staan. Worden ze een omkomend mens, die alle grond uit alle zuchtingen, ja uit al wat hij is en niet is, verliest. Die het met God eens wordt in Zijn heilige rechtsgedingen, en die buiten dit teken, dat is de toegerekende gerechtigheid van Jezus' bloed en wonden, voor eeuwig om moet komen. 0 wonder voor zulk één, als nu uit Gods souverein welbehagen dit teken wordt toegepast, dat is namelijk als de Vader, met tedere eerbied gezegd, de pen des Heiligen Geestes doopt in het dierbaar bloed van Christus, en door al hun schuld en zonde, die nu als een berg oprijzen van de aarde tot de hemel, een streep trekt. Ja, als de Vader dwars door al hun credits en debets heen schrijft: Voldaan, om Jezus' wil voldaan. Ik delg uw zonden uit als een nevel en ik gedenk ze niet meer. Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde en daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid. Zie, daar worden ze ontslagen van de vervolgingen der wet, daar worden ze als een getekende door het kruis en de gerechtigheid van Christus voor hun eigen hart ingeleid in de valtig, heden van het eeuwig verbond, dat met bloed getekend is.
Mijn hoorders, de tijden zijn donkerder dan ooit tevoren. Wat a1 ' roepstemmen. Is het niet opmerkelijk, welk een zomer achter ons ligt? Donkere luchten, koude en regen ten tijde van hooi- en korenbouw. Het is alsof de zon weigerde haar licht te geven en alsof de grimmigheid Gods over het aardrijk als uitgespreid lag. Voegt daarbij de ontzettende rampen door aardbevingen, cyclonen enz. Het zijn alle als zo vele boden, die ons: aankondigen, dat God komende is met ontzettende oordelen. 0, hoe noodzakelijk, dat we dat teken nog bekomen, vóór het voor eeuwig te laat is. Nog niet lang geleden was ik bij een kind van God. Eén. van de weinigen, die nog nauw met God leven. Eén van de zuchters in Sion. En deze sprak, terwijl hij tot tranen bewogen was: „O, de oordelen hangen zo laag. Het is zo dichtbij." 0, oud en jong, leerden we nog met de schuld van onszelf en van land, volk en kerk, de Heere te voet vallen met smeking en geween. Ja, nog komen met de knechten van Benhadad met de koorden der veroordeling om de hals, nochtans zeggende: „Wij hebben gehoord, dat de koningen van Israël goedertieren koningen zijn". Zwaar heeft ons land, volk en Vorstenhuis gezondigd. Schrikkelijk zijn de verlatingen van God, Zijn wet en ordinantiën. Rechtvaardig moet de Heere komen met die „zes mannen van het Noorden", Zijn strafeisende gerechtigheid. O, leerden we : geen rust te kennen voor het hol van onze voet, tenzij we een door genade getekende zijn door die „zevende".
Mijn hoorders, vroeg of laat, zullen gij en ik liggen voor de poorten van dood en eeuwigheid. Dan zullen die »zes mannen" komen, dat is de dood, de strafeisende gerechtigheid Gods. „De bezoldiging der zonde is de dood". En sterven is God ontmoeten. En God ontmoeten is zijn Rechter ontmoeten. 0, dan is het voor u en mij de grote vraag: „Zal er dan ook die „zevende" bij zijn?" O volk, dat het geleerd heeft, die „zes" te aanschouwen, te weten, dat God Zijn recht, Zijn beeld kwam op te eisen, maar dat ook in dit dodelijk tijdsgewricht kennis heeft gekregen aan de „zevende", de toepassing van de Persoon en de toegerekende gerechtigheid van Christus, waardoor een helwaardig schepsel wordt vrijgekocht en vrijverklaard in Gods vierschaar, laat het in deze tijden van diep verval toch uw ernstige betrachting zijn om naar de binnenzijde een nauw leven te hebben, een verbonden leven aan de genadetroon van de Almachtige. En naar de buitenzijde een afgezonderd volk te zijn, om in handel en wandel te doen uitkomen: Wij verwachten naar Zijn beloften een nieuwe hemel en een nieuwe,aarde, waarop gerechtigheid woont. Als dan de grote dag daar is, waarop de schoven zullen binnengehaald worden, omdat de oogst der aarde is rijp geworden, dan zal dat volk verwaardigd worden om in hun Koning en Goël te roemen: Gij hebt ons Gode gekocht met Uw dierbaar bloed uit alle geslacht, taal, volk en natie. Dan zal er ook geen scheiding meer zijn, ja dan zullen ze niet meer door oceanen gescheiden zijn, want „de zee was niet meer". Dan zal het één volk zijn, van één taal en één spraak. Ja dan zal het eeuwig dankdag zijn: „Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen". Amen.


Oktober 1954