En altijd is God groter
Predikatie over Ps. 42:12
Door Ds. M. BAAN
Psalm 9: 1, l0 en 11
Lezen: Psalm 42
Psalm 138: 3 en 4
Psalm 42:52n7
Psalm 89: 3 en 4
Tekst Ps. 42 : 12: Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God! want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God!
„En altijd is God groter!"
Dit woord schreef eens iemand af boven de vele donkere bladzijden van zijn levensboek.
Dit woord heeft zijn betekenis niet verloren voor de vele donkere kanten ook van ons natuurlijk en geestelijk leven.
Groot kan onze nood zijn.
Groot kan onze smart zijn.
Groot kan onze rouw zijn.
Groot kan ons verdriet zijn.
Groot kan onze druk zijn.
Groot kan onze moedeloosheid zijn.
Groot kan onze schuld zijn.
Groot kan onze verlorenheid zijn.
En toch .... altijd is God groter!
Grootmachtig zijt G' o Heer'! ja eindeloos in vermogen,
Uw onverbreekb're trouw omringt U voor elks ogen. Geen afgrond zo diep waar Zijn hand niet uit redt,
Geen bede om gen, waar Zijn oor niet op let;
Geen tranen hoe bitter, die Hij niet verzoet,
Geen zonden te groot voor de kracht van Zijn bloed. En altijd is God groter!
Maar kan dat - zo hoor ik u vragen - maar kan dat ook voor mij?
Mijn weg is voor de Heere verborgen, en mijn recht gaat voor mijn God voorbij!
De Heere heeft mij vergeten, de Heere heeft mij verlaten. Mijn ziel is als een gebroken snarentuig. Geen stem noch opmerken wordt meer gehoord. Ga ik voorwaarts ik zie de Heere niet, ga ik achterwaarts, ik merk Hem niet!
Ja toch... altijd is God groter!
Hebt ge wel eens van een aeolus-harp gehoord?
Zulk een harp is zeer gevoelig voor de wind.
Buiten de wind dan is er geen geluid. Dan ligt ze daar koud en stil.
Maar komt de wind over de gespannen snaren, dan dringt de muziek in een stille schoonheid tot u door.
Zo kan de ziel van een mens ook wel eens zijn als zulk een aeolus-harp.
De snaren gebroken, of zo ze al strak gespannen zouden zijn, daar is geen wind! en geen stem of opmerken wordt gehoord. Dan ligt daar uw zieleharp in de eenzaamheid van uw huis, op de rand van uw ziekbed, koud en stil! Geen ritseling van zielevreugde wordt gehoord!
't Is windstilte!
Maar komt de wind des Geestes, en gaat God zelf onze zieleharp bespelen, dan wordt er een lofpsalm beluisterd, die doordringt tot in 's hemels zalen, die opklinkt tot voor 's hemels troon. Een voorbeeld daarvan vinden wij in onze tekst.
De ziel van de dichter was ook als zulk een gebroken of geestelijk gespannen snarentuig.
Van God verlaten! Door de vijanden bespot! Door zonden en schuld benauwd!
Maar toen de wind des Geestes kwam, werd er een lofzang aan zijn zieleharp ontlokt, zó heerlijk, zó rijk, dat deze dichter kon getuigen: En altijd is God groter!
En altijd is God groter. Dit heeft Gods Geest de psalmdichter geleerd.
I. door een treffende vraag.
II. door een krachtige opwekking.
III. door een heerlijke geloofsbelijdenis.
I.
We lezen onze tekst in psalm 42.
Een bekende psalm.
Wie kent niet de psalm van het hijgend hert?
't Hijgend hert de jacht ontkomen,
Schreeuwt niet sterker naar 't genot
Van de frisse waterstromen,
Dan mijn ziel verlangt naar God.
De psalm dus van het heimweeverlangen naar God.
De psalm ook van de geestelijke verlating: 'k Zal tot God mijn steenrots spreken, Waarom Heere vergeet Gij mij?
De psalm van de klacht; de psalm van de bestrijding; de psalm van de beleving: „daar Uw golven, daar Uw baren, mijn benauwde ziel vervaren."
Zo vinden wij in deze psalm de golving van het geloofsleven. Nu eens de hoogte, dan weer de diepte.
Nu eens de jubeltoon, dan weer de klacht.
Nu eens het wolkenveld vol donkere randen, dan weer de morgenstond vol lichtende verten.
Wij bemerken daar iets van ook in het woord van onze tekst. Deze tekst begint met een treffende vraagstelling. „Wat buigt gij u neder, o mijn ziel, en wat zijt gij onrustig in mij?" Schijnbaar stelt de dichter deze vraag tot zichzelf.
Straks echter zullen wij horen: in wezen is het God zelf, Die door de werking des Geestes deze vraag aan de psalmdichter stelt. En dan wordt deze vraag gesteld tot de ziel van de psalmdichter die, ten eerste neergebogen, en ten tweede onrustig is. Een neergebogen ziel, dat is een ziel, die gebukt gaat onder een zware last. Ieder heeft zo zijn eigen pakte dragen, en dat drukt de schouders naar beneden. In 't Oosten vooral kende men de z.g.n. lastdragers, die zó gebogen gingen onder een bepaalde last, dat ze het hoofd niet konden opheffen, dat ze de last zelf niet konden afwentelen. Alleen door anderen konden zij worden geholpen, konden zij van de last worden bevrijd. Met dit beeld voor ogen heeft Jezus dan ook gesproken:
„Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt; Ik zal u rust geven." Als 't er op aankomt is er geen zwaardere last dan de zondelast. Zulk een last van zonde en plagen, niet te dragen, Drukt mijn schouderen naar beneën. Niemand zal ons van deze last kunnen verlossen dan God alleen.
Welnu, zo kende de psalmdichter óók zulk een last. Vandaar dat hier gesproken wordt over een neergebogen ziel.
Welke last dit geweest zal zijn?
We kunnen dat lezen in geheel deze psalm.
Waarschijnlijk is deze psalm gedicht door David toen hij vluchten moest voor zijn zoon Absalom.
Zo kende David de last van het huiselijk leed!
Hoe zwaar kan deze last drukken in het gezinsleven.
Als vader of moeder gebogen door het leven moeten gaan in verband met het verdriet over de kinderen.
Als een kind tegen vader opstaat, vader plaagt, vader vervolgt, vader naar het leven staat.
Zo immers was het in de verhouding David-Absalom. Kinderen! jong of ouder, past op om vader of moeder verdriet aan te doen.
Past op, dat vader of moeder niet in verband met huiselijk leed gebukt door het leven moet gaan! „Eert uw vader en moeder, opdat het u welga. Want die Mij eren - zegt de Heere - zal Ik eren, maar die Mij versmaden, zullen licht geacht worden. Nu was het niet alleen de last van dat huiselijk leed, dat de dichter gebukt door het leven deed gaan. Neen! daar was ook nog een geestelijke last!
De last namelijk van het missen van de gemeenschap met God! Hoe duidelijk blijkt dat uit het begin van deze psalm.
De dichter gevoelde zich als een hert, dat schreeuwt naar de waterstromen, het geruis van het water hoort, maar er niet bij kan komen.
Hoe diep gaat dat gemis, en hoe zwaar is deze last.
God te missen en Hem niet te kunnen missen. De gemeenschap met God te derven, en onszelf niet tot die gemeenschap te kunnen brengen.
Dan te denken aan de dagen van ouds, maar die dagen niet terug te kunnen roepen in het leven.
De ene last schijnt zich dan te vermenigvuldigen met weer een andere last.
Als zonde en schuld dan drukken, als strijd en aanvechting de ziel dan benauwen, hoe wordt dan beleefd: „daar Uw golven, daar Uw baren mijn benauwde ziel vervaren."
Juist in deze tijden zit de vijand ook niet stil.
Zo moet het ons niet verwonderen, dat deze dichter van alle kant zich hoorde toeroepen: En waar is nu uw God?
Dit maakte de ziel van David zéér neergebogen, en dan: wat zijt ge onrustig in mij?
De ziel van David was ook onrustig!
Als een mens onrustig is, dan weet hij niet waar hij het zoeken moet.
Hij loopt hiérheen, hij loopt dáárheen, maar vindt nergens rust. Hoe onrustig kan een mens zijn in zijn gang naar het ziekenhuis.
Hoe onrustig bij het naderen van de dood!
Van koning Benhadad lezen wij, hij was zó bang om gedood te worden, dat hij vlood van kamer in kamer.
Het beeld van de onrust.
Zulk een onrust kende David nu ook in zijn leven.
Zulk een onrust geeft mogelijk ook het beeld van uw ziel? Dan kent ge zulk een neergebogen ziel.
Allerlei zorgen, allerlei lasten drukken uw zieleleven neer. Ge kent de druk van het natuurlijke leven.
Ge kent de druk van het huiselijk leven.
Ge kent de druk van het geestelijk leven.
En dan die onrust, ge weet vaak niet waar ge het zoeken moet! O zeker, dan weet ge het wel, dan hoort ge het wel : De Heere is ons een Toevlucht en Sterkte, Hij is krachtiglijk bevonden een Hulp in benauwdheden.
Ge weet dat wel! Ge hoort dat wel! Ge gelooft dat wel! Maar ge kunt er niet inkomen, ge kunt er niet uit leven. De zieleharp ligt daar wel bij het geopende venster, maar daar is geen wind, geen stem of opmerken wordt gehoord.
Zeer gebogen en verslagen; moe van 't klagen, ga ik al de dag in 't zwart.
Maar nu lezen wij hier een vraag.
Een vraag, die schijnbaar door de dichter tot zichzelf wordt gesteld, maar die in wezen door God Zelf wordt ingegeven! De wind des Geestes gaat over zijn zieleharp waaien, en dan klinkt de stem: „Wat buigt gij u neder, o mijn ziel, en wat zijt gij onrustig in mij?"
Ja, als God Zijn volk tot openbaring of tot verlevendiging van het geestelijk leven wil brengen, dan begint de Heere altijd met vragen. En als de Heerevraagt, dan moet er ook een antwoord komen! Een antwoord dat vaak in de benauwdste zielskonflikten wordt geboren.
Zo kreeg Adam reeds de vraag: Waar zijt gij?
Zo kreeg Elia de vraag: Wat maakt gij hier, Elia?
Zo kreeg Petrus de vraag: Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij lief?
En van Saulus van Tarsen weten wij, dat heel zijn godsdienstig, eigengerechtig bestaan gebroken werd met die éne vraag: Saul! wat vervolgt gij Mij?
Zo kreeg David óók een vraag, en deze vraag zou het preludium, het begin zijn van een Godverheerlijkend antwoord. Want wat was de bedoeling van deze vraag?
Bedoelde deze vraag zelfbeklag? Met andere woorden: ach mijn arme ziel, wat buigt ge u toch neder, wat zijt ge toch onrustig in mij? Wat zijt ge te beklagen, en wat zou ieder over uw bange zielsgesteldheid moeten gaan wenen!
Wij geven toe, dat het zó vaak wordt verstaan.
Wordt deze psalm gezongen, dan gaat het orgel zachter spelen, de scherpe tonen worden er uitgehaald. Alles komt te staan in het teken van de mineur, in het teken van de klacht.
Toch moeten wij deze vraag in een ander licht bezien.
Niet in het teken van het zelfbeklag, maar wel in het teken van de zelfkorrektie!
Met andere woorden: o mijn ziel, wat buigt ge u neder, wat zijt ge onrustig in mij, maar ..... is de Heere er dan niet? Is God dan geen God, Die ook in de donkerheid woont? Is God dan geen God, Die ook in het donker Zijn beloften houdt? Is het dan niet waar:
Hoe donker ooit Gods weg moog' wezen;
Hij ziet in gunst op die Hem vrezen!
Is God dan altijd niet groter?
Groter dan uw nood!
Groter dan uw smart!
Groter dan uw rouw!
Groter dan uw verdriet!
Groter dan uw druk!
Groter dan uw moedeloosheid!
Groter dan uw schuld!
Groter dan uw verlorenheid!
In verband hiermede heeft men deze psalm wel genoemd: de psalm van de zielskorrektie!
God korrigeert de ziel van David door zijn gedruktheid, zijn onrust in een ander, in een hoger, ineen Goddelijk licht te stellen! De ziel van David, zo heeft eens iemand gezegd, was als een gespannen veer, die diep ingedrukt scheen. De veerkracht was wel gebleven, maar de veer zelf stond onder een ontzettende druk. En wat deed de Heere toen?
De Heere nam die druk niet weg, maar de Heere gaf zóveel bediening van Zijn Geest, dat de Geest Gods deed de veerkracht naar boven ópspringen, ondanks die druk.
En dan wordt de psalm des geloofs geboren.
De psalm des geloofs, die zich uitspreekt in de hoop!
Hoop op God! Hoop op God!
Dan gaat God Zelf de aeolusharp der ziel bespelen, en wij luisteren niet alleen naar een treffende vraagstelling, maar ook naar een krachtige opwekking.
II.
Hoop op god!
Dat is hier de opwekking.
En wat is nu de betekenis van de hoop?
De hoop is wel de tweelingzuster van het geloof, of het geloof voor de toekomst genoemd.
Zo lezen wij in Hebr. 11: „ Het geloof nu is een vaste grond der dingen die men hoopt."
Hopen is iets begeren, iets verwachten, en nu is het geloof, zo zegt de apostel, de vaste grond, dat het begeerde, het verwachte ook zeker komt! Met andere woorden: deze hoop, geworteld in het geloof, is geen ijdele hoop, ge zult daar niet beschaamd mee uitkomen. Neen! 't Is een in God Zelf, in Zijn Woord en in Zijn beloften gegarandeerde hoop!
Zo is de christelijke hoop dan ook een zeker verwachten. Het is geen afwachten of het komt, maar het is een inwachten, een zeker verwachten dat het komt!
Zo spreekt de Schrift dan ook over „en wij zijn in hope zalig geworden".
Geen misschien dus, maar een zekerheid, die inde toekomst vervuld zal worden.
Van betekenis is hier het woord van de apostel Petrus: „Geloofd zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden. Tot een onverderfelijke, en onbevlekkelijke en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u."
Deze hoop noemt de Schrift dan ook „een anker der ziel, hetwelk zeker en vast is, en ingaat in het binnenste van het voorhangsel. Daar de Vóórloper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus, naar de ordening van Melchizedek, een Hogepriester geworden zijnde in der eeuwigheid".
Hoe groot van betekenis wordt daarom die opwekking: Hoop op God.
Met andere woorden: vergeet in de nood van het leven dat anker niet.
Vergeet dat binnenste voorhangsel niet!
Vergeet dat bloed der verzoening niet.
Vergeet die Vóórloper, die Hogepriester naar de ordening van Melchizedek niet.
Die Hogepriester is Vóórloper, dat wil zeggen: Hij loopt vóór. en gij moet leren volgen. Volgen door Gethsémané, over Gabbatha naar Golgotha. Volgen in de staat van Zijn vernedering, opdat ge Hem ook zoudt mogen volgen in de staat van Zijn verhoging.
Dan worden de lijdenssporen vaak diep getrokken. Dan wordt ook nu telkens weer beleefd: daar Uw golven, daar Uw baren, mijn benauwde ziel vervaren. Maar ...... hoop op God! want na al dat lijden, komt toch straks het eeuwig verblijden!
De Vóórloper is reeds ingegaan in het heiligdom hierboven metZijn eigen bloed, een eeuwige verlossing teweeg gebracht hebbende. En waar Hij is, daar zal ook Zijn dienaar zijn! Dan gaat het dwars door het duister naar de zalen van het eeuwige licht. Naar die plaats, waarvan de Schrift ons zegt: „En aldaar zal geen nacht meer zijn."
En nu horen wij weer die opwekking: hoop op God!
Dit zegt ons vandaag: laat die last van het natuurlijke leven, de last van het huiselijke leven, de last van het geestelijke leven, u niet zózeer terneder drukken alsof er van Gods zijde geen hoop, geen verwachting meer zou zijn. Want altijd is God groter.
Hij kan, en wil, en zal in nood, Zelfs bij het naderen van de dood, Volkomen uitkomst geven.
O zeker, wij weten wel, 't kan weleens moeilijk zijn, als leed en kruis ons drukt, als de zonde aanklaagt en veroordeelt, als het recht en de toorn Gods als het ware op onze ziel worden gebonden, als de vijand de ziel verschrikt. Zó moeilijk kan het dan wel zijn, dat heel ons leven wordt als een „Magor Missabib" schrik van rondom! Dan kan niemand u begrijpen dan God alleen. Maar juist omdat God u daarin begrijpt, lees ik hier die vraag: Wat buigt ge u neder, o mijn ziel, en wat zijt ge onrustig in mij? Daarom lezen wij hier ook die opwekking: Hoop op God! Want altijd is God groter!
De God van de psalmdichter immers mag ik u prediken in de grootheid van Zijn ontfermende liefde, in de grootheid van Zijn geopenbaarde genade, in de grootheid van Zijn onbreekbare trouw.
Zó groot immers tekent de Schrift deze ontfermende liefde, dat zij spreekt over „de rommelende ingewanden" Zijner barmhartigheid. Over de innerlijke bewogenheid Gods, en dat naar de liefde van Zijn vrij en soeverein welbehagen.
Zo diep als de zee, zo hoog als de hemel, zo wijd als het luchtruim, zo fonkelend als de sterren, zo glansrijk als de maan, zo schitterend als de zon, zó diep en zó hoog, zó wijd en zó fonkelend, zó glansrijk en zó schitterend, zó en nog véél meer, en nog veel groter is nu Gods ontfermende liefde! Iemand heeft eens gezegd: al was de zee enkel inkt, en alle groene grassprietjes pennen, en al de engelen de vaardige schrijvers, dan tóch zou de grootheid van deze ontfermende liefde nooit beschreven kunnen worden.
Zou deze opwekking dan geen rijke zin voor het vaak zo moeilijke leven moeten krijgen, als hier staat: Hoop op God! Hoop op God! want deze God, zo groot in ontfermende liefde, is ook zo groot in de openbaring van Zijn genade, in de onbreekbaarheid van Zijn trouw.
De liefde Gods immers is tot openbaring gebracht in het allergrootste geschenk van Zijn genade, namelijk in de gave van Zijn eniggeboren Zoon. Hierin, zo zegt de Schrift, is de liefde Gods geopenbaard, dat God Zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem.
,Rechtvaardig had heel het mensdom in druk, in lijden, in dood en verderf moeten ondergaan, maar God zond Zijn Zoon om te lijden, om te sterven, om Zijn leven, Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen. Opdat zo de weg zou worden ontsloten van verzoening door voldoening, de weg waarlangs een arm, schuldig, verloren zondaar, weer tot God zou kunnen gaan.
Bewonder hierin de grootheid van Gods liefde, in dat geschenk van Zijn genade, in de onbreekbaarheid van Zijn trouw. Ondanks zonde en schuld, ongerechtigheid en afdwaling immers is deze liefde onbreekbaar gebleken. Steeds weer immers zien wij in heel de geschiedenis der kerk bevestigd:
Mijn onbezweken trouw zal nooit uw val gedogen,
Maar Mijn gerechtigheid u naar Mijn woord verhogen. O, hoe groot wordt zó het wonder van Gods trouw.
Dan staat aan onze kant telkens weer de ontrouw.
De ontrouw vooral aan de liefde!
Maar de Heere bleef getrouw!
Dan moet Hosea wel tot een afkerig Israël getuigen: Lo-Ruchama en Lo-Ammi, maar gaat het liefdehart Gods weer spreken, dan lees ik: ,,En zal Mij ontfermen over Lo-Ruchama, en Ik zal zeggen tot Lo-Ammi: Gij zijt Mijn volk! en dat zal zeggen: O, mijn God!"
Wat buigt ge u dan neder, o mijn ziel, en wat zijt ge onrustig in mij? Hoop op God!
Wat krijgt deze opwekking hier haar volle aksent, wanneer wij haar lezen in het licht van de grootheid van Gods liefde, genade en onbreekbare trouw.
Hoe predikt deze krachtige opwekking ons dan telkens weer: En altijd is God groter!
Al zouden dan alle mensen u verlaten.
Al zouden dan alle duivelen u influisteren: daar is geen hoop, geen enkele verwachting meer voor u. De Heere heeft uw lamp uitgeblust, de Heere heeft u vergeten, de Heere heeft u verlaten. Al zouden al de angsten der hel, en de donkerheid van dood en graf uw ziel verschrikken ....... toch predikt deze krachtige opwekking in deze ure: En altijd is God groter!
Geef dan de moed niet op, maar werp het reddingskoord der hoop uit, niet in iets van uzelf, niet in iets van de mens, niet in uw deugden, niet in uw werken, niet in uw plichtsbetrachting, niet in uw belijdenis, niet in uw uitwendig godsdienstig leven.
Alle hoop buiten God en buiten Christus noemt de Schrift een ijdele hoop! Maar nu gaat het om dat ene: hoop op God! De beoefening van deze hoop kan alleen geleerd worden in de weg des geloofs.
Dit geloof is dan de vaste grond der dingen die men hoopt. Dan ligt alles verankerd in God! In de beloften Gods, in de trouw Gods, in het werk ende verdienste van de Christus Gods! Dit geloof brengt dan ook tot Godskennis, zelfkennis en Christuskennis.
Dan wordt God de Heilige, de ,Rechtvaardige, de eeuwig Soevereine, Die doet al wat Hem behaagt.
Dan zegt Job in de weg van zijn lijden en druk: „Ik weet, dat Gij alles vermoogt, en dat geen van Uw gedachten kan afgesneden worden". „Met het gehoor des oors heb ik U gehoord, maar nu ziet U mijn oog. Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en as."
Hoe brengt deze Godskennis ook tot zelfkennis.
Dan word ik de rechteloze! de hulpeloze! de hopeloze.
Geen hoop, geen verwachting meer aan mijn kant, maar alleen hoop en verwachting aan Gods kant! „En nu, wat verwacht ik, o Heere! Mijn hoop, die is op U."
„Deze hoop beschaamt niet - zo zegt de Schrift - omdat de liefde Gods in onze harten is uitgestort door de Heilige Geest, Die ons is gegeven. Want Christus, als wij nog krachteloos waren, is te Zijner tijd voor de goddelozen gestorven. Want nauwelijks zal iemand voor een rechtvaardige sterven, want voor de goede zal mogelijk iemand ook bestaan te sterven. Maar God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren. Veel meer dan zijnde nu gerechtvaardigd door Zijn bloed, zullen wij door Hem behouden worden van de toorn. Want indien wij vijanden zijnde, met God verzoend zijn door de dood Zijns Zoons, veelmeer zullen wij verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven. En niet alleenlijk dit, maar wij roemen ook in God, door onze Heere Jezus Christus, door Welke wij nu de verzoening gekregen hebben."
Zo wordt Christus dan ook „de Hoop der heerlijkheid" voor heel de kerk!
Dan blijft hier de weg van het lijden, maar straks komt toch het eeuwig verblijden!
Dan blijft hier de weg van druk, maar straks komt toch het eeuwig geluk!
Dan blijft hier de weg van droefheid en geween, maar straks komt toch de eeuwige blijdschap en heerlijkheid.
Treuring en wening zullen dan wegvlieden, en eeuwige blijdschap zal op aller hoofd wezen.
Johannes op Patmos heeft er iets van gezien.
Hij zag de grote schare der verlosten, staande voor de troon en voor het Lam.
„En één uit de ouderlingen antwoordde, zeggende tot mij: Dezen, die bekleed zijn met de lange witte klederen, wie zijn zij, en vanwaar zijn zij gekomen?
En ik sprak tot hem: Heere! gij weet het. En hij zei tot mij: Dezen zijn het, die uit de grote verdrukking komen, en zij hebben hun lange klederen gewassen, en hebben hun lange klederen wit gemaakt in het bloed des Lams.
Daarom zijn ze voor de troon van God, en dienen Hem dag en nacht in Zijn tempel.
En Die op de troon zit zal hen overschaduwen. Zij zullen niet meer hongeren, en zullen niet meer dorsten, en de zon zal op hen niet vallen, noch enige hitte. Want het Lam, Dat in het midden des troons is, zal hen weiden, en zal hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen der wateren; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen."
Vallen hier dan nog onze tranen, dan toch roept dit woord „hoop op God" ons op om dwars door onze tranen heen te zien op Hem, Christus Jezus, de Hoop der heerlijkheid Gods. Dit deed de psalmdichter dan ook zingen (Ps. 42 : 5 en 7):
Maar de Heer' zal uitkomst geven,
Hij, Die 's daags Zijn gunst gebiedt;
'k Zal in dit vertrouwen leven,
En dat melden in mijn lied;
'k Zal Zijn lof zelfs in de nacht
Zingen, daar ik Hem verwacht;
En mijn hart, wat mij moog' treffen,
Tot de God mijns levens heffen.
O mijn ziel, wat buigt g' u neder?
Waartoe zijt g' in mij ontrust?
Voed het oud vertrouwen weder
Zoek in 's Hoogsten lof uw lust;
Menigwerf heeft Hij uw druk
Doen verand'ren in geluk;
Hoop op Hem, sla 't oog naar boven;
Ik zal God, mijn God nog loven.
III.
En altijd is God groter!
Dit blijkt, ten slotte, uit een heerlijke geloofsbelijdenis, die wij lezen in het laatste deel van onze tekst: „want ik zal Hem nóg loven, Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God."
De strak gespannen snaar van de aeolusharp blijkt hier de wind des Geestes te hebben opgevangen.
Was het eerst de donkerheid van de klacht, hier is het de jubel van het geloofsbelijden, alles ondanks! Want ik zal Hem nóg, d.w.z. ondanks alles, loven. En dan terugziende naar het verleden, krijgt deze geloofsbelijdenis zelfs de kracht van de geloofstoeëigening: „Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God!
Mijn God! ook in dagen van druk.
Mijn God! ook in dagen van smart.
Mijn God! ook in dagen van moedeloosheid, troosteloosheid, hopeloosheid.
Mijn God! want in zes benauwdheden heeft Hij gered, en in de zevende zal Hij mij niet doen omkomen.
Iemand heeft eens gezegd: toen David het moeilijk had, legde de Heere Zijn hand op Davids schouders, en riep hem toe: David! zie nu eens terug, hoe menigmaal heb ik u Mijn gunst betoond.
Zie eens terug David!
Ge hebt godvrezende ouders gehad.
Een moeder, die reeds voor u bad vóór de geboorte.
Wij lezen daarvan in Ps. 22:
Zij wierp mij reeds op U in barenssmarte,
Gans onbevreesd;
'k Mocht nauwelijks 't licht aanschouwen,
Of Gij, Gij zijt, o grond van mijn vertrouwen,
Mijn God geweest.
David, zie eens terug!
Denk eens aan dat snarenspel in uw jeugdjaren.
Uit de muil der leeuw heb Ik u verlost, en dan die strijd tegen Goliath!
David! David! wat heb Ik u nagewandeld, van dag tot dag, van uur tot uur.
En dan Ps. 25, Ps. 32, Ps. 51, hebt ge die niet gezongen in dagen van Mijn vergevende, verzoenende, schulduitdelgende liefde? Wat buigt ge u dan neder, o mijn ziel, en wat zijt ge onrustig in mij? Hoop op God!
Kunt ge begrijpen als de Heere zó spreekt, als zó de wind des Geestes óver en dóór onze ziel gaat waaien, dat het geloofsbelijden als het ware uit de ziel wordt geperst: Want ik zal Hem nóg loven! Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God!
Gelukkig de mens, die dit geloofsbelijden leren mag.
De druk van het leven is mogelijk ook u niet onbekend.
Gij gaat misschien ook door het leven met een neergebogen en onrustige ziel.
Verschillende omstandigheden, geestelijk en stoffelijk, doen u misschien uitroepen: Zou de Heere het weten? Zou er wetenschap zijn bij de Allerhoogste?
Uw weg schijnt aan alle kanten toegemuurd, en over al uw paden schijnt de Heere duisternis te hebben gesteld.
Hoe moeilijk kan het dan zijn.
Maar nu laat de Heere de wind des Geestes nog waaien. Die wind des Geestes spreekt ook in het woord van onze tekst: „Wat buigt gij u neder, o mijn ziel, en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God!"
God is altijd nog groter dan uw nood, dan uw smart, dan uw verdriet, dan uw druk, dan uw moedeloosheid, troosteloosheid, verlorenheid, zonde en schuld! En dan raakt de Heere ook u even aan. De Heere legt Zijn hand ook op uw schouders, en zegt: kom, zie ook gij eens even terug!
Heb Ik u niet nagewandeld, van dag tot dag, van uur tot uur, van ogenblik tot ogenblik?
Heb Ik u niet gegrepen, in die ure toen gij dacht om te zullen komen, zodat ge het nu wel moogt uitroepen: „Het zijn de goedertierenheden des HEEREN, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben."
Weet ge het nog, dat vader en moeder voor u baden?
Weet ge het nog, dat kindergebed: Heere houd ook deze nacht over mij getrouw de wacht. Waar mijn zonden velen zijn, Zegen mij en maak mij rein.
Weet ge het nog, dat ziekbed, dat een sterfbed dreigde te worden? Vlak bij de dood, aan de rand van het graf gebracht, maar de Heere gaf uitkomst!
Weet ge het nog, die vertroosting voor uw ziel, die bemoediging voor uw hart?
Weet ge het nog, dat ge het wel eens hebt gezongen:
Gij hebt mijn weeklacht en geschrei
veranderd in een blijde rei;
mijn zak ontbonden, en mij weer
met vreugde omgord, opdat mijn eer
niet zwijg'; zo klimt Uw lof naar boven;
mijn God, U zal ik eeuwig loven.
Wanneer de Heere dit alles terugroept in de herinnering uwer ziel, en de wind des Geestes gaat dan over uw zieleharp waaien, zou dan de geloofsbelijdenis ook in uw ziel niet geboren moeten
worden: „Want ik zal Hem nóg loven; Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God!"
Hoe donker uw levensweg dan ook zou moeten zijn, maar dan schijnt over heel die donkere levensweg het licht van: de menigvuldige verlossing van Gods aangezicht! En dat licht wijst ons dan heen naar Hem, Die in het donker van Golgotha eenmaal moest uitroepen: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? Al de golven en al de baren van Gods toorn zijn eenmaal in volle ontzetting over Hem heengegaan. Hij kende de donkerheid van de eeuwige dood, van het eeuwige lijden, van de eeuwige ondergang.
Maar .... al dat duister bracht toch de luister van ons eeuwig zalig zijn! En nu denk ik weer aan dat woord: Christus, de Hoop der heerlijkheid Gods!
In Hem staat dan voor heel de kerk de vaste, zekere garantie, dat het laatste woord niet zal zijn aan het lijden, maar dat het laatste woord zal zijn aan het eeuwig verblijden! Dat het laatste woord niet zal zijn aan de druk, maar wel aan het eeuwig geluk! aan de eeuwige heerlijkheid! Een heerlijkheid, die geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord, en in geen 's mensen hart ooit is opgeklommen, en dat om God drieënig straks eeuwig te loven en te prijzen.
Wat buigt gij u neder, o mijn ziel, en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God. want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God.
Moge deze psalm dan zijn of worden onze levenspsalm. De psalm der hoop!
De psalm der verwachting!
De psalm van het ware levensuitzicht voor tijd en eeuwigheid! Buiten deze welgefundeerde hoop is er géén uitzicht, noch voor de tijd, noch voor de eeuwigheid!
Dan is alles hopeloos, troosteloos, uitzichtloos!
Dan leven wij in een wereld vol van verdriet, vol van smart en jammerlijke plagen, die beurt om beurt de matte ziel doorknagen; en dan komt straks de donkerheid van het eeuwig verderf, van de eeuwige dood.
Daarom, zoekt naar deze levende hoop in het heden der genade. Zoekt de Heere terwijl Hij te vinden is, roept Hem aan terwijl Hij nabij is.
De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten, en Hij bekere zich tot de Heere, zo zal Hij Zich zijner ontfermen, en tot onze God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk. In het bekende boekje van Bunyan, „de christenreize" wordt ons een man getekend in een ijzeren kooi.
Voor die man was geen hoop meer!
De tijd der genade veracht.
De Geest Gods smaadheid aangedaan.
Het bloed des Nieuwe Testaments onrein geacht, en daarom géén hoop meer!
Bunyan ontzette zich.
Laat het ons allen tot ontzetting, maar ook tot waarschuwing zijn, de tijd der gènade niet ongebruikt voorbij te laten gaan. Het Evangelie van deze dag laat ook u nog prediken: Daar is hoop voor hopelozen, troost voor troostelozen, uitzicht voor uitzichtlozen, want altijd is God groter! Amen.
Januari 1968