EEN VERNIEUWDE VERKLARING VAN GODS VERBONDSTROUW JEGENS ZIJN MISTROOSTIG VOLK
Predikatie over Jesaja 49 : 14-16
Door Ds. C. Smits.
Psalm 73 : 1
Lezen Jes. 49 : 1 - 16
Psalm 103 6 en 7
Psalm 33 : 10
Psalm 89 : 1
Tekst Jesaja 49 : 14 - 16
Doch Sion zegt: de Heere heeft mij verlaten en de Heere heeft mij vergeten.
Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten dat zij zich niet ontferme over de zoon haars buiks?
Ofschoon deze vergate, zo zal Ik toch U niet vergeten! Zie, Ik heb u in de biede handpalmen gegraveerd.
Uw muren zijn steeds voor Mij.
Jesaja is wel eens genoemd de vijfde evangelist of de evangelist van het Oude Testament. Vanwege de klaarheid en schoonheid van zijn profetieën aangaande de komende Messias. Hij heeft Christus verkondigd in Zijn namen, staten, ambten, naturen en weldaden, zoals geen andere profeet dit gedaan heeft.
Zijn profetieën vallen in tweeën uiteen. In het eerste gedeelte van hoofdstuk 1 - 39 verkondigt hij de oordelen en de gerichten vanwege de grote afval en de zonde van het volk. In het tweede gedeelte van hoofdstuk 40 tot het einde, ontmoeten we rijke beloften van verlossing uit Babel. Maar deze verlossing is ook tevens een profetie van die gans enige verlossing in Christus Jezus van zonde en dood.
Babel was voor het volk als een graf, als een gevangenis. En nu verplaatsen de woorden van onze tekst ons naar hetgeen ongeveer vierhonderd jaar nadat Jesaja profeteerde is geschied, namelijk Israël in Babel. En voor dat Israël in Babel voorzegde hij grote en heerlijke dingen. Hij spreekt hier van bevrijding en verlossing.
Ziende op de komende Messias, Die het middelpunt vormt van alle heilsbeloften voor de kerk des Ouden en des Nieuwe Testaments.
Naar Wiens komst het gelovige Sion van de oude dag zo begerig uitzag. Maar ook, met Wiens komst de middelmuur des afscheidsels gebroken zou worden. En de kerk zich zou uitbreiden naar alle zijden en er een talrijke toevloeiing zou zijn van alle volkeren der aarde. Want zo klinkt hier de belofte in vers 12: Zie deze zullen van verre komen en zie die van het noorden en van het westen uit het land van Sinnim. Juicht gij hemelen en verheug u gij aarde! en gij bergen! Maakt gedreun met gejuich. Want de Heere heeft Zijn volk vertroost. En Hij zal Zich over Zijn ellendigen ontfermen.
Doch niettegenstaande dit, niettegenstaande deze rijke belofte zit Sion bedrukt als een eenzame en verlatene.
Het uit zijn droefheid in vers 14 en zegt: De Heere heeft .mij verlaten en de Heere heeft mij vergeten. En tegenover deze droeve klacht komt nu de Heere Zijn volk te verzekeren van Zijn trouw en liefde in vers 15 en 16.
Naar luid dezer woorden willen wij handelen over: Gods onveranderlijke trouw jegens zijn mistroostige volk.
I Gods liefde verdacht door Zijn volk;
II Gods hart opengelegd voor Zijn volk;
III Zijn trouw verzekerd aan Zijn volk.
I Gods liefde verdacht door Zijn volk.
Doch Sion zegt, zo wordt Sion sprekende ingevoerd door de profeet. In deze woorden doet het als `t ware zijn beklag tegenover de Heere en de heilrijke beloften die Hij gesproken heeft. Het komt hier niettegenstaande de rijke toezeggingen met zijn tegenwerpingen.
Als wilde het zijn wantrouwen te kennen geven, zijn ongeloof uiten tegenover de troostbelofte die de Heere gesproken heeft. Het wil als het ware zeggen: Dat kan alles wel zijn, maar hoe zal het mogelijk zijn, dat we uit dit graf, deze gevangenis, dit Babel verlost worden. Van rondom ingesloten, waar zal de verlossing vandaan komen? Waarin zal die troost nu bestaan ? Want het ziet alleen op de omstandigheden, maar niet op de Heere. Het mist het geloof om zijn weg op de Heere te wentelen.
Het geloof toch redeneert niet. Heeft niets tegen te spreken. Heeft met een Almachtig God te doen. Het mag midden in de druk zitten, maar het slaat het oog naar boven. Als Israël in de woestijn is, zendt het twaalf verspieders uit om het beloofde land te verkennen. En ze komen terug en tonen de vruchten van het land en zeggen: `t Is een heerlijk land en alles wat er van voorzegd is, is waar. Maar we geloven niet dat we het ooit krijgen. Want er zijn reuzen, Enakskinderen en sterke burchten. Deze verspieders werden gestenigd vanwege hun ongeloof. Doch Jozua en Kaleb hadden die reuzen ook gezien. Maar in hen was een andere geest, n.l. de geest des geloofs en zij spraken daarom:
Maar God is machtig om het ons te geven. Zij beiden kwamen in Kanaan door geloof. Immers, wanneer het ongeloof aan het woord is, ook bij de gelovigen, dan komen zij met allerlei redeneringen en bedenkingen die voortkomen uit een twijfelziek hart. Zo hier bij Sion, het redeneert alsof Gods arm verkort is, dat Hij niet zou kunnen verlossen, of zij beschuldigen Hem van ontrouw en liefdeloosheid. En daarom komt het met de tegenwerping met het woord van onze tekst. Het klaagt: De Heere heeft mij verlaten. Het gebruikt hier het woord Jehova. Ik zal zijn, Die Ik ben. Gods wezensnaam, Zijn verbondsnaam. Het wil zeggen: Jehova. Die zich weleer zo rijk in genade zo machtig in hulp, zo trouw in Zijn verbond betoonde, Die heeft ons nu verlaten.
Brengen we nu de naam Jehova met het 15e vers in verband, waar de Heere spreekt: Kan ook een moeder haar zuigeling vergeten? Dan hebben we nu de naam Jehova, de God des verbonds Die Zijn trouw en waarheid aan Israël verpand had en Zijn wonderen in hun midden verheerlijkt. Hij spreekt daarom tot Israël: Wat heb Ik u gedaan? Ik heb Mozes en Aaron voor uw aangezicht heengezonden, Mijn wetten en inzettingen bekend gemaakt. In Kanaän u gebracht. Hier geldt het:
Zo wou Hij met geen volken hand'len
Die moesten Zijn getuigenissen
en Zijn verbondsgeheimen missen.
Daarom Israël heeft alle reden om zich diep voor de Heere te verootmoedigen. Doch inplaats daarvan, dat het over zichzelf klaagt, over zijn zonden en afmakingen, klaagt het over de Heere en zegt: De Heere heeft mij verlaten. Dat is de Getrouwe, de Onveranderlijke, de Machtige Jacobs, Die van oude dagen af een toevlucht was voor Zijn volk. Van welke Mozes spreekt: Heere Gij zijt ons geweest een toevlucht van geslacht tot geslacht. Ook elders spreekt dat Israël in die zin zijn klacht uit als het zegt: Mijn weg is voor de Heere verborgen en mijn recht gaat aan mijn God voorbij.
Wat heilrijke beloften geeft de Heere hier in dit hoofdstuk aan Zijn volk. En dat niettegenstaande dit, werpt het de Heere tegen: De Heere heeft mij verlaten. De Heere heeft mij vergeten. Deze klacht nu was de klacht van het volk van den ouden dag, maar ook de klacht van de kerk van de nieuwe dag!
Dat kan zijn na de grootste weldaden. Als dan de wegen anders gaan dan zij zich voorgesteld hadden, dan komt vaak het ongeloof aan het woord en begint te redeneren. Dan zegt Gideon tot de Engel: Als de Heere met ons was, zou ons zulk een groot kwaad niet overkomen. Dan spreken de Emmaüsgangers: Wij dachten dat deze was de Christus. En de dichter roept uit:
Zou God Zijn gená vergeten!
Nooit meer van ontferming weten!
We willen enkele van die wegen waarin deze klachten worden gehoord opnoemen.
Ten eerste in de ontdekking als de Heere zegt: Graaf nog maar dieper mensenkind en ge zult nog meer gruwelen vinden. En dan bij het gezicht van al wat hij om- en meedraagt uit moet roepen: Hoe ik dieper poog te delven, hoe ik meer bederf ontmoet.
En dan kan het wezen dat de vorst der duisternis met zijn bestrijdingen komt. Want dat moeten we wel goed onderscheiden.
Ontdekking is nog wat anders dan bestrijding. Te midden van de ontdekking kan het gebeuren dat hij zijn hart open mag leg gen voor de Heere en zijn benauwdheid Hem uit mag klagen. Dat is een ademtocht. Als ze zien met één oog naar binnen op hun verdorvenheid en bestaan. Maar ze worden ook wel eens verwaardigd om te midden daarvan een ander oog te slaan op de almacht van Gods genade geopenbaard in de persoon en de gerechtigheid van Christus. Doch als nu de satan met zijn inblazingen komt: God hoort de zondaars niet. En, zou er ooit een werk van genade in Uw ziel geweest zijn. Dan zoudt ge van die of die zonde geen last meer hebben. Dan zou de Heere Uw gebed al lang verhoord hebben. Dan zoudt ge in zulke droeve wegen waarin de voorzienigheid Gods U geleid heeft niet gekomen zijn. Werpt de meest harde gedachten van God in de ziel. Dat deze uitroept van God vergeten en verlaten.
Vervolgens in drukwegen die ons vaak om onzer zonden wil overkomen. Het kan zijn dat een mens zichzelf in wegen heeft gebracht, tegen de waarschuwende stemmen Gods in. En dat hij nu zelf zijn weg op zijn hoofd krijgt. Het wordt hem van rondom zwaar en bang. De Heere schijnt Zijn aangezicht voor hem verborgen te hebben. En het wordt een mahor missabib en hij roept met Asaf uit: En mijn ziel doorzocht de reden, waarom God die tegenheden in zo ruime mate zond. Ja hier is de klacht niet vreemd: De Heere heeft mij verlaten, de Heere heeft mij vergeten. Doch ook in een weg van verlating.
Tengevolge van de verachtering in de genade Verlating is nog iets anders dan ontdekking. In een weg van verlating leeft men meestal zonder indrukken en ongevoelig. Maar als ze er nu bij bepaald worden roepen ze met Groenewegen uit:
Kon ik nu nog maar innig vragen
en mijn nood aan Jezus klagen.
Dat zou verzachten mijne pijn.
Voor zulk een verlating van `s Heeren wege kunnen oorzaken zijn. Als er bijzondere zonden zijn, zonden waarover men niet in de schuld gekomen is. Waar men overheen leeft. Want het leven Gods ligt o zo teer. Daar kan niets tussen komen. Doch het kan ook zijn dat de Heere in Zijn wijze opvoeding Zijn volk op rantsoen zet. Na grote weldaden die God verheerlijkt heeft. En na aangename zieletoestanden. En nu worden ze met Izak gespeend. O wat smartelijk. Doch de smart gaat wat wijken. Hij Komt in wegen van af en omzwerven enz. En als dan de Heere niet de Getrouwe was, de Onveranderlijke, waar zou het einde zijn?
Doch de Heere is de Getrouwe. Tegenover een tegensprekend en redenerend Israël komt de Heere in Zijn nederbuigende ontfermingen tot dat volk met hetgeen wat we in de tweede gedachte willen noemen:
II Gods liefdehart opengelegd voor Zijn volk.
Hier antwoord de Heere op de klachten van Zijn volk om nog in sterker openbaring van Zijn liefde en trouw tot hen te spreken met zulk een bijzonder en bemoedigend antwoord: Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten? Dat zij zich niet ontferme over de zoon haars buiks?
De Heere stelt Zijn liefdetrouw hier voor onder het tedere beeld van een moeder en een kind.
Op meerdere plaatsen in de Heilige schrift wordt dit gedaan. Dit wordt ook vaak gedaan onder het beeld van een vader in de verhouding tot zijn kind. Zie psalm 103
Geen Vader sloeg met groter mededogen
op `t teder kroost ooit Zijn ontfermend' ogen
Dan Israëls Heer' op ieder die Hem vreest.
En door Jesaja wordt de kerk sprekende ingevoerd zeggende: Want Abraham kent ons niet en Israël weet van ons niet. Gij Heere zijt onze Vader, onze Verlosser van ouds is Uw naam.
Het beeld echter van een moeder in de verhouding tot haar kind grijpt nog dieper. Is nog tederder. Wat toch kan dit evenaren? Een moeder en haar kind! Welk een liefde en welk een trouw wordt ons in deze woorden geschetst. De Heere zegt dit dan ook vragenderwijze. We noemen dit in de taalkunde een retorische vraag d.w.z. een vraag, waarin het antwoord uit de aard der zaak duidelijk ligt opgesloten.
Welk een liefde heeft een rechtgeaarde moeder tot haar kind. Het beeld grijpt echter nog dieper in, als we bedenken, dat hier niet alleen van een kind, maar van een zuigeling gesproken wordt.
Een hulpbehoevend kind. Met welk een tedere zorgen kan een moeder zulk een kind verzorgen en er over waken. Doch nog dieper grijpt het beeld in, als we lezen van de zoon haars schoots. Immers we weten welk een prijs men stelde onder het oude verbond op een mannelijk kind. Zelfs op gevaar van haar leven snelt een moeder zulk een kind ter hulp. Welk een bittere tranen schreide Hagar toen haar Ismaël in doodsnood was, smachtende van dorst. Het is ons ook bekend uit de eerste rechtspleging van Salomo, welk een liefde de echte moeder van het kind aan de dag legde.
Dit nu zo zijnde, zou dit voorbeeld reeds sterk genoeg zijn om Sion, met dit tedere beeld voor ogen te overtuigen van de trouw en onwankelbare liefde van Jehova. Doch alsof dit nog niet genoeg was, om dat klagende Sion toch maar te overtuigen van de innige bewegingen Zijner barmhartigheid, zo legt de Heere nog verder Zijn liefdehart bloot voor dat volk.
Het moet de minste reden niet meer hebben om te denken dat de Heere haar verlaten of vergeten heeft. Want inplaats van haar te verlaten, zal Hij Zich zekerlijk over haar ontfermen. Wanneer de tijd, de bestemde tijd om Sion genadig te zijn zal gekomen zijn. Daarom moesten de geringste bedenkingen niet overschieten. En zegt de Heere: Ofschoon deze vergate zo zal Ik u toch niet vergeten.
Immers de liefde van een recht geaarde moeder tot haar kind is ongeëvenaard. Doch gelijk met alles is, zo ook hier. Er zijn uitzonderingen die de regel bevestigen. Want er zijn soms gevallen, dat een moeder haar kind wel verlaat. Ten eerste. Bij hardvochtige wezens of beestmensen. Een overspelige vrouw die een tegenzin krijgt aan haar man en kind en deze tenslotte verlaat. Vervolgens bij ontucht, dat de regel in ons tekstwoord niet opgaat. Maar dat een moeder als vergeet de moeder van haar kind te zijn, dat ze in hoererij gewonnen heeft. En zulk een kind verkoopt of te vondeling legt. Of wat nog veel vreselijker en beestachtiger is dat ze zulk een kind om haar eigen te bedekken voor of na de geboorte ombrengt. Zulke gevallen, mogen het dan enkele zijn, zijn er.
Ten derde: in vreselijke tijden b.v. in tijden van hongersnood. Dat ze in uiterste nood gedwongen tot onmenselijke dingen vervalt. Zo toch lezen we in de geschiedenissen van Israël, wanneer de stad Samaria door de Syriërs belegerd werd, haar eigen kind heeft geslacht. Dingen te vreselijk om te vertellen. Dit zijn dus gevallen die bevestigen dat de mogelijkheid om zijn kind te vergeten niet geheel uitgesloten is. Wanneer er staat: Kan ook een moeder haar zuigeling vergeten? We zeiden reeds, dat in deze vraag het antwoord begrepen is. En dit antwoord is: Neen. Doch we hebben u enkele uitzonderingen genoemd. Doch nu wil de Heere zeggen: Opdat toch alle bedenking van Sion de mond worde gestopt: Ge zoudt nog kunnen zeggen dat er toch mogelijkheid hoe gering ook zou bestaan dat Ik u verlaten zou.
Doch zo lezen we: Ofschoon deze verlate, zou Ik u toch niet verlaten. Want een aardse moeder kan haar kinderen nog verlaten. Dat hebben we gezien. Maar bij God is dit onmogelijk. Omreden datdeze gevallen, zo even genoemd, op Hem nimmer van toepassing kunnen zijn.
Ten eerste een hardvochtige vrouw kan haar kind verlaten. Dat kan God niet, omreden dit de deugd van Zijn trouw zou schenden. En dit is onmogelijk. Ik heb U liefgehad met een eeuwige liefde. Daarom heb ik u getrokken met goedertierenheid. Vervolgens spraken we over een moeder die haar kind verliet dat buitenechtelijk geboren was. Zijn volk echter is geboren uit de volle rechten van het geestelijk en eeuwige huwelijksverbond. Het verbond der genade. En daarom hoeft God Zich niet voor dat volk te schamen. Ze zijn wettig gekocht op het hout, aangenomen in den Geliefde. En daarom ook schaamt God Zich niet de God van dat volk genaamd te worden. Jezus schaamt Zich niet om de Borg van dat volk te zijn.
Het volk is een volk door Hem gekocht, eeuwig door Hem gekocht, eeuwig door Hem uitverkoren. Daar kan geen vijand duivel of hel ooit iets af of toe doen.
Ten laatste, moge een vrouw in hongersnood haar kind verlaten. Bij de Heere is nooit te denken aan tekort of hongersnood. Want Hij is er op berekend. Zijn volk leeft uit de volle voorraadschuren van de meerdere Jozef.
Uit de schatkamer van de hemelse genadeweldaden. Waarom de dichter dan ook hieromtrent zong:
Zijn machtig arm beschermt de vromen
en redt hun zielen van den dood
Hij zal hen nimmer om doen komen,
in duren tijd en hongersnood.
III Gods trouw verzekerd aan Zijn volk.
Heeft de Heere in een liefelijk en teder beeld Zijn liefdehart blootgelegd voor Zijn volk. Thans wil Hij in het 16e vers de grond dezer liefde haar tonen. Hij doet dit wederom in een treffende beeldspraak, zeggende: Zie Ik heb u in Mijn, beide handpalmen gegraveerd. De Heere roept haar als het ware op om dat wonder nu eens goed te beschouwen. Ziet zegt Hij, en toont dan de onveranderlijke vastheid aan van Zijn Sion. Er wordt in deze beeldspraak gesproken van graveren en van Sion muren. Zullen we nu deze beeldspraak verstaan, dan moeten we eerst weten waaraan ze is ontleend. Immers gelijk ook in onze tijden, zo was het oudtijds de gewoonte vóór men een stad of een huis plachtte te bouwen en deze eerst te laten ontwerpen door een bouwkundige. Zulk een ontwerp bevatte tot de kleinste dingen toe alles wat aan het gebouw geschieden moest. Wanneer nu het bestek gereed was zo begint dus de bouwkundige dit op te trekken. Hij heeft het bestek steeds voor zich, om dit tot in de kleinste bijzonderheden getrouw overeenkomstig zijn gemaakt bestek te voltooien. Van zulk een bestek lezen we ook bij het optrekken en toebereiden van de tabernakel. Want, zo lezen we, dat de Heere tot Mozes zegt: Ziet dat gij het alles maakt naar het voorbeeld dat u op de berg getoond is. Evenzo bij het bouwen van Salomo’s tempel Hij moest de tempel bouwen, naar het voorbeeld dat reeds door David ontworpen was.
En Ezechiël moest de stad Jeruzalem ontwerpen op een tichelsteen. In oude tijden was het de gewoonte om zulk een bestek te graveren op een tichelsteen die werd afgehouwen van een rots.
Welnu, zulk een bestek, zo wil de Heere zeggen, is er nu ook van Sion. Als Hij zegt: Uw muren zijn steeds voor Mij. Hij stelt Zich ieder ogenblik voor ogen de muren van Sion en haar omtrek. Want had de bouwmeester de muren van een stad of voor een huis op een keisteen gegraveerd, van Sion lezen we dat het in Zijn handpalmen gegraveerd is. Dit is wederom beeldsprakig gebruikt. De Joden toch, hadden de gewoonte om zulke dingen, die ze onthouden en nauwkeurig gebruiken wilden, op hun handen geschreven. Zo had een priester wel de gewoonte om de zegen op zijn handen te schrijven.
Dit nu, op de Heere overgebracht zijnde, spreekt Hij hier met dit beeld voor ogen op menselijke wijze. In een duidelijk beeld van het ontwerp, het plan om Zijn Sion te bouwen. Dit is steeds voor Hem. Hij vergeet het niet. Een bouwmeester zou in het optrekken van zijn gebouw nog wijzigingen aan kunnen brengen. Maar bij de Hemelse bouwmeester zal dit niet plaatsvinden. Want het bestek is in Zijn beide handpalmen gegraveerd. En wat kan dit bestek nu anders wezen dan het plan, het raadsbesluit van Gods eeuwige en onveranderlijk voornemen.
Daarvan zong Ethan in psalm 89:
`k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheën;
Uw waarheid t' allen tijd' vermelden door mijn reën.
Ik weet, hoe `t vast gebouw van Uwe gunstbewijzen,
Naar Uw gemaakt bestek, in eeuwigheid zal rijzen;
Zo min de hemel ooit uit zijnen stand zal wijken,
Zo min zal Uwe trouw ooit wank'len of bezwijken.
Dit plan toch is eeuwig zoals God zelf eeuwig is. Toen die muren daar nog lagen, bestaande uit onbehouwen, ruwe stenen had God het oog op hen. Daarom lezen we in psalm 139: Uwe ogen hebben mijn ongevormde klomp gezien. Toen er nog geen van die waren. En al die dingen waren in Uw boek geschreven. Toen lag het bestek van de stad Gods tussen een Drieënig God. En om dit plan te volvoeren heeft de Vader Zijn wil te kennen gegeven. De Zoon de uitvoering daarvan op Zich genomen en de Heilige Geest heeft het op Zich genomen elke steen die daartoe verzamelt moest worden te bearbeiden om een plaats te geven in de muren van deze geestelijke tempel. En zo, wil de Heere zeggen, is het onmogelijk dat Ik U vergete.Want God wordt, met eerbied gesproken, door dit bestek altijd aan Zijn eigen werk herinnert. Hij is het aan Zichzelf verplicht op grond van Zijn deugden dit plan te voltooien.
In Mijn beide handpalmen gegraveerd, welk een treffende beeldspraak. De kerk Gods het voorwerp van Zijn eeuwig verkiezende liefde is van uit de stilte der eeuwigheid altijd voor Hem. En zo ook de volvoering van dit plan. Want zo spreekt de Borg: En Uwe wet is in het binnenste Mijns ingewands.
De kerk is in Zijn Middelaarshanden gegraveerd. Hij daalde af in de diepte van val en schuld om ze daaruit op te halen. Toen ook was dat plan voor Hem. Ja het is gegraveerd in Zijn handen. Graveren geschiedde met een ijzeren griffel. Zo spreekt Job hoofdstuk 19 : 23. Och of nu mijn woorden toch opgeschreven wierden. Och of ze in een boek wierden ingetekend. Dat ze met ijzeren griffie en lood voor eeuwig in een rots gehouwen wierden. En zo is de kerk in Jezus' handpalmen gegraveerd met een ijzeren griffie. Als daar op het kruis van Golgotha de Borg bij monde van psalm 22 uitroept: Ze hebben mijn handen en voeten doorgraven. Toen heeft Hij dat plan in al zijn delen tot in het laatste volvoert. Om de Vader te verheerlijken en Zich dood te lieven aan het kruis voor Zijn volk.
En met dat werk, met die kerk in Zijn handen gegraveerd komt Hij tot den Vader waar Hij Zijn doorboorde handen als de grote Tussentreder voor Zijn volk opheft. Door die doorboorde handen, ziet de Vader de kerk volmaakt in Hem. Maar ook door die doorboorde handen ontvangt het zuchtend Sion de troost: Ik zal niet meer op u toornen noch schelden.
Toepassing
Een woord van troost.
Wanneer Israël zegt: de Heere heeft mij verlaten, dan is dat zeker een uitdrukking van zielekrankheid. Een smartelijke verlating zijnde onder verberging van Gods aangezicht doet deze zieleklacht zich horen.
Dit onderscheid bestaat er tussen deze krankheid en de lichamelijke ziekten, dat in de heetste kracht van de lichamelijke ziekten alle spijs moet worden onthouden teneinde de hitte van de koorts niet te verhogen, terwijl het met de geestelijke ziekte gans anders is en nooit meerdere spijze aan de ziel moet worden toegediend dan juist, wanneer zij in de scherpste en hoogste aanvechtingen verkeert. En als we nu dit woord Gods beluisterden dan moeten we zeggen:
Voor alle kwalen en voor alle pijnen
Heeft Hij de rechte medicijnen.
Hij heelt de gebrokenen van harte
die vol zijn van lijden en smarten
Sion zegt: De Heere heeft mij verlaten. Is dat niet de klacht die ook in onze dagen wel geslaakt wordt A Bij alles toch, wat wij in onze dagen van zoveel geestelijke armoede horen, is er voor velen reden, met het oog op hun innerlijke zielsgesteldheid, neen niet om te zeggen dat de Heere hen finaal verlaten en vergeten heeft, maar wel om te klagen, dat Hij, wat de uitlatingen Zijner liefde en het zalig genot Zijner gemeenschap betreft,woor een klein ogenblik hen verlaten en in een kleine toorn Zijn aangezicht van hen verborgen heeft.
Van troost spreekt het woord van onze tekst tot Gods neergebogen volk. Wellicht zullen er ook hier zijn, die de klacht van oud Israël verstaan. De Heere heeft mij vergeten en heeft mij verlaten.
De hemel verkwikt niet, de hel verschrikt niet. Heeft de Heere vergeten genadig te zijn? Hebben Zijn toezeggingen een einde ? Mijn weg is voor de Heere verborgen, en mijn recht gaat aan mijn God voorbij. Maar welk een troost spreekt er dan uit dit Godswoord voor dezulken. Neem Uw Heilige Geest niet van mij, zo bidt David in psalm 51. Hij wist, we zouden zeggen, dogmatisch, theoretisch, dat waar de Heilige Geest ooit Zijn intrek genomen had in het hart, Hij nimmermeer zou heengaan of weggenomen worden, maar na zijn zware val en onder smartelijke verberging van Gods aangezicht en uit de diepe ontdekking van zijn eigen bestaan wil David zeggen: Het is recht als de Heere het doet. Zijn verbond kon de Heere nooit verbreken, maar ziende eigen diepe verfoeilijkheid, dan heb ik niets te zeggen, als Hij dit zou doen.
Wat een wonder als de Heere, uit kracht van Zijn eeuwig verbond openbaart aan de ziel en zegt: Ik zal Mijn goedertierenheid in eeuwigheid houden, Ik zal Mijn verbond niet ontheiligen en hetgeen uit mijn lippen gegaan is zal Ik niet veranderen. Ja, als een verrassend God, op een ongedachte wijze, als zij het niet meer durven geloven, dat Hij Zich dan weder in Zijn zoete. gunst openbaart, als een God van verzoening en zaligheid. En wordt dit woord aan hun ziel toegepast, dan moeten ze uitroepen: daar is maar een ogenblik in Zijn toorn, maar een leven in Zijn goedgunstigheid. Ja, zoals bij het oud Israël, zo komt de Heere dat volk in hun druk te verkwikken. Wat had Israël een harde gedachten van God als het uitroept: de Heere heeft mij verlaten.
Zo is het ook vaak bij dat volk. Het gaat de Heere naar zichzelf afmeten. En dan is er geen uitzicht. En toch verraadt het wat als Israël deze klacht uit, n.l. dat het God niet missen kan, een sterk verlangen: Och daalde het heil uit Sion spoedig neer. Men zegt weleens: Als de Heere overkomt, dan brengt Hij alles mee. En voorwaar, dat wordt ondervonden. Ontdekking, vertroosting, hopen, verwachting uitzien enz. Want dan wordt schuld schuld en zonde wordt zonde. O, om dan als een veroordeelde in zichzelf voor God in het stof te liggen, Hem verheerlijkende in Zijn recht en heiligheid. Maar ook in Zijn Vaderlijke ontfermingen in Christus., dat omhelzen, dat wegsmelten, dat niets worden en daar brengt de Heere hen weer bij vernieuwing. Want de Heere verheerlijkt Zich alleen in `t niet van schepsel, opdat geen vlees zoude roemen voor Hem die leeft.
Een woord ter waarschuwing en vermaning.
Israël klaagde: de Heere heeft mij verlaten. Israël meende dit, en dit is de klacht van een ziel onder smartelijke verberging van Gods aangezicht. Doch wat de gewaarwordingen van de ziel voor dat volk zijn, dat is in waarheid met u het geval. Gij die nog onbekommerd, blind voor uw blindheid en dood voor de dood, voortgaat. Want in waarheid, zo ge op deze weg voortgaat, dan zal het voor eeuwig vervuld worden: van God verlaten en eeuwig met de duivelen in de hel te verkeren. Eén te zijn met alle goddelozen en het verlaten zijn van de Bron van alle leven, heil, troost en zaligheid. Verlaten van God dat is de hel. Dat is hellesmart.
O, daarom de vraag aan uw hart neergelegd: hebt ge dat wel ooit overwogen tussen God en uw ziel? 0, wat zal dat zijn. Geliefden, het is nog het heden der genade. Het is aan onze zijde onmogelijk', maar in de Heere zijn gerechtigheden en sterkte, tot Hem zal men komen. Dezelfde God, Die tot Zijn mistroostig Sion sprak: Zou ook een vrouw haar zuigeling vergeten is nog dezelfde. Zijn woord is hetzelfde, het Evangelie is nog hetzelfde. Wendt U naar Mij toe alle einden der aarde, want Ik ben God en niemand meer.
Tenslotte, Sion klaagde: De Heere heeft mij verlaten, doch in waarheid, de Heere kan zijn volk nooit verlaten en dat dit zo is kwam reeds uit in de klacht van de ziel. En wat zal dat nu zijn, voor allen die eenmaal verwaardigd mogen worden om Hem te aanschouwen in die toegerekende en eeuwiggeldende gerechtigheid. Gingen ze hier vaak gebogen, klagend met Sion Och Heere wend U tot mij en wees mij genadig. Och dat ik het nog eens uit Uw mond vernemen mocht. Och Heere, als het ooit waar geweest is, mócht Gij mij nog eens licht geven over licht, mocht Gij dan zelf het zegel er op zetten. O, Heere laat mij toch van Uw wegen niet dwalen. Vat Gij mijn hand, Uw goede Geest leide mij in een effen land.
Uw muren zijn steeds voor Mij, de muren van Sion. En dwars door de oordelen en de donkerheden rondom en in ons volvoert de Heeren Zijn raad en Zijn bestek. Als dan ook het gebouw van van Zijn gunstbewijzen opgetrokken zal zijn, naar dit vast ge-gemaakt bestek tot eeuwige verwondering in heerlijkheid.
Als het kind zijn Vader, het volk zijn God en de bruid ]haar Bruidegom zal ontmoeten en zien en er van geen scheiden of verberging van Zijn aangezicht meer sprake zal zijn, dan zullen we, o, volk, altijd bij de Heere zijn.
En in de laatste zucht versmolten in het eeuwige dankend aanbidden: `k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheên
De Heere moge het gesprokene bedauwen met Zijn lieve Geest om Jezus' wil. Amen.
Februari 1971