2 Koningen 5:14 'Naäman', ds. C. Smits

Naaman

Predikatie over II Koningen 5: 14

Door Ds. C. SMITS

Psalm 138: 2
Lezen: II Kon. 5: 1-4
Psalm 142 : 1, 2 en 4
Psalm 51 : 4
Psalm 103 : 2

Tekst: II Koningen 5: 14: Zo klom hij af, en doopte zich in de Jordaan zevenmaal, naar het woord van de man Gods; en zijn vlees kwam weder, gelijk het vlees van een kleine jongen, en hij werd rein.

De werken des Heeren zijn groot, ze worden gezocht van allen, die er lust in hebben, zo toch lezen we in Psalm 111. Ja groot en majesteitelijk zijn ze, reeds in het rijk der natuur, waar Hij Zijn macht en wijsheid ten toon spreidt in schepping en voorzienigheid. En indien ons oog er slechts voor geopend is, moeten we uitroepen: ,,Hoe groot zijn, Heere, Uw werken; en wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt?".
Doch hoe groot en doorluchtig deze werken ook zijn, groter en doorluchtiger zijn Zijn werken in het rijk der genade. Want immers in de natuur openbaart Hij Zich bijzonder in de deugd van Zijn almacht en wijsheid, doch in de genadewerken, bovenal in de deugden van Zijn gerechtigheid, barmhartigheid en in Zijn trouw verbond, n.l. hoe God zondaren roept, goddelozen rechtvaardigt en vijanden met God verzoent en zaligt, en dat alles naar Zijn vrijmachtig welbehagen. „Zij worden gezocht van allen die er lust in hebben". Maar ach, wie heeft daar lust in? Wij allen toch hebben lust in onze eigen werken, ja
in de werken der duisternis. „Er is niemand, die vraagt: waar is God, mijn Maker, die de psalmen geeft in de nacht".
Doch zie hier het wonder Gods geopenbaard naar Zijn vrije verkiezende liefde en zondaarsmin, als God in Christus een zondaar roept uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht en hem komt te zaligen. Dan toch redt Hij hem niet alleen uit zijn hopeloze en rampzalige toestand, komt Hij hem te genezen van zijn dodelijke melaatsheid, maar Hij komt hem ook inwendig te veranderen en hem nieuwe hebbelijkheden en genegenheden in te storten, waardoor hij, walgend van al zijn eigenwerken en lusten, een hartelijke begeerte krijgt in de werken Gods. Met name in de werken van Hem, die Hij gedaan heeft, en uitgeroepen heeft: „Het is volbracht! " en:„Vader Ik heb voleindigd het werk, dat Gij Mij hebt gegeven, om dat te doen". Waarom de apostel ook zegt: „Hij heeft ons zalig gemaakt, niet naar de werken, die wij gedaan hebben, maar naar het welbehagen in Christus Jezus". Wij vinden dit duidelijk omschreven in het onderwerp, dat thans onze aandacht vraagt, nl. de genezing van Na iman de Syriër. Als de Heere Jezus deze geschiedenis toespitst op de bladzijden des Nieuwen Testaments, zeggende: „En er waren vele melaatsen in Israël ten tijde van Eliza de profeet, en geen derzelve werd gereinigd dan Naman de Syriër". Hier wordt overduidelijk geleerd de vrijmacht Gods in het genezen en redden van de arme zondaren.
En als we dan deze stof overdenken, zo hebben we niet in de eerste plaats te denken aan Naiman, maar aan Hem, Wiens eer het is melaatsen te reinigen. „Al Uw werken zullen U prijzen". Inzonderheid de werken Gods in de genade. En daarom gaat het in de zaliging van een arme zondaar niet in de eerste plaats over de genezing, maar om de eer Gods, die ook in ons onderwerp uitblinkt. Niet de bekering van een zondaar staat hier op de voorgrond, maar de eer Gods, en daarom omschrijven we ons onderwerp aldus: De God Israëls verheerlijkt, in de genezing van Naman de Syriër.
En zien dit:
I. In dit toonbeeld van -nameloze ellende;
II. In de weg der Goddelijke voorzienigheid;
III. In de openbaring van het zielbehoudend geloof;
IV. In de betoning van Gods vrijmachtig welbehagen.
I.
Wij zien dit in het toonbeeld van nameloze ellende. Naaman, de lieflijke. Ja, zo scheen het. En wanneer wij de aanhef van ons teksthoofdstuk lezen, zouden we zeggen, deze man doet zijn
naam eer aan. Immers, hij was een groot man voor het aangezicht zijns heren en van hoog aanzien, want door hem had de Heere de Syriërs verlossing gegeven.
Deze Naman bezat en genoot al wat het menselijk hart begeren kan. Stel het u voor. Hij had in het schone Damascus zijn vorstelijk paleis, genoot vorstengunst en menseneer, bezat rijkdom, schat en have. Door hem had Syrië getriomfeerd, hij had de omwonende volken overwonnen, hij was een strijdbaar held. En was daarom naast Benhadad de eerste in Syrië. Een stoet van dienstknechten en dienstmaagden stond te zijner beschikking. Hij had een gade aan zijn zijde, die hem met tederheid beminde. Kortom wie is gelukkiger, wie is groter dan Naman? Tenminste, als men het leven van de buitenkant beziet; maar het leven is meer dan buitenkant. Het leven is ook binnenkant. Althans op de binnenkant van het leven komt het aan. Een groot man. Wie wil niet groot zijn? Groot in eer, macht en rijkdom. Groot, het zegt veel, maar niet alles. Want wat baten al die grootheid, praal en pracht, rijkdom, schat en have, als de dood komt?
Zingen we niet:
Men denkt niet meer aan hun verleden staat,
wijl al hun glans met hen in 't graf vergaat.
En dan geen grootheid, geen rijkdom in God. Doch ge behoeft niet te wachten tot de dood komt. Want het is hier al ellendig. Immers achter die opsomming van al deze grootheden, eer en roem, spreekt God een ontzettend woord, en dat is albeslissend: doch melaats.
Nu verandert alles. Wie is gelukkiger, groter dan Naman - doch neen - wie is ongelukkiger, wie is ellendiger dan hij? Naaman, de lieflijke, schoon is zijn naam. Doch hoe spot deze naam met de werkelijkheid. God legt deze grote der aarde neer in diepte van ellende.
Immers, daar was geen vreselijker ziekte denkbaar dan de melaatsheid. Geen medicijnen of kruiden waren er bekend voor deze kwaal. Ongeneeslijk was het. O, stel u voor, deze man, omgeven door pracht en in het bezit van zoveel dat het menselijk hart bekoort, als hij op zekere morgen ontwaakt, en daar tot zijn ontzetting de eerste verschijnselen van deze walgelijkeziekte ontdekt. Een enkele witte plek tussen tenen en vingers was de voorbode van die ontzettende nasleep. Want wat die ziekte zo vreselijk deed zijn, was, dat men met levenden lijve tot ontbinding overging. Al meer dan vertoonden zich die witte en schurftachtige plekken, die tenslotte tot ontbinding overgingen, waardoor dan het ene, dan het andere stuk uit het lichaam viel. We kunnen het beste deze kwaal vergelijken met de zogenaamde lupus, die ook vroeger in onze westerselanden voorkwam, maar dan veel vreselijker en zich uitbreidende over het ganse lichaam. Daar was dan voor zulk een ongelukkige maar één weg, na een jarenlang ellendig leven: de dood.
Naaman, een groot man. Wie was gelukkiger dan hij? Doch melaats. De minste dienstknecht had niet met hem willen ruilen. Want de melaatse werd geschuwd. Denk hoe het in Israël ging, naar de wetten der melaatsheid. Afgezonderd moest men leven, en voor een ieder die hen naderde, gold het: houd u verre, houd u verre, onrein, melaats!
Voorwaar, is deze toestand niet het beeld van u en van mij? Melaats is naar het woord des Bijbels de uitdrukking voor de zonde en verdorvenheid. Daarom zegt Jesaja: „Het ganse lichaam is krank, van de hoofdschedel tot de voetzool is er niets geheel aan het vlees; niets dan wonden, striemen en etterbuilen, die niet verbonden zijn, en geen dezelve is met olie verzacht".
In onze rampzalige val zijn we alle heerlijkheid kwijt geraakt. Groot voor het aangezicht Gods, lieflijk in onze schepping. God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed. Doch wat zeer goed was, is zeer slecht geworden. Onze Schepper heeft ons rechtop gesteld, doch wij hebben onszelf vrij- en moedwillig terneer geworpen in des duivels armen. En het meest ellendige is, dat we onze ellende niet kennen. Blind voor onze blindheid en dood voor de dood. Ja, dat we onze geestelijke melaatsheid trachten te dekken met het schijngenoten de bedriegelijkheid van deze ijdele, wegvlietende wereld.
De ellende van onze ellende is, dat we God kwijt zijn als de Bron van alle leven en zaligheid, dat we ons met de verloren zoon voeden met het zwijnendraf van zonde en wereld. En het eind? Straks de dood. Ja, dan geeft de ijzeren dood ons de laatste stoot en dan zal God spreken: „Uw schoonheid is vergaan, de dagen uwer jeugd zijn als een damp verkort". En dan geen schoon te hebben in Hem, Die de Roos van Saron is, geen bedekking voor het alwetend oog van een hartdoorzoekend God. Ja dan is al ons schoon, alle grootheid en rijkdom des mensen veranderd in een mahor-missabib, en al onze heerlijkheid gesloten in de zes planken van onze doodkist
Groot voor het aangezicht zijns heren, doch melaats. Doch zien we nu hoe de God Israëls Zich verheerlijkt in dit toonbeeld van ellende, en wel: in de weg der Goddelijke voorzienigheid. Want in dit schone paleis, temidden van deze lustwaranda van die machtige Naman, ontmoeten wij een deerniswaardig schepseltje, een slavinnetje.
En gelijk van Naman gezegd wordt: een groot man, doch melaats, zo kon in tegenstelling hiervan gezegd worden: Ze was klein, veracht en gering, doch welgelukzalig.
Naaman groot, doch benijd hem niet. Hier tegenover klein en gering, doch benijdenswaardig. Hoe was dit kind hier gekomen? Wel, we lezen: er waren benden uit Syrië ingevallen in Samaria. Want immers Naman had ook over Samaria getriomfeerd. Hij had daar grote verwoestingen aangericht. Veel buit geroofd en ook velen als gevangenen meegevoerd, en zo had dit kind als slavin een plaats gekregen in het huis van Naman.
O stel u voor: haar vader misschien geveld door de speerstoot van een Syrisch soldaat en - haar moeder kon het niet keren - dit kind opgeheven, van 't moederhart afgerukt en geplaatst op de rug van het strijdros en wreed weggevoerd naar Syrië.
Als een weerloze en rechteloze was zij nu in dienst van Naamans huisvrouw.
En toch zeiden we: Hoe ellendig naar de buitenkant, ze is benijdenswaardig; dat blijkt uit hetgeen we van haar lezen. Daaruit blijkt, dat ze de God van Israël kende en vreesde.
Immers, ze heeft haar God niet vergeten, zeis haar volk en ook haar taal niet vergeten. Dat blijkt als ze van het geval hoort. Eerst wordt het gefluisterd, straks gaat het van mond tot. mond: Naman is melaats. Zie, als zij dat verneemt, dan treedt ze niet op als een communiste, zeggende: Goed zo, die tyran, de duivel slepe hem naar de hel! Neen, we horen iets anders uit haar mond en wel dit: „Och, of mijn heer ware voor het aangezicht des profeten, die te Samaria is, dan zou hij hem van zijn melaatsheid ontledigen".
Welk een kinderlijk geloof. Ze zegt niet: hij zou het eens kunnen proberen, zoals wij soms spreken over een bekwame geneesheer of kruidendokter: misschien vindt gebaat. Neen, ze spreekt zeer stellig: „dan zou hij hem van zijn melaatsheid ontledigen". Een zeker godgeleerde zegt hiervan: „Dat och van die kleine jonge dochter is het och van de tale Kanaans en klinkt als de nachtegaalslag in het donkere woud". Laat ons met dat „och" niet spotten, gelijk zovelen doen, met name in onze tijd, en dat wel omdat men de kwalen en de plagen van zijn eigen hart niet kent. Hun hart is vreemd aan de banden en daarom ook aan het zuchten onder de last van zonden en plagen. Voorwaar we mogen wel uitroepen:
Het arm verwaterd Christendom
dient God, en 't weet zelf niet waarom.
Doch terzake. Naman heeft het woord van die kleine jonge dochter gehoord, nl. dat er een profeet is in Samaria. Merk echter op de leiding van Gods voorzienigheid. De Naam van de God van Israël moest door dit jonge kind verkondigd wórden in dit heidense land. Daarom had ze zulk een diepe weg moeten gaan. God had het oog op Naáman. De Heere toch bestiert al onze gangen, hoe het ook tegen vlees en bloed in ligt. Anderzijds, wat een wonder als de Heere ons daartoe gebruiken wil. Welnu met Benhadad, zijn vorst, wordt gesproken en deze zorgt voor de reis. Doch hoe heidens vat hij dat op. Hij dacht, met eerbied gezegd, die profeet een soort tovenaar te zijn. Gezien zijn heidense blindheid was hem dit niet kwalijk te nemen. Immers de naam van de God Israëls en van Zijn profeet was er geheel onbekend.
En zo gaat Naáman op reis. Hij heeft een brief ontvangen van zijn vorst, om die te overhandigen aan Joram, de koning van Iraël, die te Samaria woont. Met knechten en wagenen, met vele geschenken trekt hij derwaarts. Want toch een voorname meneer moet voorname geschenken medebrengen. Dit was naar oosterse gewoonte. En zo komt de stoet dan binnen de poorten van Samaria en houdt halt voor het paleis van koning Joram. Doch ziet, als Joram de brief uit de hand der knechten van Benhadad ontvangt, zo wordt hij verschrikt. Hij is het nog niet vergeten, dat die benden uit Syrië in zijn land zijn gevallen, en vreest dat dit de aanleiding zal zijn, dat dit weer geschieden zal, en daarom scheurt hij zijn klederen en zegt: „Ben ik dan in plaats van God, om een mens van zijn melaatsheid te ontledigen? Ziet toch dat hij oorzaak tegen mij zoekt".
O, wat een verschil met die kleine jongedochter. Immers deze Joram dacht niet aan of kende de profeet Eliza niet eens. Dan is het toch wel laag met ons afgelopen, wanneer wij niet weten waar Gods volk woont, of wie en wat de ware knechten Gods des Allerhoogsten zijn. Want hij had het kunnen weten, dat er een profeet in Israël was, en hem direct daarheen moeten zenden. Waarlijk is hij het beeld van zo menigeen. Koningen in de wereld, koningen in de godsdienst, die alles weten, maar niet weten wat met een verloren zondaar aangevangen moet worden. Verstand van alles, en niet te weten hoe God een arme zondaar zaligt.
Zo weet Joram dus geen raad. Dat is de eerste tegenvaller voor Naman. Doch de Heere keurt die weg nodig voor hem. Immers, die man moet in zijn ongeluk gebracht worden met al zijn geld, eer en voornaamheid. God begint hier met geestelijke ontlediging. Dat is de weg van elke ziel, die met zijn melaatsheid bekend is gemaakt. Alles heeft hij er voor over om genezen te worden, om vrede voor zijn ziel te bekomen.
Wat een goede voornemens, goede werken, ijver enz. En toch, welk een teleurstellingen. Een ziel gaat op weg, heeft gehoord dat er een weg der verlossing is, doch wordt hoe langer hoe ongelukkiger. Geld, eer en roem betekenen niets. Joram stelt hem teleur. Vlak bij de genezing, en toch steeds groter wordt de ellende. Maar daarin juist wordt God verheerlijkt, opdat geen vlees zou roemen voor Hem, Die leeft.
Ja, dat de mens met alles in de dood terecht kome en zo in de engte gedreven worde, dat het wordt:
'k Wou vluchten maar kon nergens heen
zodat mijn dood voorhanden scheen,
en alle hulp mij gans ontviel,
daar niemand zorgde voor mijn ziel.
Maar dan ook en daarin alleen wordt de God Israëls verheerlijkt. Als we zien hoe deze genezing alleen geschiedt in wat we noemden ten derde:
III.
In de openbaring van het zielbehoudende geloof
Daar is reeds een bode gekomen van Eliza, opdat er geweten worde, dat er een profeet in Israël is. Het gaat niet om de persoon van Eliza, maar om het ambt, waarmede God hem bekleed heeft, en bovenal om de eer Gods, en daarom valt alle schepsel er buiten, opdat geen vlees zoude roemen voor Hem, Die leeft. En daarom niet de persoon, maar het ambt, en in dit ambt openbaart God Zijn eer, macht en grootheid.
De stoet keert zich van Joram naar Eliza. Ja, naar Eliza, een heerlijker paleis dan van Joram. Want het is heerlijk vanwege de God, Die onder dit dak woont. De woningen van Gods volk zijn heerlijker dan de paleizen der koningen. Want daar wordt de gemeenschap Gods beleefd, daar is de Ladder Jacobs, daar buigt men voor de Almachtige in het stof, daar spreekt God tot dat volk. Daar wordt ervaren:
Wat blijdschap smaakt mijn ziel,
wanneer ik voor U kniel.
Neen, niet om Eliza zal het hier gaan, maar om de God van dat volk. Eliza, in zichzelf onbekwaam, onmachtig, ja alle on's bij elkaar, maar niet onbevoegd.
Joram moge geen notitie van hem nemen. Ja de groten der aarde mogen dat volk niet kennen, niet weten te wonen, niet weten welk een God dat volk heeft. De Heere houdt een nauw oog op hen geslagen.
Bekleed met de autoriteit en het gezag van zijn Zender spreekt hij: „Laat hem nu tot mij komen, zo ,zal hij weten, dat er een profeet in Israël is".
Zo volgen wij dan Naman van Joram naar Eliza. Mij dunkt, Naáman van zijn eerste teleurstelling bekomen, heeft wel met belangstelling en verwachting uitgezien naar het huis van de profeet. En wat deze doen zal, wie hij is, hoedanig hij hem ontmoeten zal. Doch hoewel gekomen tot het huis van de profeet, van de profeet zelf ziet hij niets. Wie er ook belangstelling en nieuwsgierigheid toont ten opzichte van deze stoet, Eliza niet. Hij verwaardigt zich niet eens om, wanneer die voorname stoet voor zijn huis heeft stil gehouden, naar buiten te komen. Hij zendt alleen zijn knecht naar buiten. En dit is met opzet, niet uit onbeleefdheid. Naman moet hier leren, dat het niet de profeet is, maar dat hij door de God van Israël alleen gered kan worden. We zouden zeggen: hem wordt hier geleerd om van alle schepsel af te zien, om te leren geloven in de God van Israël.
„Was u zevenmaal in de Jordaan". Zo luidt het woord dat Gehazi, de knecht van Eliza, namens die spreekt tot Naaman.
Niets meer.
Zie hier het antwoord op zijn vragen en verwachting. Naaman bij deze vernieuwde teleurstelling, zo lezen we, werd zeer toornig. Heeft hij daar zo'n grote reis voor gemaakt? Heeft hij daarvoor geloof gehecht aan het zeggen van die jongedochter in zijn land?
Immers Naaman in zijn toorn sprak: „Zie, ik zeide bij mijzelf: Hij zal zekerlijk uitkomen en staan en de Naam des Heeren, zijns Gods, aanroepen en zijn hand over de plaats strijken en de melaatse ontledigen".
Ja, deze man vatte dit heidens op en vertoont hier het beeld van wat de mens is van nature. Hij wil wel gered worden, maar naar zijn eigen manier en denkwijze. Bekend is het woord van Frederik de Grote van Duitsland: „In mijn rijk kan ieder op zijn eigen wijze zalig worden". Maar wij worden niet op ons eigen manier zalig, maar op Gods wijze, zoals God melaatsen geneest, zoals God door het arme zondaarsgeloof verlorenen redt, goddelozen rechtvaardigt, die in Hem leren geloven tot zaligheid.
En daarom toog Naaman weg met grimmigheid. Nu, voor het verstand was het ook dwaasheid, maar het „dwaze" Gods is wijzer dan de mensen, zegt Paulus. „Zijn niet de Abana en Farpar, de rivieren van Damascus, beter dan alle wateren van Israël?" De Farpar stond bekend als genezend water; het neemt de Abana in zich op. En dan die Jordaan! Wat een dwaasheid! Of zouden we het geen dwaasheid noemen, als iemand uit Wiesbaden naar ons land kwam en men zou hem raden in één van onze wateren zich te baden om genezen te worden? Doch zie hier de wijsheid Gods: die man kon alleen genezen en behouden worden door vrije genade. En genade is niet te verdienen, genade is niet na te rekenen. Genade is een woord van zes letters, maar men heeft er heel zijn leven voor nodig om te leren wat genade is. Genade krijgt men niet als een grote meneer, als een wetenschappelijk man, maar als een arm, een vernederd, een omkomend mens. Hier wordt vervuld:
Gena verheerlijkt zich in bedelarm te komen; verliezen zet de ziel in 't rijkste winstgenot. Wordt op die grote lijst een halve cent van u vernomen, gij hebt geen vrije gunst, geen kwijtschelding bij God.
Zeker, de profeet had kunnen zeggen: „Wees rein", doch alzo was het de wil Gods en de wijze, waarop hij genezen zou worden, niet. Het zal geschieden alleen in de weg van het zielzaligend en zielbehoudend geloof, waardoor een zondaar gered wordt, en dan niet om de waardigheid van dat geloof, maar in de weg, dat is door het middel dat God gebruikt, nl. het geloof. Hij zal niet genezen worden door de Jordaanwateren zonder meer. Een andere melaatse zou in die wateren afdalen en niet genezen worden.
O, wat is een mens een vijand van de weg der zaligheid. Wat een redenerend hart. „Ik dacht", „ik zeide bij mijzelf", doch dit voert naar de hel. Het is behouden worden niet op onze manier, niet op een voorname manier, maar als een arm zondaar. Ook zijn grote som gelds, die hij bij zich had, kon hem niet behouden. Goud en geld, werp het maar op de ashoop, want ge zijt voor God nog minder dan een ashoop. Dit immers wordt in de weg der ontdekking en ontgronding wel geleerd. Hij zal ook niet kunnen zeggen: dat is door de Jordaan geschied, maar: alleen door de God van Israël.
Nadat nu Naman, om zo te zeggen, uitgeraasd was, traden zijn knechten nader tot hem en maakten hem opmerkzaam op de geringe moeite, die aan dit werk verbonden was. Zij spraken hem aan, zoals in die dagen hooggeplaatsten werden aangesproken, nl. vers 13: „ Mijn vader, zo die profeet tot u een grote zaak gesproken had, zoudt gij ze niet gedaan hebben? Hoeveel te meer, naardien hij tot u gezegd heeft: Was u, en gij zult rein zijn?" En Naman liet zich overreden.
Zevenmaal afdalen in de Jordaan. Zeven is het getal der heiligheid. De drie Goddelijke Personen en de vier hoeken der aarde. De apostel zegt, dat Christus hemel en aarde door Zichzelf verzoent. Het is ook het getal der vereniging, het getal des geloofs. . „Ga heen en was u zevenmaal in de Jordaan, en uw vlees zal u wederkomen, en gij zult rein zijn".
Zo daalt hij dan af van zijn wagen; ontkleed zich. Maar nu ook wordt de kwaal al meer zichtbaar en zien zijn knechten hoe de ziekte hem aangetast heeft. Zijn koninklijke mantel heeft hij afgelegd. Ja, gans ontkleed zo staat hij in zijn melaatsheid. Welk een vernedering voor zulk een groot man. En dat is nu de weg van elke zondaar, die door genade tot genade gebracht wordt. Eerst van onze zetel, dan naakt uitgekleed. Hoe dichter bij het bloed, hoe meer onze kwalen geopenbaard worden en hoe vuiler wij zijn.
De Jordaan, beeld van de dood, beeld van het heilig ongenoegen Gods. Het is het afsterven van de oude mens. Van deze Jordaan wateren, zong David.
'k Zucht daar kolk en afgrond loeit,
daar 't gedruis der wateren groeit,
daar Uw golven, daar Uw baren,
mijn benauwde ziel vervaren.
Maar het is ook beeld van de reinigmakende kracht van Jezus' bloed. Dat is sterven om behouden te worden. Omkomen om te leven. De dood in, en als we hem dan zo zien afdalen in het water, wordt vervuld (Psalm 51 : 4):
Ontzondig mij met hysop en mijn ziel,
nu gans melaats, zal rein zijn en genezen.
De eerste maal daalt hij af, doch geen verandering. De tweede, de derde maal, en als hij bij de zesde maal er uitkomt, is hij nog dezelfde. Tot zevenmaal toe. Zeven, het getal der volmaaktheid. Wanneer alles ons ontvalt. Door het naakte geloof. „Op Uw woord heb ik gehoopt". Dan rijst hij op, en ziet: Hij is rein. „Zijn vlees kwam weder, gelijk het vlees van een kleine jongen. En hij werd rein".
Het eerste woord van ons teksthoofdstuk begon met een „groot man". En als een kind komt hij er uit op. Een kindeke uit God geboren. Als ge niet wordt als een kindeke, gij kunt het Koninkrijk Gods niet ingaan.
En dat is nu de ervaring van allen, die geleerd hebben:
'k Wou vluchten, maar kon nergens heen,
zodat mijn dood voorhanden scheen.
Ja, geen hoop, dan die ik op U bouw. Als alles ons ontvalt, het met God eens te worden. Een welgevallen te krijgen in de straf onzer ongerechtigheid. Maar dan ook neer te zakken, enkel en alleen op het bloed van Christus. Zonder geld en zonder prijs neer te dalen; van onze hoogte af te komen met al onze vleselijke verwachtingen in de diepte der zelfvernedering om in die geestelijke Jordaanwateren gereinigd en hersteld te worden.
IV.
Deze genezing dan geschiedt alleen: in de betoning van het vrijmachtig welbehagen Gods. Immers de Heere Jezus spitst deze bladzijde uit Gods woord toe. Als Hij in de synagoge te Kapernauw optrad, en de hardnekkige bondelingen, die zich beroemden: „Wij zijn Abrahams zaad" en Hem in vijandschap de rug toekeerden. En wel met deze woorden uit Lukas 4 : 27: „En er waren vele melaatsen in de dagen van Eliza, de profeet, en geen dezelve is van zijn melaatsheid gereinigd dan Naman de Syriër". Waar genade valt, valt genade vrij.
Waarom verkiest en verwerpt God? Zeker niet om redenen in het schepsel. Doch God heeft daar Zijn reden voor. Al weet ik het niet. En toch, ja het enige antwoord dat wij vinden bij de bekering en de reiniging is: om Gods vrijmachtig welbehagen. Ja, God heeft er Zijn wijze bedoelingen mee. En God Zelf is voor het geloof de waarborg dat het goed en soeverein is alles wat God doet.
Daar is echter nog iets. Wij zeiden bij de aanvang: het gaat hier niet in de eerste plaats om de genezing van Naman, maar om de eer en de grootheid van de God van Israël.
Syrië was het land dat grensde aan Kanaán, waar eenmaal de vraag gesteld werd: Israëls God of Rimmon, de god der Syriërs? Eeuwen lang hadden daar de priesters zich gepijnigd in zijn tempel en Rimmon scheen te hebben overwonnen. Doch nu triomfeert God over hem op het allerheerlijkst. Want de roem van dit volk is niet: Ik ben genezen, maar: Dit heeft God gedaan. Dat komt ook uit in hetgeen hij in het 15e vers zegt tot Elfza: „Zie, nu weet ik dat er geen God is op de ganse aardbodem, dan in Israël!" En vervolgens wat zijn vraag is aan Elfza in vers 18: „In deze zaak vergeve de Heere uw knecht: wanneer mijn heer in het huis van Rimmon gaan zal om zich daar neder te buigen, en hij op mijn hand leunen zal en ik in het huis van Rimmon neder buigen zal, als ik me alzo nederbuigen zal in het huis van Rimmon, de Heere vergeve toch uw knecht in deze zaak".
Over deze woorden is grotelijks verschil van mening. Wij willen op de inhoud hiervan niet verder ingaan. Het behoort niet tot dit bestek. De profeet Eliza deed het ook niet. Hij was geen man van laten en doen. En daarom sprak hij: „Ga in vrede". Hij wilde zeggen: Die God, Die het tot hiertoe zo wel gemaakt heeft, zal ook verder zorgen. Door het geloof genezen. Door het geloof nu ook leven. De Heere was met hem begonnen en zal ook alles met Zichzelf goed maken.
En nu vraagt hij de profeet, om een last aarde mee te mogen nemen naar Syrië. Want de grond van dat volk was hem lief geworden. En deze last aarde - wij zullen het reeds begrijpen - was om een altaar te bouwen. Voor Rimmon kon hij niet meer nederbuigen. Maar voor de God van Israël. En het staat er niet bij, maar ik geloof dat hij in zijn land gekomen, die slavin tot zich heeft geroepen en met haar is neergeknield bij het altaar van de God van Israël, en daar is vervuld:
d' Eenvoudigen wil God steeds gadeslaan.
'k Was uitgeteerd, maar Hij zag op mij neder.
De vraag kan hier gesteld: Was dit zaligmakend? Dit is een vraag, die de mens het liefste stelt. Maar hierop geven wij geen antwoord, om de eenvoudige reden, dat dit niet het belangrijkste is. Het allervoornaamste voor u en mij is, of wij deze geschiedenis van Naaman zielsbevindelijk voor ons eigen hart kennen. Als een omkomend mens, gans verloren, behouden te worden in de weg van het wonder. Waar dit niet het geval is, daar mocht geen rust zijn voordat we als een gans verlorene leerden uitzien en zuchten naar dit bloed, waardoor we als een melaatse, gans onrein, gered en verlóst worden. En waar dit ooit plaats vond, daar wordt het wonder al groter en groter. Dat God in Zichzelf bewogen, in en om de gerechtigheid van de Zoon van Zijn eeuwig welbehagen, Zichzelf verheerlijkt. En dat Hij voor dit zalige Voorwerp een onderwerp gemaakt is. En de roemtaal van Lodenstein zal de taal van dat volk zijn,
Alle roem is uitgesloten
onverdiende zaligheen
heb ik van mijn God genoten,
'k roem in vrije gunst alleen.
De Heere zegene deze woorden aan uw en aan mijn hart, om Zijns Zoons Chistus wil. Amen.


Juni 1966