Een biddend beroep op de Naam des Heeren
Biddagpredikatie over Jeremia 14 : 8
door DS. M. BAAN
Psalm 123: 1 en 2
Lezen Jeremia 14
Psalm 27:5en7
Psalm 79 : 4en 7
Psalm 84 : 6
Tekst: Jeremia 14 : 8: O Israëls Verwachting, zijn Verlosser in tijd van benauwdheid, waarom zoudt Gij zijn als een vreemdeling in het land, en als een reiziger, die slechts inkeert om te vernachten?
't Kan in ons leven wel eens zó donker zijn, dat wij ons afvragen: Wordt het wel ooit weer licht?
Daar is geen uitzicht meer.
Geen hoop, geen verwachting meer.
't Is van alle kanten donker!
De Schrift zegt in dit verband van Job, dat hij eens uitriep: „Hij heeft mijn weg toegemuurd, dat ik niet gaan kan, en over al mijn paden heeft Hij duisternis gesteld".
Maar nu staat er zulk een bijzonder woord in Jesaja 50 : 10. Wij lezen daar: „Wie is er onder ulieden, die de Heere vreest, en naar de stem Zijns Knechts hoort? Als hij in duisternissen wandelt, en geen licht heeft, dat hij betrouwe op de Naam des Heeren, en steune op zijn God".
Hier opent de Schrift bij alle donkerheid van het leven één perspektief, en dat is: De Naam des HEEREN! Die Naam zo heilig, groot en goed.
Kom, leren wij dan op die Naam zien, op deze biddag voor het gewas des velds, de arbeid der handen, en met het oog op de ernst der tijden, die wij beleven.
't Is donker in de wereld.
't Is donker in menig hart.
Donker ook op het geestelijk vlak van het kerkelijk leven. Maar nu mogen wij ook in dit biduur een beroep doen op de Naam des Heeren!
Wij lezen daarvan in onze tekst, Jer. 14 : 18: „O Israëls Verwachting, zijn Verlosser in tijd van benauwdheid, waarom zoudt Gij zijn als een vreemdeling in het land, en als een reiziger, die slechts inkeert om te vernachten?"
In dit tekstwoord zou ik dan willen lezen: Een biddend beroep op de Naam des Heeren.
En dan horen wij:
I. Dit beroep wordt opgezonden in een tijd van grote nood.
II. Dit beroep wordt vergezeld met een merkwaardige vraag.
III. Dit beroep wordt aangedrongen met een hechte pleitgrond.
I.
't Verband van onze tekst spreekt ons over een tijd van grote nood.
In het eerste vers lezen wij over een tijd van grote droogte. Voor het land Palestina gold zulk een grote droogte altijd als een apart oordeel Gods.
Wij lezen daarvan in het profetenboek Joël.
„O, hoe zucht het vee - zo lezen wij - de runderen zijn bedwelmd, want zij hebben geen weiden, ook zijn de schaapskudden verwoest. Ook schreeuwt elk beest des velds tot U, want de waterstromen zijn uitgedroogd, en een vuur heeft de weiden der woestijn verteerd".
Wij lezen daar ook van in ons tekstverband.
In het tweede vers lezen wij: „Juda treurt, en haar poorten zijn verzwakt; ze zijn in het zwart gekleed ter aarde toe, en Jeruzalems geschrei klimt op. En hun voortreffelijken zenden hun kleinen naar water, zij komen tot de grachten, zij vinden geen water, zij komen met hun vaten ledig weder, zij zijn beschaamd, ja, worden schaamrood, en bedekken hun hoofd".
Deze grote droogte moeten wij ook hier zien als een apart oordeel Gods, en dat oordeel stond weer in verband met Israëls zonde.
En wat was dan Israëls zonde?
Wij kunnen dat in Jeremia 11 lezen.
In het kort zouden wij het zo kunnen zeggen: Israël had het verbond Gods gebroken, Israël was de stem des Heeren ongehoorzaam geweest.
Lees maar eens wat er staat in Jeremia 11 : 7 en 8, 10 en 11. In het 7e vers lezen wij: „Want Ik heb uwe vaders ernstiglijk betuigd ten dage als Ik hen uit Egypteland opvoerde, tot op deze dag, vroeg op zijnde, en betuigende, zeggende: „Hoort naar Mijn stem! Maar zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd, maar hebben gewandeld, een iegelijk naar het goeddunken van hunlieder boos hart; daarom heb Ik over hen gebracht al de woorden dezes verbonds, dat Ik geboden heb te doen, maar zij niet gedaan hebben". En dan in het 10e en lle vers: „Zij zijn wedergekeerd tot de ongerechtigheden hunner voorvaderen, die Mijn woorden geweigerd hebben te horen, en zij hebben andere goden nagewandeld, om die te dienen; het huis Israëls en het huis van Juda hebben Mijn verbond gebroken, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb. Daarom zegt de Heere alzo: „Ziet, Ik zal een kwaad over hen brengen, uit hetwelk zij niet zullen kunnen uitkomen; als zij dan tot Mij zullen roepen, zal Ik naar hen niet horen".
Gaat ge al begrijpen waarom wij in dit verband kunnen spreken over een tijd van grote nood?
't Oordeel Gods ging over land en volk. De Heere bezocht land en volk met het oordeel van een grote droogte.
En dat was het enige niet.
Neen, de Heere sprak al van te voren: „Als gij nu bidt, dan zal Ik u niet horen".
Zelfs de profeet Jeremia kreeg een apart bevel: „Gij dan, bid niet voor dit volk, en hef geen geschrei, noch gebed voor hen op; want Ik zal niet horen, ten tijde als zij over hun kwaad tot Mij zullen roepen".
O, hoe groot wordt dan de nood, als de Heere zelfs het gebed niet meer hoort. De hemel van koper.
De aarde van ijzer.
Als er geen gebed meer door kan.
Als alle gebeden afstuiten. Als de Heere, temidden van de donkerheid des levens, te midden van de nood der tijden is een verbergend God!
Ja, dat is dan de nóód in de nood.
En nu hoor ik u al vragen: „Is het dan niet waar, wat de Schrift zegt: bidt en ge zult ontvangen, klopt en u zal worden open gedaan"? Zou de Heere dan geen recht doen aan Zijn uitverkorenen, als zij dag en nacht tot Hem roepen?
Wat de Schrift zegt is wáár, maar dan is het ook waar, wat wij elders lezen: „Gij bidt, en gij ontvangt niet, omdat gij kwalijk bidt, opdat gij het in uw wellusten doorbrengen zoudt".
En daarom past ons geen kritiek op de Verhoorder van het gebed, maar dan past ons wel kritiek op de bidder zelf. Ach, wat is ons bidden vaak een bidden in de vorm.
Een bidden om er zelf beter van te worden.
Een bidden uit nood, en als de nood voorbij is, is God weer vergeten. Zo was het immers ook bij het volk van Israël. De Heere wist het wel, waarom dat volk zou gaan bidden. 't Zou gaan bidden uit nood.
Maar als de nood weer voorbij was, was God weer vergeten. U moet eens lezen wat staat in Jeremia 2 : 27. Wij lezen daar: „Want zij keren Mij de nek toe, en niet het aangezicht, maar ten tijde huns kwaads zeggen zij: Sta op en verlos ons".
Ach, denk u dan eens in, hoe groot was de nood bij dat volk van Israël. 't Was nood van buiten en nood van binnen. Van buiten was de nood van grote droogte, maar van binnen was de nood van de oppervlakkigheid, van de geesteloosheid. Daar was wel een dorsten naar water, maar daar was géén dorsten naar de gemeenschap met de levende God!
En hoe is het nu bij ons, met die nood van buiten, en met die nood van binnen?
De tijd waarin wij leven wordt wel een tijd van welvaart en voorspoed genoemd. Maar ondanks de welvaart, ondanks de voorspoed, ondanks de ontwikkeling der techniek, ondanks de vooruitgang op allerlei gebied, gaan toch de oordelen Gods over de aarde.
't Grote wereldgericht komt nader en nader.
Wij beluisteren er iets van in de grote verwarring, die er is in heel de wereld. In de oorlogsdreiging, de opstanden, de revoluties.
In de afdwaling van de kerk.
In de grote afval.
In de oppervlakkigheid, geesteloosheid, wereldgelijkvormigheid. 't Beest uit de afgrond komt ar meer en meer op, waarvan de Schrift zegt, dat het velen zal verleiden.
Maar de gróótste nood is wel, dat er ook bij land en volk wel een dorsten is naar water, naar 't natuurlijke, naar alles wat tot onze lichamelijke nooddruft dienen kan - eten, drinken, en vrolijk zijn - daar wil men ook nog wel om bidden, maar hoe weinig wordt gevonden dat echte, ware dorsten naar de gemeenschap met de levende God.
De Heere geve, dat wij deze nood in dit biduur recht mogen leren kennen. Want dan zijn wij met het uiterlijk bidden niet klaar. Dan zijn wij met het uiterlijk onze biddag houden ook niet klaar. Dan zijn wij zelfs met een uiterlijk schuldbelijden ook niet klaar. Neen, maar dan gaat het vooral om de breking van de zondebanden in ons hart, om een waarachtige wederkeer tot die God, Die wij door onze zonden verlaten hebben, en dan zegt de Schrift; „Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken, en laat ons wederkeren tot de Heere". Dan gaat het op deze biddag zonder meer niet om dat dorsten naar water, dat dorsten naar de vrucht van onze arbeid, dat dorsten naar de vrucht van veld en akker, maar dan gaat het voor en boven alles om dat dorsten naar de levende God. Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel naar U, o God. Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God. Alleen dán zullen wij ook het verdere gedeelte van onze tekst kunnen verstaan, want nu lezen wij hier over een gebed, dat wordt opgezonden in een tijd van grote nood, maar óók, dat vergezeld gaat met een merkwaardige vraag. Hoort u maar. „O, Israëls Verwachting, zijn Verlosser in tijd van benauwdheid, waarom zoudt Gij zijn als eenvreemdeling in het land, en als een reiziger, die slechts inkeert om te vernachten"?
II.
Een vreemdeling of een reiziger, wanneer hij één of ander land bezoekt, blijft daar maar tijdelijk. Hij komt slechts om zijn zaken te doen, om voor één of meer dagen in dat land, of die plaats, te overnachten.
Een vreemdeling staat feitelijk buiten het land, en buiten het volk, dat hij bezoekt. Hij kent de nood van land en volk niet, leeft er niet in mee. Hij komt slechts om zijn zaken te doen en te overnachten. Kortom, een vreemdeling is en blijft een vreemdeling; is en blijft een buitenstaander.
En nu bidt Jeremia: „Waarom o Heere, zoudt Gij zijn als een vreemdeling in het land, en als een reiziger, die slechts inkeert om te overnachten"? M.a.w. Heere, Uw tijdelijke tegenwoordigheid kan geen oplossing aan onze grote nood geven, neen, wat wij nodig hebben, dat is de herstelde en blijvende gemeenschap met U, de HEERE Zelf.
Zo was het Jeremia dus niet om de gave, maar om de HEERE Zelf, de Gever te doen. De Heere moest weer in Jeruzalem komen wonen. 't Is alsof wij Jeremia hier horen bidden:
Herdenk de trouw, aan ons voorheen betoond,
Denk aan Uw volk, door U van ouds verkregen,
Denk aan Uw erf, het voorwerp van Uw zegen,
Aan Sions berg, waar G' eertijds hebt gewoond.
Waar de Heere woont, met Zijn liefde, met Zijn genade, met Zijn gunst, met Zijn rijke tegenwoordigheid en gemeenschap in de Zoon Zijner liefde, daar immers is het altijd goed. Dan zegt David: „Heere, Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ter tijd, als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn. Ik zal in vrede tezamen nederliggen en slapen, want Gij, o Heere alleen zult mij doen zeker wonen". En Habakuk - al was het voor hem geen tijd van welvaarten voorspoed - nochtans horen wij hem getuigen:
„Alhoewel de vijgeboom niet bloeien zal, en geen vrucht aan de wijnstok zijn zal, dat het werk des olijfbooms liegen zal, en de velden geen spijs voortbrengen zullen, dat men de kudde uit de kooi afscheuren zal, en dat er geen rund in de stallingen wezen zal: zo zal ik nochtans in de HEERE van vreugde opspringen, ik zal mij verheugen in de God mijns heils".
Wat een voorrecht als het ons dáár dan ook om te doen mag zijn op deze biddag voor het gewas. Niet dus zonder meer om brood en water, vruchtbaarheid op veld en akker, om de zegen op de arbeid, om vrede voor land en volk, om leniging van de nood in de wereld van rondom, maar vóór en boven al,
dat het ons om de HEERE Zelf te doen mag zijn.
Om de herstelde en blijvende gemeenschap van Zijn liefde. Om de herstelde en blijvende gemeenschap van Zijn verzoenende genade.
Hoe ernstig als wij de Heere slechts zouden kennen, slechts zouden nodig hebben, als een vreemdeling in het land, of als een reiziger, die slechts inkeert om te overnachten. Dan laat de Heere Zichzelf in uw leven zien, in het leven ook van ons land en volk. De Heere laat zich niet onbetuigd. Naar de rijkdom van Zijn algemene genade schenkt de Heere gaven weg. Eten! drinken! kleding! schoeisel! gezondheid! arbeidslust! arbeidskracht!
De Heere brengt u onder het Evangelie, onder het welmenend aanbod van Zijn genade........ Maar is er geen plaats voor Hem in uw hart, dan blijft de Heere een vreemdeling, een reiziger, die slechts . inkeert om te overnachten. Dan is uw hart leeg.
Dan gaat de Heere, als de tijd der genade voorbij is, weer weg, voor eeuwig weg. En wat blijft er dan over?
Dan blijft er niets anders meer over, dan de plaats waar God niet meer is met Zijn liefde, maar waar God zal zijn met Zijn eeuwige toorn.
Dat zal dan zijn de plaats van de eeuwige droogte, de plaats van de eeuwige dorst.
Daarom, bedenken wij goed waar het op deze biddag om gaat. Dat het niet gaat om de uiterlijke dingen, maar dat het gaat om de innerlijke dingen.
Dat het niet gaat om de gave, maar dat het gaat om de Gever.
Dat het niet gaat om onze tijdelijke belangen, maar dat het gaat om onze eeuwigheidsbelangen.
De inwoning Gods in ons leven.
De inwoning Gods in ons hart.
En nu ligt dat aan onze kant verbeurd en verzondigd.
God is, door de zonde uit ons leven weggegaan en de dood is in onze vensteren geklommen. De zonden van oud-Israël zijn ook onze zonden. Bondsbreuk! Ongehoorzaamheid! Ongerechtigheid! Afval! Afgoderij! Ga zo maar voort, de zonden van Juda - zo zegt de Heere - zijn geschreven met een ijzeren griffie, met de punt eens diamants; gegraven in de tafel van hunlieder hart, en aan de hoornen uwer altaren".
Zó diep waren de zonden dus doorgedrongen, dat zelfs de hoornen van het altaar daar getuigenis van aflegden. 't Waren niet alleen openbare, maar ook verborgen, kerkelijke, godsdienstige, geestelijke zonden. En als wij dan op onszelf zien, op ons land en volk, ach wat zouden wij op deze biddag dan nog durven verwachten?
Moet het ons dan verwonderen, dat de Heere een vreemdeling is voor menig hart? een reiziger, die slechts inkeert om te vernachten? Is de Heere voor Zijn kerk, voor menig kind van God in onze dagen dan geen verbergend God?
Waar is de levendigheid van het nieuwe leven?
De blijdschap des geloofs?
De verzekering des geloofs?
De doorbraak van het genade-leven in het hart van de bekommerde kerk?
Is alles niet als met een doodsluier omhangen? O zeker, dan laat de Heere Zich niet onbetuigd, maar Hij is als een vreemdeling, als een reiziger, die slechts inkeert om te overnachten. „Want Mijn volk —zo zegt de Heere - heeft twee boosheden gedaan; Mij, de Springader des Levenden waters, hebben zij verlaten, om zichzelf bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden".
En nu is het biddag.
Waar is het ons nu om te doen? Gaat het ons nu in waarheid om die inwoning Gods in ons leven, om die inwoning Gods in ons hart? Dan zullen wij moeten leren zien de onmogelijkheid daarvan aan onze kant, dan zullen wij de mogelijkheid daarvan moeten zoeken aan Gods kant.
Dan blijft er niets, niets anders over dan, in de weg van schuldbelijdenis, een beroep, een biddend beroep te doen alleen op de Naam des HEEREN. Daarin ligt dan alleen een hechte pleitgrond, waarvan wij ook lezen in onze tekst, als hier staat: „O Israëls Verwachting, Zijn Verlosser in tijd van benauwd-held".
III.
In de eerste plaats lezen wij hier dus de naam: Israëls Verwachting. De betekenis van deze naam zal ons duidelijk zijn. Reeds van oude tijden af had Israël in dagen van nood de redding van de HEERE, de Verbonds-Jehova, leren verwachten. Wij lezen in Jer. 3 : 23: „Waarlijk, tevergeefs verwacht men het van de heuvelen, en de menigte der bergen, waarlijk, in de Heere, onze God, is Israëls heil".
Gelukkig als wij deze zielsgestalte kennen.
Hoe ongelukkig zijn we er aan toe, als wij in dagen van nood onze verwachting hebben van de heuvelen, en de bergen, van de mensen, van bepaalde omstandigheden. Hoe bedrogen komen wij er mee uit. Hoe moeten wij dan leren, dat 's mensen heil ijdelheid is. Dat mensen ons niet kunnen helpen, dat bepaalde omstandigheden geen verandering in onze nood kunnen brengen. Dat wij God nodig hebben. „En nu dan, wat verwacht ik, o Heere? mijn hoop is op U alleen".
O zeker, dan kan de Heere in dat verwachten beproeven. Dan kan het wel eens schijnen: de Heere ziet het niet, de Heere merkt het niet, de Heere heeft mij vergeten, de Heere heeft mij verlaten. Ja, hoe kan het dan vaak schreeuwen in de ziel:
Zou de Allerhoogste van mijn plagen, En bittere rampen kennis dragen?
En toch...... toch lees ik in Ps. 25: „Ja allen, die U verwachten, zullen niet beschaamd worden".
Dan kan het wel eens lang duren. De wateren van allerlei leed, kruis en druk kunnen wel eens komen als tot de lippen, zodat moet worden beleefd: „Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepte der wateren, en de vloed overstroomt mij".
Maar wat zegt David in de 40e Psalm? „Ik heb de Heere lang verwacht en Hij heeft Zich tot mij geneigd, en mijn geroep gehoord. En Hij heeft mij uit een ruisende kuil, uit modderig slijk opgehaald, en Hij heeft mijn voeten op een steenrots gesteld. Hij heeft mijn gangen vastgemaakt". Welk een zin krijgt daarom dit woord van onze tekst: „O Israëls Verwachting".
In Jer. 17 : 3 lezen wij dezelfde uitroep, maar dan staat er: O Heere, Israëls Verwachting, allen die U verlaten, zullen beschaamd worden". Zij zullen — zo zegt de profeet — in de aarde geschreven worden". D.w.z. welke schone namen wij dan op de aarde dragen, tot welk een macht en heerlijkheid wij ons zouden hebben opgewerkt, 't is alles maar tijdelijk, 't is alles vergankelijk, want straks komt de dag, dat in vervulling zal gaan: „zijn naam, zijn roem, 't ligt al terneer geslagen".
„Maar die de Heere verwachten, zullen de kracht vernieuwen, zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden; zij zullen lopen en niet moede worden, zij zullen wandelen, en niet mat worden".
Welgelukzalig - zo mogen wij dan wel uitroepen - zijn allen, die Hem verwachten.
Welgelukzalig de mens, die op de biddag voor gewas en arbeid, in erkenning van zonde, schuld en onwaardigheid, een biddend beroep leert doen op die naam: „O Israëls Verwachting". Dan is er geen verwachting van onze kant, maar verwachting alleen van Gods kant. Dan predikt Gods Naam Gods Wezen, en dan is Gods Wezen niet los te denken van Zijn deugden: Rechtvaardigheid, heiligheid, majesteit en heerlijkheid, maar ook....... liefde, genade, goedheid, barmhartigheid. En dat alles opgeluisterd en verheerlijkt in het werk van die grote en barmhartige Hogepriester, Die wilde lijden, wilde sterven, Zijn leven, Zijn bloed wilde geven, tot een rantsoen voor velen. Kom, doen wij dan een biddend beroep op die naam: „O Israëls Verwachting, maar ook op die andere naam: zijn Verlosser in tijd van benauwdheid.
De betekenis van deze naam spreekt voor zichzelf.
Hoe menigmaal had de Heere dat woord verlossing in het levensboek van zijn kerk afgeschreven. Denk eens aan de verlossing uit Egypte. Lange jaren had Israël in slavendienst moeten dienen. De nood klom tenslotte zo hoog, dat hun geschrei opklom tot God in de hemel, en God zag de kinderen Israëls aan, en Hij kende hen. Hij kende hen als Zijn volk, het volk des verbonds, het volk waarmee Hij Zichzelf verbonden had, met de koorden van Zijn eeuwige, vrije,- soevereine liefde. Toen kwam Mozes. Toen kwamen de tien plagen. Toen kwam dat bloed aan de deurpost van het huis, en door een krachtige hand, een machtige arm heeft God Zijn volk uit het Egypte der dienstbaarheid verlost.
Verlost uit Egypte.
Geleid door de woestijn.
Gebracht in het land Kanaan.
Gezegend met tijdelijke en geestelijke zegeningen.
Gered uit de hand hunner vijanden.
Hoe kon het oude bondsvolk daarom zingen:
„Hij schonk ons hulp, Hij redde ons keer op keer.
Hoe menigmaal hebt G' ons Uw gunst getoond,
't Zij G' een fontein deed uit een rots ontspringen,
Of op een hoop, de waat'ren samendringen,
Wanneer de stroom door U werd uitgedroogd.
Hoe betekenisvol wordt daarom ook dat biddend beroep op die naam: zijn Verlosser in tijd van benauwdheid.
Welk een benauwende tijden waren er geweest in het leven van Oud-Israël.
Welk een benauwende tijden zijn er geweest in ons volksleven. Welk een benauwende tijden in het persoonlijk geestelijk leven, in het huiselijk leven, in het bedrijfsleven.
De benauwdheden mijns harten - zegt David - hebben zich wijd uitgestrekt, voer mij uit mijn noden".
Uit hoe menig hart is deze klacht al niet opgeklommen: „Voer mij uit mijn angst en noden".
Kom, sla op deze biddag uw levensboek eens open. Heeft de Heere dan nooit eens dat woord „verlossing" ook in uw levensboek afgeschreven? Lees er niet over heen.
Denk er eens over na.
En wat zegt Paulus dan?
„Die ons uit zo grote nood en dood verlost heeft, op Welke wij hopen dat Hij ons nog verlossen zal".
Zoudt ge dan op deze biddag geen biddend beroep durven doen op die naam: „O Israëls Verwachting, zijn Verlosser in tijd van benauwdheid"? En dan lezen wij in dat woord: Verlosser, de naam van Hem, Die het Zich éénmaal hoorde toeroepen aan de voet, van het kruis: „Anderen heeft Hij verlost, Hij kan Zichzelf niet verlossen".
O, denkt u dat eens in. Hij kon, Hij wilde Zichzelf niet verlossen, omdat Hij Zichzelf had laten binden met de banden van het recht en de liefde Zijns Vaders. Hij kon en Hij wilde Zichzelf niet verlossen, omdat Hij Zijn kerk verlossen wilde van het grootste kwaad, om haar, in de weg van verzoening door voldoening, te brengen tot het hoogste goed.
Hoe gaat deze naam: Verlosser in tijd van benauwdheid, dan tot ons spreken. Dan schittert daarin de liefde des Vaders, de liefde des Zoons, en de liefde des Heiligen Geestes. De liefde kortom van God drieënig, Die het afschrijft in het hart van al Zijn volk: „Ik doe het niet om uwentwil, o mijn volk, maar ik doe het om Mijns groten naams wil, opdat die verheerlijkt worde".
Daarom, al is het dan aan onze kant verbeurd en verzondigd, op deze biddag doen wij een biddend beroep op de Naam des HEEREN: „O, Iraëls Verwachting, zijn Verlosserintijdvan benauwdheid, waarom zoudt Gij zijn als een vreemdeling in het land, en als een reiziger, die slechts inkeert om te vernachten?" Zou de Heere zulk een biddend beroep dan niet willen horen?
Niet willen verhoren? Kom, leggen wij onze smeekbrief dan neer voor Gods genadetroon, en laat het leven in ons hart, wat wij willen zingen, Psalm 79 : 4 en 6:
Gedenk niet meer aan 't kwaad dat wij bedreven,
Onz' euveldaan word' ons uit gunst vergeven;
Waak op, 0 God, en wil van verder lijden,
Ons klein getal door Uwen kracht bevrijden.
Help ons barmhartig HEER'
Uw grote Naam ter eer,
Uw trouw koom' ons te stade,
Verzoen de zware schuld,
Die ons met schrik vervult,
Bewijs ons eens genade.
Zo zullen wij, de schapen Uwer weide,
In eeuwigheid, Uw lof, Uw eer verbreiden,
En zingen van geslachten tot geslachten,
Uw trouw, uw roem en onverwinb're krachten.
Ten slotte gaan wij luisteren naar het antwoord op dit biddend beroep.
Zou de Heere zulk een ootmoedige smeekbrief kunnen afwijzen?
Zijn de voorbeelden dan niet te geven, ook uit uw eigen leven, dat de Heere Zijn Woord vervulde: „Roep Mij aan in de dag der benauwdheid, Ik zal u uithelpen, en gij zult Mij eren"? Maar wat lezen wij nu in het 10e vers?
Wij lezen daar: „Alzo zegt de Heere van dit volk: zij hebben zo lief gehad te zwerven, zij hebben hun voeten niet bedwongen, daarom heeft de Heere geen welgevallen aan hen, nu zal Hij hun ongerechtigheden gedenken, en hun zonden bezoeken". Ja, in het volgende vers lezen wij zelfs: „Wijders zeide de Heere tot mij: Bid niet voor dit volk ten goede". En als Jeremia het bidden dan toch niet kan laten, als Jeremia als vertegenwoordiger van heel dat volk dan gaat uitroepen: „HEERE, wij kennen onze goddeloosheid, en onzer vaderen ongerechtigheid, want wij hebben tegen u gezondigd. Versmaad ons niet, om Uws Naams wil, werp de troon Uwer heerlijkheid niet neder, gedenk, vernietig niet Uw verbond met ons", dan toch lezen wij in Jeremia 15 : 1: „Maar de Heere zeide tot mij: Al stond Mozes en Samuël voor Mijn aangezicht, zo zou toch Mijn ziel tot dit volk niet wezen; drijf ze weg van Mijn aangezicht, en laat ze uitgaan".
Hoe ontroerend. Want nu zien wij hier eenbidder voor het aangezicht des Heeren staan, een bidder in de audiëntie-zaal van Gods genade, die in belijdenis van zonden en schuld een biddend beroep doet op de Naam des HEE REN, en toch..... „drijf ze weg van Mijn aangezicht, en laat ze uitgaan".
Een smekend bidder, een smekend volk, door de Heere afgewezen. „Al stonden Mozes en Samuël voor Mijn aangezicht, zo zou toch Mijn ziel tot dit volk niet wezen".
Mozes en Samuël worden ons in de Schrift getekend als bidders, als vóórbidders.
Hoe heeft Mozes voor zijn volk gebeden, toen het gezondigd had met de aanbidding van dat gouden kalf! De Heere was zó vertoornd over de zonde van dat volk, dat de Heere dreigde dat volk op éénmaal door de vuurgloed van Zijn toorn te verteren. Maar toen kwam Mozes als de voorbidder van zijn volk naar voren: „O Heere, - zo sprak hij - waarom zou Uw toorn ontsteken tegen Uw volk. Keer af van de hittigheid uws toorns, en laat het U over het kwaad Uws volks berouwen".
En wat lezen wij dan?
„Toen berouwde het de Heere over het kwaad, hetwelk Hij gesproken had Zijn volk te zullen doen".
't Biddend smeken van Mozes was niet tevergeefs geweest. Samuël was ook een bidder, een vóórbidder.
Wij zingen daarvan:
Ook was Samuël,
Op Gods hoog bevel,
Biddend voor zijn volk,
Als een hemeltolk.
Maar nu lezen wij het hier weer: „Al stonden Mozes en Samuël voor Mijn aangezicht, zo zou toch Mijn ziel tot dit volk niet uitgaan".
Is alles dan hopeloos? Uitzichtloos?
Heeft ook óns bidden dan wel zin?
Moeten ook wij dan niet belijden: „HEERE, wij kennen onze goddeloosheid, en onzer vaderen ongerechtigheid, want wij hebben tegen U gezondigd".
Moeten ook wij dan niet erkennen: „theere, 't zou rechtvaardig zijn als Ge ook tot ons zoudt zeggen: „Drijf ze weg van Mijn aangezicht en laat ze uitgaan".
Zouden wij onze smeekbrief dan maar intrekken?
Zouden wij de audiëntie-zaal van Gods genade dan maar met lege handen uitgaan?
Niet meer bidden.
De moed maar opgeven?
Een jongen kwam eens tot zijn predikant en sprak: „Nu heb ik al zó lang gebeden, maar ik krijg maar geen verhoring. Heeft het bidden nu wel zin? Zou het wel waar wezen: bidt en ge zult ontvangen?"
Weet ge welke raad de predikant toen gaf?
Deze raad: „'k zou het bidden maar nalaten,'t helpt toch niet". Maar toen sprong die jongen op en sprak: „Maar dominé, ik kan het bidden niet laten. Bidden is mijn leven geworden, de ademtocht van mijn ziel".
Hebben wij zó het bidden geleerd, dan zullen wij ook op deze biddag het bidden niet kunnen laten, ondanks alles.
Die Kananese vrouw bad ook, ze kreeg ook geen antwoord. Maar ze hield vol. Zij riep maar, zij smeekte maar: „O Heere help mij, al ben ik dan een onwaardige, al ben ik dan een heidin, maar de hondekens eten toch ook van de kruimpjes die vallen van de tafel huns heren".
Wat een voorrecht zó te leren bidden, zó vol te houden in het bidden. Jakob riep éénmaal uit: „Heere, ik laat U niet gaan, tenzij dat Gij mij zegent", en zijn naam werd veranderd in Israël.
Daarom trekken wij onze smeekbrief niet in. Laat het biddend beroep op de Naam de Heeren dan bekrachtigd worden met nog een andere naam, en dan denk ik aan het Woord van de apostel: „Kinderkens, indien wij gezondigd hebben, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, namelijk Jezus Christus, de Rechtvaardige".
„Al stond Mozes en Samuël voor Mijn aangezicht, zo zou toch Mijn ziel tot dit volk niet wezen", Ja, dat lezen we hier. Maar nu staat voor Gods aangezicht een Vóórbidder, méér dan Mozes, méér dan Samuël, Jezus Christus, de Rechtvaardige. Grijpen wij dan deze naam aan en roepen wij het uit: „O Heere hoor, O Heere vergeef, O Heere, merk toch op, O Israëls Verwachting, zijn Verlosser in tijd van benauwdheid, waarom zoudt Gij zijn als een vreemdeling in het land, en als een reiziger, die slechts inkeert om te overnachten?"
En wat lezen wij dan in Openbaring 8?
Wij lezen daar: „En er kwam een andere Engel, en stond aan het altaar, hebbende een gouden wierookvat, en Hem werd veel reukwerks gegeven, opdat Hij het met de gebeden aller heiligen zou leggen op het gouden altaar, dat vóór de troon is. En de rook des reukwerks, met de gebeden der heiligen, ging op van de hand des Engels vóór God".
Hier zien wij de grote Vóórbidder in de hemel, biddend pleitend en pleitend biddend voor een schuldig volk. Johannes zag Hem staan bij het gouden wierookvat van Zijn borgverdienste, pleitend op Zijn eigen offer, pleitend op Zijn eigen bloed.
En als deze Vóórbidder zó bidt, zó pleit, zou er dan, ondanks alles geen hoop, geen verwachting wezen? Zegt de Schrift ons dan niet dat de Vader Hem altijd hoort?
Blijven wij dan nog een ogenblik in de audiëntiezaal van Gods genade staan, en wij zien op die naam: Israëls Verwachting, Verlosser in tijd van benauwdheden. Maar zien wij ook die grote Vóórbidder, Wiens naam is: Jezus Christus, de Rechtvaardige. Wij zien op Zijn offer. Wij zien op Zijn werk. Wij zien op Zijn priesterlijk borgtochtelijk bloed, en wij roepen het uit: „Heere, Gij kunt het nooit doen om onzentwil, maar doe het om Uws groten Naams wil, opdat die verheerlijkt worde".
Zo mogen dan ook onze gebeden met de gebeden aller heiligen gelegd worden op het gouden altaar, dat vóór de troon van God is. En de rook des reukwerks moge dan met de gebeden aller heiligen opgaan, van de hand des Engels vóór God. Amen.
Februari 1966