David op de inwijdingsschool
Predikatie over Psalm 30 : 7-9
Door PROF. G. WISSE
Psalm 106: 3
Lezen Psalm 30
Psalm 30: 5
Psalm 30: 1 en 8
Psalm 142: 5
Psalm 30 : 7-9; Ik zeide wel in mijn voorspoed: Ik zal niet wankelen in eeuwigheid.
Want, Heere, Gij hadt mijn berg door Uw goedgunstigheid vastgezet; maar toen Gij Uw aangezicht verborgt, werd ik verschrikt.
Tot U, Heere, riep ik, en ik smeekte tot de Heere.
Het zou feest worden in Jeruzalem! Een geweldig festijn. Davids paleis zou ingewijd worden. En dat niet op de manier, waarop zulke dingen thans meestal plegen te geschieden; met ijdele dansen, wereldse muziek, toneel enz. Neen, met psalmen zou het geschieden. En David had reeds een lied gereed gemaakt: Mijn berg is vastgesteld, ik zal niet wankelen in eeuwigheid.
Hoort ge het goed? Feitelijk een psalm op zichzelf; in zelfverzekerdheid gezongen. Maar dat was niet de psalm, waar God naar verlangde, dit bezingen van eigen voorspoed en glorie; de met zichzelf ingenomen David, en niet de Heere God treedt er in op de voorgrond.
Neen, dit lied moest op het programma worden geschrapt. En daar zou God voor zorgen. Hoe de Heere dit deed, hopen we in de volgende bladzijden te ontvouwen, als we,, naar luid onzer tekstwoorden, tot u spreken willen van David op de inwijdingsschool, waarbij we horen van
I. een zelfverzekerde David buiten God;
II. een verschrikte David door God;
III. een smekende David tot God;
IV. een psalmende David in God.
I
Een zelfverzekerde David buiten God.
„Een lied ter inwijding van Davids huis", zo luidt het opschrift. Dat is iets bijzonders, iets heerlijks. Davids huis! Dat had hij tot - dusver niet gehad, een huis, een vaste, veilige, gezellige woning. Tot nu toe was het merendeels geweest een dakloze David; als een veldhoen op de bergen opgejaagd, vervolgd; zijn leven bedreigd. Het adres(?) van David was: de spelonk van Adullam, waar zich enige tientallen ongelukkigen, zelfs misdadige typen, rondom hem verzameld hadden. En thans?
Al zijn vijanden omgekomen of verdreven. De sterke burcht der Jebusieten ingenomen, om aldaar zijn koningstroon te vestigen. David meester van het terrein geworden en zelfs door buitenlandse vorsten (Hiram van Tyrus b.v.), geëerd, die hem de prachtige ceders zond, om dat paleis schoon en luisterrijk te maken. 0, wat had hij nu op de knieën moeten zinken tot de bede: leid mij niet in verzoeking, houd mij nederig onder U; en bewaar mij voor door de voorspoed misleid te worden tot roekeloze over- moed en zelfverzekerdheid. Want dat gevaar was thans groot. Immers voorspoed is nog geen waarborg; deze kan zo licht veranderen in tegenspoed. En verzekerdheid, ook zelfs verzekerdheid van onze genadestaat, is nog geen grond. ja waarlijk, deze is een grote weldaad, maar als we de punt, om zo te zeggen, op de i zetten, dan is laatste en afdoende grond niet onze verzekerdheid; ze moge al een volzalige vrucht zijn, maar laatste en diepste grond ligt in de drieënige Jehova Zelf, gelijk we straks hopen uiteen te zetten.
Ja, als we in het licht staan, dan lijkt het alles onwankelbaar, maar als de Heere Zijn aangezicht komt te verbergen en het" weer donker wordt, dan zien we ook niet onze „vaste berg". En merkwaardig, ` als we in 't licht staan, menen we, dat het nooit meer donker zal worden; en als we in het donker verkeren, dat het nooit meer licht zal worden.
„Ik zal niet wankelen in eeuwigheid". Maar als de voorspoed eens verandert in tegenspoed. Als straks David het paleis ontvlieden zal, verjaagd door zijn eigen zoon Absalom. En als het niet wankelen -eens op de proef wordt gesteld. Als straks vanaf het prachtdak van dit paleis Davids blik over zijn tuinen weidt, en Bathseba een lokaas wordt — wat blijft er dan over van dat „niet wankelen in eeuwigheid"?
Neen David, ge moet op een andere manier leren psalmen. In wondere wegen. En daar horen we van:
II.
Een verschrikte David door God.
„Maar toen Gij ...."
Toen. God zette deze geschiedenis voort. Ik.... Gij. Maar toen Gij...
Ik zal niet wankelen; Gij verbergdet Uw aangezicht. Dat was een nieuwe bladzijde, ditmaal door God beschreven. Als de Heere het licht over Zijn werk eens inhoudt, dan komt uit van welke waarde onze zelfverzekerdheid is. Hoe deed God dat?
Kennelijk blijkt uit deze psalm, dat de Heere David op het ziekbed had neergeworpen. En dat was een aangezichtsverberging. En was het uit met de stoutmoedige zelfverzekerdheid. Daar worden ze een ogenblik als van elkaar afgenomen: David van zijn huis, en het huis van de eigenaar David.
ja, zo is de weg des Heeren in den regel. Opdat we zo'n ,,huis" zullen leren bezitten, als uit God en Diens genade alleen, neemt de Heere ons wel eens standelijk het bezit af, opdat we zullen leren, bij hersteld bezit, dat het enkel vrije genade was, dat ons paleis verrees.... En dan eerst kan de ware lofpsalm geboren worden.
Daar lag de onwankelbare berg. Het huis zonder David. En David zonder het huis.
Het gaat van mond tot mond door de stad: het feest gaat niet door; de koning ligt dodelijk krank.
David, ge kunt uw zelfgemaakte psalm opbergen. Morgen gaan de rouwklagers door de straten. En wat heb ik nu aan mijn God? En wat nu te denken van mijzelf?
Is het wonder, dat David vermeldt: „toen Gij Uw aangezicht verborgt, werd ik verschrikt"?
Want de berg wankelde, want de zelfverzekerdheid week. Het woord ,,verschrikt" kan ook vertaald worden als ,,verbijsterd". Hij was het spoor kwijt geraakt. Zijn zinnen werden er onder verward.
't Was zó donker geworden, dat hij het onderscheidingsvermogen niet meer voelde functioneren. Als ge mij toestaat in vlakke uitdrukking te vertolken wat hier plaats vond, dan zou ik kunnen zeggen: „hij was geestelijk de kluts kwijt geraakt".
Wat heb ik nu van God, èn wat van mezelf te denken?
Ja, want het allerergste was hier nog niet eens, dat hij zijn huis niet meer zou betreden; maar nog wat anders. Iets wat al Gods volk in zulke dagen komt te benauwen, namelijk: en wat moet ik nu denken van Gods toezeggingen?
Zó opgejaagd en ten dode toe vervolgd, al die tijd, en dan eindelijk al de vijanden ten onder gekomen; en dan nu in het gezicht van de haven toch nog te zullen stranden. Dit wordt een lijdenssmart der ziel, erger, veel erger dan het verliezen van het paleis. Na zo vele jaren van omzwerving, en dan eindelijk er bovenop gekomen, en dan ten slotte, als ik de top van mijn berg mag bereiken, toch nog in de afgrond neer te storten!
Waar is uw God? Wat hebt ge nu aan uw geloof? Wat zullen de zich schuil houdende vijanden nu wel zeggen?
En toch, o David, en toch is deze toestand beter, meer van heiligende betekenis dan het: „ik zal niet wankelen in eeuwigheid". Want hier op deze plaats wordt er een vernederde David geboren, één van die ellendigen, die hier het smeken uit de diepte leren. Tenslotte onuitsprekelijk verkieselijker dan die toestand van stoutmoedige en hoogmoedige zelfverzekerdheid.
Hoor, daar klinkt uit deze diepte een andere toon op dan daar straks. Hier vinden we, in plaats van een psalm op zichzelf makende David,
III.
een smekende David tot God.
„Ik riep tot de Heere; ik smeekte tot de Heere", zo vermeldt hij. Hij is van de hoogte zijns bergs afgekomen naar de vallei der verootmoediging; en naar die plaats in de laagte vloeit altijd de dauw van Hermon neder; daar ontluiken de voorjaarsbloesems.
David legt zijn ganse hart hier open. „Ik riep; ik smeekte". Dus een verdiepte verootmoediging.
„Ik riep". Dit getuigt van een nood, die ons waarlijk nood is geworden. Roepen onderstelt, dat men de nood zó voelt, dat men zichzelf er niet meer kan uitredden; dat er van buiten af hulp moet komen; dat een ander ons te hulp moet snellen.
Wat een zalige bevinding, als men die grote „Ander" van node krijgt. Want dat is Hij, Die de oren neigt tot hun geroep. Dat roepen klimt tot smeken. Het verinnerlijkte roepen. Het aanhouden als er niet dadelijk hulp verschijnt. Zulk smeken vertolkt het besef van afhankelijkheid, van onwaardigheid tevens; in het smeken verklaart de ziel, dat de Heere haar kan laten liggen in haar nood, maar dat dit voor haar onuitstaanbare smart zou zijn. Ach Heere, zo beluisteren wij er in, hoor toch naar de stem mijner smeking, want ik kan het niet meer uithouden zonder U; Gij moet komen of ik sterf.
De Heere laat het roepen tot deze innigheid van smeken komen, opdat in die weg de bedding der ziel dieper worde uitgegraven, en het levende water van de bedieningen en vertroostingen des Heiligen Geestes te levensvoller haar overvloeien zullen.
Roepen, hetwelk smeken wordt, is het aanhouden des gelooft. In zulk smeken vertolkt zich de activiteit der ziel, welke we geloof noemen. Een smekeling is één, die werkzaam is in den gelove. Hij zou niet smeken, dat is aanhouden, als hij niet in de diepte zijner ziel op God vertrouwde. Hij zou zo niet aanhouden, als hij niet leefde in de verwachting, dat God zou horen. In zulk smeken geeft hij getuigenis, dat hij meer geloof bezit en beoefent, dan hij van zichzelf wel geloven durft. Hier ligt op de knieën de krijgsheld, die ook een geloofsheld is. 1
Nadrukkelijk luidt het: ,,Ik riep, ik smeekte tot de Heere, tot Jehova. De eigenlijke Wezensnaam Gods, de Verbondsnaam tevens.
Jehova, dat wil zeggen: de Zijnde. De Zijnde, in onderscheiding en te midden van al het wordende en verwordende. De God, Die Zichzelf door Zichzelf is, en Die Zich kan openbaren. De God, Die ingaat in de historie, bijzonder de historie des heils; de God der bijzondere openbaring. De God, Die als de absolute Zijnde, onbeweeglijk, onveranderlijk en getrouw is. De God, in Wie alle beloften daarom ja en amen zijn. Want achter alle beloften staat de Belover; vanwege Hem zijn de beloften onberouwelijk, omdat God waarachtig is. Jehova, „Ik zal zijn, Die Ik zijn zal"; dat wil zeggen: een ganse geschiedenis des heils van eeuwigheid tot eeuwigheid eerst is in staat te openbaren wie en wat God is; en dat voor zulke roepers en smekelingen als hier een David ligt.
Hier, in deze dierbare Jehova, ligt de laatste en diepste en onwankelbare grond van alle ware verzekerdheid „Ik zal niet wankelen in eeuwigheid", dat is heerlijk waar; mits het geloof verwaardigd wordt zich aan deze Jehova vast te klemmen.
In deze weg kwam de uitkomst, Davids krankheid week; zijn paleis bleef niet ledig. Nu wordt het toch feest in Jeruzalem, maar nu niet meer vanwege Davids voorspoed en zelfverzekerdheid; nu niet meer met een door David gemaakt (ik zeide) lied, maar met een psalm, die geboren was uit de bediening des Geestes. Nu niet meer in zelfbespiegeling en zelfbehaging: „ik zeide", maar nu met een psalm, waar God naar luisteren zou:
Ik zal met hart en mond, o Heer',
Uw Naam verhogen en Uw eer,
want:
Gij hebt mijn weeklacht en geschrei
Veranderd in een blijde rei.
En dan zingen we gaarne mede door aan te heffen Psalm 30: 1 en 8:
Ik zal met hart en mond, o Heer',
Uw Naam verhogen ' en Uw eer,
Dewijl Gij mij Uw bijstand boodt,
Mij optrokt uit de diepste nood;
Zodat de vijand, in mijn lijden,
Zich over mij niet mocht verblijden.
Gij hebt mijn weeklacht en geschrei
Veranderd in een blijde rei;
Mijn zak ontbonden, en mij weer
Met vreugd omgord, opdat mijn eer
Niet zwijg'; zo klimt uw lof naar boven:
Mijn God, U zal ik eeuwig loven.
En zo werd het
IV.
Een psalmende David in God.
Rechte psalmen worden niet gemaakt, maar worden geboren uit de bevinding van wat God voor Zijn volk is.
Dan wordt dat: „ik zeide" veranderd in het: „Heere, mijn God, in eeuwigheid zal ik U loven".
„Heere, mijn God". Let op dat „mijn". Dat wil hier zeggen, dat datgene, wat de Heere is, nu door hem heengegaan is, Dan blijft het niet bij een dorre bespiegeling, om een soort dogmatiek samen te stellen; maar dan gaat de Heilige Geest op de zielesnaren tokkelen, zodat er psalmen geboren worden.
Psalmen, waarin God de echo van Zijn eigen stem beluistert. Maar maak dit „in eeuwigheid zal ik U loven" niet los van dat roepen en smeken. Want zonder dit eerst te leren kennen, is het andere, het loven, namaak. Maar als dat roepen en smeken gekend wordt, zal het andere zeker geboren worden. En als dan uw lofstem opklinkt, dan zult ge de Heere hartelijk verheerlijken, ook omdat Hij u dit zingen geleerd heeft in de weg van smeking en geween. Ge zoudt anders waarlijk niet weten waarover en hoe ge die God zult prijzen.
Eerst moeten we als buiten ons paleis gezet worden, zullen we bij het intrek nemen recht en grondig eindigen in een: „Heere, Gij hebt het gedaan".
Toepassing.
Dergelijke prediking is o.i. broodnodig in onze: dagen, niet in de eerste plaats voor de rasechte godloochenaars c.s. - aan hen hebben we een andere boodschap - maar ze is nodig voor zo vele kerkmensen in onze dagen, die de ontgronding niet kennen en toch mee aanheffen: „U prijs ik in der eeuwigheid", zonder ook maar iets van het roepen en smeken te kennen. Zichzelf zalig spreken, zonder iets van dat smeken te hebben geleerd; die mogelijk nog wel vrees voor dood en oordeel, voor verloren gaan hebben, maar die zichzelf op de been houden met een zalig worden zonder rampzaligheid te kennen. Ach, wat zullen ze bedrogen uitkomen. Ze betonen menigmaal hier al, dat ze meer geschikt voor de hel zijn dan voor de hemel, aangezien ze zichzelf aanzien voor hemelzangers, en nooit in de binnenkamers van David zijn geweest. Soms komt de blakende vijandschap tegen die ouderwetse gang van zalig worden, met een bevinding niet alleen van ontdekking, maar ook van ontgronding, klaar aan de dag. Dan heet het al spoedig: antiek gezeur. Antiek gezeur! Wat zou deze dichter van Psalm 30 van zo iets wel gezegd hebben? Hij kon wel eens hebben geantwoord: gelijkt op de kunstmaan, op de nieuwerwetse kwakzalvers op godsdienstig gebied. Houdt u maar bij dat antieke van al die kinderen Gods in de Bijbel, die nooit tot het psalmen in God kwamen, dan in de weg van roepen en smeken. „Gewogen maar te licht bevonden", dat zal vreselijk zijn; „gewogen maar te zwaar bevonden", daarvan lees ik nergens.
En laat de openbare werelddienaar u dan maar honen en vervolgen, en laat het „jolige" christendom u dan maar uitlachen, de Heere betoont Zijn welbehagen aan hen, die nederig naar Hem vragen. Hier is een troost: bij een verheven hart woont de Heere niet; maar Hij is dicht bij een ziel, die nederig voor Hem knielt. O, dat in de laagte verkeren, in tranen en roepen, daar vindt ge de Heere, omdat de Heere daar u zoekt en tot u komt. De schatten en weldaden in Christus worden aldaar door de Heilige Geest uitgereikt en in het geloof omhelsd. Zo een roepen en smeken, zo een ontdekte en ontgronde, is een uitnemend geschikt voorwerp voor de Heere Jezus. Houd : moed, wenende ziel, de Heere is nabij de ziel, die tot Hem''"vlucht. En bijaldien Hij soms vertoeft, Hij zal gewisselijk komen.
Hier vinden we ook een kenmerk. Als ze tienmaal riepen en het leek alsof er geen gehoor was, ze komen ten elfden male terug. Zij schreien zich liever blind, dan zich op een valse grond te laten troosten. Zingen willen ze, zingen zullen ze, maar alleen als 'de Heere Zelf hun dat zingen hebben geleerd. Maar dan mag het ook zingen heten. Dan zal het zijn „een lied ter inwijding van Davids huis".
En beleef dan deze genade, onder veel inroepen van de bediening des Heiligen Geestes, in de vreze Gods, getuigend, alle zelfverheffing voortaan bestrijdend; om ,God en Zijn eer ga het dan alles.
Tenslotte, niet als een bagatellisering van onze bondsbreuken, maar tot eeuwige roem van het verbond van die Jehova, horen we wat in dat huis van David op het sterfbed weerklonk. Helaas, we maken het telkens weer zo onklaar; we staan telkens weer schuldig in onze bondsbreuken; maar dan blijft dat ver
bond en die Jehova onze laatste en enige grond, onze eeuwige verwachting.
Bij het sterfbed van David horen we het lied der hope tóch: „Hoewel mijn huis alzo niet is bij God, nochtans heeft Hij mij een eeuwig verbond gesteld, dat wel geordineerd en bewaard is; voorzeker is daarin al mijn heil en alle lust", 2 Samuël 23 : 5. En gaat hij door die poort het paleis in het Jeruzalem daarboven binnen. Dat paleis, waarvan de balken niet afkomstig zijn van de ceders van de Libanon, maar bloedbalken zijn van het kruis van Golgotha.
Het smeken hier was tijdelijk, het psalmen daar zal eeuwig zijn. Amen.
November 1957