Psalm 89:20a 'Ik heb hulp besteld bij een Held', ds. C. Smits

DE HELD DER HULP

Adventspredikatie over Psalm 89 : 20a

Door Ds. C. SMITS

Lezen Wet des Heeren
2 Samuël 7 : 1-17
Psalm 70:3
Psalm 45 : 2 en 4
Psalm 89 : 9 Psalm 132 : 12

Tekst Psalm 89 : 20a: Toen hebt Gij in een gezicht gesproken van Uw Heilige, en gezegd: Ik heb hulp besteld bij een Held.

Teleurstelling!
Dit woord staat, na de donkere paradijsnacht, geschreven boven het levenspad van een iegelijk onzer. Wat al idealen, die nooit verwerkelijkt, wat al verwachtingen, die nooit verwezenlijkt worden. Ja, teleurstelling zal het einde zijn voor de mens, die als voorwerp zijner verwachtingen geen hoger goed kent dan de aarde en al wat van de aarde is.
Doch Code zij lof, er is een volk op aarde, welks verwachting hoger klimt dan de aarde en wat die aarde geeft. Paulus zegt: „Onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten". De Zaligmaker, dat is Christus Jezus. Voorwaar, indien Deze niet in de wereld ware gekomen, het ganse aardrijk ware één pessimisme. Geen moed om te leven, geen hoop in het sterven, geen vrede bij God zou er kunnen bestaan. Doch nu dalen deze voor de arme zondaar zo heerlijke en noodzakelijke vruchten af van Hem, Die de Verwachting is van al Zijn volk.
En dat verwachten nu, dat hopend verlangen, is een reine vrucht van de Heilige Geest. Ja, dat verwachten is het kenmerk van het overblijfsel naar de verkiezing der genade, en die verwachting wordt nooit beschaamd. Want in het uitzien naar de Heere en dat zeggen: „Heere, ik hoop op Uw Woord", in dat verwachten aanschouwt de Heere de vruchten van Zijn eigen werk en vervult Hij de belofte van Psalm 65: „En hebbende het land begerig gemaakt, verrijkt Hij het grotelijks". Immers, de Hoop der vaderen, het Voorwerp dier verwachting, heeft God neergelegd in Bethlehems kribbe.
Bethlehem toch is het antwoord op het vragen der wenende aarde: „Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt". Welnu, de herdenking van dit gezegende heilsfeit wenkt ons in de verte. De dagen worden al korter en donkerder, het wijst ons op de vergankelijkheid van dit aardse leven en de snel heenvliedende tijd. Doch Bethlehems kribbe staat bij het graf van het wegstervende jaar. Het predikt ons: „Doch Gij, Heere, blijft in eeuwigheid, en Uw gedachtenis is van geslacht tot geslacht".
Donker is het in de wereld der volkeren, donker in de kerk, donker ook in zo menig hart van Gods volk. Ja, „duisternis zal de aarde bedekken en donkerheid de volken", doch Bethlehem predikt: „Doch over u zal het Licht opgaan, en Zijn heerlijkheid zal over u gezien worden'„ ja, dit is het Licht, „hetwelk verlicht een iegelijk mens, komende in de wereld". Wij zijn thans de vier weken ingetreden, die reeds vanaf de zesde eeuw door de kerk als zovele adventsweken worden beschouwd. Advent, het wil zeggen: Hij komt. Ja Hij komt, Hij is gekomen en Hij komt altijd door in de Geest tot degenen, die Hem verwachten tot zaligheid.
Luisteren wij thans naar hetgeen de grijze Ethan in ons tekstwoord daarvan zegt.
Psalm 89 is een psalm van Ethan. Ethan was één van de drie opperzangmeesters, die David aangesteld had om de Levietische zangers te begeleiden in de tempel.
Psalm 88 en 89 zijn beide klaagzangen. Al gelijkt het eerste gedeelte uit Psalm 89 een lofpsalm, toch geeft het laatste gedeelte van deze psalm duidelijk blijk van zware en bange tijden, die Ethan in deze psalm klagen doen, gelijk we dat van Heman horen in Psalm 88. Hoewel veel op elkander gelijkend, toch is er aanmerkelijk onderscheid tussen beiden.
Heman toch stort zijn klachten uit vanwege persoonlijke bangheid en lijden. Ethan over de zware rampen, waaronder zijn volk gebukt gaat. Bij Heman horen we de klachten van zijn fel bestreden ziel. Bij Ethan gaat aan zijn klachten een welverzekerd vertrouwen en een pleiten op de goedertierenheid des Heeren aan het huis van David vooraf.
Wat de historische aanleiding van deze psalm, die evenals Psalm 88 van Heman een onderwijzing wordt genoemd, plaatsen we die onder de regering van Rehabeam. Toen toch was na Salomo's vredevolle regering een tijdperk van diep verval aangebroken. Juda en Efraim waren vaneen gescheiden. Rehabeam regeerde over Juda. Hoe smadelijk waren Davids glorie en Salomo's heerlijkheid vervallen. In plaats dat de scepter te Jeruzalem zich krachtig liet gelden buiten Kanaans grenzen, werd Juda benauwd door andere volken. Sisak, de koning van Egypte, toog met een machtig leger op tegen Rehabeam, hij nam al de vaste steden van Juda in en kwam tot aan Jeruzalem. En hij trok alleen af tot de prijs van al de schatten van het huis des Heeren en van het huis des konings. Nadat nu de dichter de heerlijkheid van Davids troon bezongen heeft, gaat hij in het laatste gedeelte van deze psalm beschrijven het diep verval van Davids huis, dat hij in zijn grijze dagen nog heeft moeten aanschouwen, alsmede het kwade, dat de Heere om Rehabeams zonde over het koninkrijk van David en over Jeruzalem bracht.
Vóór hij echter die weeklage aanheft, spreekt hij eerst van de vastheid van Davids troon. Dat is zijn troost temidden van de oordelen. Want die troon zal eeuwig staan.
Maar eeuwig bloeit de gloriekroon
op 't hoofd van Davids grote Zoon.
Van die vastheid getuigt dan ook de dichter in profetisch perspektief, ziende op de komst van de Messias, met een terugblik op de belofte van eeuwige vastheid van Davids troon, aan deze gezworen.
We willen spreken over de hulp, besteld bij een Held.
I. Door Wie zij besteld is;
II. bij Wie zij besteld is;
III. voor wie zij besteld is.
I.
„Toen hebt Gij in een gezicht gesproken van Uw Heilige". Met deze woorden toch voert de dichter ongetwijfeld Jehova Zelf sprekende in. Voorzeker geen kleine zaak. Hij, Die hier gesproken heeft, is Jehova. Op vele andere plaatsen in de Heilige Schrift wordt van dit spreken Gods gewag gemaakt. Voordat er het geschreven Woord van God was, sprak God door dromen, gezichten en door mondelinge aanspraak tot de vaderen. Welk een nederbuigende goedheid, dat God tot een mens spreekt. Dat mensen tot mensen spreken, is heel eenvoudig, maar dat de Hoge en de Verhevene, de Schepper van de einden der aarde, Die de aarde hangt aan een niet, Wiens Naam heilig is, voor Wie de hemelen niet volmaakt zijn, in Wiens ogen de sterren niet zuiver zijn, dat deze majesteitelijke God Zich verwaardigt tot het maaksel Zijner handen te spreken, is iets verhevens. Ja, dat is het grootste wat de mens te beurt kan vallen. Dat God tot hem spreekt.
Groot is het voorzeker, dat wij tot God mogen spreken, waar God zegt: „Stort uw hart uit voor Mijn aangezicht". „Roep Mij aan in de dag der benauwdheid". Maar nog groter is het als de Heere tot ons spreekt. Maar ook, welk een machtige gedachte, dat die hoge God spreekt tot de mens. Hij heeft gesproken tot Israël bij de wetgeving op Sinai. En over dit spreken Gods was Israël zó vervuld met vrees en beving, dat het volk zeide: „Dat Mozes toch tot ons spreke, doch dat niet meer de Heere tot ons spreke".
Doch hoe heilrijk is ook dat spreken Gods. Welk een belofte heeft de Heere gesproken reeds bij de aanvang. Na de val richt God Zich tot de diep gevallen mens met een rijke belofte van de komst van de Messias.
God spreekt op velerlei wijze. Hij spreekt in het rijk der natuur. De stem des Heeren is met macht en majesteit. Hij spreekt in de genade. Zo sprak Hij dan ook eenmaal in een gezicht tot Zijn Heilige. En dat op een troostvolle wijze. Want de berijming spreekt van „een gezicht, dat zoveel troost bevat". Het gezicht nu, waarvan de grijze Ethan hier spreekt, is hetgeen wij lezen in 2 Samuël 7. Daar toch heeft de Heere tot de profeet Nathan gesproken van al het goede, dat Hij over Davids huis brengen zou. Zó indrukwekkend was voor David deze boodschap, die de profeet tot Hem bracht, dat hij, ziende op eigen kleinheid, en anderzijds op de rijkdom van Gods goedertierenheid, die Hij over zijn huis brengen zou, in aanbidding voor de Heere beleed: „Wie ben ik en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt?"
Maar dat niet alleen. David ziet ook verder, want die belofte houdt meer in. „Want, - zegt hij - Gij hebt ook over het huis Uws knechts gesproken tot van verre heen". En dat nu hield in Gods welverzekerde belofte van de Messias, Die uit zijn lendenen zou voortkomen en in eeuwigheid zou zitten op zijn troon. Want de God Israëls had gezegd, de Rotssteen Israëls had tot Hem gesproken: „Er zal zijn een Heerser over de mensen, een Rechtvaardige, een Heerser in de vreze Gods". En daarom, in dit gezicht, dat zoveel troost bevat, wordt zeer zeker gesproken over David, die, klein en gering, van achter de schapen was verkoren tot een voorganger over Gods volk. Over de heerlijkheid van Davids rijk, nadat de Heere hem rust gegeven had van al zijn vijanden. Maar al deze heilsbeloften vinden hun vervulling in Hem, Die de Ja en de Amen is van al de beloften Gods, Christus Jezus, Die op de troon van David zou zitten. En van Deze geldt het: „In Zijn dagen zal Juda verlost worden en Israël zeker wonen; en dit zal Zijn Naam zijn, waarmede men Hem zal noemen: De Heere, onze Gerechtigheid" (Jer. 23 : 6).
David was een held. Maar David was slechts een type, het beeld van die grote Godsheld, Die machtig is om te verlossen. Van die Heilige, die Afgezonderde, die Verkorene spreekt hier dit gezicht. Van Hem sprak de engel tot Maria: „Dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden".
En van Hem heeft God gezegd: „Ik heb hulp besteld bij een Held".
Welk een heerlijk Persoon, Die deze hulp besteld heeft. Hij wordt genoemd een groot Koning, boven alle goden. Hij had Zijn heerschappij en macht kunnen betonen tot de ternederwerping van Adams ganse geslacht. Had Hij die macht volvoerd, zo had Hij de schenders van Zijn wet, de brekers van Zijn verbond als in een ogenblik verteerd door de adem van zijn lippen. Hij had de aarde zich kunnen openen om een helwaardig volk met Korach, Dathan en Abiram ter helle te doen varen. Dan nog hadden de engelen gezongen: „De Heere is recht in al Zijn weg en werk". Doch neen - Zijn Naam zij eeuwig geprezen - genade woonde in Zijn hart jegens de doemschuldige zondaar. Al de bewegingen van Gods barmhartigheid gingen uit tot een in de dood liggend schepsel. Doch hoe die te verlossen? Want Zijn troon steunt op recht en gerechtigheid; Zijn heilig recht kwam hier tegenop, eiste de dood van zulk een volk. Maar hier openbaart God het eeuwig wonder van dat onnagaanbare verlossingsplan, waarvan Paulus zingt: „O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen. Want wie heeft de zin des Heeren
gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest? Of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem wedervergolden worden? Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen" (Rom. 11 : 33-36). Want waar geen andere weg mogelijk was om zulk een diep gevallen zondaarsvolk met Zichzelf te verzoenen, daar heeft Hij een weg ontsloten uit Zijn eigen Wezen. Een weg, waar geen weg was. Wie is Hij, Die met Zijn hart borg zou kunnen worden? Zo heeft Hij een raadslag aangegaan met de Man, Die Zijn Metgezel was. Zo heeft Hij bij die Man, bij die sterke Held, hulp besteld.
Het aanbiddelijke verlossingsplan toch is van God de Vader uitgegaan. Het is niet zoals het in sommige kringen wel eens wordt voorgesteld, alsof God de Vader onbarmhartig en onbewogen is, en dat nu Jezus met liefde tot de zondaar komt. Neen toch, God is in Zichzelf bewogen geweest. Dat is ook de troost voor Gods volk. Het kan zo vaak zijn dat we ongoedertieren en harde gedachten van God koesteren. Maar de genade gaat van God de Vader uit. Niet van de Heere Jezus. Van Hem heeft de Vader gesproken in een gezicht: „Ik heb hulp besteld bij een held; Ik heb een Verkorene uit het volk verhoogd". Hij is die sterke Held, door God verkoren om Sion in de weg van recht en gerechtigheid te verlossen en om al de deugden Gods op te luisteren in het behoud van een zondaar. Wat machtig Held mag dat wel zijn! Daarom ook, om Zijn grootheid en heerlijkheid voor te stellen, opdat het vaak kwijnend en zuchtend Sion van de oude dag daar de troost van zou ontvangen, zo heeft God de rijkdommen van Zijn troostbelofte meegedeeld aan Zijn Sion. Hij heeft Hem laten voorafschaduwen door typen en symbolen. Van Hem hebben de profeten gesproken, de dichters gezongen, totdat de volheid des tijds aanbrak en de Held der hulp geboren werd in Bethlehems stal. Wat een onbegrijpelijk wonder! God de Heere trok Zich dezulken aan, met wie geen oog medelijden had, en verheerlijkt Zich in een wonderweg van heil over een diep gevallen mensengeslacht. In welke verlossingsweg; in welk mysterie de engelen begerig waren om in te zien. Alzo zijn alle dingen uit God, en Israël wordt verlost door de Heere met een eeuwige verlossing.
II.
Bij Wie heeft de Heere hulp besteld? Wie is die Held, bij Wie hulp besteld is? Is David het?
Gewis, David was een dapper held. Als jongeling versloeg hij een leeuw en een beer. Hij streed in de mogendheid des Heeren met Goliath. Van hem zongen de vrouwen in de reien: „Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden !" Wat een weldaad voor Israël, zulk een koning te hebben. Hij streed de oorlogen des Heeren, maakte Israël groot, deed de volkeren rondom door zijn scepter beven. David was een uitverkoren held, bij wie Israëls God hulp besteld had om Zijn volk te verlossen en te richten. Maar om een eeuwig Koninkrijk op te richten, om de helse Goliath te verslaan, om de helse leeuw te bestrijden, om de oude draak de kop te vermorzelen, om de werken des duivels te verbreken, daar was een andere Held voor nodig. Hiertoe was niemand minder in staat dan de eeuwig gezegende Zoon Gods, Die Zich vrijwillig daartoe geschonken heeft.
Hij is die Held der hulp, Die Zich in de stilte der eeuwigheid gegeven heeft, en op de vraag des Vaders: „Wie is Hij, Die met Zijn hart borg zal worden?" heeft Hij geantwoord: „Ik zal Borg voor hen zijn". Toen heeft Hij vrijwillig op Zich genomen om een diep gevallen Adamsgeslacht, liggende onder de eis van een beledigde en geschonden wet, te verlossen.
Om aan de gerechtigheid Gods genoeg te doen, om Zijn volk vrij te kopen uit de banden der slavernij, daartoe is Hij ook geboren in de tijd. Daartoe is Hij geworden onder de wet, geboren uit een vrouw. Hij heeft alle gerechtigheid vervuld en is in onze armoede afgedaald. Hij was een Man van smarten en verzocht in krankheid. Hij heeft al de gevolgen onzer zonden gedragen. Hij was een Held in Zijn leven, maar ook een Held in Zijn dood. Simson was een held, maar hier is een Held, waarbij alle helden in het niet wegvallen. Simson heeft de zware pilaren van Dagons tempel verbroken, maar deze Held heeft door Zijn lijden en sterven de gevangenisdeuren van de helse kerker verbroken en de poorten des doods verslonden. Hij heeft het ganse rantsoen betaald. „De straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem". Hij heeft de ganse last van zonde en plagen gedragen op het hout. Daar heeft Hij de slagen van een beledigde en geschonden wet ontvangen. Daar is de toom Gods, die tegen de zonde brandt, als een eeuwige gloed op Hem aangekomen en heeft Hem verbrijzeld Ja, wat zeg ik? Verbrijzeld? Neen, Hij heeft de dood verslonden tot overwinning. Hij heeft de machtige Zijn vang ontnomen, omdat de Goddelijke natuur de menselijke natuur in het door-dragen van Gods oneindige toom heeft ondersteund, en Hij heeft alzo een eeuwige waardij aan Zijn verlossing teweeggebracht. Want als Hij de strijd gestreden en het leed geleden heeft, zo treedt Hij, de oude Leeuw uit Juda's stam, uit het worstelstrijdperk en schudt triomfantelijk Zijn manen. Hij voert Zijn kerk mede op op Zijn middelaarsarmen, zodat de kerk er van zingt:
Gij voert ten hemel op, vol eer;
de kerker werd Uw buit, o Heer';
Gij zaagt Uw strijd bekronen
met gaven, tot der mensen troost,
opdat zelfs 't wederhorig kroost
altijd bij U zou wonen.
Zo ook ziet Hem Jesaja en hij roept verwonderd uit: „Wie is Deze, Die van Edom komt met besprenkelde klederen, van Bozra? Deze, Die versierd is in Zijn gewaad, Die voorttrekt in Zijn grote kracht? Ik ben het, Die in gerechtigheden spreek, Die machtig ben te verlossen. Waarom zijt Gij rood aan Uw gewaad, en Uw klederen als van één, die de wijnpers treedt? Ik heb de pers alleen getreden, en er was niemand van de volken met Mij; en Ik heb hen getreden in Mijn toom, en heb hen vertrapt in Mijn grimmigheid; en hun kracht is gesprengd op Mijn klederen, en al Mijn gewaad heb Ik bezoedeld. Want de dag der wraak was in Mijn hart, en het jaar Mijner verlosten was gekomen. En Ik zag toe, en er was niemand, die hielp; en Ik ontzette Mij, en er was niemand, die ondersteunde; daarom heeft Mijn arm Mij heil beschikt, en Mijn grimmigheid heeft Mij ondersteund; en Ik heb de volken vertreden in Mijn toom, en Ik heb hen dronken gemaakt in Mijn grimmigheid; en Ik heb hun kracht ter aarde doen nederdalen".
Zijn verzoeningsstrijd toch heeft Hem Zijn eigen hartebloed gekost. Maar het zijn tevens de tekenen Zijner majesteit, want in die machtige handen, die eens doorboord werden, rust nu de scepter Zijns Koninkrijks. Dat hoofd, dat eens met doornen gekroond was, is nu gekroond met majesteit en heerlijkheid. Ja, Held der hulp is Hij, zoveel meerder dan David. Hij is Davids Heere en Koning. Op. grond van Zijn eigen zoendood heeft Hij macht en recht om deelgenoot te maken van het door Hem verworven heil.
Held der hulp is Hij voor allen, die in banden en boeien verkeren. Geen macht ter wereld doet Hem bezwijken. Niets staat Hem in de weg om Zijn scepter te zwaaien van zee tot zee, en van de rivieren tot aan de einden der aarde. Held der hulp is Hij om het Koninkrijk der genade te bevestigen en Zijn onderdanen toe te brengen, ten spijt van satan en allen, die Sion gram zijn. Daartoe is Hem gegeven alle macht in hemel en op aarde. Want Hij draagt op Zijn kleed en dijen deze naam: Koning der koningen en Heere der heren. Wel moeten wij uitroepen: Hoe moet toch al Gods volk zich in zulk een Held der hulp verlustigen!
Doch Zijn heerlijkheid komt nog meer openbaar als wij u bepalen bij onze derde gedachte:
III.
voor wie die hulp besteld is.
De tijd waarin koning David de regering in handen kreeg, was een zeer droeve tijd. Tragisch was het einde geweest van koning Saul en zijn zonen. Kommervol was het volk van Israël achtergebleven. Maar de Heere, aan Zijn verbond gedachtig zijnde, gaf hun in David een held der hulp om Israël van zijn vijanden te bevrijden en om de gevallen staat weer te herstellen. Maar gelijk nu David het beeld was van Hem, Die uit zijn lendenen is voortgekomen, zo ook is het vervallen volk van Israël het beeld van het ellendige volk, dat God van eeuwigheid heeft aanschouwd; voor wie Hij hulp besteld heeft bij die grote Godsheld.
Van nature toch is het een diep ellendig volk. Hoe diep zijn zij gevallen. Hoe droevig is hun staat. Hoe jammervol hun toestand, waar zij de Springader der levende wateren missen en zichzelf bakken uithouwen, gebroken bakken, die geen water bevatten. Dies zijn ze door hun vrije en moedwillige afval van God in een jammerpoel van ellende neergezonken. Aan allerhande ellende, ja aan de verdoemenis zelf zijn zij onderworpen. Het zijn dezulken, die alle gerechtigheid missen om voor God te bestaan. Tegen alle geboden Gods hebben zij zwaarlijk gezondigd. In zichzelf hebben zij geen enkele macht of vermogen om zich uit die diepgevallen staat op te heffen. Geen enkele penning hebben zij om die hemelhoge schuld te voldoen.
Daarbij zijn zij gevangenen van de vorst der duisternis, die als een sterk gewapende zijn hof bewaakt. Zij zijn gekomen onder het geweld des doods, gebonden in ketenen der zonde, in banden van ongerechtigheid. En gelijk nu David verkoren werd om het oude bondsvolk uit zijn jammer en ellende, waarin het door Saul gebracht was, te verlossen, zo is die grote Davidszoon verkoren om de werken van de helse Saul te verbreken en het volk, dat in banden verkeert, te verlossen. Maar welk een verschil komt hier ook aan de dag tussen David en zijn grote Zoon. David toch, de zoon van Isai, werd geroepen van achter de schaapskudde. Maar die meerdere David heeft vrijwillig afstand gedaan van Zijn ongeschapen heerlijkheid. Hij heeft kroon en troon verlaten om te wonen onder duisterlingen en doemelingen. Welk een wonder van aanbiddelijke ontferming! Hij komt de ellendige in zijn ellende vrij te maken, de dode het leven te geven. Hij Zelf gaat staan in de plaats waar zij moesten staan, opdat de strafeisende gerechtigheid Gods, aan Hem voltrokken, hun het leven zou geven. En mogen zij die grote weldaad door genade ontvangen, dan nog blijven zij in zichzelf een arm en ellendig volk, dat van stap tot stap geleid moet worden. Een volk, dat al armer en armer wordt, vaak van alle kanten geprangd en benauwd. Dat de strijd te voeren heeft met de driehoofdige vijand: satan, wereld en eigen hart. Dat ook vaak na ontvangen genade in zulke banden van twijfel en ongeloof verkeert en dat straks nog met de grootste benauwdheid, met de laatste vijand in aanraking komt. Ook voor Gods volk kan het vaak zo bang zijn in de ure des doods. Dan is Christus die Held in leven en in sterven, bij Wie hulp besteld is. En moge het dan voor dat volk al banger en banger worden, moge de nood nog zo hoog klimmen, als het oog des geloofs mag blikken op die sterke Godsheld, kunnen Paulus en Silas Gode lofzingen in de gevangenis. Dan roept Stefanus het uit in de ure zijns doods: „Ik zie Jezus, gekroond met eer en heerlijkheid, staande ter rechterhand Gods". Zalig dan zijn allen, die onderdanen mogen zijn van zulk een Held.
In zichzelf niets, arm, jammerlijk en ellendig. Maar in Hem is hulp besteld. In Mij is uw hulp, zo spreekt de Heere tot een machteloos en ellendig volk. Zo spreekt niet een mensenkind, maar zo spreekt Hij, Die niet liegen kan. Hij spreekt met een dure eed in dat eeuwig zoen- en zoutverbond, in onwankelbare trouw. Als daar het oog des geloofs op zien mag, dan stemmen we in met de grijze Ethan (Psalm 89 : 15) :
'k Heb eens gezworen bij Mijn eigen heiligheid:
Zo Ik aan David lieg', zo hem Mijn woord misleid'!
Zijn zaad zal eeuwig zijn; Zijn troon zal heerlijk pralen,
zo duurzaam als de zon, zo glansrijk als haar stralen;
bevestigd als de maan; en aan des hemels bogen
staat Mijn getuige trouw te schitt'ren in elks ogen.

Toepassing.
Wel mocht de dichter zingen van een gezicht, dat zoveel troost bevat. Davids huis was in Rehabeams dagen diep in verval. Doch dat gezicht van de profeet Nathan, aan David meegedeeld, inzake de vastigheid van zijn troon, de onwankelbaarheid van Gods trouwbelofte, bleef door al die donkerheid heen de troost van de grijze Ethan.
Maar die belofte is ook de troost van Gods volk temidden van alle donkerheid. Donker is het in het rijk der natuur. De dagen worden steeds korter, steeds somberder. Donker is het in de wereld der volkeren. Het wordt steeds droeviger. Donker is het in het hart der mensen. Maar ook is het donker in zo menig hart van Gods volk. Doch dit is de enige troost, die hier baten kan: Daar is hulp besteld bij een Held. Het geloof ziet door alle donkerheid heen de Zon der gerechtigheid doorbreken in Bethlehems stal. Dat is een gezicht, dat zo onschatbaar veel troost bevat voor hen, die door het geloof daarop schouwen mogen.
In Bethlehems kribbe daalde deze Held der hulp als een hulpeloos kind terneer. In de dagen toen de glans en luister van Davids huis geheel verbleekt was. Uit de verstorven tronk van Isai schoot een wortel op. Uit de geringe Maria, deze eenvoudige koningsdochter, werd de Held der hulp geboren in de allerdiepste vernedering, missende de glans van Davids heerschappij. Onpeilbare liefde! Arm geworden, opdat Hij armen met Zijn rijkdom zou bekleden. Hij legde de glans en luister van Zijn heerlijkheid af, om in die onnagaanbare armoede de heerlijkheid te verwerven, waarmede Hij een arm en ellendig volk bekleedt.
Maar dat is dan ook de troost voor allen, die hopen op Gods belofte. Die troost wordt alleen in de diepte ervaren. Gods weg met Zijn volk gaat door de diepte. Het is een weg door de zee, een pad door diepe wateren. Maar daarin dan ook juist wordt door dat volk ervaren wat ze aan die Held der hulp hebben. Van het Israël van de oude dag gold het: „In al hun benauwdheden was Hij benauwd", maar ook voor het volk van de nieuwe dag geldt het:
Gij blijft mij bij in alle tegenspoeden;
Uw stok en staf zal mij altoos behoeden.
Gij troost mijn ziel, en richt, in mededogen,
de tafel aan voor mijner haat'ren ogen.

Vanuit Bethlehems kribbe klinkt het ons tegen: „In Mij is uw hulp". „Komt herwaarts tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven. Neemt Mijn juk op, en leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen. Want Mijn juk is zacht, en Mijn last is licht". Daarom roepen wij uit: O, gij ongetrooste en door onweder voortgedrevene, mocht gij in al uw noden, angst en pijn tot deze Held der hulp vluchten.
Maar ach, wat zijn er weinigen die deze hulp nodig hebben. Het gaat hier gelijk het ging bij Israël. Men wendde zich naar Egypte om steun en hulp, totdat men, ten einde raad, tot God de toevlucht nam. Dan klonk het: „Assur zal ons niet behouden. Wij zullen niet rijden op paarden, en tot het werk onzer handen niet meer zeggen: Gij zijt onze God". Maar zo ook gaan wij tot allerlei hulpmiddelen om toevlucht. Daarom komt dan ook tot ons de grote vraag: Wat is onze hulp? Wij allen hebben nodig, omdat we hulpelozen geworden zijn door onze val.
Niet allen weten het echter, dat ze hulpeloos zijn. En hebben we al enigszins behoefte aan hulp, zo doen we als het oude Israël en gaan henen tot gebroken bakken, die geen water houden. Van wie is uw hulp? Is het van uw gezondheid? Van uw krachten? Van uw voornaamheid, geld of goed? Maar wat zijn dat een broze rietstaven, want. de jeugd en de jonkheid zijn ijdelheid. Eén koorts en onze schoonheid is vergaan en wij liggen neder als hulpelozen voor de poorten des doods. Waarin bestaat uw hulp? Is het misschien uw vroomheid, uw rechtzinnigheid, uw deugd, uw ijver voor 's Heeren dienst?
Ook dat zal u ontvallen, als Hij, Die harten doorzoekt en nieren proeft, u stellen zal voor Zijn aangezicht.
Wat mag uw hulp dan zijn? Uw gebeden? Uw tranen, gestalten en indrukken? Uw bevinding?
Geliefden, weet ge wat we nodig hebben om het voorwerp van deze hulp te worden? Dat ons alle hulp ontvalt en wij een hartgrondig besef hebben van onze hulpeloosheid. Dan kunnen we onszelf niet meer helpen en krijgen we een Ander nodig. Want och, dat is de ellende van onze ellende, dat wij naar alle zijden heengaan om hulp. Wij trachten ons door middel van de wet op de been te houden. Door gestalten, tranen en gebeden. Maar de dichter zegt:
't Behoeftig volk, in hunne noden,
in hun ellend' en pijn,
gans hulpeloos tot Hem gevloden,
zal Hij ten Redder zijn.
Die zo aan het einde met zichzelf kwam, die zo zich alles zag ontvallen en een reddeloos verlorene werd, verstaat iets van hetgeen de dichter zingt:
'k Wou vluchten, maar kon nergens heen,
zodat mijn dood voorhanden scheen,
en alle hoop mij gans ontviel,
daar niemand zorgde voor mijn ziel.

Leerden we ooit uit zulk een hulpeloosheid schreien en wenen? Werd ooit die hulp ter verlossing noodzakelijk? Werd er ooit plaats gemaakt in onze ziel voor die grote Held der hulp? Wat een rijk voorrecht is het voor dat volk, dat Hem zo heeft nodig gekregen. Hun gebrek is groot. Vaak liggen ze neder, uitroepende: Hoe zal nog ooit die berg van mijn schuld worden weggenomen en de weg tot God worden gebaand? Geen bevindingen, geen toestanden kunnen hier baten. Alleen in Mij is uw hulp. Maar dit mogen ze dan ook ervaren, want in zulk een hulpeloosheid wordt Hij de hulp voor Zijn volk. Welk een ruimte ligt er hier voor al Gods volk. Welk een deur der hoop in het dal van Achor. Al uw ellende, al uw machteloosheid, al uw gebrek is voor Hem geen bezwaar. Hij roept het Zijn volk toe in al de kracht Zijner liefde: „Vrees niet, gij wormpje Jakobs, gij volkje Israëls, Ik help u, spreekt de Hee-re, de God Israëls". En: „Ook help ik U met de rechterhand Mijner gerechtigheid". Die rechterhand van Gods gerechtigheid is ontbloot voor al de vijanden van Gods kerk. Die doet door haar daden de wereld beven, maar diezelfde hand houdt ook Zijn volk in stand en richt de neergebogenen op. Een boetvaardige zondares, een wankelende Thomas, een schreiende Petrus. Dezulken roepen vaak door hun tranen heen: „Mijn Heere en mijn God !"
Dat is de troost voor u, volk van God, in alle lijden en strijden, in alle wegen van nood en kommer. Dat was de troost van de grijze Ethan en dat is de troost van Gods kerk door alle eeuwen heen. Hoe hoog de nood ook zij, hoe bang de strijd, de overwinning is zeker, want:
Gij, Heer', alleen, Gij zijt
Verwinnaar in de strijd,
en geeft Uw volk de zegen.

Dan moge komen wat wil, het woord van Israëls zanger blijft zijn kracht behouden, dwars door de oordelen heen:

Wat vijand tegen hem zich kant',
Mijn hand, mijn onweerstaanb're hand
zal hem bekleên met schaamt' en schand';
maar eeuwig bloeit de gloriekroon
op 't hoofd van Davids grote Zoon.
Amen.


November 1960