Jesaja 57:10 'Gij zegt niet: het is buiten hoop', ds. J.C. van Ravenswaay

TEVERGEEFS GEREISD

Predikatie over Jesaja 57 : 10

Door Ds. J. C. VAN RAVENSWAAY

Psalm 27: 5
Lezen Jesaja 53: 3-14
Psalm 119:30 en 88
Psalm 49: 3
Psalm 27: 7

Jesaja 57: 10: Gij zijt vermoeid door uw grote reis, maar gij zegt niet: het is buiten hoop; gij hebt het leven uwer hand gevonden, daarom wordt gij niet ziek.

Dé dagen waarin wij leven zijn boos. De vraag of het waar geloof van de Heilige Geest in os hart is uitgestort, stelt de kerkmens op de achtergrond. En deze levensvraag beslist toch voor de tijd en de eeuwigheid.
Naar de eis van Gods Woord moeten wij deze vraag toch eenmaal beantwoorden. Schier alles poogt echter de mens te verleiden zich aan die werkzaamheid te onttrekken; en er is zo veel, dat hem in die werkzaamheid op een dwaalspoor tracht te brengen.
Juist daarom willen we u des te krachtiger wijzen op die eis der zelfbeproeving en moeten wij de kenmerken van het ware geloof naar des Heeren Woord u prediken. Gods Woord openbaart die kenmerken op tweeërlei wijze. Op menige plaats laat de Schrift ons zien hoe het gaat met hen, aan wie dat geloof uit genade geschonken is. We horen hen klagen, we vernemen iets van de hoop, zij gewagen van een verlangen en spreken over gemis. Dan moet hij weer zijn armoede belijden, maar ook heeft hij het over de rijkdom. Zo geeft de Schrift ons een beeld van het werk van de Heilige Geest en wordt ons dit voorgehouden als een spiegel om te zien of in dit alles ons eigen beeld, onze eigen trekken te bespeuren vallen.
Anderzijds tekent de Schrift eveneens het beeld van hen, die het ware geloof missen. Zijn innerlijk en uiterlijk leven, zijn doen en laten, zijn streven en zoeken, zijn haten en liefhebben wordt ons in de Schrift voorgehouden met de ernstige bedoeling, dat zo in dit alles ons beeld is, wij nog missen de genadewerkingen des Heiligen Geestes, wij nog geen deel hebben aan Jezus Christus.
Iets van dat beeld des mensen, die zonder het ware geloof nog is, tekent ons Jesaja in hoofdstuk 57 : 10. Israël is zéér afvallig geworden. Tot de schrikkelijke afgoderij is dat volk vervallen. Het is hittig in de eikenbossen en onder alle groene boom, slachtende de kinderen aan de beken, onder de hoeken der steenrotsen. Overspelig zaad is het volk des Heeren.
Het zoekt hulp bij de mensen, want het trekt met olie tot de koning. Het vertrouwt op de wereldmachten. Het zendt gezanten uit naar de koningen der aarde en vernedert zich diep voor deze. Op allerlei wijze poogt het zichzelf te verlossen, maar behoudenis vindt het niet. Het is een vruchteloze vermoeidheid. En toch geven zij hun pogingen niet op, de valse hoop op eigen kracht. Want gevonden, zo menen ze, hebben ze het leven hunner hand, en daarom zeggen ze niet: ik ben ziek.
Deze tekst handelt over: Vruchteloze vermoeidheid. Jesaja bepaalt ons

I. bij een grote reis;
II. bij een nameloze matheid;
III. bij een erge halsstarrigheid.
I.
De grote reis.
Met het doen van een grote reis wil de Schrift ons duidelijk ma- ken het pogen van de mens om zichzelf te verlossen. Gezanten van Israël worden ver weggestuurd - zie het vorige vers - om hulp en sterkte te zoeken bij mensen en sterken. Men wil die verkrijgen naar menselijke wijsheid ten dage des kwaads. Dat was de volkszonde van Israël in de dagen, voorafgaand aan de wegvoering naar Babel; de volkszonde, zo ernstig bestreden. Hoe hoog had Israël gestaan als natie in de dagen van David en Salomo. Men durfde het niet aan te vallen en was beducht voor zijn macht. In die dagen had het een woord mee te spreken, maar nu is die kracht vergaan en van de hoogste plaats is het gezonken naar de laagste. Van alle zijden wordt het benauwd en bedreigd. De grote rijken van die tijd bestreden elkander op leven en dood en Israël, dat tussen die rijken in lag, kwam keer op keer in de grootste moeilijkheden. Had het nu vertrouwd op God, dan zou alles anders verlopen zijn. Doch helaas, men lette op het zichtbaar geweld en de tastbare kracht der volken. Het verloor de Heere uit het oog en toen was het met Israëls toekomst gedaan. Wie niet meer tegen de Heere leunt en steunt op Zijn kracht, moet het elders zoeken en zal de waarheid van Gods Woord ondervinden: „Vest op prinsen geen vertrouwen, waar men nimmer heil bij vindt". Het onafhankelijke Israël werd door eigen schuld afhankelijk van de machtigen dezer aarde. Daardoor kwam het hulpeloos en weerloos te staan tegenover die opkomende en elkander opvolgende machten. Hoe pijnlijk was dat. En nu gaat het een weg der behoudenis zoeken op eigen wijze en tracht het zichzelf te verlossen. Men gaat grote reizen ondernemen en naar de hoven der koningen om te pogen tot een verbond te komen, om de hulp van de één te kopen tot breking van de macht van de ander. Koning Achas zendt gezanten naar de koningen van Assyrië om hulp te verkrijgen tegen de koning van Syrië. Verlossing te zoeken bij Israëls God, och, daaraan denkt men niet, die 'hulp begeert men zelfs niet. De weg tot wederkering tot de Almachtige Israëls wordt niet gezocht. Men stelt vlees tot zijn arm. Zichzelf te verlossen, door eigen werk en overleg zich bij de onafhankelijkheid te bewaren, dat is het streven en zoeken van koning en volk. Daarom worden grote reizen gedaan. Bij de groten der aarde zoekt men hulp en heil. De mens, eigen overleg zal uitkomst brengen in al de nood van het grote gevaar van als klein volk te zullen worden opgeslokt door één der grote wereldmachten.
Buiten de levende God zoekt men dus de verlossing en redding. Doch van het één komt men in het ander. Wie zijn hulp zoekt bij het schepsel, gaat tevens buigen voor de god van de mens, de afgod. En juist bij Israël is het nationaal en godsdienstig leven zo nauw aan elkander verbonden. De bloei van het ene is ook de krachtige openbaring van het andere. Zinkt het godsdienstige leven, dan is inzinking van het nationale leven daarvan het noodzakelijk gevolg. Het ene is onlosmakelijk verbonden aan het andere. Zo toch het geloof in God krachtig wekte, de vreze des Heeren de sterkte van volk en koning was, dan zou van het doen van een grote reis geen sprake wezen en van een bij mensen hulp zoeken geen spoor te vinden zijn. Dan zou het moedig in zijn God zijn. Dan riep het in de dag der benauwdheid tot de Heere, Die de almachtige God is. Dan zong het, vol van geloofsvertrouwen, de koninklijke zang des geloofs: „Met mijn God loop ik door een bende en spring ik over een muur".
Waar de vreze Gods wegsterft en het geloofsvertrouwen ontbreekt bij een volk, genoemd naar 's Heeren Naam, daar zoekt het op zijn reis ook de goden der volken, opdat die verlossing geven. Het altaar, dat koning Achas te Damascus ziet, laat hij door de priester Uria namaken. Dat namaaksel laat hij de plaats innemen van het koperen altaar, dat stond voor het aangezicht des Heeren, en hij zelf offert daarop, naar de wijze der heidense koningen.
En zo is het doen van een grote reis hier aanduiding en saamvatting van de vele pogingen van de mens om zichzelf te verlossen.
De volkszonde van Israël toch is DE zonde van de mens zonder God, alle eeuwen door, maar inzonderheid in onze dagen. Wat al grote reizen doet de mens niet om hulp te zoeken in al de nood van dit vaak zo moeilijk leven! Wie zal tellen de gezanten, uitgezonden tot verkrijging van afwending van zo veel kwaad des levens voor zichzelf en anderen. Juist onze dagen vertonen die zonden zo angstig bang, waar de menselijke hulp, de voorwerpen van het vertrouwen zo groot en sterk en prachtig schijnen. Groot toch is de mens van onze tijd! Zijn kennen en kunnen is haast niet uit te spreken, zodat bijna niets de mens onmogelijk is. Zijn kapitaal beheerst volken en rijken. Zijn wetenschap heerst als een vorstin. Zijn arbeidsvaardigheid grenst aan het ongelooflijke. Zijn wijsheid doet versteld staan. En als de nood dan prangt, de gevaren dreigen, de toekomst zwarte schaduwen werpt op het heden, dan wordt bij dat alles hulp gezocht, is dat de hoop en verwachting van de mens. Dan worden de gezanten uitgezonden naar de koninklijke hoven van de wetenschap, naar de paleizen van de geldmacht, naar de tempels van de wijsheid. Dan wordt de grote reis daarheen gedaan om hulp en kracht, om sterkte en uitredding ten dage des kwaads.
Bovenal is dit de zonde van de mens in betrekking tot zijn geestelijke nood, de verlossing van zijn ziel, de uitkomst tegen de dood, het kunnen bestaan voor de levende God. Ook al heet het dat hij met dit alles zich niet bemoeit of inlaat, al maakt hij zelfs aanspraak op de naam van aan godsdienst niet te doen, toch is zijn leven niet vreemd aan zulk een grote reis om hulp in heul, steun en sterkte te zoeken. De mens moet een voorwerp hebben waarop hij vertrouwt, wat dat onbegrepene, dat geheimzinnige van het onzichtbare en geestelijke, van het sterven en de dood betreft. En die hulp en dat heil zoekt hij van nature altoos bij zichzelf, bij het werk van een mens, al is het ook zelfs in het willen vergeten van de dood, die komt, en van het oordeel, dat genaakt. Dat voorwerp van zijn vertrouwen zij dan het doen van zijn plicht, het afhakken van de takken, zonder te denken dat de boom van het leven ziek is in de wortel, het reinigen van het huis des harten, het met vele bezemen keren van dat huis op velerlei wijze, het is alles het doen van een grote reis naar het land van geluk en van vrede, van rust en kracht, van sterkte en uitkomst. Het is alles één rusteloos pogen om zichzelf te verlossen, om sterk te staan tegenover de vijanden, die zo te vrezen zijn. Het is één in droeve openbaring van het nog missen van het ware geloof.
Het zelf werken tot zijn verlossing, op welke wijze dan ook, het enige zaligheid zoeken of gronden in wat in de mens is, het steunen en leunen op wat uitwendig slechts is en vrucht van eigen akker, het is alles het doen van een grote reis en de uitkomst van dat alles zal droef en bang teleurstellen. Laten we in de tweede plaats zien hoe waar dat is.
II.
Een nameloze matheid.
Van dat volk, dat een grote reis doet en zichzelf alzo probeert te verlossen, vermeldt Gods Woord: „Gij zijt vermoeid door uw grote reis".
De pogingen des mensen tot zelfverlossing vermoeien dus. Zij matten de geest af. Ze verteren en vernietigen de geestelijke en stoffelijke krachten. En wat het ergste van die vermoeidheid nog is, al die pogingen zijn vruchteloos. Zij brengen geen verlossing, maar ondergang. Dat is zo aangrijpend te zien in al wat de profeet hier het eerst op het oog heeft. Vermoeiend en afmattend is voor Israël het zenden van gezanten naar de koningen der onderscheidene omwonende volken. En dat niet alleen voor die reizigers zelf, die de moeiten van de reis hebben te doorstaan en te verduren, die al de denkkracht van hun hoofd hebben in te spannen om de geheimen der hogere staatkunde in zich op te nemen en hun onderhandelingen daarnaar in te richten. Ook allen, die hulp en heil van zulk een grote reis verwachten, ze worden zo moe en zo afgemat. Hoe spannend en krachten slopend is niet het wikken en wegen tot welke koning, tot welke wereldmacht die gezanten gaan zullen. Wat vermoeiend is die overweging niet, wiens hulp het krachtigst, het meest belovend en volkomend afdoend wezen zal. Het ene volk moet gewogen tegen het andere. Het vóór en het tegen, het meer en het meest moet ingedacht en overdacht worden. En dan moet de beslissing vallen. Van die beslissing hangt alles af, wat heel de toekomst betreft. Dat alles vermoeit en mat zo af. En als de gezanten dan gaan, hoe vermoeiend is dan de spanning van het hoe of het wat dan! Zou het pogen gelukken? Zou de grote reis lonend zijn? Was een andere richting aan die reis gegeven te hebben nog niet beter, wijzer en verkieslijker geweest?
En vermoeid zijn zij die gingen! Vermoeid zijn zij die achter- bleven! Ja, het doen van een grote reis, dat pogen om zichzelf te verlossen, het verteert en verbruikt ook de stoffelijke kracht van Jesaja's tijdgenoten. Die hulp ter verlossing is er bij de koningen der volken ook niet om niet. Ze moet worden gekocht als koopwaar. Het goud en het zilver uit het huis des Heeren, uit het huis des konings, uit de huizen der groten en der rijken, het moet alles er voor geofferd. Het is alles in de handen van die gezanten. Het gaat alles de grenzen over. En zo verteert dat doen van een grote reis ook de volkskracht en vernietigt het de welvaart. Het brengt vermoeidheid over het volk in zijn geheel, zowel als in zijn delen. Want gekocht moet de ondertekening van het verdrag en het verbond. Gekocht moeten de snelle paarden en de krachtige ruiters, die ter hulp zullen snellen in de dag der benauwdheid.
En als dat alles dan nog maar hielp en uitkomst bood! Als die vermoeidheid nog maar vruchtdragend was! Maar dat juist is het geval niet. Juda gaat toch in ballingschap! Gods volk wordt toch geknecht! Egypte brengt geen hulp. Assyrië biedt geen uitkomst. Het zijn rietstaven, die aan de hand geen steun bieden ten dage des kwaads. Het verlost niet uit de hand der sterken. Het werpt geen dam op tegen de vloedgolf der allesoverwinnende wereldmacht.
Vermoeid, nameloos mat - en de uitkomst teleurstellend. Afmattend en toch vruchteloos is het doen van die grote reis, dat pogen om zichzelf te verlossen. Daar vallen Jeruzalems muren! Daar wordt de vurige fakkel geworpen in het huis des Heeren! Daar gaat Juda de ballingschap in! Vergeefs en ijdel alles! Die grote reis bracht de uitkomst niet. Teleurstelling het één en het al. Vermoeidheid, maar niet behouden!
En dat is altijd de teleurstellende uitkomst van al het pogen des mensen om zichzelf te verlossen. Wel afgemat, maar niet behouden, dat is de bange en pijnlijke ervaring van een ieder, die grote reizen doet om hulp en heil te zoeken buiten de levende God. Afgemat zijn ze wel, zij, die in al de nood des levens de mens, het zichtbare hebben tot hun toevlucht. Moe van het wikken en wegen. Moe van het peinzen en denken. Moe van het zoeken, het aangrijpen en weer loslaten. Moe van het ene kiezen boven het andere. Ze verteren het uitnemendste van hun levenskracht daarmee en verbruiken daartoe al hun levenstijd.
Wat al offers leggen ze niet op de velerlei altaren van menselijke hulp! Rusteloos werkt alles wat in hen is. Aan hun arbeid komt geen einde. Ze doorvorsen al de terreinen der wetenschap. Ze trekken van de ene reus naar de andere, van genie naar genie, van deskundige naar nog deskundiger. Alles hebben ze daarvoor over. Hun geld, hun rust, hun kracht, hun tijd!
En toch is het ijdel en tevergeefs. Het loopt uit op één grote, ontzaggelijke teleurstelling. Want dat alles brengt de afwending van het kwaad niet. Het bewaart niet van die ogenblikken, dat de sterkste openbaar komt enkel ijdelheid te zijn. Het verlost niet van het leed des levens. Het geeft geen wezenlijke en blijvende troost. Het vermoeit wel, maar het brengt nooit, nooit het gezochte en het gehoopte. Het stelt altoos bitter, bitter teleur!
Is dat juist niet het kenmerkende van onze dagen? Zo onbeschrijfelijk moe en teleurgesteld is de mens der twintigste eeuw! Van die vermoeidheid spreekt hij in zijn woordkunst. Die laat niet horen de zegezang der overwinning. Die vertolkt niet het blij- geroep van kracht en sterkte. Die laat niet horen de jubel van het verkregen hebben al wat zo vurig begeerd en naarstig gezocht wordt. Die stijgt niet als op adelaarsvleugelen omhoog in de blauwe lucht om de lof des Almachtigen te vertellen met blijde lippen. Integendeel, heel die woordkunst verklankt de klacht, het lijden en het leed van mensen, die zo moe zijn.
Bovenal geldt dat van alle poging van de mens om zichzelf te verlossen, wat zijn geestelijke, zijn eeuwige noden betreft.
Dat zoeken van zaligheid en heil in eigen werk of bij de zelf werkende mens, het vermoeit meer dan iets anders. Het vordert de inspanning van alle krachten, en dan nog wel van de hoogste en de edelste waarover de mens te beschikken heeft. Het vraagt al de kracht van zijn denkend hoofd en al de liefde van zijn hart. Het vergt soms de dierbaarste offers, de onderdrukking en verloochening van zijn innigste verlangens. En toch stelt het zo pijnlijk teleur. Want het geeft geen vervulling van de hoogste nood. Het verzoent niet met een rechtvaardig God. Het bevrijdt niet van de angst der consciëntie. Het verlost niet van -de hoogste straf. Het biedt geen troost in al het levenswee en geen kracht in al de levensstrijd. Het opent bij het sterven geen vergezichten op een volkomen verlossing, op een zaligheid, welke alle verstand te boven gaat. Het doet niet smaken de zielegemeenschap met een verzoend Rechter, een liefhebbende en getrouwe Vader. Het geeft geen hoge, heilige zielerust in leven en in sterven, want het doet nooit vinden de vergeving der zonden, de verlossing van het geweld des grafs. Het leert nimmer roemen in de onveranderlijkheid van die 'God, Wiens trouw groot is, noch in de volkomenheid van een Borg, Wiens werk machtig is te behouden de grootste der zondaren.
Teleurstellend dus de uitkomst van al die pogingen van de mens om zichzelf te behouden. Wel vermoeid - maar niet behouden; want angstwekkend geldt van de mens in al zijn eigen werk ter verlossing de aangrijpende taal van de dichter (Psalm 49 : 3):
Hij kan die prijs der ziele, dat rantsoen
Aan God in tijd noch eeuwigheid voldoen;
Hij wenst vergeefs hier altoos 't licht te zien,
En, door zijn schat, het naar bederf t' ontvliên.
Hij ziet elk uur der wijzen levensend;
Der dwázen dood blijft hem niet onbekend;
Hij ziet, dat hun in 't sterven niets kan baten,
Maar dat zij 't al aan and'ren overlaten.
III.
Een erge halsstarrigheid.
Tenslotte laat de profeet ons weten welke de oorzaak is van de teleurstellende uitkomst van al die pogingen van de mens om zichzelf te verlossen.
Waarom toch is die vermoeidheid door de grote reis, door al dat pogen om zichzelf te verlossen, vruchteloos? Waarom geldt van dit alles zo angstwekkend bang: wel vermoeid, maar niet behouden?
Op die vraag geeft Jesaja, vol des Heiligen Geestes, ten antwoord: „Maar gij zegt niet: het is buiten hoop; gij hebt het leven uwer hand gevonden, daarom wordt gij niet ziek".
Afgemat door alle pogingen om zichzelf te verlossen, geeft de mens het toch niet op en wanhoopt hij niet aan zijn zelfverlossing. Afzien van al zijn ijdel pogen doet hij niet. Hij houdt aan en volhardt niettegenstaande zijn vermoeidheid, want hij heeft het leven zijner hand gevonden.
Zo omschrijft Jesaja de valse hoop op eigen kracht, niettegenstaande alle teleurstelling. De mens zonder geloof blijft zich vastklemmen aan wat des- mensen is. En dat is de oorzaak van de teleurstellende uitkomst, van het wel vermoeid, maar niet behouden zijn.
„Gij hebt het leven uwer hand gevonden". Dat is de veelzeggende aanduiding, de aangrijpende schildering van het kenmerkend eigene van de mens, die het ware geloof mist.
Deze meent in eigen zwakke, kleine, sterfelijke hand 'het leven, de levensonderhouding, levenskracht en -sterkte, ja de levensverlossing te hebben. Dat is de ontzettende leugen, de ijdele waan van de mens, die als God wil wezen, die alleen wijze en almachtige God wil wegdoen uit heel het menselijk leven. Dat is het gif der zonde, door satan de mens als ingedruppeld. In eigen hand het leven en lot. In eigen hand het stuurrad van het leven. In eigen hand de hulp in al het kwaad des levens. Bovenal, in eigen hand alles wat nodig is voor de geestelijke en eeuwige dingen. Het eigen ik is koning, wetgever en rechter. Eigen gedachten over goed en kwaad, over dood en eeuwigheid, over zonde en schuld, over straf en verlossing, zijn maatgevend. Eigen mening is de waarheid en zo is het leven in eigen hand gevonden.
En dat brengt de ijdele waan mede van niet ziek, maar gezond, niet arm, maar rijk, niet ellendig, maar alles bezittende te zijn.
Daarom is die vermoeidheid door de grote reis, door alle pogingen om zichzelf te verlossen, zeker vruchteloos.
Zo bij Jesaja's tijdgenoten, die gezanten zenden naar de koningen der volkeren. Zij menen ook het nationale leven te hebben in eigen hand en voelen noch zien de ziekte, waardoor dat leven in zijn wortel is aangetast. Zij menen als volk en natie gezond te zijn. Want de grootheid der volkszonde zien en voelen zij niet. De afschuwelijke afval van die God, Die zo grote en heerlijke wonderen in hun schone volkshistorie heeft gedaan, merken zij niet.
Voor hun besef staat niet als een vleesgeworden werkelijkheid, dat eigen land te schuldig en te bezoedeld, te klein en dus te onmachtig geworden is om het leven te houden en uitkomst te brengen. Het is voor hen geen afgesneden zaak, de verlossing en behoudenis door het kunnen en kennen van de mens, en daarom, schoon vermoeid, zeggen ze niet: buiten hoop!- En zo gaan ze verderf en ondergang, nederlaag en ballingschap zeker en bang tegemoet.
O, zo het bij hen maar kwam tot dat „buiten hoop", dan zouden ze heerlijke, machtige verlossing vinden. Want dan stond het voor hen vast, die aangrijpende werkelijkheid, dat het slechts een leugen en een waan is, dat hebben van het leven in eigen hand. Dan waren ze ontdekt aan eigen onzegbare armoede. En dan.... dan zouden ze zich voor de God van Israël verootmoedigen in zak en as. Dan waren ze gekomen tot de ware kennis van hun zonde en ellende. Dan zouden ze roepen om genade en schreeuwen om hulp.
Dan zouden ze vluchten tot die God, Die in het verleden werkte de wonderen Zijner macht en goedheid, Die rusteloos Zijn armen houdt uitgestrekt naar een wedérstrevig volk; Die trouwe houdt en bij Wie uitkomsten zijn uit alle nood.
Dan zouden ze afzien van elke zelfverlossing.
Dan zouden ze het leven en het levensonderhoud, de levens- redding en behoudenis zoeken buiten zichzelf, buiten de mens, buiten het zicht- en tastbare, bij de Heere alleen!
En dan zekerlijk verlost en behouden, geholpen en uitgered; staande gehouden en gesterkt. Want Israëls God doet een afgesneden zaak, werkt wonderen. Hij alleen! Maar omdat ze dat niet doen, daaraan niet denken en dit niet willen., omdat ze het leven in eigen hand menen te hebben, omdat ze de ijdele waan koesteren van gezond te zijn, daarom zijn ze wel vermoeid, maar niet behouden, daarom is hun vermoeidheid vruchteloos.
En zo was het niet slechts bij Jesaja's tijdgenoten, maar is het ook bij een ieder, die, missend het geloof, in allerlei pogingen om zichzelf te verlossen een grote reis doet. Hij heeft het leven zijner hand gevonden.
Is dat niet de natuurgetrouwe uitbeelding inzonderheid van de mens onzer dagen? Is dat niet de ijdele waan, zich openbarend in het meest op de voorgrond tredende van onze tijd? De mens is zo groot en zo machtig. Alles heeft hij in zijn hand. De menselijke wijsheid en wetenschap heerst als soevereine op elk levensgebied en bouwt haar stelsel van verlossing en ontkoming uit alle nood triomfantelijk op.
Zeker, er is wel veel zorg en moeite voor de mens onzer dagen. Grote schreiende nood neemt zijn oog waar, overal waar mensen wonen. Maar het licht, door de mens ontstoken, zal heen breken door de donkere wolken; de grote dag der zelfverlossing zal aanbreken, zo denkt en zegt een ieder, die het ware geloof mist. Hij gevoelt zijn algehele verdorvenheid voor God niet en kent zichzelf niet in zijn onmacht ten goede. Hij beeft en siddert niet voor de volkomen eis van Gods heilige wet. Met het betrekkelijke stelt hij zich tevreden en daarom zegt hij niet: het is buiten hoop!
O, zo het daartoe maar bij hem kwam! Zo hij maar leerde wanhopen aan alle verlossing door zichzelf of door de mens. Zo uit diepgevoelde nood maar de angstkreet der ziel geboren werd: buiten hoop! Dan ware verlossing en behoudenis gewis.
Want dan ontdekt aan het ijdele van de waan als zou het leven in eigen hand zijn.
Dan vatbaar voor het machtig en heerlijk Evangelie, dat spreekt van leven en zaligheid buiten zichzelf in Jezus Christus alleen. Dan aangrijpende werkelijkheid het dorsten naar de gerechtigheid van de door God gegeven Middelaar.
Dan een loslaten van alles en van allen, om maar gevonden te worden in Hem, Die de meest afgesneden zaak doet: betalen tot de laatste penning toe voor hen, die klagen, dat zij hun schuld bij God nog dagelijks meerder maken.
Maar omdat de mens, die het ware geloof mist, dat niet doet, maar het leven meent te hebben in eigen hand en de waan koestert van kerngezond te wezen, daarom geldt van hem het wel vermoeid, maar niet behouden. Daarom is al zijn vermoeidheid een vruchteloze.
Want hij gaat behoefteloos voorbij aan Golgotha's kruis. Hij hoort misschien wel het Evangelie der verzoening door het bloed van de Zoon Gods, maar het roert en treft hem niet en slaat niet in in zijn hart. Hij leeft misschien wel in het midden van Gods zichtbare kerk, en wie zal zeggen hoeveel bemoeienis de Heere met hem had in leed en smart of in bewaring en uitredding. Hij zit wellicht hier onder de bediening van Gods heilig Woord en deed wellicht met zijn lippen belijdenis des geloofs - maar dat alles is koude vorm en dode sleur. Hij is in eigen gevoel en voor eigen besef niet als één, die de enige grote Medicijnmeester van node heeft. Hij is niet een zieke, die pijnlijk voelt het gemis van zijn gezondheid en daarom uitziet naar en roept om een middel ter genezing. In één woord, hij zoekt het leven niet buiten zichzelf in Jezus Christus alleen.
Geen briesende haat tegen de Zaligmaker vervult zijn hart, maar ook geen brandende liefde voor de Heere in zijn ziel. Hij vloekt de Heere niet, maar zegent Hem ook niet, Die Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem overgegeven voor allen, die hun ziel bij het leven niet kunnen houden. Eigen hand is zijn hoop en verwachting. Eigen werk is de rots, waarop hij bouwt. En dat is de oorzaak, dat het heden der genade aan hem voorbijgaat zonder dat hij vindt de Enige, Die het leven geeft tot in eeuwigheid. Hij heeft gevonden het leven zijner hand en zegt daarom niet: Het is buiten hoop!
Is het voor u al buiten hoop?
Buiten hoop uw zaligheid, uw verlossing, uw kunnen bestaan voor de heilige en rechtvaardige God, uw ingaan in het Koninkrijk Gods?
Zo niet, dan mist ge naar Gods Woord het ware geloof. Wel zijt ge dan vermoeid door het doen van een grote reis, maar die vermoeidheid is vruchteloos. Wel zijt ge bezig wellicht met alle pogingen uzelf te behouden en te verlossen, maar leert het uit onze tekst: dat alles stelt teleur! Want door het wonder alleen wordt een zondaar zalig! Door het wonder van Gods ontdekkende genade. Door het wonder van het alles loslaten om Christus Jezus alleen aan te grijpen.
Maar zo het ,,buiten hoop!" de echte, wezenlijke taal van uw verbroken en verslagen hart is, dan moogt ge Gods genade niet ontkennen, het bezit van het ware geloof niet loochenen, Gods heilig sakrament niet ongebruikt laten. Want dit is het wonderlijk en heerlijk Evangelie, van God Zelf geopenbaard, dat daarom eeuwig zeker is: onbedriegelijk vast, zo het bij uzelf geheel
Suii,.
leede: voelt ge u al ziek! `d.i. arm en ellendig,
i-
missend wat ge hebben moet en ontberend wat ge niet missen kunt ten leven en ter zaligheid?
Daarin komt, naar Gods eigen Woord, uit het gegrepen zijn door de Heilige Geest, het vernieuwd zijn door het wonder der wedergeboorte. Dan is niets u in meerdere mate van node dan Christus Jezus en al Diens schat en weelde. Dan bezit ge het geloof, dat versterking zoekt bij de tekenen van brood en wijn.
Want dan is uwer de blijde hoop op de zekere verlossing uit loutere genade door de toegerekende gerechtigheid van Hem, Die aan het kruis eens horen liet: Het is volbracht!
En eindelijk, hebt ge geen leven of kracht meer in eigen hand, omdat Gods heilige wet u met uzelf bekend maakte als een ge heel verlorene?
Zó gaan ze naar Jezus en Hij zal hen niet uitwerpen. Dan is het grote goed, dat God heeft weggelegd, ook voor u.
Laat de boze het niet van u winnen, omdat ge u nog telkens moet aanklagen vanwege het zondig pogen om nog iets ter zaligheid buiten Jezus te zoeken. Belijdt in oprechtheid de Heere ook deze zonde. En houdt vast de onwankelbare belijdenis der hoop, want Hij, Die het beloofd heeft, is getrouw.
Alleen zo het uwerzijds buiten hoop is, zo gij uw ziel bij het leven niet meer kunt houden, alleen zo Jezus Christus u werd de Weg, de Waarheid en het Leven, dan laat ge na, meer en meer, het doen van, een grote reis, dan zijt ge in het geloof, dan zult ge niet moede worden door het lopen en ge zult u benaarstigen de Heere te smeken: O Heere, bevrijd me van halsstarrigheid. Dan wordt ge vrij en begint te zingen van Gods goedertierenheid. Amen.


Mei 1958