Hosea 11:11a 'Zij zullen bevende aankomen als een vogeltje uit Egypte', ds. J.C. van Ravenswaay

De liefde Gods, die met wederliefde wordt beantwoord

Biddagpredikatie over Hoséa 11 : 11a

Ds. J. C. VAN RAVENSWAAY

Psalm 68 : 10
Lezen: Hoséa 11
Psalm 84 : 6
Psalm 25 : 3 en 5
Psalm 74 : 12 en 18
Psalm 89 : 8

Tekst Hoséa 11 : 11a:
Zij zullen bevende aankomen als een vogeltje uit Egypte, en als een duif uit het land van Assur.

Wat bedoelt God nu eigenlijk?
Deze vraag kan opkomen bij het lezen van Gods Woord. Hebben we te maken met een God, Die ja en neen tegelijk zegt?
Dat zouden we bij oppervlakkige lezing van Hoséa 11 kunnen denken.
De oorzaak van het niet direkt zien van de bedoeling Gods moet bij ede mens gepocht worden. Door de zonde is hij verduisterd in het verstand, en wil hij God van onrechtvaardigheid beschuldigen. Overal, waar hij kan, ziet hij zogenaamde tegenstrijdigheden in het Woord des Heeren. Op bedekte wijze leeft hij zó o.a. zijn vijandschap tegen God uit. Gods volk leert dit door genade erkennen, en komt er voor in de schuld, maar de mens zonder genade handhaaft zich tegenover God, en moet niets van Hem hebben.
Die dit openlijk erkennen zijn nog de eerlijkste onder de „onbekeerden". Gevaarlijk zijn zij, die voorwenden God te dienen en te vrezen, doch die hun hart nog altijd open stellen voor de duivel en zijn dienst. Zij hebben nimmer moeilijkheden met de bedoelingen Gods in hun leven. Zij aanvaarden alle zaken, zoals deze hun uit de hand Gods worden toebeschikt. Dat wil zeggen, zolang het hun goed gaat. Maar steekt de storm op in het leven, en komt de ene tegenslag na de andere hun leven benauwen, och, dan gaat men wel anders denken, en komt de vijandschap tegen God openbaar.
Zou er wel één zijn, die zonder genadebedeling des Geestes de bedoelingen Gods verstaat? Moet niet leider kind van God tot de belijdenis komen: Ik verstond het pas na deze? Het geestelijk verstaan van Gods wijze bedoelingen is alleen de gegevene des Vaders geschonken. En zij hebben er nog de grootste moeite mee.
Wie verstaat Gods bedoeling als Hij de zondaar gaat ontdekken aan zonde en schuld? Wie verstaat Gods bedoeling als Hij die zondaar in die ontdekkingen niet wegslaat, doch draagt en spaart? Wie verstaat Gods bedoeling als de afgesneden zondaar in de eeuwige liefdearmen Gods valt, waar hij in het hoogste gericht toch een verdoemelijk schepsel is voor God? Wie verstaat— och, zouden we maar niet eindelijk gaan zeggen — wie gelooft direkt, dat God Zijn liefde handhaaft door Zijn recht, en Zijn recht door Zijn eeuwige, onveranderlijke liefde?
Dan is er al wel het één en ander geschied met de mens, die van genade moet leren leven. Maar kom, geliefde lezers, laat ons heden uw aandacht mogen vestigen op een voornaam geestelijk onderwerp. De profeet wil ons, in opdracht van de Heere, wijzen op: De liefde Gods, die met wederliefde wordt beantwoord. De kerk leert deze zaak:

I. Met een leedwezen te hebben over de zonde;
II. Met een vlieden van de zonde.

Ja, wat bedoelt God? Wat wil Hij?
We lezen in vers 5 van hoofdstuk 11: „Maar Assur zal koning zijn, omdat zij zich weigeren te bekeren". En in vers 7 staat: „Want Mijn volk blijft hangen aan de afkering van Mij; zij roepen het wel tot de Allerhoogste, maar niet één verhoogt Hem". Wie zal ontkennen, dat de Heere hier Zijn ongenoegen uitspreekt over Israël, en dat Zijn oordeel zal komen over Israël?
Maar dan zonder overgang, volgt vers 8. Geen vervolg op de voorgaande verzen. Geen mededeling over de manier waarop God Zijn volk zal kastijden. Neen, het volkomen onverwachte verrast ons. God gaat spreken, zo ineens over Zijn liefde. Over de liefde tot Zijn volk, die onveranderlijk is gebleven. Hij gaat spreken over Zijn liefde, die van eeuwigheid tot eeuwigheid dezelfde is voor al Zijn gunstgenoten.
Dit moet voor ons werkelijk een verrassing zijn of nog worden, want we hebben verdiend, dat de Heere Zijn liefde jegens ons beëindigt. Als het daarover gaat, och, dan moet Hij vandaag nog zeggen: „Ik wil niets meer van u weten".
Maar wat wil God dan? Gaat Hij mij nu straffen, of heft Hij de straf op omdat Hij mij zo lief heeft? Offert Hij Zijn rechtvaardigheid op aan Zijn liefde, wordt die rechtvaardigheid Gods geannuleerd door Zijn liefde? Neen, mijn medereiziger. God is geen God van ja en neen, van neen en ja. Hij houdt Zijn heilsbeloften, maar Hij voltrekt eveneens Zijn oordelen. Wat staat er dan in vers acht. Dit: „Hoe zou Ik u overgeven, o Efraim, u,overleveren, o Israël? Mijn hart is in Mij omgekeerd; al Mijn berouw is tezamen ontstoken".
En in vers negen wordt ,dut schone lied des Heeren !aldus voortgezet: „Ik zal de hitttgheid Mijns toorns niet uitvoeren; Ik zal niet wederkeren om Efraïm te verderven; want Ik ben God en geen mens, de Heilige in het midden van u, en Ik zal in de stad niet komen".
Dus God trekt Zijn -oordelen in en gaat Israël niet verderven als Adama en Zeboïm? Achteraf bekeken valt alles nog mee. Ja, maar lees nu goed, wat er in die tekst ook staat: „Ik ben God, en geen mens". De Heere is een Waarmaker van Zijn Woord, en wat Hij eenmaal gesproken heeft, blijft vast en onverbroken. Die woorden zijn er uit, en die neemt de Heere nooit terug.
Onder de kerkmensen zijn er vele, die gaarne luisteren naar Hoséa 11 vers 5 en 7. Zij houden wel van een oordeelsprediking, net als die mensen in Ezechiëls dagen. Voor hen werd de oordeeisprediking zelfs een lied der minne. De prediker late vooral niet te veel horen over de „mogelijkheid" van verlossing, en zeker niets over de „zekerheid" van de verlossing door de gegeven Verlosser. Dat gaat te ver. Een mens is nu eenmaal ellendig. En 'dat blijft hij tot 'aan zijn laatste 'levenssnik. Ellende en nog eens ellende, dat moet gepredikt worden.
Doet hij dat niet, dan is hij niet zuiver.
We weten het, geliefden, dat Gods volk tot de laatste dag moet inleven hoe ellendig het is. Maar gelukkig is er meer. Onder de kerkmensen zijn er zéér velen, die gaarne luisteren naar Hoséa 11 vers 8 tot 11. In tegenstelling met de eerstgenoemden, willen zij niets weten van oordeelsaankondigingen. Zij luisteren liever naar de prediking van de verlossing, en naar woorden, die van liefde gewagen; van de liefde Gods horen zij gaarne spreken. Zowel de vorig genoemden als dezen bedoelen zichzelf. Zij maken door scheiding, die zij aanbrengen in geloofszaken, gronden in zichzelf. En beide gronden zijn oppervlakkig omdat zij door de mens in de mens gezocht worden.
De oppervlakkige pessimist zou dan tot de konklusie moeten komen, dat hij om zal komen gelijk de inwoners van Adama en Zeboïm. Staat dat dan ergens in de Schrift, dat de uitverkorenen Gods in de rampzaligheid eeuwig zullen branden? Immers nergens? Trouwens, dat geloven zij ook niet, tenminste niet van zichzelf. Zij geloven het goede van zichzelf, omdat zij het zo nauw nemen, en per sé zo alleen zalig willen worden.
Een echt kind van God gelooft zijn verloren staat voor God, neemt dus voor waar aan dat God hem moet verwerpen om Zijn doodstaat. De oppervlakkige pessimist praat over zijn verloren staat. Hij gelooft misschien nog historieel dat hij een verloren mens voor God is, maar hij zal er niet veel nachten wakker van geweest zijn, misschien nog geen een nacht. In ieder geval is het hem nog nooit tot schuld geworden, dat hij verloren ligt voor Gods aangezicht. Het heeft hem nog nimmer iets gedaan. Misschien is hij wel eens benauwd geweest voor de gevolgen van het zondeleven, maar hij weet niet van een benauwdheid der ziel, waarbij het gaat over de zaak: Hoe kom ik ooit met God verzoend?
De oppervlakkige optimist wil gaarne „gelokt" worden in de prediking. Daarom moet er veel gesproken worden over verlossing, en nog meer over dankbaarheid en over de liefde Gods. Het ligt hem zelfs zéér goed, als de prediker eveneens veel spreekt over de liefde, die wij oefenen jegens de Heere. De prediker legt vooral veel nadruk op de verantwoordelijkheid van de mens, opdat de mens kome tot het waarnemen van zijn plichten, die hij heeft in de dienst van God. Bekering is noodzakelijk — dat zal waar zijn — maar vergeet niet te zeggen, dat de mens in die bekering ook heel wat doet. Bekering is voor dezulken een in eigen krachten volbrengen wat God van ons eist, waarop dan volgen moet, dat God Zijn belofte aangaande de vergeving der zonden en een recht ontvangen op het eeuwige leven aan ons waar maakt.
De oppervlakkige optimist neemt alles aan, zonder enige aarzeling. Hij kent geen strijd. Hij maakt niets mee als hij iets aanneemt, of het zou moeten zijn, dat hij van God een tikje op de schouder verwacht, waarmee de Heere tegen hem wil uitdrukken Zijn grote genegenheid vanwege de prestaties van deze mens. Och, geliefden, zowel de een als de ander, die wij u hier voorstelden, zijn zeer ingenomen met zichzelf. Wat ze missen, weten ze niet, en wat ze bezitten, blijf daar van af, want anders heb je het gedaan.
Hoe vergaat het nu de kinderen Gods? We zouden kort kunnen zeggen, dat het dat volk altijd meevalt. Dus die horen bij de optimisten? Ja, maar niet bij die oppervlakkige optimisten. Het valt Gods kinderen mee, dat ze nog niet in de rampzaligheid liggen. Zouden ze daar niet verheugd over, zijn? Het valt hun nog meer mee, dat de Heere hun genade wilde bewijzen, bij aan en voortgang. Zouden ze daar niet verblijd over zijn? Ja, maar zij kennen toch ook hun smart over hun afmakingen, en dat is toch geen oorzaak van grote blijdschap? Gelukkig, dat God door genade hen in de smart brengt over hun zonde, die Hij ordentelijk voor ogen komt te stellen. Maar toch is het genade, dat Hij dit doen wil, want ontdekte en bedekte en vergaf Hij niet, waar zou het op moeten uitkomen? Goed doordacht is ook dit nog een oorzaak van vreugde, dat God in Zijn genade de zondaar niet laat begaan, maar hem een halt komt toe te roepen, en een begin gaat maken met Zijn ontdekkingen.
Wat bedoelt God? Wat wil God in Hoséa elf? Voor de derde maal stellen we deze vraag. We moeten toch aannemen, dat Israël verdiend had overgeleverd te worden in de handen van de duivel. Waarom spreekt de Heere toch opnieuw wéér van genade? Had Hij er de kinderen Israëls te lief voor om hen over te geven in de handen van de vijanden? Trekt Hem misschien toch iets aan in dat volk, waar we niet direkt achter kunnen komen?
Geliefden, mogen wij u kort en zakelijk meedelen, dat de Heere er Zichzelf te lief voor had. Hij zou in botsing komen met Zichzelf, als Hij Israël verwierp van voor Zijn aangezicht. Hoe bedorven Israël ook was, in zijn schoot was de Messias verborgen, en uit die schoot moest de Heiland der wereld te voorschijn treden. Dit is de reden waarom er van een totale vernietiging geen sprake kan zijn. Om Christus' wil. Om het Overblijfsel, Christus, zal u een overblijfsel zijn naar de verkiezing der genade. Het berouw en de erbarming Gods, waarvan hier sprake is, vinden hun grond alleen in Christus, voor Wie de Vader géén pardon had, en aan Wie de heilige God de bitterheid Zijns toorns wel heeft uitgevoerd. Wie het kruis van Christus voorbij loopt, heeft geen betere toekomst dan die van Adamna en Zeboïm te wachten, maar voor ieder die God :te voet valt, klinkt -de ontroerende belofte: „Al Mijn berouw is tezamen -ontstoken. Ik zal, de hittigheid Mijns toorns niet uitvoeren; Ik zal niet wederkeren om Efraïm te verderven".
Als de Heere Zijn liefde gaat bewijzen aan het schepsel, dan zal het schepsel met wederliefde antwoorden. Dat dit alleen kan als bijzondere genade het deel wordt van de mens, behoeft nauwelijks opgemerkt te worden. Zonder bijzondere genade is het ten enen male onmogelijk.
Wie zijn de voorwerpen van Gods liefde, terwijl toch Zijn recht gehandhaafd blijft, en wel in Christus? De voorwerpen van Gods liefde zijn te vinden in het overblijfsel. Wat moet er met hen gebeuren?
Laten we eerst nagaan waar dat overblijfsel terecht gekomen is. Naar het Woord des Heeren is Gods volk in ballingschap gekomen. Waarom? Omdat het van de Heere was afgeweken. Maar daar heeft Gods volk toch geen last van? Dat volk is toch een gehoorzaam volk? Was het niet de schuld van dat deel van Israël, dat de afgoden diende, en zich niet wilde bekeren tot de Heere? Hoséa heeft het ook over. Israëlieten, die zich niet tot de Heere wilden bekeren. Gods volk is toch bekeerd? Och, dat we het eens duidelijk mochten opmerken wat Gods Woord ons hier te zeggen heeft. Wat hebben we dat nodig, ook in,onze dagen. Dan zouden er minder brave mensen onder de bediening des Woords zitten, en men zou meer kunnen beluisteren de stem van hen, die belijden, dat zij God op het hoogst hebben misdaan. Het is de armoede van ons geestelijk leven, dat we zo weinig met de bekering te maken hebben, en ons derhalve niet buigen onder de slaande hand Gods. Wat zouden we het goed hebben bij de Heere als we dat echt in de oefeningen weer eens mochten beleven. Dan zou er honing aan 'de roe zijn, en Gods volk zou door God weer worden opgericht. Maar als het zelf kan gaan en staan, dan proeft het niet de nabijheid des Heeren. Hoe welgelukzalig is dat volk, als het zich in Christus één met Hem mag weten, die nooit meer op hen zal toornen of schelden. Hoe dor is het geestelijk gesteld, als we ons met het praten over die zaken op de been proberen te houden, terwijl we goed weten, dat de beleving der zaken er niet is. Wat zijn we dan toch hoogmoedige schepselen en bedoelers van onszelf.
Alleen wie zich buigt onder ede slaande hand Gods, wie zich daaronder vernedert, komt weer achter de Heere aan. Dezulken zijn bezig in de bekering. Aan hen is God in dadelijkheid weer begonnen met de bekering. En waar de Heere gaat bekeren, daar moet de zondaar maar eens proberen het na te laten.
Wat heeft Zijn volk dan gedaan, dat het zich weer onder de slaande hand Gods moet bukken? Wel, dat volk heeft zich nedergebogen voor de afgoden. Ja, maar toch niet de echte, bekeerde kinderen des Heeren?
Mij dunkt, geliefden, er is straks voldoende gezegd over de oppervlakkige pessimist en optimist. Deze twee hebben veel tegen de afgoden, maar kennen doen ze die afgoden geen van twee. Waarom niet? Omdat zij zichzelf niet kennen, en wat erger is, ze kennen God niet. Zo -gauw we God gaan kennen door genadige openbaring, dan gaan we ook enige kennis aan onszelf krijgen, met dat gevolg, dat we later ons eigen ik als de grootste afgod krijgen te bestrijden.
Gods volk in ballingschap krijgt in de banden te zien, waar het aan schortte. Daarvoor wordt het in de schuld gebracht, en nu kan God niet nalaten Zijn eigen werk te bekronen met de zegen Zijner liefde.
Hij heeft dat volk om eigen schuld in ballingschap gevoerd, maar nu zal Hij gaan brullen als een leeuw tegen de instrumenten, die Hij gebruikt heeft voor die wegvoering van dat volk. Dit brullen is een brullen van liefde voor de Zijnen, en Gods volk kan er wel bij gaan zingen, maar ditzelfde brullen is angstaanjagend voor de vijanden des Heeren, vooral voor die vijanden, die Gods volk hebben aangerand. Dat hebben zij dan tevens de Heere gedaan. En dat gedoogt Zijn heiligheid en rechtvaardigheid niet. In volle majesteit zal Israëls God Zich verheffen om de verdrukkers van Zijn volk schrik en ontzag in te boezemen, en hen te dwingen de ballingen uit hun greep los te laten.
Het overblijfsel, het boetvaardige deel, zal dan bevend komen, niet van angst, maar vervuld van diep ontzag voor die heerlijke God.
Gods lieve Geest wekt ontzag in de ziel van de zondaar voor de majesteitelijke God. En het is een zondaar, die iets van die majesteit Gods krijgt te aanschouwen, terwijl hij aan zichzelf ontdekt wordt als een overtreder, als een verderver. Hij wordt benauwd gemaakt voor zichzelf, en dan is er ook een angst, die hem doet beven vanwege zijn menigvuldige zonden. Nu is het echter Gods goedheid, dat Hij die zondaar niet alleen laat blikken op zijn afmakingen, maar ook laat opblikken naar Hem, Die Zich ontfermt over wie Hij wil. Daardoor krijgt de ontdekte ontkoming bij Hem, Die hem veroordelen moest en dit doet hem vluchten naar zijn Rechter, Welke hij -om genade leert smeken. De afstand was door de zonde zéér groot geworden, en om tot God weder te keren moet de thuisreis aanvaard worden. Op die thuisreis is er ontzag voor God, hij komt al bevende, vol ootmoed, als een boeteling.
Op die reis heeft hij haast, want hij vliegt als een vogel. Vanwaar die haast? Omdat hij heeft geblikt, door Gods Geest ontdekt, in het land van de schaduwen des doods. Hij zag daar zijn eigen werk, allemaal werken des doods. Daarom kan hij niet haastig genoeg zijn daar zo gauw mogelijk uit weg te komen. Is de zondaar hierin werkzaam? Werkt hij mede in die vlucht? Ja. Maar wie zette hem aan het werk? Dat was God, en God blijft altijd weer de auteur in de bekering, maar Hij doet de zondaar werkzaam zijn krachtens het nieuwe leven, dat Hij hem schonk. Het wederkeren tot de Heere is in de diepste grond het gevolg van de trekkende liefde des Vaders. Daarom ligt er een zoetheid en zaligheid in als we naar huis terug mogen gaan. Daarom hebben we ook haast als we huiswaarts mogen keren.
Gods volk krijgt dus van hemelswege een brandende begeerte, om uit het vreemde land weg te komen.
Och, wat is dat volk gesard en geplaagd door de vijanden. Vroeger waren het Egypte en Assur, en als we ons niet vergissen moeten we nog altijd uit Egypteland uitgeleid worden om in Kanaan te kunnen aankomen, en dat onder de leiding des Heeren. Maar eenmaal uitgeleid, zou men zeggen, dat men nimmer meer enige last van die vijand zou hebben. Dat komt echter anders uit. Hebben ze onderweg al niet kenbaar gemaakt, dat ze terug verlangden naar de vleespotten van Egypte, naar dat goede land? Als God geen God was, en als Zijn verkiezing niet onberouwelijk was, wij waren al lang vergaan. Doch de Heere zal. Zijn werk volenden. Hij laat niet varen de werken Zijner handen.
En Gods volk alleen heeft de striemen gevoeld, die de Egyptenaren toebrachten. Niet iedere Israëliet weet van die pijn. De beminnaars van het zondeleven hebben er geen weet van, dat het doen van zonde pijn veroorzaakt. Liefdepijn, omdat de mens zondigt tegen een goed en goeddoend God. De zondedienaar ziet zijn tyran aan voor een vriend. Hoe vele Israëlieten hebben zich later niet aangepast bij de omstandigheden, die zich voordeden tijdens hun ballingschap? In de takken van het machtige Assur hebben ze hun nest gebouwd, en zijn met die boom omgevallen.
De ware Israëliet heeft zich nooit thuis kunnen voelen in het vreemde land. Daarom heeft hij de harp aan de wilgen gehangen en gezegd: „Eer vergete mijn rechterhand zichzelf, dan dat ik u vergete, o Jeruzalem". Het gemis deed waarderen. Het is met de kerk als met een zieke, die zijn gezondheid waardeert als hij ziek is. Gods volk heeft de liefde Gods mogen proeven, maar is door eigen schuld in droeve omstandigheden geraakt. Het kan daar niet meer uitkomen, en dan, ja dan gaat het waarderen, wat het vroeger van zijn God genoot.
Maar ziet wat God doet. Hij wekt een brandend heimwee in het hart naar huis. Hij bewerkt de ziel zó, dat zij het niet langer buiten Hem kan stellen, en ze gaat wenen van droefheid naar God, Die een onberouwelijke bekering werkt tot zaligheid. En als de Heere werkt, wie zal dan keren? Dus eigenlijk is het zó, dat het volk niet langer buiten de Heere kan leven, omdat de Heere niet buiten Zijn volk wil leven? Ja, zó is het. De Heere heeft dat volk lief am Zijns groten Naams wil om Zijn Zelfs wil. En als we het zó mogen leren, dan krijgen we ook meer en meer oog voor de zekerheid van onze zaligheid. De Heere maakt Zijn volk zalig tot opluistering van Zijn volmaakte deugden. Ze moeten dus zalig worden? Ja zeker. Wilt ge het bewijs? Zegt de Heere dan niet in Zijn Woord: „Ik wil en zij zullen"? Dat is de drang, in God voor de handhaving van Zijn deugden. Dat is de drang in die verheven Majesteit tot verheerlijking van Zijn eigen Gave, Zijn Zoon, Zijn Verlosser, geschonken aan armen en ellendigen om hen eeuwig welgelukzalig te maken in Hem.
De vogels kennen een trektijd, zo ook Gods volk. Als ge een andere benaming wilt, noemt het dan een vindenstijd. In die tijd zullen zij met ootmoed smekend komen. En in die tijd is de haast zó groot en de drang naar God terug zó sterk, dat het volk van die God onderweg zingt:

Een zee van ramp moog' met haar golven slaan,
Hoe hoog zij ga, zij raakt Hem zelfs niet aan.

Gods volk kan het door die trekkende liefde in de vindenstijd niet langer bij de zonde uithouden. Het weet: hier moet ik weg. En als ze huiswaarts keren, met een schuldbelijdend hart, och, hoor dat volk dan zingen. Zingen eerst over God:

Gij evenwel, Gij blijft dezelfd', o Heer',
Gij zijt van ouds mijn Toeverlaat, mijn Koning,
Die uitkomst gaaft, en uit Uw hemelwoning,
Voor ieders oog, Uw haat'ren ging te keer.

Om dan in te zetten voor zichzelf:

Geef 't wild gediert', dat niets in 't woên ontziet,
De ziele van Uw tortelduif niet over;
Laat, grote God, om een gehaten rover,
Uw kwijnend volk niet eeuwig in 't verdriet.

Maar zingen wij nu eerst Psalm 74 : 12 en 18.

II.
De waarachtige bekering is daarom niet alleen een hartelijk leedwezen over de zonde zonder meer. Doch ook een haastig vlieden van de zonde. Dit vluchten is geen bewijs van bangheid of zwakheid, maar integendeel een bewijs van kracht. Wie een andere zienswijze van God heeft ontvangen krijgt daarbij een andere levenswijze. Voorheen leefde men in de zonde, wilde haar niet loslaten voor geen prijs. Nu echter vlucht men bij de zonde vandaan. De volgorde van zaken bij God is: Eerst een vernieuwde zienswijze, en als gevolg daarvan een andere levenswijze. Zo is het altijd. Als we nu dan ook de andere zienswijze gaan behandelen, nadat we eerst de andere levenswijze hebben besproken, wil dat met zeggen, dat we de orde Gods om willen keren. Geenszins. Maar Hoséa gaat ons hier zelf in voor. Het is alsof hij er de nadruk op wil leggen, hoe de bekering eigenlijk is; hoe die bekering door God gewerkt wordt. Dat die bekering aan de buitenkant van het leven waar te nemen is. Maar, zo waarschuwt hij ons, niet elke bekering is een waarachtige bekering. Als het begin van de bekering niet aan de binnenzijde van het leven begonnen is, en daar niet door God is gewrocht, dan heeft dat uitwendige veranderen totaal geen betekenis voor de eeuwige welgelukzaligheid. Het grote begin is door God bepaald in het hart, daar gaat Hij vernieuwen. En dan gaat Hoséa ook spreken over de duiven. Ook hiermede heeft hij een bedoeling. In de oude bedeling was de duif geen onbekende, evenmin als het lam. Deze dieren moesten voor de Heere geofferd worden voor reiniging en schuld. Deze offers zagen op de Christus, Die komen zou om de ware reiniging en gerechtigheid aan te brengen. Alleen waarachtig zaligmakend geloof aanvaardt Hem hierin als de Gezondene des Vaders, en zoekt geen reinheid noch gerechtigheid meer in eigen leven.
Door dat Offer wordt onze oude mens met Hem gekruisigd, gedood en begraven. En wel, door de kracht die in dat offer gelegen is.
We moeten dus met Hem gekruisigd worden. Ja worden. Dat is niet pop één dag gebeurd. Dat gaat ons hele leven door. En dan dat gedood worden. Al weer worden. Zegt ons dit nog iets? Komt u de laatste tijd nog wel eens mensen tegen, die klaar zijn? Die het buitengewoon goed weten hoe het moet zijn, en die geen ogenblik aan zichzelf twijfelen? Dat is een bewijs, dat zij onschriftuurlijk zijn, en ook onschriftuurlijk leven. Er staat nog altijd: gekruisigd, gedood, begraven worden. Er is geen klaarkomen bij. Laat u dat toch zeggen, opdat ge nog eens onderwijs mocht ontvangen van Gods Geest over uw staat en stand voor de eeuwigheid. Het woord genade houdt al duidelijk in, dat we hier maar iets van het volmaakte krijgen te ondervinden. We zouden het op aarde trouwens geen eens kunnen verwerken. We zouden er onder bezwijken. En genade gaat ook altijd gepaard met ontdekking. Welnu, een ieder, die van de ontdekkende genade Gods iets kent, weet dit zeker, dat hij er nog lang niet is, dat hij hier nooit klaar zal komen. En die Bontdekking is niet 'iets, dat aan de buitenzijde van het leven geschiedt, maar aan de binnenzijde.
Laten we eens een kijkje aan de binnenzijde van, het leven gaan nemen.
Hoséa heeft gesproken over een duif. Dat volk van God krijgt dan door genade een duivenaard en wordt begiftigd met een duivenschoonheid. Het moet opgemerkt, dat Israël lang niet altijd die schoonheid heeft getoond. En de levende kerk van onze tijd zal hetzelfde moeten erkennen.
Iemand heeft eens geschreven: „In Hoséa's dagen leken de Israëlieten meer op duivelen dan op duiven. In elk geval op roofvogels. Groten stalen en kleinen stalen, en allemaal als raven. Duivenoprechtheid maakte plaats voor slangenbedrog". Het valt niet mee om zoiets te beamen. Toch is het de volle waarheid. Het is dan ook een eeuwig wonder van Gods genade, dat zulke duivelen duiven worden.
Dat kan alleen de Heere bewerken. Daar is een drieënig God voor nodig om zo'n vernieuwing tot stand te brengen. Wat onmogelijk is bij de mensen is mogelijk bij God. Mij dunkt, medereiziger, u zult toch niet hoog staan met uzelf, als God u aan de binnenzijde van het leven aan een dergelijke toestand gaat ontdekken? Ge zult daar toch niet groots op kunnen worden? Wel zult ge u moeten schamen voor de rechtvaardige en heilige God. Wel zult ge u neerbuigen in het stof, daar ge denkt, ieder ogenblik door Hem weggevaagd te zullen worden. Ieder kind des Heeren kent iets van die duivelsgezindheid in eigen hart. Neen, hij gaat niet naar een ander om waar te kunnen nemen wat God van de mens zegt. Hij kan het alles in eigen leven terug vinden.
Maar wat gebeurt er nu? De Heere werpt niet weg. De zó ontdekte wordt naar de Heere getrokken, en met een duivenaard en duivenschoonheid begiftigd. U begrijpt wel, dat dit niet iets kan zijn wat door de zondaar zelf tot stand gebracht is. Dat zulks alleen van de Heere is, Die mildelijk geeft en niet verwijt. Hij geeft wat de mens niet heeft, en vergeeft wat een scheiding maakt tussen God en zijn ziel. God ruimt op wat van ons is, en brengt in wat van Hem is. Om het onze zouden we eeuwig om moeten komen, maar door Zijn werk zal een verlorene behouden worden. Dit is niet te begrijpen, het laat zich alleen geloven door dat geloof, wat de Heere door Zijn Geest en Woord werkt in het hart van de zondaar. Dat komt de zondaar ook toe te stemmen. Zo leert hij het ook kennen. Zo leert hij ook die God vertrouwen, Die hem dit schonk uit loutere genade om Christus' wil. En hartelijk zegt hij amen op de belijdenis, als deze zegt: Zonder enige verdienste onzerzijds. Hij zou het ook niet anders willen. Zijn wil wordt ook in deze heilige gang totaal door Gods wil verslonden.
Maar wat zou die zondaar nu willen? Wel, volmaakt voor Gods aangezicht te leven. En dat kan alleen, als hij die duivenaard en duivenschoonheid van God ontvangt. En die zijn inwendig aangebracht. Deze moet hij nu naar buiten uit gaan leven.
Eerst had hij een roofdierenaard, maar deze is geheiligd en tot een duivenaard gemaakt. Dat is het belangrijkste element van de bekering.
Als men dat heeft beleefd, zal men zich ook niet meer verbergen achter het: Ik ben nu eenmaal zo. Zij begrijpen van de bekering niets. Het is immers -Gods Geest, Die inwoning maakt voor Zichzelf in het hart van de zondaar, en zie de zondaar meer en meer heiligt van de vuiligheid der zonde, en hem een begeerte geeft om in de dadelijkheid voor God te willen leven.
De levende kerk gaat ook, omdat God het leert, vergeving vragen over de zondige aard, waarmee zij haar leven lang te strijden heeft.

Toepassing
De vernieuwing is het werk des Heiligen Geestes. Hij geeft ons de kennis over het Lam, Dat ter slachting werd geleid, Dat stom was voor het aangezicht Zijner scheerders, en Dat Zijn mond niet open deed. Eenmaal heeft de Heilige Geest Zelf de gedaante van een duif aangenomen bij de doop van Jezus.
De Heilige Geest een duif; de Zoon een lam. Van die beiden moet de kerk wat hebben. Oprechtheid en geduld. Allen, die genade ontvangen, hebben kennis aan de oprechtheid en het geduld. Zo oneerlijk als ze vroeger waren, zo eerlijk worden ze nu gemaakt door de bearbeiding des Geestes, Die het neemt uit de Vader en uit de Zoon. Vroeger dienden zij de vader der leugenen, die een mensenmoorder is van den beginne, nu mogen zij de Heere dienen in oprechtheid des harten.
Was dat maar elke dag zo. Want dat is nu juist de grote moeilijkheid, dat men God dag en nacht behoorde te dienen met een oprecht hart, maar de werkelijkheid is zo anders. Hoe dat komt? Och, zou men opgehouden zijn met strijden tegen de zondige aard? Is men wellicht gaan lonken naar het schijnschoon der wereld? Heeft men de duivel opnieuw toegang verleend tot het hart en naar hem geluisterd?
Wilt u dan nog eenmaal luisteren naar onze tekst, het levende Woord van God? „Zij zullen bevende aankomen uit Egypte, en als een duif uit het land van Assur". Volk, krijgt u er dan geen zin in om weder te keren tot de Heere, opdat Hij u geneze? Verlangt dat nieuwe deel dan niet terug naar God? Wat is er toch in uw leven, dat het al zo lang donker is?
Zijn de vleespotten van Egypte het voorwerp van uw verlangen geworden, en hebt ge de ware begeerte des harten het zwijgen opgelegd? Luistert ge mee naar het lied van de dood, dat de wereld iedere dag zingt? Houdt uw vlees u op de knieën voor die wrede duivel, die alleen uw dood op het oog heeft?
Is uw eigen vlees momenteel zo sterk, dat ge er liever alles aan waagt, dan nog eenmaal terug te verlangen naar de dagen van weleer, toen het u beter was dan nu, alhoewel ge het misschien niet erkennen wilt?
We zouden nog wel terug willen, als we maar iets mochten behouden wat ons trekt naar het vlees.
We zouden nog wel willen horen van een dagelijkse bekering, als we het naar eigen believen mochten volvoeren. We zouden nog wel willen buigen voor God, als we er zelf maar niet helemaal aangingen. O ja, wij willen nog zoveel. Maar dit willen is buiten God om. Daar klinkt niet in door: Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal. We beginnen er zelf maar aan, en daarom worden we zo gauw moe. We weten niet van volharden, en het doel bereiken we nimmer. Daarom houden we maar op. We teren op wat vroeger is geschied, en trachten alle onrust, die nog wel eens opkomt in ons hart, de kop in te drukken.
Als we eerlijk zijn jegens onszelf, moeten we belijden, dat het tussen de Heere en onze ziel niet in orde is, snaar we werken ons er over heen. En zo tobben we verder. Ja, zo zouden we verder tobben in deze tijd, tot we in de eeuwige nacht kwamen, waar geen uitkomen meer bij is.
Maar ziet, wat ,gebeurt er?
Het onbegrijpelijke, het wonder. Die niet terug kunnen, omdat ze zich onmachtig hebben gemaakt door een dodelijke onwil, die komt de Heere te begiftigen met een heimwee naar huis, maar eerst te begiftigen met een schuldverslagen hart. Daar hoort u ze kermen. Kermen om genade. Kennen om vergeving. Luistert naar hun belijdenis, naar de belijdenis van de levende kerk:

Gedenk niet meer aan 't kwaad, dat wij bedreven;
Onz' euveldaán word' gons uit gunst vergeven;
Waak op, o God, en wil van verder lijden
Ons klein getal door Uwe kracht bevrijden.

Ze zitten dus gevangen. Maar dan staart er in Gods Woord: „Op uw noodgeschrei, deed Ik grote wond'ren", en

Die gevangenen uit de boeien redt;
Maar die verlaters van Zijn wet
Doet in het dorre wonen.

En zij verlieten Gods wet. Dan moet de vloek der wet hen toch ook treffen? Ja, maar die schuldenaar mag worden voor God, zal niet vervloekt worden. Ge zult ,op Gods tijd een Vrijspraak krijgen in Hem, Die alles volbracht. Ook uw zonde van afdwaling, ook dat tergende zelf willen doen. Niets blijft onvergeven. Hij gaat onder uw vloek en schenkt u Zijn zegen. Hij wordt ongerechtigheid, opdat gij rechtvaardig zoudt zijn voor Gods aangezicht. Hij daalt in uw zonde, wordt daar één mee, en neemt die alle bij u weg, zodat gij zonder zonden komt te staan voor het. gericht. Hij ging in de dood, daar Hij toch het Leven is, opdat de doden. zouden leven door Hem. Hij liet Zich uit Gods gemeenschap wegstoten,opdat er voor u gelegenheid zou zijn om opnieuw terug te kunnen keren naar huis, hoe vaak ge ook weggelopen zijt. Hij haakte naar de liefde des Vaders, toen hij nederdaalde ter helle, maar ze werd Hem onthouden, opdat gij er eeuwig deelgenoot van zoudt zijn.
En nu is het door Zijn volmaakte offerande onmogelijk geworden, dat ge op de thuisreis verdwalen zoudt. Dwalen nog wel. Maar niet thuis komen is onmogelijk. Hoe lang staat de Heere nu al naar u uit te zien? Hebt ge er al eens indrukken van gehad? Zou uw hart niet moeten bezwijken onder zoveel liefde Zijnerzijds?
De kerk komt thuis. Omdat de Heere er garant voor staat. Omdat Hij alles heeft gedaan om dit mogelijk te maken. Omdat de Vader eeuwig bewogen is geweest in Zichzelf. Hij verkoor de zondaar. Omdat de Zoon de deugden des Vaders handhaafde. Hij verloste de zondaar. Omdat de Heilige Geest de verworven weldaden door Christus toepast aan het hart van de zondaar.
Niets kan er voor de kerk verkeerd gaan. Alle dingen moeten medewerken ten goede, namelijk degenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn.
Maar daar staat nog wat bij, ja het gaat zelfs daaraan vooraf. Misschien zit daar de oorzaak, dat velen zo duister daarheen leven. U vraagt: Wat gaat er dan aan die tekst vooraf? Dit: ,,En wij weten, dat degenen die God liefhebben".
We hebben misschien wel weer eens een profetische bediening nodig voor ons leven, om er achter te komen hoe het staat met de liefde tot God? Ja, en dan nog - en dat is niet minder voornaam - heb ik mijn naaste lief als mijzelf? Mijn naaste? Ja, mijn naaste. Het zou misschien geen kwaad kunnen als de Heere nog eens Zelf tot ons preekte over de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan, en dan zouden we, denk ik, ook weer moeten gaan geloven, dat de boom aan de vrucht gekend wordt. Amen.


Februari 1962