Souvereine genade der verkiezing
Predikatie over Jesaja 61 : 8a
Door Ds. J. KEUNING
Psalm 20: 1
Lezen Jesaja 61 : 7-11
Psalm 20 : 2 en 3
Psalm 51 : 9
Psalm 51 : 8
Jesaja 61 : 8a: Want Ik, de Heere, heb het recht lief, Ik haat de roof in het brandoffer.
„Want Ik zeg u: tenzij uw gerechtigheid overvloediger is dan der schriftgeleerden en der farizeeën, dat gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan". Deze ontroerende woorden sprak de Heere Jezus eens tot de discipelen in de ons allen welbekende bergrede. Diep ontroerende woorden! Ze tekenen ons immers de eigengerechtigheid, die ons van nature allen eigen is. Maar dat niet alleen. Immers deze woorden uit de Mond der waarheid geven ons ook te kennen wat het is, dat de mens het meest in de weg staat naar de zaligheid, namelijk de eigengerechtigheid.
Wat dat dan is, vraagt ge? Eigengerechtigheid bedoelt op zijn eigen werken te steunen, op plichtsbetrachting ten hemel te gaan, en heeft als diepste grond niets anders dan innerlijke vijandschap tegen God en het behagen van zichzelf. Het is dan ook ieder van nature eigen en behoeft heus niet aangeleerd te worden. Het is een deel van onze erfenis, die we meegenomen hebben van ons aller stamvader en verbondshoofd Adam. Deze eigengerechtigheid, die in onze bedorven natuur ten volle gestalte heeft ontvangen, kent ook geen ander doel dan om zichzelf in de ogen Gods aangenaam te maken. Duizenden listen staan het bedorven hart daarbij ten dienste. Met het oog hierop bad David: „Reinig mij van mijn verborgen afdwalingen".
Deze eigengerechtigheid is een speciale kerkzonde. Duizenden, die zich op deze wijze aangenaam trachten te maken voor God, en die nog nooit het schandelijke en schadelijke van deze wortelzonde hebben leren bewenen en betreuren. De wortel van deze zonde is hoogmoed en eigenliefde. En waar juist deze zonden het meest onze schrikkelijke staat voor de Heere vertonen, daar kan het niet anders of deze zonde doet het kind des Heeren de meeste smart in zijn leven ervaren. Immers, eigengerechtigheid doet genade verachten, het loochent ten diepste eigen doodstaat en zet zichzelf op de troon.
Het is vooral deze zonde, die de Heere bij Zijn oude bondsvolk aan de kaak kwam te stellen, en de profeten hebben dan ook als vertolkers van het Woord des Heeren in niets ontziende ernst het volk deze zonde als voor ogen getekend, opdat zij zich daarvan zouden bekeren in oprechtheid des harten. Hoewel de Heere alle reden vond in dat volk om het te verwerpen vanwege dit alles, is het nochtans naar Zijn ondoorgrondelijke goedheid en welbehagen, dat Hij dit niet deed, wat ons in de woorden van onze tekst doet zien Souvereine genade der verkiezing.
En laat ons dan zien:
I. verkiezingsraad;
II. verkiezingssmaad;
III. verkiezingsdaad.
I.
Verkiezingsraad.
In dit hoofdstuk wordt ons de toekomstige heerlijkheid van het volk van Israël beschreven, nadat het door de Heere bevrijd is geworden uit de ballingschap. Zeker, toen de profeet Jesaja deze boodschap van de Heere ontving en deze aan het volk aankondigde, was er van deze heerlijkheid nog weinig, of beter gezegd niets te bespeuren. Integendeel! Het had veel meer de schijn, dat het met Israël steeds meer bergafwaarts ging en dat de Heere eerder het kwade voor Zijn volk zocht dan het goede. Wanneer de profeet rondom zich zag, dan merkte hij niets van die verandering, maar zag zijn oog niets anders dan een volk, dat in zijn zondeweg volhardde en in niets veranderde.
De vervulling van deze rijke beloften lag dan ook niet aan Israël, maar aan de Heere. Hij is het immers, Die hier telkens sprekende wordt ingevoerd met het woordje „Ik". Tot viermaal toe wordt in de woorden van onze tekst gesproken over „Ik". Dat is de trouwe Verbonds-Jehova, Die Zijn schuldig bondsvolk niet zal, noch wil overgeven aan zichzelf. De Heere heeft heel wat met dat ontrouwe volk te stellen gehad. Hij heeft dit volk verkoren, het als Zijn eigendom aangenomen, met voorbijgaan van al de omliggende heidense volken is het juist dit volk geweest, waarop Hij in liefde heeft willen temeer zien, en juist dit volk heeft de Heere het meeste verdriet aangedaan. Door zijn zonden heeft het zich de gramschap des Heeren dubbel en dwars waardig gemaakt. Bovendien, dit volk heeft de Heere geleid, verzorgd, bewaard en beschermd. „Alzo heeft Hij met geen volk gedaan, en Zijn rechten, die kennen zij niet". Dat gold het Israël van de oude dag. En geldt dit ook niet van de kerk des nieuwen verbonds? Ook dat volk eerkoor de Heere, Hij wederbaarde hen, leidde, bewaarde het in duizenden gevaren, beschermde het tegen zo vele vijanden, onderwees het temidden van zo vele raadselen; Hij verzorgde het als Zijn oogappel.
En Israël? Was het de Heere erkentelijk voor de weldaden, aan hen bewezen? Was het aan dat volk te zien en te merken, dat ze zulk een bevoorrecht volk waren? De Heere had daar zeker recht op. Maar helaas! In plaats dat Israël wandelde in de wegen des Heeren, diende het de afgoden en vertrapte de inzettingen des Heeren. Het schond Zijn heilige wet en ontluisterde Zijn heerlijke deugden van trouw en liefde; in één woord, het betoonde een snood en ondankbaar volk te zijn. En vooral door het handhaven van één zonde, namelijk van eigengerechtigheid. En wel in tweeërlei zin: Wanneer de Heere hen tuchtigde, dan probeerde het volk er onderuit te komen en schreeuwde, dat ze dit niet verdiend hadden; en zegende de Heere hen, dan deden ze het voorkomen alsof dit te danken was aan hun ijver en werk. De eigengerechtigheid ten top dus. Het volk op de troon en de Heere er af. Zie, dat was de wortelzonde van Israël. Maar dat is ook de wortelzonde van uw hart, geliefden. Hoe droevig en Godonterend! Immers daardoor wordt de Heere van Zijn eer beroofd. Daardoor ontvangt de Heere voldoende reden -om dit volk voortaan niet meer genadig te zijn, en bovenal hen te bezoeken met de roede en bittere tegenheden. Wat Godonterend van dat volk, dat uit genade mag weten door God verkoren, geleid, onderwezen en bewaard te zijn. Welke bittere vruchten tegenover zoveel betoonde en genoten genade. En toch, de ontrouw van des Heeren volk doet Gods trouw niet te niet. Heeft Hij Zelf niet gezegd: „Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde, en daarom heb Ik u getrokken met koorden der goedertierenheid?" En daarom luidt het woord des Heeren tot dat ondankbare volk: „Want Ik, de Heere, heb het recht lief".
Het recht des Heeren, dat is de Zelfhandhaving Gods tegenover de mens. De Heere handhaaft Zichzelf in Zijn heilige deugden tegenover ieder, die zich daartegen stelt. Dat houdt in, dat Hij opkomt voor Zijn eigen eer; dat Hij niet in de eerste plaats Israël bemint, maar als hoogste in de eerste plaats Zichzelf bemint; en vandaar dan ook Zijn wil en besluit, dat Hij uit vrije liefde nam ten opzichte van Israël, zal handhaven ten opzichte van ieder, die dit durft aan te tasten. Dat wil dus zeggen: De Heere handhaaft Zijn eens genomen besluit om Israël te beminnen, te leiden, te bevrijden en te bewaren, zodat zelfs de zonde van het volk deze liefde niet teniet kan doen. O wondere liefde Gods! Ontsproten uit Gods welbehagen, kan niets deze liefde teniet doen. En daarom luidt het: „Ik, de Heere, heb het recht lief”. Dat betekent in het verband van onze tekst, dat de Heere niet gedoogt, dat de heidenen, die wel gebruikt werden als instrumenten om Israël te tuchtigen, nu ook hun haat zouden kunnen botvieren tegen het door de Heere beminde volk, om het van de aarde te verdelgen. O neen, dat laat de Heere niet toe! Dat laat het recht des Heeren niet toe. Want het is immers Zijn volk, waar de vijanden geen zeggenschap over hebben. Dat recht des Heeren roept om bevrijding van het volk Zijner liefde, en daarom zal dat recht niet rusten vóór en aleer het deelt in de beloofde vrijheid.
En dat recht bemint de Heere nu met de hoogste liefde, met andere woorden, daar zal de Heere nu het hoogste voor doen om die liefde te tonen. En dat heeft Hij gedaan. Israël is uit de ballingschap bevrijd. Maar is dit bovenal niet een rijke profetie van de betoning van de hoogste liefde in de schenking van de beloofde Middelaar des verbonds? In die schenking is de hoogste liefde Gods tentoongespreid. Daarin heeft de Heere gehandhaafd Zijn woord: „Want Ik, de Heere, heb het recht lief". Zie, volk van God, in de Middelaar Jezus Christus is de liefde tot het recht Gods ten volle verwezenlijkt. Om u te kunnen redden van dood en verderf heeft de Vader Zijn Zoon gezonden, om de eisen van Zijn recht te handhaven. Daartoe heeft Hij geleden, is gekruisigd, gestorven en begraven, maar ook opgewekt, opdat Hij ter betoning van des Vaders liefde jegens u de weg zou banen om schuldigen weer met God te verzoenen.
Dat recht Gods, dat wel de dood eiste van de zondaar, eist nu, waar Christus die dood onderging, het leven, het behoud van de schuldige. Wonder van genade en ontferming, wanneer dit aan het hart verklaard wordt. Het recht Gods, waarvoor de ontdekte zondaar vreesde, wat hem verschrikte, maar wat, als hij ermede verenigd wordt, door Christus de weg des behouds voor de ziel wordt. Zoals Gods liefde tot Israël niet gedoogde, dat het onder ging, zo ook hier, Gods liefde eist in de weg van recht het behoud, de zaligheid van de uitverkorene. Zalig wonder van genade, niet te doorgronden, maar enkel en alleen te aanbidden.
De Heere bemint het recht tot behoud van Zijn volk. Dat recht laat de Heere Zich niet uit de handen nemen. Hij gunt de duivel, noch de inwonende zonde van Zijn volk de eer, dat zij Zijn volk zouden ombrengen. Want het is immers Zijn volk, en daarom ligt het behoud van dat volk dan ook enkel en alleen vast in Gods onveranderlijke liefde tot Zijn recht op dat volk. Daar heeft de duivel geen recht meer op.
En dit is nu de strijd van Gods bekommerde volk. Immers zij weten zich des Heeren eigendom (nog) niet. Zeker, zij hebben er wel van gezongen, van getuigd zelfs, goed van de Heere gesproken, liefde Gods gesmaakt. Maar dat recht Gods is voor hen het struikelblok. Dat recht Gods eist hun dood. Zij moeten toestemmen, dat ze tegen al de geboden Gods zwaar gezondigd hebben. Daarom is er zulk een vrees in het hart, dat ze straks nog bedrogen uit zullen komen. En toch, neen! Want de Heere zal niet rusten vóór en aleer ook zij dat recht omhelsd en liefgekregen hebben, opdat de rust hunner ziel zal worden de gerechtigheid van Christus alleen. Daarom houd moed, Godvruchte schaar! Hij is getrouw, de Bron van alle goed, Die niet rust, totdat ook gij rust in Christus.
Nu ligt er echter ook nog een andere gedachte opgesloten in de woorden van onze tekst, namelijk deze, dat de Heere de eer van Zijn eigen werk nu ook zal ontvangen. Daar heeft de Heere recht op. Wie zou daar anders recht op hebben? Israël niet, want wat ze ontvangen, is onverdiende goedheid. „Geeft de Heere de eer Zijns Naams", Psalm 96 : 8.
Dat vraagt de Heere ook van u, onbekeerde zondaar, voor de bewijzen van Zijn verdraagzaamheid, geduld en lankmoedigheid. Voor die vele uitreddingen, die ge hebt genoten; voor de dagelijkse zorg, die Hij nog aan u besteedt. Dat zijt ge Hem schuldig en daar komt ge nooit onder uit.
Maar bovenal vraagt Hij dit van u, bekommerd volk, voor al die vertroostingen, opbeuringen, bemoedigingen en uitreddingen, die Hij u zo menigmaal schonk. Waar zijt ge gebleven met de openbaringen van Zijn trouw en liefde? Er mee van de Heere afgegaan, of er in eigen ogen groot mee geworden? De Heere vraagt van u en Hij heeft het recht daartoe lief: „Geef de Heere de eer Zijns Naams".
Maar niet minder Zijn bevestigd volk wordt voor deze vraag gesteld.
Zij hebben er immers wel de meeste reden toe om de Heere de eer te geven voor Zijn schuldvergevende liefde in Christus, voor Zijn bijblijvende trouw en genade. Tot dat doel verkoor Hij hen immers. „Dit volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen".
Zo was het ook met Israël. Ook van dat volk had de Heere alle reden om te vragen: „Geef de Heere de eer". En wat deed dit volk? Dat overdenken we in de tweede plaats, als we stilstaan bij.
II.
Verkiezingssmaad.
Wat Israël dan deed? Zijn eigengerechtigheid opbouwen. Dit blijkt ons uit het vervolg van onze tekst: „Ik haat de roof in het brandoffer".
Zoals we kunnen weten, werd het brandoffer gebracht op het brandofferaltaar, dat in het voorhof van het huis des Heeren stond. Op dat altaar konden alle soorten offers gebracht worden, kleine en grote. De Heere had de arme onder Israël niet uitgesloten om zijn offers te kunnen brengen voor het aangezicht des Heeren. Wanneer dat offer nu gebracht was, moest het geheel en al verteerd worden, bijzonder wanneer het een dankoffer betrof, waarmee dan aangeduid werd, dat de offeraar zijn offer geheel en al voor de Heere bestemde, zonder iets achter te houden voor zichzelf. Om dit nog nader te bevestigen, moest de offeraar met zijn aangezicht gekeerd zijn naar het heilige der heiligen, om daarmee te kennen te geven, dat de Heere kon zien, dat wat hij gaf voor de Heere bestemd was. Bovendien legde hij zijn hand op het offer, om daarmee aan te duiden, dat zoals zijn offer daar geheel en al verteerd zou worden, hij zichzelf ook zo geheel en al begeerde te geven aan de Heere en Zijn dienst. Het was dan ook een offer, dat gebracht werd uit dankbaarheid voor genoten zegeningen, uitreddingen enz.
En zie, wat geschiedde nu onder Israël? Het was de gewoonte haast geworden, dat men het beste van het offer voor zichzelf hield en de rest voor de Heere overliet. Tegen deze zonde, die algemeen ingang gevonden had onder Israël, toornt de Heere met de woorden van onze tekst: „Ik haat de roof in het brandoffer". Ontzagwekkende woorden! Haten! Dat wil zeggen: alles in God verafschuwt deze zonde, zoals Hij alleen de zonde ten volle kan haten.
Hoe droevig was het dus met het oude bondsvolk gesteld, als het zich op deze wijze de toom des Heeren waard kwam te maken. De Heere had toch recht op Zijn volk en het moest Hem toch met een volkomen en gewillig hart dienen, in algemene toewijding aan Hem en Zijn dienst. Maar ach, het diende zichzelf, bewierookte zichzelf, vereerde zichzelf, en het allerergste: het deed dit alles onder het mom van de eer des Heeren te bedoelen. Eigenwillige godsdienst! Diefstal! En dit is des te droeviger, wanneer we bedenken, dat het brandoffer, hier bedoeld, gebracht werd met het oog op genoten weldaden. Onverdiende zegeningen had Israël van de Heere ontvangen. Wanneer de vraag gesteld zou worden: „Heeft het u aan iets ontbroken?" het zou niet anders kunnen zeggen dan: „Neen, Heere!"
Maar helaas, Israël beantwoordde de zegeningen des Heeren met roof. En wij? Moet de Heere ook niet tegen ons toornen, doordat ook wij ons schuldig maken aan dezelfde zonde? De Heere zegt in Zijn Woord: „Mijn zoon, geef Mij uw hart". En aan wie hebt ge uw hart gegeven, oud en jong? Aan de zonde, aan de duivel en zijn dienst. En dat terwijl de Heere u zegende, u spaarde in Zijn verdraagzaamheid en lankmoedigheid, u de bewijzen van Zijn geduld overvloedig heeft getoond. En waar blijft nu het brandoffer? Hoe menigeen onder ons deed als Israël. God wat en de wereld wat. Halve offers, die de Heere haat, die Hem een gruwel zijn. De Heere wil uw hart en niet slechts iets van u. Worstel daar dan om, om door genade te komen tot de volle overgave van uw hart aan de Heere. Hij roept het u nog toe, zondaar: „Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop". Met al die halve offers van u komt ge eeuwig om. Diep ongelukkig zijt ge buiten God. En al probeert ge dat gemis aan te vullen met uw goede voornemens, en al stelt ge alle pogingen in het werk om uw geweten gerust te stellen, het laat u alles leeg en koud, en het zal u straks doen ontwaken in de buitenste duisternis. Daarom, laat al die halve offers varen en vlucht zoals ge zijt tot de God van Israël, Die ook u toeroept: „Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere Heere, zo Ik lust heb in de dood des goddelozen! Maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekeert van zijn weg en leeft!” De Heere roept u dus, en daarom moogt ge u tot Hem wenden, Die nog spreekt: „Wendt u tot Mij en wordt behouden".
„Ik haat de roof in het brandoffer", dat geldt ook voor u, heilbegerige zondaar, voor wie het de grootste weldaad zou wezen, het te mogen weten op voor u onbedriegelijke gronden, dat de Heere u in Zijn verkiezende liefde gekend heeft. Dat bewijzen de uitgangen van uw hart. Daar spreken uw werkzaamheden genoeg van, hoewel die werkzaamheden niet door u voor echt gehouden kunnen worden. En toch bewijzen die werkzaamheden, dat de Heere in u een goed werk begonnen is, al durft ge daar niet op te rusten.
Vanwaar dat zoeken, treuren, worstelen aan de troon der genade, dat gemis, dat met niets anders te vervullen is dan met de komst van Hem, van Wie de dichter zei: „Spreek Gij tot mijn ziel: Ik ben uw heil alleen". Vanwaar die vrees voor de zonde, die innerlijke haat tegen wat de Heere mishaagt? Vanwaar die begeerte om, indien het mogelijk was, heilig voor God te leven? Waren het niet de beste tijden in uw leven, toen ge gans hulpeloos en reddeloos in uzelf mocht horen, -dat de Heere u toeriep: „Houd aan, grijp moed, uw hart zal vrolijk leven"?
Telkens wanneer de Heere zo uw ziel toesprak en uw hart opbeurde, hebt ge geloofd, dat de Heere ook u had gekend met eeuwige liefde. En toch gaf het de blijvende rust niet, die ge hadt verwacht. Wat daarvan de oorzaak mag zijn? De halve offers, die ge de Heere probeert voor te houden. Het offer van uw gebroken hart, uw goede voornemens, uw oprechte keus, uw tranen, uw worstelingen; altemaal kostelijke zaken, maar die niet de plaats in kunnen nemen van het enig Offer, Jezus Christus en Die gekruist. Bovendien, heeft de Heere de eer ontvangen van al die vertroostingen, die ge hebt genoten? Immers daar schortte het bij Israel aan. En zo ook bij u! Geeft de Heere de eer voor al de genoten weldaden, maar bovenal om de grond uwer zaligheid te zoeken niet in uw werkzaamheden, maar in de ware grond, die Christus door Zijn lijden en sterven heeft aangebracht. Daarin is God op het hoogst verheerlijkt, maar zal ook de zondaar op het diepst vernederd moeten worden. En ziet, daar worstelt ge tegen in, dat verwekt die innerlijke vijandschap tegen de weg van enkel vrije genade. En toch.... in verlies ligt de winst. Verliezen uw gerechtigheden, uw gronden buiten Jezus, daar ligt het behoud van uw vrezende ziel in. Daarbij komt nog, dat de Heere zegt van al die offers, die ge nu de Heere brengt, dat Hij ze haat. Het heil is des Heeren, en niet uw tranen enz., al zal dit alles op weg naar de hemel niet gemist kunnen worden. Beroof de Heere niet langer van Zijn eer en zoek de zaligheid en het behoud uwer ziel in Hem, Die eerrovers Gods toe komt te roepen: „Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven".
„Ik haat de roof in het brandoffer". Dat geldt ook van u, die het kostelijke voorrecht hebt ontvangen om als een vermoeide en belaste die beminnelijke Jezus te leren kennen. Maar wat heeft de kennis van Hem u geleerd? Zijt ge al armer in uzelf geworden, hebt ge meer en meer leren verstaan het woord van Hem: „Zonder Mij kunt ge niets doen"? Het gebeurt vaak, dat Gods kind er de bekeerde man of vrouw mee wordt, ongenaakbaar voor ieder en vanuit de hoogte neerziend op degenen, die met dezelfde weldaad verstaan hebben buiten de dadelijke gemeenschap niets voor de Heere te zijn dan arm en ellendig, maar die veel mogen beoefenen, dat op de Naam des Heeren hun betrouwen is. Tot dezulken zegt de Heere dan ook: „Ik haat de roof in het brandoffer". Ze behoorden ootmoedig, klein in zichzelf, afhankelijk en aanhankelijk te leven, en daar bewijst de openbaring van hun leven niets van. Al hebben ze dan vaak vele en grote woorden, al is hun bekering niet meer geworden dan een „verhaal", waar de echte, kinderlijke vreze Gods uit weg is en waar bovenal het wonder in gemist wordt, de Heere zegt van dit alles: Ik haat het, want het is niet meer dan roof, dan diefstal. Pronken met Gods werk, hoogmoedig met genade ge--worden. Eigenbedoeling, zoeken van eigen eer, de Heere niet geven wat Hem toekomt. Het is verkiezingssmaad!
En ach, wie staat hier niet schuldig? Maar het onderscheid ligt hierin: Wie is het tot smart? Wie drijft dat gedurig uit naar het brandofferaltaar, waarop Jezus Christus het volkomen offer bracht, om daarbij verzoening te ontvangen?
De Heere heeft gezegd: „Dit volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen". „Mijn lof", zegt de Heere. Dat is de Heere waard om Zichzelfs wil, al zou er geen hemel tot beloning en geen hel tot straf zijn. En is Hij het dan niet des te meer waard, waar Hij u verkoor, verloste, leidde, vertroostte en onderwees?
Welk een diepe smaad is het dan voor de Heere, wanneer blijkt, dat Zijn altaar beroofd wordt, wanneer eigen eer en eigen bedoeling in het middelpunt staan. Dat dringt u tot diepe schaamte en verootmoedigt u voor het aangezicht des Heeren, om te staan naar die offers, waarvan David zong, Psalm 51 : 9:
Gods offers zijn een gans verbroken geest,
Door schuldbesef getroffen en verslagen;
Dit offer kan Uw heilig oog behagen;
't Is nooit, o God, van U veracht geweest.
Doe Sion wel, laat om mijn zware val
Uw goedheid niet van zijne burg'ren wijken;
Bouw Salem op, laat nooit zijn muur en wal,
Door Uwe straf, voor 's vijands macht bezwijken.
III.
Verkiezingsdaad.
Onze tekstwoorden hebben ons dus gewezen op Gods recht en Gods eer. Gods recht, dat niet gedoogde, dat de vijanden van Israël de totale ondergang van het volk van Gods verkiezende liefde zouden bewerken; maar ook sprak het van Gods eer, daar de Heere voor al de weldaden, aan dit volk bewezen, de offerande der ootmoedige dankbaarheid kon verwachten. Gods eer werd echter geschonden, Zijn weldaden besmeurd, doordat het volk niet gaf wat de Heere toekwam.
En deze zohde van snode ondankbaarheid ontdekten we ook bij het volk des nieuwen verbonds. En deze zonde maakte hen rijp voor de toorn des Heeren, Die evenwel, o wonder van genade, „in de toorn nog des ontfermens gedachtig wil zijn".
Wees immers het brandoffer op Gods eer, die Hij waardig is te ontvangen van het volk Zijner verkiezende liefde, datzelfde brandoffer wees ook op de betoning van Gods genade.
De Heere had in Zijn wet behaald, dat het brandofferaltaar voorzien moest zijn van vier hoornen, aan elke hoek van het altaar één. Deze hoornen moesten naar Lev. 4 : 25 met bloed bestreken worden en wezen heen naar het door Christus gestorte bloed, dat reinigt van alle zonden.
Deze met bloed bestreken hoornen wezen er dus op, dat de Heere, hoewel heilig en rechtvaardig, nochtans een weg opende voor Zijn schuldig volk, opdat zij verzoening van hun schuld en zonden zouden ontvangen. Hij had er in Zijn verbondsliefde op gerekend, dat Zijn volk Hem de eer voor al Zijn weldaden niet zou geven, en daarom een middel gegeven, waardoor Hij nochtans met dat volk gemeenschap kon blijven houden. Kon blijven houden, dat was het wonder der genade Gods. En daarom spreken die hoornen van het altaar zulk een schone taal van Gods onbezweken trouw en goedheid.
Die hoornen spreken ons dan in de eerste plaats van de macht om te redden. Deze macht ligt in Hem, Die gezegd heeft: „Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde". O wondere macht, die redt uit het verderf, die ophaalt uit de diepten des doods. Het is de macht van Christus, Wiens werk het is om de terneergebogene op te halen uit zijn moedeloosheid, de bestredene te wijzen op Zijn kracht en sterkte, om hen daardoor te bevrijden van de helse listen van satan.
Die macht ligt dus in die dierbare Jezus, Die daarvoor als een Machteloze moest worden en in de staat Zijner vernedering „een worm en geen man" was. O wondere liefde Gods, Hij ontkracht om machteloze schuldigen te kunnen helpen en redden. Gelukkig volk, hetwelk deze Hoorn van het altaar in Zijn reddende, sterkende, ondersteunende en bijblijvende macht telkens weer nodig heeft. Want deze macht van Hem is tegelijk bevoegdheid om dat schuldige volk elke keer weer te helpen. Hij is daartoe bevoegd van de Vader, Die Hem deze macht verleende. En waar Hij nu bevoegd is Zijn macht te gebruiken ten dienste van de Zijnen, daar is Hij echter bovenal gewillig om Zijn macht te gebruiken voor een ieder, die als een arme, boetvaardige zondaar tot Hem de toevlucht neemt.
Daar zijt gij, volk des Heeren, het sprekendste bewijs van. Was het niet Zijn macht geweest, die u uit de zonde en de dood kwam te trekken, ge zoudt er nog in verkeren en u al dieper in de zonde vastgewerkt hebben. Maar de Heere had andere gedachten over u. Gedachten des vredes, naar verkiezende liefde. En daarom trok hij u uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht, deed u Jezus als de Schoonste der mensenkinderen kennen. Hoe menigmaal hebt ge Zijn macht ondervonden, heeft Hij u getrokken uit kuilen van moedeloosheid, bij afgronden van dreigende ineenstorting vandaan getrokken, om u te doen zien Zijn blijvende trouw en liefde.
En telkens moogt ge nu tot die hoornen van het altaar de toevlucht nemen, ook al klaagt uw geweten u aan; al hebt ge des Heeren eer geschonden en zelfs geroofd in het brandoffer. Maar die hoornen van het altaar wijzen ons er vervolgens op, dat er sterkte voor zwakken te vinden is. Het is een dierbare belofte, die we vinden bij de profeet Jesaja: „Hij geeft de moede kracht, en vermenigvuldigt de sterkte die, die geen krachten heeft", Jes. 40: 29. Welnu, zo ervaart Gods kind het menigmaal. Geen kracht, geen moed om verder te kunnen, geen licht om te zien, geen wijsheid om de weg des Heeren te onderscheiden, in één woord alles te missen, wat nodig is om verder te kunnen leven. Moedeloosheid heeft dan de ziel been de klacht wordt dan geuit: „Zwak van moed, kleinvan krachten, en stof van jongsaf te zijn geweest". En juist in deze weg doet de Heere ervaren, dat de sterkte Godes is. O,
wat weet de Heere dan Zijn moedeloos kind liefelijk te ondersteunen, te bemoedigen, wanneer zij door het geloof een gezicht ontvangen op de sterkte, die daar is in de Hoorn van het brandofferaltaar. Wat wordt Jezus' sterkte daar dierbaar voor hun geprangd gemoed; wat weet Hij de bezwijkende ziel uit de
verdrukking op te heffen; wat wordt het kruis daar licht, de weg weer helder, en het uitzicht verheven. Was dit niet Davids sterkte, als we van Hem lezen: „Maar David sterkte zich in de Heere zijn God"?
Sterkte voor zwakken, inderdaad! En gelukkig degene, die daar nooit boven uitgroeit. Die met Paulus ervaart: „Als ik zwak ben, dan ben ik machtig". Machtig in Hem, Die de moede pelgrim kracht geeft en Die beloofd heeft: „Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht".
Daar wordt Gods kind machtig om het kruis op te nemen, de Heere het na te dragen, ja zelfs door genade soms te roemen in de verdrukkingen. En dat alleen door Hem, Die het kruis heeft verdragen, de schande heeft veracht. O dierbare Jezus, wat zijt Ge zo schoon voor het verbroken en verslagen hart,
beminlijk voor de treurende ziel, onmisbaar voor het moedeloze gemoed, en bovenmate begeerlijk voor de zwakke van moed en hem, die klein is van kracht. Kent ge dit? Is Hij u nog nooit dierbaar geworden? Hebt ge nooit begeerd alles te mogen verliezen om Hem te mogen bezitten? Neen? Hoe arm is dan uw leven, hoe droevig en vreselijk zal dan uw einde zijn, en hoe mateloos de weedom uwer ziel, als ge sterft zonder Hem te hebben leren kennen. Dan ontzinkt u alle kracht, dan zal het u gaan als Joab, die vluchtte tot de hoornen van het altaar, om gespaard te worden voor de wraak van koning Salomo, maar toch gedood werd, omdat hij de ware tekenen van berouw miste.
Gods verkiezende liefde strekte zich uit naar het zwakke dezer Het is een dierbare belofte, die we vinden bij de profeet Jesaja: „Hij geeft de moede kracht, en vermenigvuldigt de sterkte die,
die geen krachten heeft", Jes. 40: 29. Welnu, zo ervaart Gods kind het menigmaal. Geen kracht, geen moed om verder te kunnen, geen licht om te zien, geen wijsheid om de weg des Heeren te onderscheiden, in één woord alles te missen, wat nodig is om verder te kunnen leven. Moedeloosheid heeft dan de ziel bevangen en de klacht wordt dan geuit: „Zwak van moed, klein van krachten, en stof van jongsaf te zijn geweest". En juist in deze weg doet de Heere ervaren, dat de sterkte Godes is. O,
wat weet de Heere dan Zijn moedeloos kind liefelijk te ondersteunen, te bemoedigen, wanneer zij door het geloof een gezicht ontvangen op de sterkte, die daar is in de Hoorn van het brandofferaltaar. Wat wordt Jezus' sterkte daar dierbaar voor hun geprangd gemoed; wat weet Hij de bezwijkende ziel uit de
verdrukking op te heffen; wat wordt het kruis daar licht, de weg weer helder, en het uitzicht verheven. Was dit niet Davids sterkte, als we van Hem lezen: „Maar David sterkte zich in de Heere zijn God"?
Sterkte voor zwakken, inderdaad! En gelukkig degene, die daar nooit boven uitgroeit. Die met Paulus ervaart: „Als ik zwak ben, dan ben ik machtig". Machtig in Hem, Die de moede pelgrim kracht geeft en Die beloofd heeft: „Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht".
Daar wordt Gods kind machtig om het kruis op te nemen, de Heere het na te dragen, ja zelfs door genade soms te roemen in de verdrukkingen. En dat alleen door Hem, Die het kruis heeft verdragen, de schande heeft veracht. O dierbare Jezus, wat zijt Ge zo schoon voor het verbroken en verslagen hart, beminlijk voor de treurende ziel, onmisbaar voor het moedeloze gemoed, en bovenmate begeerlijk voor de zwakke van moed en hem, die klein is van kracht.
Kent ge dit? Is Hij u nog nooit dierbaar geworden? Hebt ge nooit begeerd alles te mogen verliezen om Hem te mogen bezitten? Neen? Hoe arm is dan uw leven, hoe droevig en vreselijk zal dan uw einde zijn, en hoe mateloos de weedom uwer ziel, als ge sterft zonder Hem te hebben leren kennen. Dan ontzinkt u alle kracht, dan zal het u gaan als Joab, die vluchtte tot de hoornen van het altaar, om gespaard te worden voor de wraak van koning Salomo, maar toch gedood werd, omdat hij de ware tekenen van berouw miste.
Gods verkiezende liefde strekte zich uit naar het zwakke dezer wereld, om het in eigen oog zo sterke te beschamen, 1 Cor. 1 : 27. En dat zwakke zal nu ondervinden, dat er in de hoornen van het altaar ook te vinden is levensvolheid voor de ledige. Ik denk daar aan David, zoals hij in Psalm 42 zingt van de nood zijner ziel. Zoals het hert, na een hete achtervolging, om een dronk water schreeuwt, zo schreeuwt zijn ziel naar de hernieuwde gemeenschap met de Heere. Die miste hij dus en nu kon niets hem meer bevredigen, alles riep hem als het ware toe: Bij mij is het niet! Niets waar hij rust in kon vinden, alles liet hem zo nameloos leeg. En daarom weende zijn ziel de Heere achterna met de woorden:
Ja, mijn ziel dorst naar de Heer'.
God des levens, ach wanneer
Zal ik naad'ren voor Uw ogen,
In Uw huis Uw Naam verhogen.
Ledigheid in zichzelf, maar met een hunkerende ziel naar de Heere en Zijn dierbare gemeenschap. En nu waren de hoornen van het altaar ook het symbool van de volheid van het leven voor het volk, dat geen leven in zichzelf kon vinden. Immers deze hoornen waren met bloed bestreken, wat zeer zeker in de eerste plaats wees op de noodzakelijkheid van de verzoening van de zonden, maar dan ook tevens aanwees, dat de schuldige, die de toevlucht nam tot die hoornen, het leven als herkreeg. Het leven werd gespaard, hernieuwd en als het ware teruggegeven. In zichzelf werden ze de dood gewaar, terwijl ze bovendien zich des doods waardig leerden achten. En toch ging hun hart uit naar de levensvolheid, die daar is in de Heere, de God des levens.
Zo was het met David in Psalm 42. En zo ervaart ook Gods kind het menigmaal. Ledig, dood en daarbij des doods waardig. Alles zo ongevoelig, koud en dor, het voorportaal van de eeuwige zwarte nacht. Maar evenwel diep in het hart toch geen rust en vergenoeging; integendeel, ze verstaan zo wat David zegt: „Ja, mijn ziel dorst naar de Heere".
Wat is het dan groot, wanneer de Heere bij vernieuwing Zijn kind gaat opzoeken, Zich vertoont als de goede Herder, in Wie een volheid van leven is voor een in zichzelf zo dode, dorre en ongevoelige zondaar. Wanneer Hij het leven in gevoelige liefde doet genieten en de ziel doet omhelzen Zijn eigen woord: „Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven". Hij het Leven van hun leven. En dan een levensvolheid, die niet uit te ledigen valt.. Wat wordt dan de dichter verstaan, die zong: „Bij U, Heer', is de levensbron". Een Bron, Die Zich uitstort in de ziel, waar ze uit mag leven, waarin het leven van Gods kerk is gewaarborgd, zodat ze de dood niet zal sterven, maar leven tot in eeuwigheid. Leven, doordat ze één plant met Hem zijn. Leven nu, bij alle doodsbedreiging, maar ook leven hiernamaals tot in eeuwigheid, als vervuld zal worden het woord van de apostel: „En dan zullen wij altijd bij de Heere zijn".
Dan nooit meer ledig, dan geen doodsbedreiging, dan geen verlatingen van de Heere meer; dan geen hijgen naar de ontbeerde Godsgemeenschap, maar eeuwige vreugde zal dan het deel der vromen zijn. Dan zullen ze volkomen hun wens verkrijgen, dan zullen alle begeerten verzadigd worden, zoals ze die hier krachtens het nieuwe leven koesterden, maar die naar Gods wijsheid hier niet ten volle bevredigd werden. Dan, zal het tranendal verlaten worden, en de poorten van de eeuwige zaligheid ontsloten. Een volle verzadiging van vreugde!
Hebben wij, jong en oud, nu een gegronde verwachting, dat we eenmaal bij dat gezelschap zullen zijn, dat straks eeuwig zingen zal van Gods goedertierenheden? Dat mag toch wel een ernstig onderzoek waard zijn, want immers velen zijn er, die zich daar niet in het minst om bekommeren, of die zich de rijkste zaken, zonder strijd of worstelingen te kennen, maar toeëigenen. Behoort ge bij degenen, die zich om deze dingen niet bekommeren, die altijd maar denken: het zal wel meevallen, of het heeft de tijd nog wel? De duivel probeert met deze list velen gerust te stellen en te houden. En toch zult ge bedrogen uitkomen. Wie zegt u, dat ge de tijd hebt? Niemand! De Heere zegt: „Heden, zo gij 'Mijn stem hoort, verhard uw hart niet, maar laat u leiden". Daarom, o zondaar, wie ge zijt en wat ge ook tegen eèn geduldig en lankmoedig God misdreven hebt, o ik bid u, hol toch zo niet door, maar laat u nog met God verzoenen. Het is nog het heden der genade, waarin de Heere u toeroept: „Wend u tot mij en word behouden-.
Die door Gods Geest bearbeid worden, kunnen zich niet zo spoedig gerust stellen. O neen! Zij moeten het van de Heere Zelf weten, dat Hij het goede werk in hen begonnen is, dan wel of het alles slechts op inbeelding berust. Zij leren vrezen voor de bedriegelijkheid van eigen hart en daarom vluchten ze telkens tot de troon der genade om door de Heere waar gemaakt te worden.
Welnu, vrezende zielen, de Heere zal uw vrees beschamen. Hij zal uw droefenis in blijdschap veranderen, uw tranen straks drogen, uw begeerten vervullen, dan wanneer Jezus de Schoonste uwer ziel wordt, Hij door u omhelsd, geloofd en aangebeden wordt. Wat een schone dag zal dat worden, wanneer de Heere uw schatkameren zal vervullen met Zichzelf, en dat aan u, die uzelf meermalen als de onwaardigste ziet en kent. En toch, het zal gebeuren, want dat eist Gods recht, dat belooft Gods trouw.
En dan zult ge straks met allen, die Jezus' verschijning in onverderfelijkheid hebben liefgehad, staan rondom de troon om eeuwig het loflied te zingen van Mozes en het Lam.
Die toekomst wacht nog, kind des Heeren. Maar de tijd kort op. Nog een weinig tijds gestreden, geleden en geworsteld, en dan..... „ Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des mensen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft die, die Hem liefhebben", dat zult gij dan eeuwig aanschouwen en genieten. Amen.
Oktober 1956