Ps. 43: 3
Lezen : Klaagliederen 3
Ps. 139: 14
Ps. 51: 2 en 5
Ps. 38: 18 en 22
Ps. 79: 4 en 5
Wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijne zonden. Laat ons onze wegen onder¬zoeken en doorzoeken, en laat ons wederkeren tot de HEERE. Laat ons onze harten opheffen, mitsgaders de handen, tot God in de hemel.
Klaagl. 3: 39—41.
Dagen van druk — wie kent ze niet? De gevolgen der zonde zijn vele. U zit hier in 's Heeren Huis, misschien met een hart vol smart. Idealen in uw leven zijn stuk- gebroken en het verwondert ons niet, als u nu denkt: dagen van druk? Neen, het zijn maanden en jaren van druk en ik heb het gevoel, dat ik nooit meer echt ge¬lukkig zal zijn. Waarom moest ik mijn man zo vroeg missen? Waar¬om moest ik mijn vrouw zo jong uitdragen naar de groeve der ver¬tering? Waarom toch dat kruis, dat me neerdrukt, dat felle verdriet?
Gemeente, we kunnen de ogen er voor sluiten, maar bedenk: vroeg of laat komen voor ons de dagen van druk. En hoe zullen we dan die dagen doorleven? Er is een mogelijkheid om zelfs te zingen in de nacht van het lijden, nl. wanneer de Heere in de druk meekomt. Maar anders is er doffe moedeloosheid of de gebalde vuist. Hoe waar is het woord van de dichter: „Indien uwe wet niet ware geweest al mijne vermaking, ik ware in mijn druk al lang ver-gaan" (Ps. 119: 92).
Onze tekstwoorden zijn ook gesproken in dagen van druk. Deze woorden vol ernst komen voor in de Klaagliederen van Jeremia.
Jeremia was de zoon van Hilkia, een priester, en werd geboren te Anathoth, ca. 650 vóór Chr. onder de regering van Manasse. Hij is een geheel andere persoonlijkheid dan Jesaja. Jesaja is de koninklijke profeet, die in donkere dagen de steun is van de koning. Jeremia is de profeet met het priesterlijk hart, die de oordelen moet prediken en die gebogen gaat onder het gewicht van zijn smart. En die smart moet hij uiten, vooral wanneer Jeruzalem is gevallen.
Het eerste woord van klaaglied 1 is: „hoe zit die stad zo een¬zaam." Dit woordje „hoe" kan ook vertaald worden door: ach. En dit woordje wil uitdrukken de diep doorleefde smart over aan¬grijpend leed. Gods volk wordt dikwijls gesmaald: 't is een volk van och en ach. Doe aan dat smalen niet mee. Immers een roemen en jubelen zonder dat we iets van het rechte „och en ach" geleerd hebben, is een roemen zonder grond. Jeremia kende dat „ach" ook, toen hij tot profeet werd geroepen. Hij gevoelt de geweldige be¬zwaren en roept dan uit: „ach, Heere Heere, zie, ik kan niet spre¬ken, want ik ben jong." En toch, hij moet spreken. Hij heeft een Goddelijke roeping en zending.
Zeg nu eens, waarover gaan uw „ochs en achs"? Er is niet-echt klagen, namaak. In Israël waren ook gehuurde klagers, die in dagen van rouw gehuurd werden om klaagliederen te zingen, maar zelf doorvoelden ze niets van het bezongen leed. Zo kan het bij u ook zijn. Wel klagen, maar zonder smart. Wel spreken over de druk in de wereld, in de Kerk, maar u leeft er rustig om door. Slapeloze nachten, waarin u worstelt met de Heere om de breuke die er is, kent u niet. Dat dan de tekst van heden u mocht voor¬lichten, ja, dat de Heere u mocht onderwijzen, hoe uw klagen moet zijn.
Klaaglied 3, waarin onze tekst slaat, heeft een zeer persoonlijk karakter. De dichter stelt voor zijn lijden, maar ook de genade, hem bewezen. En dit geeft hij nu weer, opdat het door hem doorleefde een voorbeeld zou zijn van vertroosting voor Gods volk.
We kunnen thans de vraag stellen: hoe komt het, dat het bondsvolk, dat zo zwaar moest lijden vanwege eigen zonde, toch niet volkomen ten onder is gegaan? Waarom is dat volk, dat toch nu de toorngloed des Heeren ervaart, weer uit de ballingschap verlost?
Dan is er maar één antwoord: straks zal de Messias komen, en Hij zal moeten lijden als de Man van Smarten onder de volle toorn¬gloed Gods. Hoe zwaar was die toorn, de druk over de Borg. Zul¬len wij, nietige stofbewoners en gevallen Adamskinderen dan nog klagen over onze druk? Neen, laten we luisteren naar:
EEN DRIEVOUDIGE OPWEKKING IN DAGEN VAN DRUK.
1. een opwekking om te klagen vanwege de zonde.
2. een opwekking om weder te keren tot de Heere.
3. een opwekking om te bidden met het hart.
Zingen : Ps. 51: 2, 5.
1. Een opwekking om te klagen vanwege de zonde.
Wat klaagt dan een levend mens? Er werd geklaagd in Israël na de val van Jeruzalem. 't Was een bijzonder klagen. Immers het hier gebruikte grondwoord voor klagen treffen we slechts op twee plaatsen aan in de Heilige Schrift; hier en in Num. 11: 1. In Numeri heeft het de nevenzin van: murmureren. En ook in de klacht om Jeruzalems en eigen ellende beluisteren we een ondertoon van opstand, van murmurering. Was er dan geen oorzaak om op die manier te klagen? Jeremia hoort een opstandige klacht: gevangenen worden onder de voeten vertrapt. Durft de ene mens zo de medemens te behandelen? Is dat niet onmenselijk? De klacht gaat verder: in rechtszaken krijgt men geen gelijk meer. Schreit het onrecht niet ten hemel om wraak? Maar wie krijgt nu de schuld in deze opstan¬dige klacht? God, de Heere. Ziet de Heere dan die verdrukking en dat onrecht niet Heeft Hij Zijn bondsvolk vergeten? Kon Hij die ellende niet verhinderen?
Jeremia heeft dat klagen wel gehoord. En nu gaat hij er tegen in. Maar Jeremia begint niet in de eerste plaats te spreken over de ellende van het volk, maar over de leiding des Heeren. Zo lezen we in vers 38: „Gaat niet uit de mond des Allerhoogsten het kwade en het goede?" Het kwade, de druk, wordt door de Heere beschikt. Het goede ontvangen we, omdat Hij het wil. Daarom: ook de terreur van de Chaldeeën gaat niet buiten Gods leiding om. Hij ge¬bruikt de vijanden om Zijn volk te tuchtigen. Immers, de Heere heeft Zijn bondsvolk niet vergeten, maar omgekeerd : het volk heeft de Heere vergeten. O volk, nu klaagt u over de gevolgen van de zonde, maar u moet klagen over de zonde zelf.
Wat klaagt dan een levend mens? Jeremia wil zeggen: u bent nog in het leven. U bent nog niet gedood door de Chaldeeën. U leeft nog, dus u bent nog in het heden der genade. Waardeer dat toch. En nu moet er wel een klagen zijn. Een ieder klage vanwege zijne zonden. Klaag niet in de eerste plaats over anderen, maar over uzelf. Want wat is de zonde? We kunnen zondigen tegen mensen. Een moordenaar vergrijpt zich aan het leven van zijn medemens. Een dief eigent zich het bezit van zijn naaste toe. Maar het ergste is, dat we hierin en op vele andere manieren zondigen tegen God. We zijn van nature geneigd God en de naaste te haten. Dan leven we naar eigen begeerten en niet naar 's Heeren rechten en inzet¬tingen.
De belangrijkste vraag is voor de mens van nature: wat wil ik? en niet : wat wilt Gij, dat ik doen zal ? We lezen in Gen. 13: 13: „En de mannen van Sodom waren boos, en grote zondaars tegen de Heere." Nu, erger dan in Sodom kan het toch niet, zouden we denken. Maar de profeet Jeremia moet klagen (Klaagl. 4: 6a): „En de ongerechtigheid der dochter mijns volks is groter dan de zonde van Sodom." Ontzettend. Ja, dan is er wel reden om te klagen over de zonde. En wie moet nu klagen! Een ieder. Dus rijk en arm, vooraanstaande in het leven en vergeten burger. Allen gerebelleerd. Overal opstand tegen een rechtvaardig en goeddoend God. Allerwege een vertreden van Zijn inzettingen. Jeremia begeert het van harte, dat nu een ieder in schuldbesef tot de Heere nadert met de belijdenis: „Ik heb gedaan, dat kwaad was in Uw oog, dies ben ik, Heere, Uw gramschap dubbel waardig." Tot dat echte klagen wekt hij zijn volk op.
En nu heeft dit woord nóg betekenis, gemeente, voor ons allen. Er wordt veel geklaagd, in de wereld, maar ook in de kerk. Maar waarover gaan onze klachten? Als aan u gevraagd wordt: wanneer hebt u voor het laatst met ernst gebeden, en opening in uw gebed gekregen, zodat u gevoelde: mijn gebed blijft niet in de kamer hangen, maar de Heere is de grote Hoorder des gebeds? — kunt u dan een antwoord geven? Wanneer hebt u voor het laatst de Heere ontmoet? Als we daarover beginnen, stokt het gesprek veelal. Maar ga nu eens beginnen over andere onderwerpen. Over de regering en de belastingdruk, over een onrechtvaardige handeling hier en een onvriendelijke bejegening daar, over de gebreken in kerk, staat en maatschappij, over de sombere vooruitzichten in de wereld, dan komen de tongen los. En de eindconclusie is: een treurige tijd, die wij beleven! Nog één stap verder, en het klagen over allerlei toestanden en over allerlei men¬sen wordt een klagen over God. Als God dan een God van liefde is, waarom verhindert Hij dit alles niet? Waarom straft Hij die-genen niet, die de wereld naar de ondergang voeren? Waarom roept Hij de groten der aarde geen Goddelijk halt toe? Waarom al die ellende, verdrukking enz.? Is dat een God van liefde? En als we dan zelf een zware drukweg moeten gaan en idealen ver¬broken zijn, dan gaan we klagen, maar het is een klagen over de gevolgen van de zonde, niet over de zonde zelf.
Luister nu eens naar het tekstwoord. Is uw klagen juist? Bedenk het, dat alles uit Gods Hand komt. De blijde én de droeve dagen, uw gezondheid én uw ziekbed, een gelukkig huwelijksleven én dagen van diepe rouw. God regeert in tegenstellingen en in Zijn wijsheid laat Hij die tegenstellingen staan. Maar als de Heere nu in het wereld- leven en in uw persoonlijk leven druk geeft, is dat onrecht van Hem? O neen. Op de bodem aller vragen ligt der wereld zondeschuld. Ja, nu moeten wij leren: „mijn schuld is zwaar, ik heb Uw wel geschonden." God is niet alleen Liefde, Hij is ook een rechtvaardig God. Wat eisen wij dan de liefde des Heeren, zo wij Hem in Zijn recht niet leerden toevallen?
En nu leven wij nog, gemeente. We zijn in het heden der genade en die genadetijd is voorbereidingstijd voor de eeuwigheid. Wat klaagt u nu nog? Een ieder klage vanwege zijne zonden. Ga eens na, wat u tegen uw naaste hebt misdreven. Maar bovenal ga eens na uw zonde, uw opstand tegenover de Heere. Dat Sodom zondigt, dat de wereld de zonde indrinkt, is ontzettend. Maar nog veel erger is, dat het volk des verbonds in ongerechtigheid boven de wereld uitsteekt. Zie nu niet naar uw buurman of buurvrouw, neen: een ieder klage vanwege zijne zonden. Belijdend lid, dooplid, ouder¬ling, diaken, dominee, het doet er niet toe wie u bent. Niemand wordt hier uitgezonderd. We leren op de catechisatie goed onder¬scheiden. We leren daar, dat we kunnen zondigen met gedachten, woorden en werken. Dat er zijn zonden van bedrijf en zonden van nalatigheid. Maar waar leren we nu het klagen over de zonde?
Geliefden, dit ware klagen wordt op de school des Geestes ge¬leerd. En nu willen we de nadruk even anders leggen. Alleen levende mensen, die door de Heere van dood levend gemaakt zijn, klagen op deze wijze. Een klein kind schreit in de wieg. Het is een teken van leven. Welnu, wie waarlijk schreit over de zonde, geeft daarin bewijs, door de Heere tot leven gebracht te zijn.
's Heeren Woord spreekt over een arme zondaar en een rijke Christus. Maar ook over de weg, hoe die arme zondaar die rijke Christus leert zoeken, waarderen en omhelzen. Dat toch is de be¬doeling van de Heilige Geest bij het bearbeiden van een zondaar en zondares: hem of haar tot Christus te leiden. Het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden. Dat is het enige Medicijn. Maar om medicijnen aan te nemen, moet ik eerst weten ziek te zijn. Om Christus nodig te hebben, moet ik eerst de armoede van mijn zondaarsbestaan beleven. Anders beluister ik het Evangelie niet als een blijde boodschap.
Nu kunt u vragen: wat houdt dat echte klagen over de zonde dan in? Wat leert de Heilige Geest dan op de leerschool der genade? Om er iets van te zeggen, willen we u op het volgende wijzen.
a. De zonde moet beleden worden. Dan gaan we onze daden zien in het licht van Gods heilige wet. De slotsom is dan: schuldig! De woorden, gesproken b.v. op deze dag, komen voor de aandacht. O, wat een zonden! Al ben ik geen vloeker in de bruutheid van menige wereldling, mijn woorden getuigen tegen mij. Want de Heere zegt: „Maar Ik zeg u, dat van elk ijdel woord, hetwelk de mensen zullen gesproken hebben, zij van hetzelve zullen rekenschap geven in de dag des oordeels." En dan nog die wereld van zondige gedachten!
In Gods Woord staan vele klachten opgetekend van dat volk, dat onder die zondelast gebukt ging. Dan ligt de vertolking van de ziel b.v. in Ps. 38, de boetpsalm: „Want mijne ongerechtigheden gaan over mijn hoofd, als een zware last zijn ze mij te zwaar ge¬worden. Mijne etterbuilen stinken, zij zijn vervuild vanwege mijne dwaasheid."
Meen niet, dat dit een klagen is alleen in de eerste overtuiging. Dat klagen gaat door ook bij u, die al eens iets mocht smaken van 's Heeren goedertierenheden, ja, misschien al veel mocht onder¬vinden van eenzijdige trouw. Dan worden de klachten ook ver¬diept. Dan denkt u: ja, vroeger heb ik die klacht uit Ps. 38 wel overgenomen, maar wat verstond ik eigenlijk weinig van de inhoud.
Misschien zit u thans in 's Heeren Huis met de klacht, dat de Heere Zijn Aangezicht voor u verbergt, en nu moet u belijden: om mijn zonde. U mist de vrede voor uw hart, en eerlijk moet ge zeggen: om mijn zonde. Dagelijks struikelt u, u gevoelt in uzelf een onvermogen tot alle geestelijk goed, en hier past de belijdenis: mijn zonde.
Ja, waar schuilt de zonde niet in? Al wat uit het geloof niet is, dat is zonde. O, wat kan er dan een klagen zijn: mijn eten zonde, mijn slapen zonde, mijn kerkgang zonde, mijn gebed zonde. Dan komt er een droefheid in de ziel, in woorden niet uit te zeggen en met geen pen te beschrijven. Ik heb tegen de Heere gezondigd. En bij die droefheid paart zich een heilige verontrusting: hoe zal het ooit anders worden? Want de Heere is het waard, dat we leven tot de eer van Zijn grote Naam. En zo leren we:
b. De zonde moet ook bestreden worden. Het belijden van de zonde is noodzakelijk. En wie dit belijden bij ervaring kent, weet dat er bij alle droefheid en verontrusting ook zoetigheid ligt in het bewenen van de zonde voor 's Heeren Aangezicht. Het kan de ziel opluchten. „Heere, mijn droefheid, mijn zuchten en mijn zorgen zijn nu voor U niet verborgen, daar Gij alles ziet en weet.” Bij het rechte belijden gaan we de zonde haten, en omdat we de zonde haten, willen we de zonde ook laten. De Heere zegt toch: „Die zijne over¬tredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn; maar die ze bekent en laat, zal barmhartigheid verkrijgen." Dus de strijd wordt aange¬bonden. En het is gemeend. Hoeveel goede voornemens zijn er! Maar ach, wat een tegenvallers, 't Is iedere dag opnieuw beginnen. O, geliefden, wat zijn onze idealen hier toch groot, maar wat zijn we toch verkeerd werkzaam, 't Is een strijden, een werken om te mogen leven, om vrede met God te mogen verkrijgen. En dus mis¬lukt. Neen, in deze weg krijgt u de vrede niet, de Heere wil leren, dat er wel een werken kan zijn tot Zijn eer, maar dan een werken uit leven, d.w.z. uit de bediening uit Christus. Dan zullen we echter verder leren:
c. De zonde moet vergeven worden. Gelukkig, wanneer wij aan het einde komen met ons werken. Wanneer we erkennen: zo kom ik er nooit. De Heere wijst toch een andere weg. We willen de tekst nu verder lezen.
II. De profeet wekt op om tot de weder te keren tot de Heere.
„Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken." Jeremia spreekt niet uit de hoogte, maar sluit zichzelf er bij in: laat ons. Laat ons onderzoeken en doorzoeken. Hebben die twee woorden niet dezelfde betekenis? Neen. Daartussen is verschil. We kunnen het oorspronkelijke woord voor onderzoeken ook weergeven met: examineren. Hebt u wel eens een examen afgelegd? Wat een spannende tijd. Vóór het examen soms slape¬loze nachten. Hoe zal de uitslag zijn? Dan breekt de dag van het examen aan. De examinator vraagt en vraagt. De kandidaat weet goed, waar de zwakke punten zijn in zijn kennis. Eerste vraag: gelukkig, ik weet het antwoord. Tweede vraag: o, hier weet ik bijna niets van. Als op dit punt nu maar niet wordt doorgevraagd. Dan zak ik zeker voor het examen. Derde vraag: gelukkig, de examinator gaat door en vraagt naar andere dingen, waar ik meer van weet. En het resultaat: geslaagd. Mensen zeggen wel eens: op een examen moet je geluk hebben. Een kandidaat met weinig kennis kan toch slagen, omdat niet is doorgevraagd.
Pas dit nu eens geestelijk toe. Immers de tekst zegt: „laat ons onze wegen onderzoeken." Dus we moeten thans onszelf een examen afnemen. Maar dat wordt gevaarlijk. Want arglistig is ons hart. En daarom zal dat onderzoek oppervlakkig zijn. Bij onze z.g. goede daden staan we lang stil: dit heb ik gedaan, dat heb ik aan een arm mens weggegeven, daar heb ik een vloeker gewaarschuwd — zo'n mens ben ik. Maar als dan zondige daden en woorden en gedachten voor de aandacht komen, daarover stap je gauw heen, daar maar niet op doorgaan, want dan is je leven zo zwart. Laten we niet vergeten: tong en mond kunnen heel vroom zijn, maar er is ook nog 's harten diepste grond, en hoe staat het daarmee?
En daarom, niet alleen onderzoeken, examineren, maar ook door¬zoeken, dat is: doorgronden. Dan kom ik op de bodem. Dan wordt gevraagd: wat is het motief bij al mijn daden, wanneer spreek ik juist deze woorden, bedoel ik in alles, zelfs in mijn gedachten, de ere Gods? Daar moet het om gaan. Oppervlakkig bezien kunt u uw leven goedpraten, maar het is eigengerechtigheid, waar u mee omkomt. Net kerkmens, wat maakt het in het eindoordeel uit, of u verloren gaat door eigengerechtigheid of ongerechtigheid? Vreselijk zal het voor u zijn, wanneer u altijd genoeg gehad hebt aan uw uitwendige godsdienst. „Doch Ik zeg u, dat het den lande van Sodom verdragelijker zal zijn in de dag des oordeels, dan u."
Gemeente, als we nu gaan onderzoeken en doorzoeken, laat het dan niet zijn in eigen kracht. Het echte onderzoek geschiedt door de Heere Zelf. Jer. 17 : 10a: „Ik, de Heere, doorgrond het hart en proef de nieren." David wist het ook in Ps. 139: „Heere, Gij door¬grondt en kent mij", en daarom bidt hij: „Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijne gedachten." Wie zo op de school der genade het onderzoek des Geestes beleeft, heeft niet veel meer te vertellen. Daar wordt beleden: mijn hart is een vuile bron van allerlei wanbedrijven. Daar belijd ik mijn doemwaardig bestaan voor het eerst of bij vernieuwing. Daarvan zingt M'Cheyne:
„Maar toen mij Gods Geest aan mijzelf had ontdekt.
Toen werd in mijn ziele de vreze gewekt,
Toen voelde ik wat eisen Gods heiligheid deed;
Daar werd al mijn deugd een wegwerpelijk kleed."
O, wat een benauwdheid, als we zo inkeren tot onszelf. Zullen we nu niet moeten vluchten, ver van de Heere af, om Zijn recht¬vaardig vonnis te ontgaan? Dat baat niet, overal is de Heere. Neen, roept de profeet uit, vlucht niet van de Heere vandaan, „laat ons wederkeren tot de HEERE." Dat zal zo meevallen. Dat weet Jeremia uit eigen ervaring. Zingen wij er niet van?:
„Heer', door goedheid aangedreven,
Zijt Gij mild in 't schuld vergeven;
Wie U aanroept in de nood,
Vindt Uw gunst oneindig groot."
Het is een wederkeren tot de HEERE, de God des Verbonds. En daarom zal het voor dat wederkerende schuldige volk zo mee¬vallen! De Heere zal in ontferming op hen neerzien, niet vanwege hun verdiensten, maar vanwege de verdienste van de Middelaar des Verbonds, Jezus Christus.
Neen, het is niet zo, dat we in dat wederkeren zélf gaan rede¬neren: 't zal wel meevallen. In dit wederkeren wordt vraag 12 uit Zondag 5 onze vraag uit de benauwdheid: „Aangezien wij dan naar het rechtvaardig oordeel Gods tijdelijke en eeuwige straf verdiend hebben, is er enig middel, waardoor wij deze straf kunnen ontgaan en wederom tot genade komen?"
En nu leren sommigen in korte tijd, hetgeen M'Cheyne direct na het zo juist geciteerde vers zingt:
„Toen vluchtte ik tot Jezus! Hij heeft mij gered;
Hij heeft mij verlost van het vonnis der wet;
Mijn heil en mijn vrede en mijn leven werd Hij;
Ik boog me, en geloofde, en — mijn God sprak mij vrij."
Paulus bv. mocht in zeer korte tijd zeer veel doorleven. Toch kan de Heere ook anders werken. Vinden veel kinderen Gods hun portret getekend in Paulus' leven? Niet zo heel veel. Bij de meesten werkt de Heere door in langer tijd. Maar voor allen wordt het een weg van afbraak. Het antwoord op vraag 12 is dan ook niet direct de volle ruimte in Christus, maar: „God wil, dat aan Zijns gerech¬tigheid genoeg geschiede; daarom moeten wij aan haar, of door onszelven, of door een ander volkomenlijk betalen." Gevoelt u de bedoeling? De deur der genade wordt niet direct wijd opengedaan, maar ook niet volkomen toegesloten. We moeten goed leren: „God wil, dat aan Zijne gerechtigheid genoeg geschiede." We moeten eerst zien, dat wij de schuld dagelijks meerder maken. We moeten eerst verstaan, dat geen schepsel voor ons kan betalen. En zo wor¬den we heengeleid naar de noodzakelijkheid van een Middelaar en Verlosser.
De zonde moet beleden worden, de zonde moet bestreden wor¬den, maar bovenal wordt dit geleerd: de zonde moet vergeven worden. En nu zullen diegenen, die mogen wederkeren tot de Heere, in het geheim der schuldvergeving worden onderwezen. Hoe groot is het voor de ziel, als de mogelijkheid van zalig worden wordt gezien in de Heere Jezus. Dat geeft verruiming. Velen blijven echter hier staan. Maar dat is arm én gevaarlijk. David begeert het anders: „de liefelijkheid des Heeren te aanschouwen en te onder¬zoeken in Zijn tempel.” Aanschouwen, dan mag David zich ver¬lustigen in al die zaken, waarop zijn oog valt, waarin de Heere hem op dat ogenblik onderwijst. Maar nu begeert David ook te onder¬zoeken. Immers, hij verstaat: wat weet ik toch maar weinig van de Goddelijke heilgeheimen; Heere, wil me daar ook verder in onder¬wijzen.
Zo is het nog, geliefden. Het is groot iets te mogen zien van de schone dienst des Heeren. Maar er is meer te verkrijgen. De moge¬lijkheid van zalig worden zien, houdt de verwerkelijking nog niet in. Er moeten werkzaamheden der ziel komen om de Heere Jezus. Die werkzaamheden wil de Heere geven. O, dat ik Hem mocht kennen,
Hem mocht noemen mijn Borg en Zaligmaker. Ja, dat is een onver¬getelijke stonde, wanneer de Heere voor het eerst een gezicht geeft op deze Borg, Die Zijn lijdensweg alleen heeft doorworsteld, verlaten door Zijn discipelen, ja, verlaten door Zijn Vader, en dat om zulk een diepgevallen Adamskind, als ik ben, te redden. Want wie de band mag kennen aan de Heere Jezus, heeft zeker éérst geleerd de band aan Adam. Zie, daar ontstaan oefeningen des geloofs. Daar wordt de begeerte levendig veel over Hem te lezen, veel Zijn Naam te horen aanprijzen in de prediking, veel van Hem te horen spreken op de gezelschappen van Gods volk, veel uit Hem bediend te worden. „Uw Naam is een olie, die uitgestort wordt; daarom hebben U de maagden lief." „Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk."
Daar wil de Heere ons brengen, dat we niet alleen onze wegen onderzoeken en doorzoeken, maar dat we nu bovenal Zijn wegen onderzoeken en doorzoeken, n.l. van de Heere Jezus. Daar kunnen we slechts van stamelen.
Onderzoek Zijn wegen. Denk b.v. aan Bethlehem. Hebt u wel eens echt Kerstfeest gevierd? We kunnen als Zondagsschool¬onderwijzer de geschiedenis mooi vertellen misschien. Dan trachten we duidelijk te maken, dat de Heere Jezus de hemel der heerlijkheid heeft verlaten en is neergelegd in de kribbe, opdat er nu voor het kleine kind behoudenis zou zijn, maar ook voor de grootste der zondaren. Maar al heb ik dat nog zo mooi verteld en die geschie¬denis al vele jaren gehoord, daarmee heb ik persoonlijk nog geen Kerstfeest gevierd. Weet u, voor wie het Kind, voor wie de Heere Jezus dierbaar wordt? Voor David en voor allen, die met David leren klagen: „zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijne moeder ontvangen." Heere, moest Gij voor zulken Borg worden? Ja. En nu gaan we van harte onderschrijven: „u dan, die gelooft, is Hij dierbaar."
Onderzoek Zijn wegen. Bij het opgroeien is Zijn verhouding tot Jozef en Maria: „en was hun onderdanig." Welk een dierbaarheid vinden we hier in Hem, wanneer we onze schuld gaan gevoelen: wij zijn zo vaak ongehoorzaam geweest; wanneer we nu met smart in onze ziel gaan bidden: „Sla de zonden nimmer ga, die mijn jonkheid heeft bedreven." Ja, Hij is ook hierin een volkomen Borg en Zaligmaker.
Onderzoek Zijn wegen. Hij kon zeggen: „wie van u overtuigt Mij van zonde?" En toch moest Hij lijden en sterven. Jeremia en al Gods kinderen kunnen getuigen op aarde. Maar als het getuige-zijn martelaar-zijn gaat betekenen, worden ze, als de Heere Zelf geen kracht geeft, moedeloos. Dan vervloekt Jeremia zijn geboorte¬dag. Christus echter, wanneer het lijden het dieptepunt nadert, kan wel beangst worden, maar bidt. Hij blijft staande in de strijd. Hij is gehoorzaam tot de dood, ja de dood des kruises. Zo heeft Hij Zijn hart gezet op Zijn verloren volk.
In Jeremia's dagen klaagt men over onrecht en over druk. Maar is er groter onrecht denkbaar en vreselijker druk dan het lijden op Golgotha? De Rechtvaardige, de Heere Jezus, gehangen aan een vloekhout. Hier kunnen we uitroepen: o, vreselijk onrecht! Maar hier kunnen we ook zeggen: en toch recht! Ja, hier kunnen we aanbidden: dit is genade. Hier lijdt en sterft Christus als Borg. En nu, geliefden, laat ons niet alleen Zijn wegen onderzoeken, maar ook doorzoeken. Dan moeten we terug van Golgotha naar de stilte der eeuwigheid, waar Hij reeds beloofde Borg te zullen zijn en aan het recht des Vaders te voldoen. Hier mogen we mediteren over het dierbare Verbond der verlossing. Daarom, niet alleen aan Christus de eer, neen, een drieënig God moet de eer ontvangen. Ere aan God de Vader, aan God de Zoon, aan God de Heilige Geest.
Welke wegen zijn er niet nodig geweest voor de zondaar om hem te redden. En denk dan eens aan het werk des Heeren in de zondaar om hem te behouden. Naar mate we daar ingeleid worden, naar die mate zal de stille aanbidding groter worden. Dan is het: niets uit ons, maar het al uit Hem, zo gaat het naar Jeruzalem
Kennen we daar nu iets van? Als u in deze week huisbezoek krijgt, kunt u dan vertellen, dat de Heere goed is voor een slecht mens? Want wie iets van deze zaken mocht ervaren, vergeet dit niet. Daarvan blijft een indruk ingegrift in de ziel. Geen leed zal het ooit uit uw geheugen wissen.
Ga aan deze ernstige zaken niet voorbij. Vrienden en vriendinnen, jeugd der gemeente, ook voor jullie is dit woord. Je bent nu nog jong. Maar bedenk, eenmaal komt het ogenblik van je sterven, wie weet, hoe spoedig. Hoe heerlijk, wanneer men dan op goede gron¬den kan zingen: ,,Maar 't vrome volk, in U verheugd, zal huppelen van zielevreugd, daar zij hun wens verkrijgen." Nu, wat is je wens, als je dit gaat onderzoeken en doorzoeken? Waar gaat je hart naar uit? En u, ouderen in ons midden, geeft daar eens antwoord op: waarom gaat ge naar de kerk, waarom buigt ge uw knieën, waarom onderzoekt u Gods Woord? Is het alles maar vorm? 't Hoort nu eenmaal zo. Heimelijk met de bedoeling om in de weg van plichten doen de hemel te verdienen en de hel te ontgaan. O, dit is alles te kort. Al uw uitwendige godsdienst zal nog tegen u getui¬gen. Vraag dan de Heere om ontdekkend licht, opdat er zij een waarachtig klagen, ook over de zonden van uw z.g. godsdienstig leven. Meegelopen zo lang, maar meer uit plicht dan in de beleving, dat alles genade is.
Het vrome volk is „in U verheugd", n.l. in de Heere. Dat is nu de wens van het volk: de Heere te kennen, des Heeren nabijheid te ervaren, door de Heere geleerd te worden. Al moet u dan drukwegen door, als de Heere er maar is. Met de Heere kan Daniël de leeuwenkuil in, met de Heere kunnen zijn vrienden de brandende oven in, met de Heere kunt u het ziekenhuis in naar de operatietafel, met de Heere kunt u de doodsjordaan in. Maar als de Heere er niet is, hoe bang wordt het dan. Al hebt u veel ondervonden in het verleden, 't wordt weer benauwd. Al hebt u iets van Jezus' dierbaarheid en noodzakelijkheid gezien, 't wordt weer zo koud. En bij wie de schuld? Heeft de Heere u verlaten? Of moet u belijden : ik heb de Heere verlaten? O, die verachtering in de genade.
Daarom blijft er plaats voor de belijdenis en voor het gebed bij de wederkeer:
'k Wil mijn misdaan, die U tergen,
Niet verbergen;
Ik bedek voor U die niet,
'k Ben vanwege al mijn zonden,
Die mij wonden,
Vol van kommer en verdriet.
Ps. 38: 18, 22.
III. De laatste opwekking is om te bidden met het hart.
„Laat ons onze harten opheffen, mitsgaders de handen, tot God in de hemel." Opheffen van de handen was in het Oosten gebedsvorm. En de vorm alleen is niet genoeg. Opheffen van het hart getuigt van gebedsbehoefte. We kunnen plechtig staan bij het gebed in de kerk, we kunnen onze knieën buigen in eigen woning, we kunnen met een koude of met een klagende stem zelfs voorgaan in het gebed, terwijl het alles slechts is opheffen van de handen. En dat is huichelarij. Maar nu daartegenover het opheffen van de handen én de harten, dat is het ware gebed. En laten we het direct maar zeggen: hier hebben we weer nodig de werking van de Heilige Geest. Want het ware gebed, het behoeftige gebed, het gedurige gebed wordt door Hem geleerd. Ja, we lezen zelfs: „want wij weten niet, wat wij bidden zullen, gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen."
Welk een rijkdom te mogen bidden met een gebroken hart. Want dan geldt het woord uit Ps. 51: „een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God, niet verachten." „O God!”, roept de dichter uit. Ja, want het is een gebed tot God in de hemel. Een God van recht, maar ook een God van genade. Een God vol majesteit en heerlijk¬heid, Die nochtans bemoeienissen wil hebben met een diep gevallen Adamskind. Dit gebed tot God in de hemel kan de Heere alleen verhoren om Jezus' wil. O, gemeente, bedenk het bij uw bidden: u spreekt tot God in de hemel! Welk een verheven Majesteit, en tot Hem mag uw ziel zich opheffen. U spreekt tot God in de hemel! Welk een nederbuigende goedheid, dat Hij tot u wil afdalen om u te bemoedigen, als uw hart naar de Heere dorst. Moeten we nu bidden? Het ligt veel teerder: we mogen bidden. Waar? Overal is de Heere. In uw binnenkamer, 's nacht op uw legerstede, maar ook midden onder uw werk. Dat bidden met het hart is een geheim, alleen aan Gods volk bekend.
En nu gaan we straks naar huis met deze vraag: kennen we al iets van dat klagen over onze zonde, is het wederkeren tot de Heere een bekende of onbekende zaak, mogen we bidden met ons hart? We zijn in de kerk geweest. Was het vorm, of behoefte? We bid¬den, en spreken veel of weinig woorden in ons gebed, maar beant¬woorden die woorden aan zaken, die wij doorleven? Laten we onszelf toch niet bedriegen. Het klagende bondsvolk moest de ont¬zettende waarheid horen: „de ongerechtigheid der dochter mijns volks is groter dan de zonde van Sodom."
Erger dan Sodom. Dat is uw beeld, onbekeerde. U denkt mis¬schien: dat is overdreven. Die taal is mij te zwaar. Neen, het is waar. Want in Sodom leefde maar één openbaringsgetuige: Lot. En op hoeveel manieren is de waarheid Gods u niet verkondigd? U hebt vele malen in Gods Huis Zijn Woord beluisterd. U hebt kinderen Gods ontmoet, in wier leven het zichtbaar was, wat de vreze des Heeren teweegbrengt. U hebt roepstemmen en liefelijke nodigingen ontvangen. En toch...... onbekeerd gebleven? O, nog éénmaal wil ik u waarschuwen met de woorden van de Heere Jezus: „En gij Kapernaüm, die tot de hemel toe zijt verhoogd, gij zult tot de hel toe nedergestoten worden. Want zo in Sodom die krachten waren geschied, die in u geschied zijn, zij zouden tot op de huidige dag gebleven zijn. Doch Ik zeg u, dat het den lande van Sodom verdragelijker zal zijn in de dag des oordeels dan u."
Onbekeerden, hoe erg is uw toestand, hoe vreselijk uw uitzicht. Maar toch, ik mag zeggen: hopeloos is het nog niet. Voor Sodom is de deur nu op slot, maar de deur der genade staat voor u nog open! U verkeert nog in het heden der genade. Hoe lang nog? Tien jaar? Eén jaar? Eén week? Eén dag? Eén uur? We weten het niet. Het leven is een damp, de dood wenkt ieder uur. De duivel zegt tot u: stel je bekering maar uit, je hebt de tijd nog wel. De Heere zegt: heden, 't Kan geen uitstel lijden.
De Naam des Heeren staat in de tekst met hoofdletters: de Verbondsnaam is hier genoemd. Hoe rijk heeft de Heere Zijn be¬loften uitgestald. En in uw jeugd was het misschien het eerste versje, dat u geleerd hebt: „Opent uwen mond, eist van Mij vrijmoedig, op Mijn trouwverbond." Zijn we hiermee werkzaam geweest? O, dat u uw schuld tegenover de God des Verbonds mocht beseffen. Klaag de Heere uw nood, dat het zo weinig nood is. Vraag de Heere: „bekeer me Heere, dan zal ik bekeerd zijn, dan zal ik tot U wederkeren.” Heere, leer me bidden. Hosea heeft het af¬vallige volk eens een gebed voorgezegd: „zeg tot Hem : neem weg alle ongerechtigheid, en geef het goede, zo zullen wij betalen de varren onzer lippen." O Heere, maak dit voorgezegde gebed nu tot een hartegebed!
Erger dan Sodom? Neen, zo is het gelukkig niet meer bij mij, zegt iemand. De Heere werd mij te sterk. Hij heeft me stilgehouden op mijn dwaalweg. En nu kan ik vaak van harte de psalmen van Gods Kerk meezingen, nu mag ik soms tranen schreien vanwege de goedertierenheden des Heeren. 't Is waar geworden in mijn leven: „ik ben een vriend, ik ben een metgezel van allen, die Uw Naam ootmoedig vrezen”, 't Is alles anders geworden in mijn leven. Nu mag ik vaak terugdenken aan de tijd, toen de Heere een andere keuze werkte...... Dus niet erger dan Sodom? Geliefden, kan het ook zijn, dat het onderzoeken wel bij u gevonden wordt, terwijl het doorzoeken wordt gemist? U bent met al die ervaringen vroom geworden en de Zoon des mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken, wat verloren was. Uw bekering en uw tranen, uw klagen en al uw gestalten mogen de grond voor de eeuwigheid niet zijn. De grond ligt in Christus' Borgwerk alleen. Wie is Christus nu voor u? Vraag de Heere om ontdekkende, arm makende genade, zodat het in uw leven wordt: ik niets — Hij alles !
Erger dan Sodom! We lezen in Openb. 11 over de „grote stad, die geestelijk genoemd wordt Sodoma en Egypte, alwaar ook onze Heere gekruist is." En dan heeft Sodom op deze plaats geen letter¬lijke, maar zinnebeeldige betekenis. Sodom spreekt dan van de diepste verdorvenheid. Die verdorvenheid is zo groot, dat de Heere naar het kruis moest.
En wat leert u nu, als u werkelijk beleeft: erger dan Sodom ? Dan gaat u zien :
a. Die diepe verdorvenheid is mijn verdorvenheid. Schuldig tegenover al de geboden van Gods Heilige Wet. 't Was „Sodom" niet, Heere Jezus, dat U kruiste, ik deed door mijne zonden U al die jammeren aan.
b. En nu gaat u dit als het verschrikkelijke zien in uw bestaan, dat u nog zo koud tegenover het Kruis van Golgotha kunt staan. Golgotha spreekt van onze zonden en 's Heeren genade. En wie nu mag klagen vanwege zijn zonde, die wordt geroepen tot het Kruis met de heerlijke boodschap, dat het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, van alle zonde reinigt. Dat „Sodom", dat de wereld aan het kruis voorbij leeft, is vreselijk, maar dat ik, hoewel de Heere een andere keuze in mij werkte, toch ook aan het kruis voorbij ga. Dat is erger dan Sodom! De prediking van het Borgwerk te horen en nu niet te hunkeren naar de wetenschap: 't is al voor mij geschied. O, wat een koudheid en dodigheid.
Is hier uw portret getekend? Gevoelt u thans uw schuld, ook in dit opzicht? U hebt geklaagd over uw zonden, maar nu probeert u buiten Jezus om met God in vrede te komen, met iets, wat van u is. En dat zal nimmer gaan. Als u die levenshouding waarlijk tot schuld en smart wordt, dan is er hoop. Want erger dan Sodom betekent: verloren. En voor „verloren" mensen wordt het evangelie van vrije genade zo groot. Dan zult u, met de dood voor ogen, gebeten door de zondeslang, mogen opzien naar het Kruis van Golgotha, waar de Zoon des mensen verhoogd is, „opdat een iege¬lijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe." Daar verzekert de Heere door Woord en Geest aan u, ver¬loren zondaar, dat u om Christus' verdienste genade voor genade ontvangt. Zeker, geloof wordt door de Heere geëist, maar ook ge¬schonken. O wonder mysterie: door een geschonken geloof een geschonken Zaligmaker te mogen omhelzen. In Hem ligt alles, wat gij nodig hebt. Hij verlost van de schuld der zonde, Hij verlost van de vloek der zonde, ja, zo kunnen we doorgaan. Hij is een volkomen Zaligmaker. Niet door mijn werk, maar door Zijn werk kan de Kerk nu zingen: „de schuld Uws volks hebt Gij uit Uw boek ge¬daan. Ook ziet Gij geen van hunne zonden aan."
De zonde moet beleden worden, bestreden worden, vergeven worden. O, kind des Heeren, als u door genade moogt gewagen van het wonder der schuldvergeving, hoe moet nu de lust aanwezig zijn om tegen de zonde te strijden. De zonde moet nu te meer bestre¬den worden. Zullen we de zonde nog koesteren, terwijl die dierbare Heere Jezus vanwege mijn zonde aan het kruis genageld werd? Ach, al weet u: de schuld is vergeven, de smart blijft, n.l. over het zo weinig toenemen in heiligmaking. „Leer mij, naar Uw wil te hand'len." Hoe zult u strijden? In eigen kracht? En als dan straks de Kerk in de vreselijke druk der vervolging komt? Zie omhoog. Als Jozua strijdt tegen Amalek, overwint hij, want Mozes op de hoogte des heuvels bidt. Zo is het nog. Als u de overwinning moogt behalen, 't is alleen te danken aan de voorbede van uw biddende Hogepriester in de hemel.
Kerk des Heeren, u bent strijdende Kerk, En daarom is er nog veel druk. Overdenk de drievoudige opwekking des Heeren in al uw druk. Straks zult u belijden: „'t Is goed voor mij verdrukt te zijn geweest." De Heere staat de druk toe, om de kracht van Zijn genade te openbaren, en om het verlangen naar de hemel gaande te maken. Heimwee naar Huis, naar de God van de hemel, naar de Drieënige, om verlost van de druk? Neen, om verlost van de zonde Hem eeuwig groot te maken: „Drieënig God, U zij al d' eer."
„Wij steken 't hoofd omhoog, en zullen d' eerkroon dragen Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen; Want God is ons ten schild in 't strijdperk van dit leven, En onze Koning is van Isrels God gegeven."
Amen.