Psalm 116:1-2 'Hij neigt Zijn oor tot mij', ds. J. van Doorn

De ware bidder door de Heere verhoord

Predikatie over Psalm 116 : 1-2

Door Ds. J. van Doorn

Psalm 65 : 1
Lezen: Psalm 116
Psalm 141: 2
Psalm 116: 1,2,3
Psalm 27:5
Psalm 66:9

Tekst: Psalm 116 : 1-2: Ik heb lief, want de HEERE hoort mijn stem, mijn smekingen; want Hij neigt Zijn oor tot mij, dies zal ik Hem in mijn dagen aanroepen.

Het is één der rijkste genadeweldaden, dat Gods arme volk,.in zijn hulpbehoevendheid, met een gebedsverhorend God te doen heeft. Waar zouden zij anders heen met hun noden, naar lichaam en ziel, zo er in de hemel geen God was, Die Zijn oor neigt tot hun geroep. Zeker, dit is wel verbeurd. God was recht vanwege hun zonden, dat Hij nooit meer luisterde naar hun geroep, maar hen eeuwig in de ellende en jammer liet verzinken. Echter, Hij, Wiens naam Ontfermer is, is de grote Gebedsverhoorder. Dan zingt de kerk met David: „Gij hoort hen, die Uw heil verwachten, o Hoorder der gebeên". ,,Hoorder der gebeden". Dit is één van de rijkste namen, waarmede wij Hem mogen noemen. De gebedsverhoringen in het leven van Zijn volk getuigen van Zijn Goddelijke antwoorden. Wel kunnen wij tot Hem niet anders dan onreine handen opheffen, dan ogen, waarin de zonden tintelen, tot Hem opslaan. Niet anders bewegen dan een tong, die van het rad onzer geboorte ontstoken wordt uit de hel. Doch nu heeft Hij in Christus de volkomen Plaatsbekleder beschikt. Die is de grote
Hogepriester en Voorbidder, Die in de troonzaal des hemels Zijn doorboorde handen de Vader toont; Die in de wierook Zijner gebeden de gebrekvolle gebeden der Zijnen heiligt, zodat zij als welriekende reuk de Heere genadig worden verhoord. Doch dan wordt dat volk ook met dankbare wederliefde aan Hem verbonden.
Spurgeon merkte eens op: „Verhoorde gebeden zijn de snoeren, waarmede ons hart verbonden wordt aan God". Zij vinden er het heilig drietal hunner geestelijke ervaring in, die der ellende, verlossing en dankbaarheid.
De heerlijkheid der Psalmen is wel, dat zij niet gemaakt zijn naar koele berekening van het verstand, maar geboren zijn uit rijke levenservaring door de ingeving en onderwijzing des Geestes. In deze Psalm spreekt een dankbare ziel, die uit grote benauwdheden, doodsgevaren en angsten der hel is gered door de Heere. Hij heeft gelegen als voor de poorten des doods. Daar heeft hem getroffen benauwdheid en droefenis. De angsten der hel vielen op hem aan. Doch God had Zich in Christus over hem ontfermd, als een reddend en vergevend God. Naar alle waarschijnlijkheid is David de dichter. De Heere had op zijn noodgeschrei grote wonderen gedaan. Hij had zijn smekingen gehoord en alzo uitgeholpen. In het dodelijk tijdsgewricht zijn ziel gered. Nu zegt hij in dankbare wederliefde de Naam des Heeren al de dagen van zijn leven te loven en te prijzen. De tekst leidt het heiligdom van het tere gebedsleven binnen.
Wij spreken tot u over: De belijdenis der liefde-oefening in het gebed des geloofs met de Heere.
Wij zien deze: I. In haar liefelijk karakter gekenschetst.
II. De weg waarin geleerd verklaard.
III. In vrijmoedigheid beoefend.


I.

„Ik heb lief'. Dit is in de grondtekst slechts één woord. Dit is de ontboezeming der ziel, die vol is van het Voorwerp, dat zij mint. Wat en Wie heeft de dichter nu lief? Hij zegt het in de grondtekst er niet bij. Dit lijkt op het eerste lezen een heel algemene uitdrukking. Toch is het een rijke belijdenis der liefde, die getuigenis aflegt, dat het hart vervuld is met liefde, dat één der schoonste kenmerken is van genade.
Uit het verband blijkt duidelijk Wie hij liefheeft, n.l. des HEERE. „Want de HEERE hoort mijn stem", zegt hij. HEERE met hoofdletters geschreven. De Drieënige! Hij kan de wondere weldaad niet op, dat Hij op hem, zo'n ellendig schepsel, heeft neergezien in Zijn nederbuigende goedheid. Juist het zeer persoonlijke en alzo de zuiverheid der liefde komt hier zo schoon uit. De dichter deelt hier in dadelijk leven, heeft op heden een ongedeeld hart. „Hij is goed in zijn doen", zouden onze ouden zeggen. Dit is zo vaak anders, dat er zoveel mededingers ; zijn. Nu liggen alle boeleerders stil en zijn hart is met God vervuld. De liefde Gods door de Heilige Geest in het hart gewerkt, noopt tot wederliefde. Het is de dichter zulk een wonder, dat God hem, gelijk de berijming heeft, keer op keer redt, telkens weer naar hem vraagt, blijken van Zijn liefde geeft, naar hem luistert.
De liefde Gods vertedert het hart. Dit is het juist, dat de ziel bij vernieuwing aan de Heere verbindt. Wat staat .de naam van de Geliefde diep in zijn hart gegrift. Hij staat zo helder in het licht der liefde, dat hij het overbodig acht de Naam van de Geliefde te noemen. Dit is het zoet geheim der liefde om zich alzo te uiten. Die Naam ligt hem zo teer. Het zou zijn gevoelig hart kwetsen deze klakkeloos te gebruiken. Er is er heden bij de dichter slechts Eén, Die zijn hart vervult. Liefdetaal is hartetaal, eigen taal, die . beter beleefd dan in woorden weergegeven kan worden. Liefde laat zich niet verklaren, wel beleven. Wat is een leven zonder liefde? Dit reeds in het natuurlijke. Waar geen liefde is, is alles versteend en koud. Zó is het bij de onherborene! Wat arm. Bij niemand brandt er meer het vuur der liefde in het hart tot zijn Schepper. Het altaar van binnen is, sinds hij zelf dat liefdevuur, eens door God in zijn hart ontstoken bij de schepping naar Gods beeld, heeft gedoofd, nu met as bedekt. Er brandt geen sprankeltje liefdevuur meer in tot God. Vanuit het hart Gods moet dat liefdevuur weer door Zijn Geest ontstoken worden. Dan leert de ziel weer zeggen: „Ik heb lief'. Wat zijn liefde en geloof nauw aan elkander verbonden. Nu is liefhebben van de Heere wederliefde. Ja, onze liefde is vrucht van Gods liefde uitgestort in het hart door de Heilige Geest. Iemand schreef eens: „Liefde is het zich inkompleet gevoelen, d.w.z. dat hij zonder het voorwerp, dat hij mint, niet af is, niet volledig is". Denk Gods kind los van God en hij zijgt hopeloos neer. Daarom is de liefde niet voldaan of zij moet zich met haar voorwerp zo innig mogelijk verbonden en verenigd gevoelen. Wanneer de liefde Gods ons hart binnenstroomt, dan gaat alles leven. Dan steekt deze ons hart ook in vlam. Dan is liefde een verlangende liefde. Het hart, waar de liefde Gods in uitgestort is, verlangt naar God. Dit is, niet voldaan voor het nabij Hem is, aan Zijn boezem zich weet gelegd, op Hem mag leunen en steunen. Liefde is ook een liefde der verlustiging_ Dan zegt Asaf: „Wie heb ik nevens U in de hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde". Vandaar soms het heimwee der ziel naar de hemel om aldaar zonder zonden, op het allervolmaaktst en allemauwst met Hem verbonden te zijn. Dan zegt de bruid: „Ik heb lief", omdat zij in hijgend verlangen uitziet naar de volle vereniging met haar Zielebruidegom, dat zij nooit meer van Hem gescheiden zal zijn. Liefde is ook een zich gevende liefde. Die liefheeft, wenst het voorwerp der liefde te behagen. Die neemt Zijn inzettingen getrouw waar, hoort naar Zijn stem.
Doch ook hier ontdekt hij al weer, dat hij daartoe van zichzelf onbekwaam is. Dat de Heilige Geest hem bedienen moet om de Heere welbehagelijk te leven. Toch is dit het ware kenmerk der liefde, dat zij een offer wil zijn, dat zij een verlustiging is in de ogen des Heeren, als een offer, dat gans verteerd wordt. Dan begeert de liefhebbende ziel zo te leven, dat Hij verheerlijkt wordt. Dan zegt ze met Asaf: „U al mijn liefde waardig schatten". Dan voelt zij, dat de Heere de liefde van haar ganse hart zo waardig is, Die zoveel weldaden aan haar, onwaardige, bewees. Die haar zo eenzijdig in Zijn eeuwige liefde bemint. Zij heeft Hem lief, omdat Hij haar eerst heeft liefgehad. Die liefde is een .in God Zelf vrijwillig opkomende liefde. Wij gaan in de tweede plaats letten: „Op de weg waarin verklaard".

II.
„Ik heb lief''. Ziehier een zielsontboezerning, die nooit anders dan vrucht van genade kan zijn, in persoonlijke ervaring. Dus daar alleen, waar persoonlijk die liefde Gods wordt gekend en genoten, kan en zal deze belijdenis gevonden worden. Dan gaat de dichter hier vertellen in welke weg en omstandigheden hij die liefde ervaren heeft. Dan zegt hij: '„Want de Heere hoort mijn stem, mijn smekingen, want Hij neigt Zijn oor tot mij". De Heere is in benauwdheid zijn Uithelper geweest. Hij riep tot Jehova, de getrouwe Verbondsgod. Hij ontleent aan het verbond Gods de vrijmoedigheid tot het aanroepen van Hem.
Volk, wij mogen, wat liefelijke vergunning, onze stem gebruiken in de aanroeping van Zijn Naam. Die God, Die met hem een verbond aanging, blijft Dezelfde en alzo Zijn verbond getrouw. Zeker, Hij hoort ook het zuchten van het overvolle hart, Hij verstaat zelfs het lispelen van de gebroken stem. De Heere verstaat zelfs het bidden zonder woorden, dat alleen een zucht is. Dan zegt David in Psalm 5: „Versta mijn overdenking". Of zo de berijming heeft: „Zie als het aan woorden mij ontbreekt, wat de overdenking in mij spreekt".
Wanneer wij ons zo zwijgende voor de Heere uitbreiden, in smarten en benauwdheden, dan zijn dit lang niet altijd de gebeden, die het minst rijk aan inhoud zijn. Neen, dan is er geen vleitaal, maar wordt er oprecht gebeden door de Geest, Die in ons bidt met onuitsprekelijke verzuchtingen. Toch wil de Heere ook de stem van Zijn kind horen, dat het Hem vertellen zal wat drukt en kwelt. Niet dat Hij het niet weet. Alles ligt naakt en geopend voor Hem. Doch Hij wil de vertrouweling van het hart zijn.
Echter, dan vraagt Hij naar waarheid. Een ouder kent zijn kinderen aan de stem. Een herder kent zijn schapen. Zo óók de Heere. Dan moet onze stem de vertolking zijn van onze persoonlijke noden en behoeften. De Heere verstaat Zijn kind, evenals een moeder haar stamelend kind. Zij maakt zelfs, wat een ander niet kan, uit die onsamenhangende klanken één geheel. Zij leest daaruit de begeerte van haar kind. Zie, dat vermag ouder-, moeder-liefde. Dan de Moeder- of Vaderliefde des Heeren. Volk, wanneer er niemand u verstaat in de raadselen van uw ziel en de aanvechtingen, de Heere wèl. Dan hoor ik een bekommerd hart al vragen: „Als ik maar een kind ben, die zijn stem Hem laat horen! Ach, ik kan niet bidden". Maar als hier de dichter zegt: „De Heere hoort mijn stem", wil dit zeggen, dat de Heere in gunst hoort, en niet in harde, koude gelatenheid, zoals wij mensen soms. De Heere hoort niet alleen, doch Hij verhoort.
Dan zingt de dichter: „Hij geeft de wens van allen, die Hem vrezen, hun bede heeft Hij nimmer afgewezen". Of: „Gij hebt mijn ziel op haar gebed verhoord, gered". Volk, hier blijft van onze zijde niets anders over dan verwondering, dat Hij zo barmhartig en genadig is; Hij ons in liefde aanziet, terwijl onze zonden en afmakingen zo veel zijn. De Heilige Geest is Zelf de Werker van het ware gebed. Wanneer God de stem van het biddend hart verhoort, verhoort Hij daarin Zijn eigen werk. De Heilige Geest registreert de gebeden in het hart. Neen, roepende ziel, uw stem verklinkt niet in de ruimte zonder Gods oor te bereiken, al hebt gij soms het gevoel, dat Hij u niet hoort. De smekingen worden gehoord. Smeken, dit is een versterkte vorm van bidden. Dit is dat ootmoedig vragen van datgene wat levensvoorwaarde is geworden. Dan komt hier ook uit, dat van dit smeken de grondtoon liefde is. Het is een liefde-smeken. Zo verschijnt de smekeling in het heiligdom Gods. Wat weldaad, daar toegelaten te worden. Dan komt hij daar als één, die alle recht in zichzelf op genade verbeurd heeft. Toch krijgt hij genade om zijn smekende stem voor de Heere uit te spreken. En als er ' zo gesmeekt wordt, kan de Heere niet afwijzen. Dan overwint de smekeling de Heere. Denk aan Jakob: Wonder van gen. God, een overwonnene van een arme kermer. Als uit liefde gesmeekt, op liefde gepleit wordt, hoort de Heere. Want de ware smekeling, het woord geeft het weer, pleit niet op eigen rechten, maar op het borgwerk van Christus, door de Heilige Geest geleerd. Dan heeft die Borg Zelf gezegd: „Al wat gij de Vader zult bidden in Mijn Naam, zal Hij u geven". In de Borg heeft Hij de vrijmoedige toegang tot Zijn troon geopend. Met eerbied gezegd: De Heere moet dan zulk een smeker verhoren. Al is Hij dit niet aan hem, doch wel aan Zichzelf verplicht. Zo verleent God in Christus een horend oor, dat uw smekingen opvangt. Meer, er is een Goddelijk liefdehart, dat de zin van uw bidden en smeken verstaat, al zijn het slechts gebroken klanken. Er is een Goddelijke almacht en wil om uit de grootste nood te redden. Dan zegt de dichter verder: „Hij neigt Zijn oor tot mij". Neen, niets ontgaat de aandacht des Heeren als Zijn volk biddend pleit op Zijn barmhartigheden. en Christus' kruisverdiensten. „De Heere neigt Zijn oor". Dit is natuurlijk beeldspraak. Want God heeft geen lichaam. Het geeft de tederste liefdezorg des Heeren te kennen voor Zijn kind. Zoals wij het oor neigen tot een uitgeteerde kranke, die geen heldere stem meer heeft, slechts lispelen kan, dat ons • niets zal ontgaan, zo neigt de Heere Zich tot het geroep der Zijnen.
Of wilt gij nog een tederder beeld? Hoe innig teer buigt een liefhebbend ouderhart, een moeder, zich over haar dodelijk kranke kind om de laatste gebroken klanken nog op te vangen. Zo buigt de Heere Zich veel teerder neer tot Zijn hulpbehoevend kind, dat het gebroken hulpgeroep tot Hem opzendt. Dan is hier de bedoeling, dat God bijzondere aandacht schenkt aan het geroep der Zijnen. Hij begrijpt. Zijn kind. Wat ligt hier een rijke troost. Begenadigden, zeggen wij toch niet, dat de Heere ons niet horen wil als Hij Zich soms een wijle als doof houdt voor ons geroep. De Heere heeft Zijn tijd van verhoren. Dat is nog altijd de beste. Hij wil uw vertrouweling zijn, daar heeft Hij recht op. Hij geeft Zijn eer aan geen ander. Als Hij dan Zijn oor neigt, wil dit niet alleen zeggen, dat Hij alleen verstaat de verzekerde taal des geloofs, maar óók de stamelende gebroken hartetaal. Wanneer gij het alleen maar uitsnikken kunt, dan weet Hij nog wat uw begeerte is. „Hij neigt Zijn oor". Dit ziet op Zijn nederbuigende tederheid en goedheid; op Zijn liefdevolle zorg voor Zijn ellendig en arm volk. Als dan de armen des geloofs te kort zijn om bij Hem te reiken, het geloof te zwak om een vurig gebed uit te spreken, dan trekt Hij Zijn volk niet alleen met koorden der liefde naar Zich toe, doch buigt Hij in Zijn ontferming laag neer. Als zij dan gans hulpeloos terneer liggen, dan is de Heere de Helper van Zijn kind. Als de nood op het hoogst is, is de redding nabij. Hij troost gelijk, ja meer dan een moeder troosten kan. Hij geeft kracht naar kruis. Hij neemt dat bedroefde kind als in Zijn Goddelijke liefde-armen. Hij heeft balsem voor de schrijnende wonden des harten. Doch dan heeft ook zulk een gebedsbevinding tot uitwerking, dat de ziel met steeds sterker banden aan de Heere wordt gesnoerd. Genade heelt en geneest, doch verbindt ook als koorden der liefde aan de Heere. Dan leert de ziel de keuze en het verbond vernieuwen. Dan wil ze met een ernstig voornemen des harten dicht bij de Heere blijven, al komt ze later tot de droeve ervaring, dat zij nog dikwijls gelijk een schaap van Hem afdwaalt. Dan heeft zij het weer niet best als zij Hem uit oog en hart kwijt is. Doch uit de hebbelijkheid der liefde wil zij Hem aankleven. Uit de beminnens- en dienenswaardigheid altijd bij Hem zijn. Dan openbaart zij de vrijmoedigheid om heel haar vertrouwen op Hem te stellen en vóór Hem te leven gelijk zij door Hem leeft.

III.
De dichter maakt hier een schone sluitrede, waaruit zijn geloofsvrijmoedigheid blijkt in zijn priesterlijk naderen tot God. Bidden is het reukwerk der geestelijke priesters Gods, die dit door de Heilige Geest gemaakt zijn. De dichter zegt: „Dies zal ik Hem in mijn dagen aanroepen". Dat is geen vrucht van eigen akker, doch gebedsoefening, door de Heilige Geest geleerd, als de Geest der genade en der gebeden. Dies, dat wil zeggen: Daarom, deswege de dichter bevonden heeft, dat de Heere de Gebedsverhoorder is, zal hij nu al zijn vertrouwen op Hem stellen. De barmhartigheid en liefde Gods geeft hem vrijmoedigheid, hoe groot de afstand ook is, Hij God, de dichter schepsel, telkens weer tot Hem de toevlucht te nemen. Dan bedoelt hij hier „in mijn dagen", al mijn dagen, zolang ik leef. Of van dag tot dag. Dus niet alleen tot God roepen in benauwdheid. Doch met al de noden van elke dag tot Hem gaan. Geen dag, of de dichter wil zich aan het hof der hoven melden om daar zijn smekingen neer te leggen. Dit wil zeggen: „Geen dag zonder Godsontmoeting". Och, werd dit door Zijn volk teer beleefd. Ging er nooit één dag voorbij, dat hij de Heere niet gesproken, niet ontmoet had. Dat het zó leefde in zijn ziel als hij zich ter rust begeeft: „Heere, als ik hier niet meer wakker word 's morgens, dan ben ik eeuwig bij U". Aan- roepen daar zit drang achter, ver van laksheid. Wie, die genade kent, moet zich hier dan niet wegschamen, dat hij zo vaak bidt, zo lauw en laks. De dichter neemt zich voor geen, stap achter de Heere te verachteren. Die tijden kent Gods volk ook, uit de hebbelijkheid van het liefde-leven, als de Heere weer zo rijk Zijn goedheid betoont, dat zij begeren nooit meer van Hem af te wijken. Maar ach, hoe vaak verliezen zij Hem weer uit het oog. De beslommeringen des levens bezetten hen dan weer. Het gebedsleven verslapt. Hoeveel verbroken geloften liggen er aan onze zijde. En de Heere zegt: „Betaal Mij uw geloften".
O volk, beloof maar niet te veel. Hoe ver kan hij weer van de Heere afleven. Dat de vorm des gebeds nog wel wordt onderhouden, doch de Heere mist zijn hart er in. Dan kan het naar buiten nog wel heel wat lijken, maar van binnen is het dor en droog. Volk, hoe lang is het al geleden, dat gij Godsontmoetingen hebt gehad, gebedsverhoringen ervaren? Wat gaan er een dagen voorbij, dat wij de Heere niet met ' ernst aanroepen, zo ook geen gemeenschap met Hem oefenen. Kunt gij dan wel „amen" zeggen achter uw gebed? Was het wel waar en zeker? Of de dichter er van toen af aan beantwoord heeft, zullen Wij niet -beslissen. Wel blijkt, dat het zijn oprechte begeerte was. En dat is Geestes werk. Als God Zich zo liefdevol neerbuigt, dan buigt de ziel zich wederkerig vertrouwelijk tot God. Wat ziet ze vol aanbidding tot Hem op. „Wie heb ik nevens U in de hemel? Nevens U lust mij ook niets op aarde". Dan kan zij uit de volheid van haar hart zeggen: „God is goed en recht". Zo wil zij zich dagelijks steeds weer melden in kinderlijke vreze. Dat aanroepen wijst niet alleen op een vormelijk bidden, zoals wij dikwijls doen, liefdeloos. Doch op een vurig bidden door de Geest. Gods kinderen leren onderscheid kennen in bidden en bidden. Zij bidden zo veel dat feitelijk geen bidden is. Denk alleen aan de sleurgebeden aan tafel met het eten. Dan vaak hetzelfde. Niet dat dit niet mag.
Jezus bad ook driemaal hetzelfde in de hof. Doch er wordt zo veel gebeden, dat God niet wordt ontmoet. Zij hebben geen kontakt, omdat hun hart niet in het gebed ligt. Nu gebeurt het wel, dat zij vormelijk beginnen, doch dat God zo goed is, dat Hij het reukwerk des gebeds door Zijn Geest aanwakkert, terwijl zij zich in de weg stellen. De ouden zeiden wel eens: „Ik ben vleselijk begonnen, doch de Heere gaf mij in de Geest te eindigen".
Daarom nooit het bidden nagelaten, al zijn wij nog zo koud, dor en liefdeloos gesteld. De Heere mocht eens overkomen en het hoofd weer uit de gebreken opheffen. Bidden is zulk een teer werk. Heilige eerbied past ons. Wat wordt de ziel dan zalig gesteld, zo de Heere verrassend overkomt en zij kontakt in het gebed des geloofs met Hem krijgt. Het gebed moet door het geloof gedragen worden. Want die twijfelt, is als een baar der zee gelijk. Die mene niet, dat hij iets ontvangen zal van de Heere. „Die tot God komt, moet geloven dat Hij is, en een Beloner is dergenen die Hem zoeken". Het geloof oefent gemeenschap met de Heere, het verbindt aan Hem. Wanneer de ziel dan het welkom aan de troon der genade beluistert, dan moedigt dit aan steeds toegang te vragen. Zijn volk heeft een kinderrecht in Christus; heeft in Hem een vrijmoedige toegang tot de Vader. Doch als het ver van de Heere afleeft, dan verbergt Hij Zich, houdt Zich als doof. Zijn volk kan zich wel uit Zijn gemeenschap uitzondigen, maar er zich niet weer in herstellen, dan moet de Heere de Eerste weer zijn.
Volk, de Geest moet dat aanroepen van Hem niet alleén werken, maar óók levendig onderhouden. Dit moet Hij doen in dagen van rouw en smart, doch ook in dagen van blijdschap Als Hij ons dan zo geeft te roepen, zullen wij ook van Hem antwoord ontvangen. Aanroepen, dan is het nood, heb ik behoefte, is het welgemeend. Zo gij dan ook gebedsdrang in u voelt opkomen, ga dan, indien het enigszins mogelijk is, terstond naar de binnenkamer en buig uw knieën. Zo gij over die drang heen werkt, is dit tot eigen schade. Dan gaat gij mis-
' schien later bidden. Doch dan heeft de Geest des gebeds Zich bedroefd teruggetrokken. Dan staat gij op, na een weinig onsamenhangende woorden te hebben gepreveld, zonder God te hebben ontmoet. Hier moet Zijn volk steeds weer bediend worden uit Christus, Die Zelf dit lied ook gezongen heeft in de Paaszaal. Die Zelf de doodstrijd heeft gestreden. De angsten der hel heeft doorleefd om Zijn volk te kunnen verlossen. Hij kon ten volle zeggen: „Ik heb lief", „Ik heb God lief '. En dat God Zijn stem hoorde. Hij getuigde: „Vader, Ik wist, dat Gij Mij altijd hoort". Wat rijke Voorbidder is Hij nu voor Zijn volk. In Hem alleen hebben zij toegang tot God. Zalig als God de bidder door de Heilige Geest uit Christus' bediening hoort. Van die gebedsdrang zingt David ook, waartoe de Heere de ziel opwekt in Ps. 27 : 5:
Mijn hart zegt mij, o Heer', van Uwentwegen:
„Zoek door gebeên met ernst Mijn aangezicht;
Dat wil, dat zal ik doen; ik zoek de zegen
Alleen bij U, o Bron van troost en licht.
Verberg toch niet Uw oog van mij, o Heer';
Ik ben Uw knecht, zie niet in toorne neêr,
Gij waart mijn hulp in al mijn zielsverdriet;
0 God mijns heils, begeef, verlaat mij niet.

Toepassing
Kunt gij ook zeggen met de dichter: „Ik heb lief', op de genadeschool geleerd? Daar behoeft gij niet oud voor te zijn. Dit wil de Heere ook jongeren leren. De Heere ziet reeds kinderen zo graag op de knieën, Hem biddend om een nieuw hart. Jonge mensen, acht gij dit ouderwets? Doet gij liever met de wereld en haar ijdel vermaak mee? Misschien spot ge er nog niet mee, maar dat gij u wel schaamt voor het bidden. Neen, van nature wordt dit bij ons niet gevonden wat de dichter hier belijdt. Dan zijn wij geen liefhebbers, doch haters van God. Dit is wel hard gezegd, maar waar. Schrift en beleving bevestigen het. De Heere moet Zijn liefde in ons hart uitstorten, dan zullen wij Hem wederkerig lief krijgen. Hij moet ons ook leren bidden. Wie onder jong en oud is al bij Hem op Zijn genadeschool? Of beeldt gij uzelf in, dat gij Hem liefhebt en zijt gij nog nooit aan de vijandschap van uw hart ontdekt? Tegenwoordig worden velen in die leer opgekweekt, dat wij allen de Heere liefhebben, en men verzwijgt de val in Adam. Doch bij de wedergeboorte stort de Heere door Zijn Geest de liefde uit in het hart. Toch durven alle wedergeborenen altijd niet volmondig meezingen: „Ik heb lief". Vooral in de eerste ontdekking. Zij zijn zo ongelukkig. Zondaar zijn zij en God kwijt. Zij gaan wel bidden, er is betrekking op de Heere, dat zij zelf nog niet verklaren kunnen. Dan zijn er misschien hier, die er wel iets van kennen, doch zeggen: „Ik vind nog zoveel vijandschap in mijn hart tegen God". „Ik vloek soms van binnen in plaats van bidden". Kun je genade bezitten en dit beleven? Ja, dat kan! Velen van Gods kinderen leren dit kennen. Hoe verder op de weg, hoe dieper zij aan zichzelf ontdekt worden. Dan zuchten er misschien: „Mijn hart is zo koud, zo liefdeloos". Er is soms nog meer liefde tot de zonde in dan tot God. Gij vraagt u af: „Heb ik wel waarlijk liefde? " Hebt gij vrede met die vijandschap? Of schreit gij er bij tijden in smart over, dat gij zo tegenover dat liefdevolle Wezen zijt? Het moet ons wel diep vernederen als wij bij het licht der wet, uit Geestes ontdekking, ons zó leren kennen. Dat wij niet beantwoorden aan het gebod der liefde. Toch behoeft gij niet te wanhopen. Want onze zaligheid hangt niet af van onze liefde tot de Heere, doch van Zijn liefde tot ons. Met eigenliefde verloochende Petrus Jezus. En dan is Zijn liefde zo groot, dat Hij ook onze liefdeloosheid wil vergeven in Christus. In Zijn liefde smelt onze vijandschap weg. Zijn liefde blijft getrouw. Die is onveranderlijk. Die is vandaag niet meer en morgen weer minder. Wel zal het ons smarten moeten, dat wij zo weinig liefhebben. Want Hij is al onze liefde waardig. Onze liefde tot Hem moet gevoed en groeien in de weg van Zijn uitlatende liefde in ons hart. Als de liefde kwijnt, moet de Heere ze Zelf weer verlevendigen. De Heere brengt ons wel eens in de smeltoven der beproeving. Daarin lezen wij soms beide, de vijandschap en de liefde. De vijandschap is het niet eens met de beproeving, die tegen ons vlees in gaat. Wij zijn heus zo lief niet van onszelf. Doch als de Heere in de beproeving mee komt, het doel er van doet verstaan, dan zal de liefde weer opwaken.
Kent gij, jongeren en ouderen, nu iets van de gebedsverhoringen, die u aan de Heere vastsnoeren? Heeft Hij uw stem al eens gehoord? Jongeren, waar gaan jullie met je vragen en jeugdproblemen heen? Of hebt gij die niet? Leeft gij ijdel? Als gij maar geniet, is het u dan goed? Bekommert gij u niet over de ernst der tijden waarin wij leven? Nog minder over je zieleheil? Leeft ge of ge altijd hier blijft? Lees dan eens goed de tekst. De dichter spreekt niet eens over mijn jaren, doch over mijn dagen. Hij wist hoe vergankelijk hij was. Eén dag! Het is niets. Een mensenleven, het vliegt voorbij, en dan is het eeuwigheid. Hier zonder God, dan eeuwig zonder God. Dat maakt de 'hel in de hel uit. Wie uwer kent door genade de Heere tot de vertrouweling van zijn hart? Dit heeft juist de Heere zo gaarne, dat jongen tot Hem vluchten. Ja, er klinken heel wat stemmen op uit de wereld naar de hemel, ook uit de kleine wereld van ons hart, die Hem diep beledigen. Zult gij al uw dagen God tergen met uw zonden en dan straks eeuwig door Hem gestraft worden? Wat is Hij nu nog lankmoedig, dat Hij nog draagt en verdraagt. Velen onder het thans levend geslacht, het getal wordt steeds groter, de brute uitleving der zonden neemt steeds toe, kennen het gebedsgeheim niet, zoeken het buiten God. Velen, die er nog wel in zijn opgevoed, doch dit met voeten vertreden.
Kerkjeugd, vraag toch naar God uw Schepper. Hij lere u Zelf uw stem tot Hem opheffen. Bidden is zulk een zalig werk. Dit leren zij, die door genade weer geestelijke priesters worden gemaakt. Wat zoetheid ligt er in het smeken aan Zijn troon. Meer dan al het genot der wereld geeft. In het ware bidden wordt de ziel opgetrokken uit het stof tot de reine sfeer der Godsgemeenschap. En weet dan, dat uw eerste zucht, die gij in waarheid tot God slaakt, reeds vrucht des Geestes is, als vrucht van Christus' offerwerk. Ja, omdat er nog een biddende Jezus in de hemel is, is er op aarde nog een biddend volk. Al wie hier van gebedsverhoring leert getuigen is vrucht van de Voorbidder Christus. Het is om Zijn kruisverdiensten, dat God een arme kermer hoort en verhoort. Is dit uw levensgeheim geworden, dat uw hart in wederliefde uitgaat tot Hem, gij niet meer buiten Hem leven kunt? Met opzet noem ik dit een levensgeheim. -Want dat leert alleen een begenadigde. Staat God nu ook in het centrum van uw leven? Zo gij dit nog mist, zijt gij nog vreemd aan het genadeleven. Dan moogt gij een nauwgezet, godsdienstig mens zijn, doch dan klopt er geen liefdeleven in u, ontstoken uit het heiligdom boven. Smeek of de Heere u nog met genade bedele. Hij wil gebeden zijn.
Begenadigden, staat gij heden in de liefde? Roept gij het van harte uit: „Ik heb lief"? Of leeft gij weer ver van de Heere af? Stelt gij nog vaak vlees tot uw arm? Of kent gij de Heere in al uw wegen? Is Hij uw Vertrouweling en Raadsman? Komt gij veel in de gebedskamer, elke dag? Of is het pad er naar toe met gras begroeid, omdat gij weinig die weg betreedt? Kunt gij deze haast niet meer vinden? Zijn de knieën te stram om te buigen? Geve de Heere dat gebed en smeking weer mogen doorbreken. God is er op gesteld uw stem te horen. Het mag! Is dit niet groot en rijk? En zo Hij uw stem hoort, zal Hij Zijn oor neigen tot uw geroep. Dat dit „dies" uit de tekst, dit hartelijk voornemen weer opwake in uw ziel. Een biddend leven is een vruchtbaar leven. Een biddeloos leven een troosteloos leven. Groot voorrecht, veel met de Heere te spreken. Zalig leven, veel gebedsverhoring te ervaren. Hebt gij veel verhoorde gebeden, die u telkens nauwer aan Hem verbinden? Of hebt gij ook onverhoorde gebeden, die u de moed zouden willen ontnemen? De Heere verhoort die gebeden, die met Zijn wil en raad overeenstemmen, die goed voor ons zijn. Och, misschien moet gij wel eens zeggen als gij gebeden hebt: „Heere, geef mij dwaas mijn bede niet". Gebeden moet gelijk Jezus: „Uw wil geschiede".
Volk, straks zal uw biddend leven omgezet. worden in een eeuwig danken en aanbidden. Neen, boven is niets meer te bidden, geen strijd en benauwdheden meer. Daar is alleen het eeuwig danken van God drieënig, Die in Christus al dat heil heeft bereid: „Niet ons, niet ons, o Heere, maar Uw Naam geef eeuwig eer". Amen.

Juni 1970