De bruidskerk gebracht tot het verlangen naar haar Bruidegom
Predikatie over Hooglied 5: 3-6
Ds. D. SLAGBOOM
Psalm 27 : 5
Lezen: Hooglied 5
Psalm 63 : 2 en 3
Psalm 119: 25
Psalm 40 : 8
Tekst Hooglied 5 : 3-6:
Ik heb mijn rok uitgetogen, hoe zal ik hem weder aantrekken? Ik heb mijn voeten gewassen, hoe zal ik ze weder bezoedelen?
Mijn Liefste trok Zijn hand van het gat der deur; en mijn ingewand werd ontroerd om Zijnentwil
Ik stond op, om mijn Liefste open te doen; en mijn handen drupten van mirre, en mijn vingers van vloeiende mirre, op de handhaven des slots.
Ik deed mijn Liefste open, maar mijn Liefste was geweken, Hij was doorgegaan; mijn ziel ging uit vanwege Zijn spreken, ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet, ik riep Hem, doch Hij antwoordde mij niet.
In ons tekstgedeelte komen op bijzondere wijze openbaar de gestalten ader liefde. Drie gestalten worden hier immers in de tedere en schone; taal van het Hooglied getekend, waarin de bruidskerk zich bevindt. Of misschien is het beter gezegd: één ongestalte en twee gestalten. Immers, hier is sprake van een ingezonken 'liefde, van een ontwakende liefde en tenslotte van een zoekende liefde.
Maar bovenal spreekt hier de liefde van de hemelse Bruidegom zelf, die door dit alles heen de bruid brengt tot het rechte liefdesverlangen naar Hem Zelf. Zijn eenzijdige liefde, die Hij onverdiend aan haar besteedt, en in haar doet werken, zal de enige grond moeten worden èn zijn, waarop Hij Zijn gemeenschap aan haar wegschenkt. Daarom gaat het ten diepste om Hem, Die Zijn bruid uit de ongestalte brengt in haar gemis, om plaats te maken voor Zichzelf. Aan het einde van dit hoofdstuk mag zij ook één van de schoonste lofzangen zingen, waarin Zijn schoonheid en uitnemende liefde in het middelpunt staan.
Maar dan ligt daarin voor de kerk des Heeren en voor het kind van God zo'n bijzondere troostgrond. Menigmaal is die kerk niet op haar plaats, en leven Gods kinderen ver van huis. Een ongeestelijke dodigheid en dorheid hebben hun hart dan bezet. Voor een tijd is het alsof er geen uitgangen zijn naar de Heere, en er geen levende honger en dorst naar Zijn gemeenschap is. Ondanks het werk Gods in hun hart, dat van Zijn kant in stand gehouden wordt, zinkt de liefde in en brandt niet meer in het binnenste van hun hart om de Heere te kennen.
En nu mag het kind van God zich nooit beroemen op zo'n toestand. Nooit anders dan met schuld zal hij daaruit kunnen komen. Het moest zo anders zijn. De Heere is het waard, dat het hart altijd naar Hem zou uitgaan, en er een gedurige begeerte was om Zijn gemeenschap te ondervinden. Doch ziet, de kerk des Heeren kan zichzelf niet uit die ongestalte bevrijden. Zij zou zelfs geneigd zijn om er al dieper in weg te zinken. De Heere Zelf doet het alleen. Hij laat niet varen het werk Zijner handen. Hij ontfermt Zich telkens over de Zijnen in Zijn eenzijdige liefde en genade. De bruidskerk moet niets anders overhouden dan alleen het wonder van de liefde van haar hemelse Bruidegom. En langs wonderlijke wegen weet Hij haar daar te brengen. Zó mogen 'we luisteren naar het woord, dat we hopen te overdenken, en ons vertolkt: De bruidskerk gebracht tot het verlangen naar haar Bruidegom.
We zien dan:
I. een kloppende Bruidegom en een trage bruid;
II. een wekkende Bruidegom en een ontwakende bruid;
III. een verborgen Bruidegom en een zoekende bruid.
I.
Het is altijd een wonderlijk, maar toch ook toesprekend gedeelte, dat in het lied der liederen in, ons tekstvers naar voren komt. We vinden hier de bruid niet vol verlangen naar de Bruidegom, maar in de ongestalte van geen ingezonken liefde. De bruid ligt op bed, het is nacht en zij slaapt. Ja, versta dit even goed. Die slapende bruid wordt hier getekend pop het bed van haar geestelijke ingezonkenheid en zorgeloosheid. En dit, zoals het zo dikwijls gaat, als de kerk nog maar kort geleden rijke genade van God ontvangen heeft. Immers, nog niet lang was het geleden, dat zij bijzondere gaven van haar hemelse Bruidegom heeft ontvangen. Op haar gebed hebben de noordenwind en de zuidenwind de hof doorwaaid en heeft zij in haar hof vruchten ontvangen uit Hem. Zelfs heeft Hij Zich verlustigd in Zijn eigen werk en zijn er uren van bijzondere gemeenschap en blijdschap tussen Hem en haar geweest.
Maar nu is de genieting van dit alles weg, en wordt zij hier voorgesteld in een geheel andere toestand. Ze is met al de weldaden van haar Bruidegom in slaap en sluimer gevallen. Niet alleen, dat de warmte van de oefening van het leven weg is, maar ook dat een vleselijke zorgeloosheid haar hart bezet heeft.
0 zeker, het binnenste van haar hart kan niet veranderd worden. Het is en blijft door Gods werk het hart van de bruid: ,,.ik sliep, maar mijn hart waakte". Maar de liefde is verkoeld. Zij rust op een verkeerde wijze op alles, wat zij ontvangen heeft. Er is geen levende behoefte aan Hem. Zij kan Hem zo heel goed missen. Ze ''ligt ,daar goed op haar rustbed in haar slaapkamer. Op Zijn komst en bezoek is zij eigenlijk helemaal niet gesteld.
Daar komt ondanks haar, de Bruidegom. Hij, Die haar lief heeft. We moeten het ons voorstellen, dat Hij door de oosterse nacht is gekomen. Hij zegt het straks tot haar, dat Zijn hoofd vervuld is met dauw en Zijn haarlokken met nachtdruppels. De nachtmist, die in Palestina des nachts valt in de zomer met fijne druppels op het veld, heeft Zijn hoofd nat gemaakt, en Zijn haar vol van die ,,dauw"-druppels gemaakt.
Hij heeft een lange en bezwaarlijke, nachtelijke reis voor haar over gehad. Wat een levende uitbeelding van wat de hemelse Bruidegom gedaan heeft voor Zijn bruidskerk. Hij heeft er alles voor moeten doen :om 'tot de Zijnen te komen. Hij heeft ze slechts los kunnen kopen door de prijs van Zijn eigen bloed vanwege haar ongerechtigheden en vreselijke schuld. O, thans is Hij gekomen om haar uit de slaap van haar gerustheid en zorgeloosheid op te wekken en om haar uit de ingezonkenheid van haar liefde te bevrijden. En daartoe gaat Hij vóór de deur van haar slaapkamer staan en klopt. Wat wonder: Hij klopt, Hij roept haar uit die vleselijke toestand. „Doe Mij open, Mijn zuster, Mijn vriendin, Mijn duive, Mijn volmaakte......".
Is het niet ontroerend en vol van een liefde, die haar tot in het diepst van haar hart beschamen moet? Hij noemt haar bij namen, die zij als bruid bij Heem heeft. En dit, terwijl zij er op dit ogenblik van haar rust niet op lijkt. Zij vertoont meer het beeld van wat zij is in haarzelf: een vervreemde, een vijandin, onoprecht en vol vleselijkheid. Maar toch benoemt Hij haar in Zijn onveranderlijke liefde met die namen, die alleen voortvloeien uit Hem. Mijn zuster, die aan Mij verbonden is, Mijn vriendin, omdat zij Mijn uitverkoorne is, Mijn duive, oprecht en schoon, Mijn volmaakte, die Ik onverdeeld voor Mij bestemd heb.
Zo staat Hij als een kloppende Bruidegom voor haar deur. ,,Doe Mij toch open, want Ik ben voor u de nacht der verschrikkingen door gegaan om u tot Mijn eigendom te maken". Alles aan Mij, o bruidskerk, laat het zien: „Ik draag de tekenen van Mijn borgtochtelijke liefde bij Mij in het bloed, dat Ik voor u gestort heb". Kan het nog indringender gezegd worden door die kloppende Bruidegom?
Ja, maar nu komt hier een schrijnende 'tegenstelling openbaar: een kloppende Bruidegom en een trage bruid. Want op dat liefdevol en dringend kloppen en spreken klinkt wel een antwoord, maar niet het antwoord waarop die kloppende Bruidegom recht heeft. Het dijkt er zelfs niet op. Haar wederwoord verraadt integendeel de grote traagheid en ingezonkenheid van haar toestand op dit ogenblik: „Ik heb mijn rok uitgetogen, hoe zal ik hem weder aantrekken? Ik heb mijn voeten gewassen, hoe zal ik ze weder bezoedelen?"
Laat het beeld maar even tot u spreken: de bruid ligt op het rustbed. Het is haar verlangen om te rusten. Ze heeft haar rok uitgedaan en ergens netjes neer gelegd. Zij heeft haar voeten gewassen, zoals men in het oosten altijd deed vóór het naar bed gaan. Immers, daar liep men op lichte sandalen, en waren de voeten spoedig vuil in het stof van de wegen in Palestina.
En nu...... zou zij de moeite nemen om haar rok weer aan te trekken en haar gewassen voeten te bezoedelen. Haar liefde brandt op dit ogenblik niet. Verre vandaar, zij heeft het er op gezet om op haar bed te blijven rusten. Zelfs kunt ge het horen, hoe ver of het er vandaan is in één woord van onze tekst, n:1. „hoe". Zij wil als het ware zeggen: hoe kunt Gij dat van mij vragen?
En inderdaad zijn haar woorden een bijzonder tekenende uitbeelding, hoever -of de bruidskerk des Heeren in geesteloosheid kan weggezonken zijn, en hoe verregaand het gebrek aan de levende honger endorst kan zijn. Zij hoort Hem kloppen, en zij hoort haar naam, want zij geeft antwoord. Ze verneemt van Hem Wie Hij is, en waarom het Hem te doen is. Er is enige opmerking bij haar, en toch beweegt het haar niet om op te staan en Hem open te doen.
Op dit ogenblik is er bij haar nog geen plaats in de oefening voor Hem. Ze wordt liever met rust gelaten op haar bed en in haar slaapkamer. O er zal een krachtig werk aan haar gebeuren moeten door de Heilige Geest om haar vleselijkheid te verbreken, en haar hart in waarachtig liefdesverlangen te doen branden.
Echter, heeft het God behaagd oom dit in het Hooglied te laten optekenen van haar verkeerdheid in haarzelf te openbaren tegenover Zijn onveranderlijke en ontfermende liefde. Dan laat Hij dat toe om Zijn eenzijdig werk groot te maken. En voor wie dit gedeelte iets anders is dan een droomfantasie zoals voor velen in onze dagen — ziet hier een aanwijzing van een werkelijkheid van Gods kerk in het algemeen, en van Gods kind in het bijzonder.
Moeten we het helaas niet zeggen, dat hier een duidelijke uitbeelding ligt van de toestand van Gods kerk in onze tijd? Ik weet het, we moeten waken voor het gemakkelijk uiten van 'een dode klacht. Er zijn er velen, die zonder dat zij er zelf iets van doorvoeld hebben, laat staan beleefd, zó maar spreken over de dodigheid van Gods kerk. En ze leven er net zo rustig overheen, als ze in hun binnenste doof blijven voor de waarschuwende roepstemmen Gods. Echter, het is nodig om de werkelijke toestand van Gods kerk in onze tijd in te leven. En wie dat leert, zal zeker toe moeten stemmen dat die kerk veelzins op een ongeestelijk rustbed ligt uitgestrekt.
Er is heel veel „aktiviteit" op het erf van Gods kerk. Prijzenswaardig soms en vaak niet, waar zo vaak de onwaarheid of een halve waarheid er mee gediend wordt. Maar wat wordt de stem van de bruidskerk weinig gehoord. Benauwend stil kan het zijn op het erf van de kerk in geestelijk opzicht, en weinig wordt de overgang uit de geestelijke dood tot het leven beluisterd. En juist het levende volk zelf kan zoveel het beeld van deze bruid vertonen. Vroeger gesprekken over de dingen des Heeren, als het levend Sion elkaar ontmoeten mocht en eens mocht spreken van wat ze van de Heere ontvangen hadden. En nu? We zullen niet zeggen dat er niet meer gesproken wordt, en ook niet dat er nergens wat goeds te beluisteren is, doch zelfs bij het volk van God krijgen steeds meer de dingen van de tijd de overhand. Of de gesprekken gaan over deze of over gene of over een predikant, en heel gemakkelijk worden allerlei woorden in een godsdienstig gewaad gestoken. Doch om het te verbergen, dat het uitgaande en tedere leven naar de Heere voor eigen ziel zo gemist wordt.
O, dat het voor de ware kerk toch een wonder mocht worden, dat deze gezegende Bruidegom nog voortgaat om te kloppen, en in Zijn liefde ,onveranderlijk de Zelfde blijft.
Maar geldt deze uitbeelding wellicht uw persoonlijk leven? Nog niet lang geleden hebt ge de weldaden mogen smaken. Uw zielsoog werd verlicht om in de onmogelijkheid van uw zijde om zalig te worden een weg ontsloten te zien in de Christus. Zalige zielevrede werd gesmaakt na het bange worstelen onder uw schuld voor God. Ge hebt de betrekking op Hem beleefd als een betrekking der liefde: „al wat aan Hem is, is gans begeerlijk". Of in Hem werd door God aan uw rechteloze en gans arme ziel een schuldovernemende Borg weggeschonken. Wie zal beschrijven, welk een rust pof dat aan uw hart gaf. Nimmer zal de Heere af kunnen nemen van wat Hij geschonken heeft.
En toch...... wat kan het rustbed dichtbij zijn, juist na de ontvangen geestelijke weldaden, of het inleven van de zielsbetrekking op de Heere. Gelukkig als de Heere u langere tijd een nabij leven schenkt, maar niet zelden zinkt al spoedig dat leven in. En zo'n inzinking behoeft niet te (bestaan in het vallen in de zonde. Het behoeft niet te bestaan in voor het oog ,opvallende dingen. Langzamerhand verandert het. De warmte gaat verloren. Het tedere leven verflauwt. Stond eerst de Heere in het middelpunt van hun gesprekken, en de grootheid van Zijn werk in 'hen, later kan het zo licht worden, dat zijzelf in het middelpunt staan. Ja, het kan zelfs zover gaan, dat het voor hun ziel geen uitlokkend voorrecht meer is om de ,gemeenschap met de Heere te mogen ervaren. Dodig en dor op het rustbed met een kloppende Bruidegom.
Zijt gij het? Of hebt ge wellicht nog nooit enige betrekking op de Heere in waarheid gehad? Dat is heel erg, want dan ligt ge niet als deze bruid op het rustbed der dodigheid, maar op het rustbed des doods. Dan klopt de Heere ook ernstig door Zijn waarschuwende roepstemmen. Ook welmenend om nog acht te geven op Zijn Woord, en dat de Heere u nog houdt in het heden der genade. Zie niet verachtelijk neer op een kind des Heeren, die het goede pad van de Koning bij tijden niet zo openbaart. Het moest anders zijn, maar allereerst gaat het om uzelf, en zolang als de Heere klopt, vraag Hem om een hart, dat Zijn stem mag horen. Wat gij niet kunt doen, .kan de Heere nog doen: de grendelen van het hart opzij schuiven om binnen te gaan met Zijn genadewerking, die voor ons allen zo noodzakelijk en onmisbaar is.
Maar...... levend Sion, als gij dan op dat rustbed ader dodigheid ligt, bedenkt het: de naam des Heeren wordt om uwentwil, niet geëerd. Gij gevoelt het soms zelf wel in het diepst van uw ziel. Wat moest het smarten de Heere te vergeten, dagen zonder getal. Eén ding hebt ge nodig, dat de Heere met de krachtige werking van de Heilige Geest uw ziel bearbeidt om u te doen ontwaken. Gij hebt nodig wat een zeker dichter eenvoudig heeft mogen vragen:
„Jezus, sla aan stukken
De grendels van mijn ziel;
't Zal anders nooit gelukken,
Al wat U buiten hiel.
Verbreekt het, laat maar sterven,
En maakt het mij maar kwijt
Laat ik U toch niet derven,
Die alles voor mij 'zijt".
Want dit is èn blijft waar, dat, waar Hij doorwerkt door Zijn Woord en Geest in het volk, dat een levensbetrekking op de hemelse Bruidegom mag kennen, de kracht van de dorheid en dodigheid zeker verbroken wordt. Dat kan niet uitblijven, omdat Hij in Zijn bijzonder werk altijd onwederstandelijk werkt. En duidelijk komt ,dit ook openbaar, als we hier in de tweede plaats gaan zien: een wekkende Bruidegom en een ontwakende bruid.
II.
Bijzonder schoon en ontroerend lezen we van die wekkende Bruidegom en ede ontwakende bruid in het vervolg van onze tekst: „Mijn Liefste trok Zijn hand van het gat der deur, en mijn ingewand werd ontroerd om Zijnentwil. Ik stond op om mijn Liefste open te doen, en mijn handen dropen van mirre, en mijn vingers van vloeiende mirre, op de handvatsels van het slot".
Om de geestelijke betekenis van dit gedeelte te verstaan, moet ge even de beelden, hier gebruikt, u voorstellen. De Bruidegom staat aan de deur van de slaapkamer. In die deur is een opening: het gat van de deur. We zullen moeten denken aan een soort kijkgat, dat zich boven het slot bevindt. Sommigen hebben wel gedacht aan een kijkgat, waardoor de Bruidegom kontakt heeft met de bruid. In ieder geval hier steekt de Bruidegom Zijn hand door dat gat heen ondanks de weigering om binnen gelaten te worden. Hij grijpt het handvat van de grendel en doet Zijn hand weer terug.
Terecht zeggen de kanttekenaren van onze Statenvertaling bij deze tekst,'dat hier pook vertaald kan worden „stak Zijn hand door het gat van de deur". En heel kenmerkend tekenen ze daarbij aan: „en alzo zou hier gesproken worden van de deur des harten, en te kennen gegeven worden, dat Christus bij Zijn uitverkorenen aanhoudt met prediken en vermanen, als zij Hem niet straks volgen, hun harten alzo aanroerende door de krachtige werking; des Heiligen Geestes, dat Hij in hen een brandende liefde en verlangen tot Zich verwekt".
En zeker gaat het hier daarom. Om de krachtige werking van de Heilige Geest, Die door de hemelse Bruidegom geschonken wordt in Zijn bruid. Dat zij ontwaakt en straks de deur open doet, is alleen door het werk van Zijn zijde aan haar besteed. Zoals de Bruidegom de hand steekt door het gat van de odeur, zó opent dat werk innerlijk het hart van de bruidskerk. Anders was zij voort blijven slapen, en had zij Hem nimmer in begeren te laten. Zijn liefde 'tot haar is niet uit te blussen, ook niet door haar ingezonkenheid en ongeestelijkheid. Door het aanhouden van die liefde, kan zij alleen gered worden uit die geesteloze dodigheid, door een vernieuwd ,werk van Zijn Geest.
Maar dan kan ook iets anders niet uitblijven. Ons tekstwoord stelt het vóór: „en mijn ingewand werd ontroerd om Zijnentwil". De slapende en ingezonken bruid wordt een ontwakende bruid. Haar binnenste wordt met leen onrustig liefdesverlangen naar haar Bruidegom vervuld. Eigenlijk staat er een woord, dat de grootste bewogenheid tekent. Het woord ontroeren gis bijvoorbeeld .terug te vinden in Psalm 42: „wat buigt gij u neder, o mijn ziel, en zijt onrustig in. mij?" En die ontroering is in haar ingewand als de zetel van de diepste gevoelens.
Tekent het niet bijzonder teder, hoe het de bruidskerk vergaat als de grendels van haar hart bij vernieuwing ontsloten worden? Dan wordt zij, die de betrekking op haar hemelse Bruidegom reeds gekend heeft, ontroerd gom Zijnentwil. En dan moeten we eens op drie bijzondere dingen gaan letten.
Allereerst gaat deze beroering gepaard met grote schaamte van haar zijde. Hoe ontzettend ver is zij van Hem afgeweken. Ze komt in de schuld voor Hem. Hartelijk zal ze het moeten bewenen en erkennen, dat zij het van haar, zijde verdorven heeft.
En dan in de tweede plaats: het is terecht opgemerkt, dat het een beschaamdheid met vertedering is. Vergeet het maar niet, dat als er geen vertedering is door de Heilige Geest, de rechte beschaamdheid voor God er nog nimmer gevonden is. Wonderlijk heeft Hij aan haar gearbeid: geen harde woorden en geen bestraffende verwijten. Zij moet juist diep onder de indruk zijn van het aanhouden van Zijn eenzijdige liefde.
Tenslotte: het is een ontroering om Zijnentwil. Een droefheid in haarzelf, die om Hem begonnen is. Nu zal ze niet kunnen rusten, eer dat ze Zijn gemeenschap aan haar ziel ervaren heeft. Dat geheim verstaat de wereldling niet, die is ontroerd om de dingen van de tijd. Dat geheim verstaat ook een „godsdienstig" maar onherboren mens niet, de kan ontroerd zijn, maar dan tenslotte altijd om zichzelf. Maar in haar hart is in tedere schulderkentenis weer opnieuw plaats gemaakt voor Hem. En vanaf dit ogenblik, dat ze Zijn hand bemerkt heeft, is het haar om Hem alleen te doen.
Een wekkende Bruidegom heeft nu een ontwakende bruid. Ontroerd over haar diep treurige toestand, waarin zij terecht was gekomen, maar toch met brandende genegenheên om Hem te ontmoeten en te kennen in ede verborgenheden van Zijn liefde. En voortgedreven door het krachtige werk in haar hart
kan ze het nu niet langer op haar rustbed uithouden. Zij staat op om haar liefste open te doen...... maar, terwijl zij daartoe is opgestaan, ontdekt zij iets dat de branding van haar hart nog groter maakt. Wat is het, dat zij ontdekt?
Wel, de geur van mirre komt haar tegemoet. In het oosten schijnt het gewoonte gewest te zijn, dat een bruidegom een kruikje meet mirre-olie meeneemt naar zijn bruid om aan haar zijn toegenegendheid te doen blijken. Die mirre is een bijzonder aangename specerij, vaak als een hooggeschat geschenk geschonken of voor het doortomen van die kleding van vorstelijke personen. Hier is het deze Bruidegom er om te doen, dat haar slaapkamer met de geur der mirre doortrokken wordt. Hij heeft de handvatsels van de grendel van de deur, vóór Hij wegging, begoten metede mirre. En dan nog wel vloeiende mirre, de meest dure en kostbare die er is. En in rijke overvloed. Als de bruid de grendel vastgrijpt, dan druipen haar handen en haar vingers van deze mirre.
In de weg der waarachtige bekering komt de Heere tot de Zijnen met de bewijzen van Zijn ontfermende liefde en genade. De hemelse Bruidegom laat hier de geur van Zijn liefde achter voor Zijn bruidskerk. Het is een bewijs, dat Hij haar lief heeft. Hij heeft die bewijzen voor haar verworven, toen Hij in onpeilbare, borgtochtelijke liefde Zich gegeven heeft voor haar om een zwarte bruid te gaan verenigen met Zijn kostbaar middelaarsboed. Mij laat die bewijzen aan haar toegeuren om haar er in toe te spreken van Zijn uitnemende liefde tot haar. Zo is die geur van ede mirre in Zijn beloften en toezeggingen, die Hij aan een onwaardige bruid wil betonen. Zij zijn immers alle bewijzen van Zijn ontfermende liefde.
Maar dan heeft het geven van dat bewijs van Zijn liefde ook een bijzonder doel. Die mirre aan de handvatsels kwam van Hem, maar om haar hart des te meer te doen ontwaken, en met steeds meer begeerte te vervullen naar Hem en naar Zijn gemeenschap. Al de beloften en al de toezeggingen, die Hij haar doet en in haar ziel bevestigt, hebben dit doel, dat zij tenslotte naar Hem doen uitgaan.
Wat een wonderen betoont de Heere dan al aan haar, éér ze de Bruidegom Zelf ontmoet. Ongetwijfeld zal het haar ziel in de ontroering om Zijnentwil bijzonder toegesproken hebben. Zij had de geur van Hem moeten verspreiden. Hij was het immers waard oen de liefde reeds eerder aan haar bewezen? Ja, Hij was het waard om Zichzelf. Maar het tegendeel was waar geweest bij haar. Ze had de onaangename geur verspreid van vleselijkheid en dodigheid. Ze was het daarom waard geweest, dat Hij haar niets achtergelaten had, dan de bewijzen van Zijn ongenoegen.
En nu: dat doet Hij niet, omdat Zijn liefde onveranderlijk is en haar vasthoudt om ze weer te doen delen in Zijn gemeenschap.
Wat bijzonder wordt dan in dit gehele gedeelte de wekkende Bruidegom getekend en de ontwakende bruid. Hij wekt door het ontgrendelen van haar hart endoor het nalaten van de geur der mirre. Het zijn verschillende daden, maar voortkomend uit die ene liefde van Zijn hart, die'Zijn bruid wil brengen tot het brandend verlangen naar Hemzelf. En de vrucht komt openbaar: zij ontwaakt steeds dieper en steeds meer.
Hoe heeft de kerk van vandaag die geestelijke ontwaking nodig. Niet zoals velen, die zoeken in onze tijd in een oppervlakkig aannemen van de Heere Jezus in een ondiepe beroering van het tijdgeloof, of in een terug willen roepen van de bijzondere gaven van het spreken in tongen enz., terwijl de gave des Geestes voorbij gegaan wordt. Neen, het gaat om de geestelijke ontwaking door Gods Woord en de Heilige Geest, waardoor zondaren ontwaken tot de kennis van zichzelf in het licht van Gods heilige deugden en de dodige bruidskerk in levende schulderkentenis bij vernieuwing uitgaat naar de ware kennis van haar Bruidegom.
Zo'n geestelijke ontwaking is alleen Gods werk, maar wil de Heere middellijk werken. Daarom ligt er een ernstige verantwoordelijkheid om het Woord der waarheid zuiver te verkondigen. De Heere zou de geestelijke mirre in de weg der bekering zeker willen schenken door de bediening van de Heilige Geest uit de Christus.
Maar kent gij die ontwaking voor uw eigen ziel? En dan willen we daarbij allereerst denken aan de eerste ontwaking van het dode zondaarshart. Daar begint de Heere mee, als Hij in de levendmaking de dood verbreekt en het leven wegschenkt. Dan worden ze ontroerd gom God. Hun rust wordt opgezegd, en hun ontzettende toestand bloot gelegd. Langs welke weg of de Heere dat ook leert, maar zeker is het dat ze in hun Godsgemis om ede Heere leren schreien.
Houdt het daarom niet voor een ontwaking, als ge enkel ontroerd zijt om uzelf. Zeker, ook het ware werk van God maakt werkzaam met zichzelf, ede nood van de ziel doet roepen om ontferming, maar ten diepste is het om God begonnen. Dit is bij een ontroering enkel in het geweten niet zo, hoezeer of die ook gepaard kan gaan met grote benauwdheden. Daar wordt de verbrijzeling van het hart in gemist, van waaruit het werkelijkheid wordt: ,,.k Denk aan U, o God, in 't klagen". Opmerkelijk is het dan pook dat alle gewetensontroering weinig verandering brengt. Na jaren is het nog hetzelfde of is er een terug vallen in een ongevoelig bleven.
Zoek daarom met ernst bij de Heere de rechte ontwaking. Wijs de Heere op Zijn eigen Woord, en vraag het Hem maar gedurig of Hij door Zijn Geest dat Woord voor u krachtig doet zijn ten leven. De dood van uw hart is ontzettend groot. De meest ernstige èn de meest lieflijke roepstemmen kunt ge zo maar voorbij gaan. Maar niet uit te spreken groot is de almacht van Gods genade, die in een ogenblik het dode zondaarshart maakt tot een schreiend hart om de Heere. En Zijn lankmoedigheid houdt u nog onder de prediking van zulk een God, opdat ge niet .gemakkelijk bij uw dood zoudt voortleven, maar niet op zoudt houden Hem te vragen om bekering des harten.
Och, en waar die waarachtige bekering werkelijkheid wordt, daar blijft de geur van de geestelijke mirre niet verborgen. De Heere geeft naar Zijn vrijmacht aan de één van Zijn gekenden een kortere, en aan de ander een langere weg tot de levende kennis van de hemelse Bruidegom. Niet dat we willen raggen, dat Gods kinderen gemakkelijk moeten rusten in de eerste openbaringen van het leven Gods. Maar wel, dat de Heere de wijze en de tijd voor Zichzelf bewaart. Echter behaagt het Hem menigmaal vóór de kennis van ede Persoon van de hemelse Bruidegom met bemoedigende beloften de zielen van een ongelukkig volk te verkwikken,opdat ze voor een ogenblik moed zouden krijgen en in afhankelijkheid van de Heere aan zouden houden. Zulk een belofte komt uit Hem, en mag hun zijn een steken, dat de 'theere !aan hen gedenkt. Bijzonder als ze ontdekt aan hun vreselijke schuld en hun onmogelijkheid om ooit met God verzoend te worden, niet meer weten hoe het moet. O, als Hij dan spreekt, dat Hij gewislijk komen zal, en niet zal achterblijven om hen te zaligen, dan krijgt het hart weer moed.
Ja zeker, de genieting van het leven in die belofte duurt niet altijd. De Heere wil hen ook leiden tot de kennis van Hemzelf. En het valt niet mee om een weg te moeten .gaan van afbraak, om het leven buiten zichzelf te leren zoeken. Doch van Gods kant blijven die beloften waar, en de kerk in oefening mag daar op leren pleiten. Weet gij er van? Dat,ge in al het ongeluk van uw ziel daar naar uit mocht zien. Dan zal ook de psalm u niet vreemd 'zijn, die we thans willen zingen, Psalm 119 : 25:
Gedenk aan 't woord, gesproken tot Uw knecht,
Waarop Gij mij verwachting hebt gegeven;
Dit is mijn troost, in druk mij toegelegd,
Dit leert mijn ziel U achteraan te kleven,
Al 't geen Uw mond aan mij had toegezegd
Gaf aan mijn hart vertroosting, geest en leven.
III.
Ziet, daar is de bruid, voor haar is het wel werkelijkheid: ,,dit leert mijn ziel U achteraan te kleven". Ze heeft de grendel van de deur in haar hand, en de mirre van Zijn liefde druipt over haar vingers heen. Als ze Hem, haar Bruidegom, nu maar ontmoeten mag......
Maar, we zien tenslotte niet: een zoekende bruid en een gevonden Bruidegom, doch: een verborgen Bruidegom en een zoekende bruid. Leest u het maar in het allerlaatste gedeelte van deze tekst: „ik deed mijn Liefste open, maar mijn Liefste was geweken, Hij was doorgegaan; mijn ziel ging uit vanwege Zijn spreken; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet; ik riep Hem, maar Hij antwoordde mij niet".
Wat nu? Hoe kan dit? De geur van Zijn liefde lokt haar uit, en nu is Hij Zelf weg. Voor de deur de reuk van de mirre, en achter de deur geen Bruidegom, terwijl Hij zoëven nog riep: „Doe Mij open, Mijn zuster......"
Wonderlijk en toch niet vreemd voor wie de geheimen van de omgang met de hemelse Bruidegom mag kennen. Ook dit is Zijn liefde, dat Hij Zich verborgen houdt en dat zij moet missen de gevoelige gewaarwording van Zijn tegenwoordigheid. Alleen, deze liefde gis een tuchtigende en beproevende liefde.
Tuchtigend, omdat zij in geesteloosheid Hem heeft laten kloppen aan de deur van haar slaapkamer. Zij had toen Zijn gunst versmaad, en nu onthoudt de Heere Zijn tegenwoordigheid aan haar. Maar dan ook beproevend. Immers wil Hij haar door het gemis heen leren, Wie of zij mist om Zich op Zijn tijd in volle schoonheid te openbaren.
Een verborgen Bruidegom. Ja, tenslotte is het ook Zijn wijsheid, die Hem Zich ,doet onttrekken om haar des te meer Zijn liefde te doen ervaren. En de vrucht in haar blijft daar riet van verborgen. Ze kan niet terug gaan in haar slaapkamer om weer de plaats van haar rustbed op te zoeken. Onmogelijk is dat voor haar in dit ogenblik. Haar ziel is ontroerd om Zijnentwil. Het gaat haar om m. Als we haar ziel zouden kunnen bezien, dan zou alleen de uitgaande begeerte naar Hem te zien zijn. Ze bezwijkt bijna vanwege Zijn spreken, dat zij gehoord heeft in. haar slaapkamer. Zij gevoelt zich verschrikkelijk onwaardig, alles heeft zij verknoeid, maar toch haar ziel hijgt naar Hem.
Zie ze maar gaan: uitgedreven om haar Bruidegom te zoeken. Ze is nauwelijks gekleed en dan midden in de nacht. Onbetamelijk is dat voor een vrouw in het oosten. Zonder lamp bij zich. Wie zal nu achting hebben voor deze vrouw? De wachters van de stad hebben het niet. Zij zijn hier het beeld van keurige en godsdienstige mensen, die een zekere plaats hebben op het erf van Gods kerk, ,maar deze arme en ellendige bruid, zonder haar Bruidegom niet verstaan. Ze slaan haar en nemen haar de sluier af. Het is hun plicht toe te zien, maar ze verstaan niets van haar behoefte.
Erg als de wachters op Sions muren de behoefte van een arme bruid in zichzelf niet verstaan. Of ze nu voor een hele of een halve waarheid zijn: erg zal het zijn voor zichzelf nimmer de waarheid beleefd te hebben.
Maar de bruid — hoe benauwd ze het er onder kan hebben - wordt er toch niet door veranderd. Ze wordt maar door één ding gedreven, dat is, dat zij haar Liefste kwijt is. En zoekende wordt ze steeds meer voortgedreven. Al zoekt ze en vindt ze niet, al roept ze en antwoordt Hij niet. Ondanks, ja juist in dat gemis, wordt deze Bruidegom haar zo nameloos van betekenis, en zo oneindig dierbaar. Nooit nog heeft ze zó zich in Zijn enige waardij, en zij kan niet rusten eer dat ze Hem heeft.
„Een verborgen Bruidegom en een zoekende bruid". Iemand schreef daar eens van, dat dit een nachtelijke verbeelding geweest is van de bruid. Hoe weinig wordt het dan verstaan: want dit is nu de werkelijkheid, maar die alléén verstaan wordt, wanneer de Heilige Geest Zijn bijzonder werk open-
baart;in het hart en het zoeken leert in het gemis van deze Bruidegom.
Mochten we die werkelijkheid eens meer ontmoeten in onze dagen. Wie daar in waarheid gebracht is, en in de oefeningen wat van doorleeft, is wel ellendig ren arm in zichzelf, maar hijgt naar de grootste rijkdom. Ziet, zo één veracht het kleinste in de genade niet. Die kan nu eens goed spreken met de dochters van Jeruzalem, die aan het begin van de weg staan. En een onbekeerd mens zal hij wijzen, dat het nog kan in het heden der genade, al weet hij het best, dat niemand zonder wedergeboorte in kan gaan in het Koninkrijk der hemelen. Al zijn begeerte ligt immers uitgedrukt in die Liefste, Die blank en rood is, en de banier boven tienduizend draagt?
En toch, vertel het nu eens: zijt gij al geen missend mens voor God geworden? We hebben heel veel grote mensen, maar zulke kleine mensen: daar ziet de Heere nu naar om. Onderzoekt u ernstig of ge daarbij behoort. Ze hebben veel kenmerken. Enige er van mogen we hier noemen: ze hebben met God te doen gekregen, en hebben last gekregen van hun ongerechtigheden. Daarin gevoelen ze zich ongelukkig en menigmaal roepen ze tot God, of de 'Heere hun een uitweg wil schenken. Ze zoeken het volk van God op en luisteren gaarne naar hen, en toch gevoelen ze, dat zij hun zaligheid niet bereiden
kunnen. Ze mogen bij tijden hoop krijgen als de Heere door Zijn toezeggingen hun ziel verwijdt.
Veel kenmerken. Kunt gij ze toepassen voor uw hart en leven? Het is nodig; een mens zonder ,de kenmerken leeft niet. Doch bij al die vele kenmerken blijft er één over, en dat is het ene kenmerk van de zoekende bruid. Niets rover te houden van zichzelf dan armoede, rechteloosheid, maar nu niet eerder te rusten, eer dat Hij aan haar ziel ontdekt is.
Vreselijk, als gij dit alles mist en niets vertoont noch van binnen noch naar buiten van ede bruidskerk en van de dochters van Jeruzalem. Wat is het erg. Dan leeft ge in uw zwartheid voor en in wezen, bij alle verstandelijke beschouwing, hebt ge er geen erg !in en geen last van. Dan moet ge straks een onverzoend God ontmoeten, en zult ge eeuwig buiten in de verschrikking van de rampzaligheid ,om moeten komen.
Maar wat een lankmoedigheid Gods dan nu nog onder het Woord Gods te verkeren, dat het zegt, dat een zwarte bruid nog zalig kan worden. Nu kan uw zwarte ziel nog gereinigd worden: dat ge dan om de werking van Gods Geest moogt vragen, om uw blinde zielsogen te openen en uw stenen hart weg te nemen.
Gij zegt: maar hoe zou het nu met mij zijn? Ik durf niet te zeggen tot de bruidskerk te behoren. Om bruid te zijn moet Hij Zijn liefde persoonlijk aan mij betuigd hebben. Ik heb wel eens uitgangen naar de Heere in zielsellende. Ook heb, ik wel eens hoop mogen beoefenen op de Heere. Maar mijn zwartheid wordt me steeds meer geopenbaard, en de grootheid van mijn ongerechtigheid is zó groot, dat het me al onmogelijker wordt ooit met God verzoend te worden. Ook benauwd is het u zonder Borg voor God niet te kunnen bestaan. Doch voor alle in waarheid door onweder voortgedrevenen is en wordt dit nu het geheim, dat Hij als Bruidegom Zijn kerk tot bruid maakt in Zijn gezegend middelaarsbloed. Alzo past Hij het ook toe door Zijn Geest aan en in Zijn gunstvolk, dat ze als onreinen door de reiniging van dat bloed Zijn stem vol liefde tot hun zielen mogen horen klinken. En dan is het benauwd als een gans verloren zondaar geen uitkomst meer te zien, maar dan is er niets ruimer dan dat Hij langs de weg van gerechtigheid en genade haar ondertrouwt.
En zeker: Zijn gevoelige nabijheid en tegenwoordigheid is er niet altijd. Vaak is er door eigen schuld een inbreuk op de genieting der liefde. Menigmaal houdt Hij met hen wegen der beproeving en trekt Zich terug om hen wat anders te leren. Vergeet ten slotte niet, Sion Gods, dat alleen het schijngeloof altijd hetzelfde is en altijd kan spreken over genieting en heerlijke tijden. De Heere houdt Zich geen ellendig en arm volk over, dat gedurig leert uitgaan naar de bediening door de Heilige Geest uit Hem, en dat hier aan deze zijde nooit uitgeleerd wordt. En Hij blijft niet een verborgen Bruidegom, die zoekende bruid wordt zeker één die vindt, zodat zij het zingen mag: „Ik ben mijns Liefsten, en mijn Liefste is mijn".
Dan wordt de schoonheid van Zijn tegenwoordigheid hier al genoten als een oase in de woestijn hier beneden. Het zijn vaak uren, die niet lang duren. Telkens weer weten zij van het gemis, maar het dient bij al Gods volk om de schoonheid van Hem en van Zijn eenzijdige ontferming te leren kennen. Oók om te hijgen naar de volle genieting der zaligheid in de eeuwige bruiloftszalen des Lams.
O wat blijven er een tekorten en gedurige ongestalten. Wat moesten ze meer in hun leven gelijken op die hemelse Bruidegom. Ze groeien hier nooit boven de psalm uit: „gun leven aan mijn ziel". Doch in Zijn borgtochtelijk middelaarshart staan ze geschreven krachtens het welbehagen des Vaders. Nooit zullen die namen teniet gedaan worden, en Hij bevestigt dat gedurig in hun harten. Alles ligt in Hem vast wat hun heil en zaligheid aangaat. Straks komen ze aan na een leven vol strijd en bestrijding, en zal Hij nooit meer verborgen zijn. Eeuwig zal zij dan Zijn tegenwoordigheid genieten en zal de Lofzang weer klinken tot eer van Hem, van Wie zij hier al getuigde: „Zulk één is mijn Liefste, ja zulk één is mijn Vriend, gij dochters van Jeruzalem". Amen.
Juli 1962