Hosea 14:6 ds Jac. Wisse
IK ZAL ISRAEL ZIJN ALS DE DAUW
Ps. 63 : 1
Hosea 14
Ps. 43 : 3
Ps. 22 : 12, 14
Ps. 68 : 7
Ps. 149 : 2, 5
"Wat zoekt gij?" Zo vroeg Jezus aan het tweetal discipelen van Johannes, toen de Heere zag, dat die beiden Hem volgden. De vraag was, vooral met het oog op hem, Die deze vraag deed, een zeer gewichtige vraag. Immers het is niet hetzelfde wat de mens zoekt, ook niet al zijn we mensen, die menen en voorgeven het goede te zoeken.
De gelijkenis van de farizeeër en de tollenaar leert ons, dat twee mensen kunnen opgaan naar de tempel, maar dat het onderscheid tussen beiden zo groot kan zijn, al doen beiden uitwendig hetzelfde. Vooral bij al onze godsdienstige verrichtingen is de vraag te allen tijde zo gepast en zo ernstig: Wat zoekt gij?
We komen samen om Gods Woord te horen, om te bidden en te danken, om te spreken en te horen, maar we kunnen van dat alles het doel niet afweten, waar het om gaat.
Zo zijn we ook thans samengekomen tot een ure des gebeds. Gij verwacht van de voorganger, dat hij bidden, spreken en danken zal, gelijk wij van u mogen verwachten, dat gij horen zult. En wederzijds staan we daarbij voor de vraag: Wat zoekt gij?
Het ingrijpende van die vraag, kwam bij de vraag, wat te zullen spreken in deze ure, veel en velerlei ons voor de geest. Is er geen aanleiding om in een ure als deze elkander te bepalen bij de zo ernstige tekenen der tijden? Is er geen aanleiding om met elkaar eens te overdenken de vele en grote afwijkingen van het algemene christendom, en de bijzondere ellenden in eigen kring? Doch al zullen we niet tegenspreken, dat dit alles onder Gods zegen zijn nuttigheid kan hebben, wij kwamen na ernstige overweging tot het besluit, niet over bijzondere ellende, maar wel voer bijzondere genade tot u te gaan spreken in deze ure.
De goedertierenheden des Heeren zijn groot. Zij zijn groot in het algemeen, zij zijn groot in het bijzonder, gelijk dit blijkt uit de regering Gods in betrekking tot Zijn kerk op aarde. Hoe groot waren ook de goedertierenheden Gods in de dagen van Israëls profeten. Zien we niet altijd, zelfs bij de aankondiging van de zwaarste oordelen over Gods oude volk Israël, dat de Heere te midden van de troon nog des ontfermens gedachtig was. het boek van Hosea levert ons daarvan zulke krachtige bewijzen. Bepalen we ons alleen, om iets te noemen, tot het laatste hoofdstuk uit dit boek. Hoe ontzaglijk is dan wat we in het begin van ons teksthoofdstuk horen: "Samaria zal woest worden, want zij is wederspannig geweest tegen haar God. Zij zullen door het zwaard vallen, hun kinderkens zullen verpletterd en hun zwangere vrouwen zullen opengesneden worden."
En toch, hoezeer ook het kwaad over dat volk ten volle bij God besloten scheen, nog zou de Heere geen voleinding met hen maken. Nog komt de roepstem tot bekering tot die afvalligen. Want zo spreekt de profeet in de naam van zijn Zender: "Bekeer u, o Israël, tot de Heere uw God, want gij zijt gevallen door uw ongerechtigheid."
Dat woord: "Bekeer u," wordt herhaald en het volk wordt de bede op de lippen gelegd: "Neem weg alle ongerechtigheid, en geef het goede, zo zullen wij betalen de varren onzer lippen." En hoe oneindig groot is Gods ontferming, als dan op het gebed van Zijn volk de Heere antwoordt met te zeggen: "Ik zal hunlieder afkering genezen, Ik zal hen vrijwillig liefhebben, want Mijn toorn is van hen afgekeerd." Wat dan de vrucht zal wezen van Gods liefde en ontferming, blijkt uit hetgeen volgt in de woorden van onze tekst:
"Ik zal Israël zijn als de dauw; hij zal bloeien als de lelie, en hij zal zijn wortelen uitslaan als de Libanon."
Hosea 14 : 6
Dat is Gods belofte, aan Zijn Israël gedaan. Hoe dit eens in de eigenlijke zin van het woord aan Abrahams zaad zou vervuld worden, zegt de profetie niet. Wel weten we dat, na zoveel tijdelijke verlossingen, God de Heere nog eenmaal de smaad van Zijn Israël wenden zal, want de volheid der heidenen zal ingaan en gans Israël zal zalig worden. Wij willen
echter bij deze gelegenheid alleen de aandacht gaan vestigen op de inhoud van Gods belofte in de woorden van onze tekst. Die belofte toch geldt in elk geval het erfdeel Gods, het geestelijk Israël. Het is aan Zijn Israël, dat is aan Zijn kerk op aarde, dat God de Heere deze zinrijke belofte deed. In dit licht gezien, gaan we spreken over:
Sions heil en troost
Overwegen we dan nader, wat de tekst ons zegt
I van Israëls God;
II van Israëls heerlijkheid;
III van Israëls kracht.
"Ik zal Israël zijn als de dauw." Welk een rijkdom van gedachten, toehoorders, ligt in die weinige woorden begrepen. Dauw in de eigenlijke zin is die waterdrop, die we na zwoele nachten 's morgens aan iedere grashalm waarnemen en waarmee bloemen en planten als met zo vele paarlen zijn gekroond. Zo zacht en zo fijn vormen die vochtdelen zich samen, dat zelfs het teerste spruitje, dat uit de aarde spruit, er niet door geknakt noch gebroken wordt. De dauw valt van de hemel in de stille nacht. Men hoort geen geluid, men weet niet, vanwaar hij komt noch hoe hij geformeerd is.
Er wordt in de Heilige Schrift menigmaal van de dauw gesproken. Dauw komt voor als het beeld van grote zegeningen. Zo lezen we dat Izak tot Ezau zeide: "De vettigheden der aarde zullen uw woningen zijn en van de dauw des hemels van boven af zult gij gezegend zijn."
En op een andere plaats heet het: "Jakobs oog zal zijn op een land van koren en most, ja zijn hemel zal van dauw druipen." Elders dient dit woord om de gezegende kracht van Gods Woord aan te duiden, als Mozes zegt: "Mijn rede vloeie als een dauw."
En als de psalmist gewaagt van de liefelijkheid van het samenwonen van broeders, dan heet het ondermeer: "Het is gelijk de dauw van Hermon, die nederdaalt op de bergen Sions."
En om nog dit ene te noemen: Wie kent niet de ontboezeming van de profeet Jesaja: "Waakt op en juicht, gij die in het stof woont, want uw dauw zal zijn als een dauw der moeskruiden en het land zal de overledenen uitwerpen." Welk een nederige naam, maar van een zinrijke betekenis geeft de Heere Zichzelf, als Hij zegt: "Ik zal Israël zijn als de dauw!"
Beter nog dan hier, wordt in de Oosterse, zo hete landen, de waarde van de dauw gekend. Hoe verkwikkend en verfrissend is zijn uitwerking op de droge en verzengende bodem. Kruid en plant, mens en beest doet het weldadig aan. Gods kerk op aarde is zo menigmaal aan een dorre akker gelijk, waar zo veel en zo velerlei dikwijls samenwerkt, onder Gods aanbiddelijke toelating en bestuur, om druk en ellende te vermenigvuldigen, zó zelfs, dat men haast vragen zou: Wat zal er van dat alles nog worden?
Als dan onze berekeningen falen, alle wetenschap van mensen verstomt, en de toekomst als met een ondoordringbare sluier ons gezicht belemmert, dan is het de Heere, Israëls God en Koning, Die de toekomst verheldert, de duisternis opklaart en Zijn bedrukt Sion verkwikt met de belofte: Ik zal Israël zijn als de dauw.
Zo was het Israël, als de Heere met Zijn dierbare beloften en toezeggingen door de mond van Zijn heilige profeten, Zijn volk bemoedigde en vertroostte. Dan kan Gods kerk juichen en God verheerlijkend zingen: "Ik ben zeer vrolijk in de Heere, mijn ziel verheugt zich in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de klederen des heils, de mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan.
Zo was het in vroeger tijden, en zo is het nog steeds, als het Gode behaagt, om de dorre akker van Zijn kerk met de dauw van de Heilige Geest te bevochtigen en vruchtbaar te maken. Dan worden, gelijk op de Pinksterdag te Jeruzalem, Gods grote daden gezien. Dan zijn het niet onze wetenschap, noch onze gaven, maar dan is het de Geest, Die levend maakt. Door de zonde is de mens gelijk geworden aan een dorre woestijn, die geen enkele vrucht kan voortbrengen. We zijn niet slechts krank geworden door de zonde, maar dood door de zonden en misdaden. In Christus is het leven geopenbaard en door God uit genade geschonken. Door geloofsgemeenschap met Christus wordt de zondaar door wedergeboorte dat leven deelachtig. En zal dat leven, zowel persoonlijk als in meer algemene zin, zich openbaren, niet in kwijnende, maar in vruchtbare en gezonde toestand, dan is gedurig nodig, dat Gods Geest, als een dauw des hemels, ons daartoe bekwaamt. Daardoor zullen dan de stommen spreken, de blinden zien en de één zal de ander toeroepen: "Komt, luistert toe, allen die God vreest, en ik zal u vertellen, wat de Heere aan mijn ziel gedaan heeft."
Welke heerlijke tijden heeft Gods kerk op aarde daardoor in de loop der eeuwen doorleefd. Zo menige bladzijde in de geschiedenis der kerk doet het ons als op onvergankelijke gedenkzuilen lezen, als zelfs tegenover de hevigste woede en vervolging der vijanden de Heere Zijn volk en erfdeel door het geloof deed roemen in de verdrukking.
Er wordt in deze tijden zoveel geklaagd over geestelijke dorheid, over magerheid der ziel. Er is zelfs bij uitwendige bloei en wasdom een zeer geronde oorzaak tot treuren wegens gemis van geestelijke vrucht. De oorzaken daarvoor behoeven we niet ver te zoeken. We moeten daartoe niet bij anderen, maar bij onszelf beginnen.
En zonder dit breed uit te meten, willen we de eerste wel zijn, om dit met schaamte voor onze God te belijden: we zijn helaas maar zo weinig onze onwaardigheid en diepe afhankelijkheid bewust. We zoeken nog zo veel onszelf en zo weinig de Heere te behagen. Wie van ons zal niet te klagen hebben over zijn ontrouw, over traagheid en gebrek aan ijver in de dienst des Heeren, over biddeloosheid en zovele andere ellenden. Daarom is het zo groot, zo onbegrijpelijk groot, als de Heere, de getrouwe en de onveranderlijke Verbonds-God aan armen, ellendigen en onwaardigen de belofte doet: Ik zal Israël zijn als de dauw.
Verwachte dan niemand heil van tweede oorzaken. Mene niemand, dat mensen het goede koren op de velden kunnen doen groeien, bloemen en planten vruchtbaarheid kunnen geven.
Wel moeten we als redelijke schepselen arbeiden, ieder met de gaven hem van God geschonken en in de kring waar de Heere ons plaatste, maar alle wasdom is uit God.
Moge die bewustheid ons samen verenigen, steeds inniger en nauwer aan elkaar verbonden tot gemeenschappelijk, ernstig en volhardend gebed, of het Gode mocht behagen, ook in deze zo ernstige tijden waarin we leven, die zo heerlijke en zinrijke belofte aan Zijn overblijfsel te bevestigen: Ik zal Israël zijn als de dauw. Dan zal zich Juda verheugen en Israël zal verblijd zijn. Dan zullen we kunnen zingen van de goedertierenheden des Heeren en van het heil van Jakobs God. Dan zal de wereld erkennen, dat we een volk zijn, van God gezegend.
"Hij zal bloeien als de lelie" - waarop wijst ons die uitspraak, in het verband van de tekst, anders dan op Israëls heerlijkheid.
II
Zijn Israël, dat is 's Heeren bruid, de gemeente van de levende God, wordt hier vergeleken bij een lelie.
De lelie is een aangename en heerlijke bloem. Men heeft er wel eens van gezegd: Gelijk de nachtegaal onder de vogels, zo is de lelie onder de bloemen één der heerlijkste lofredenaressen van de glorie en heerlijkheid van de Schepper. Er zijn uitleggers, die hier het woord lelie liever vertalen door roos. We zullen over dit meningsverschil niet twisten. De roos is de koning en de lelie de koningin der bloemen. Liefst houden we ons aan de gewone overzetting en denken dan daarbij allereerst en allermeest aan de rijkbloeiende witte lelie, gelijk deze veel in Palestina voorkomt, die volgens natuuronderzoekers een menigte bloemen heeft. De lelie ontplooit haar bloem kelkvormig op een zwakke stengel. Heeft de bloem eenmaal haar volle wasdom bereikt, dan doet de warmte der zonnestralen haar kelk ontsluiten en is men in staat het gouden hart in die witte kelk te bewonderen als één van die vele schoonheden in Gods schepping ten toon gespreid.
De lelie was in het oosten ook bekend en beroemd én om haar aangename geur en om de welriekende balsem uit haar bloemen bereid. Dat één en ander leidt ons nader in tot de geheimen van deze sierlijke beeldspraak, als de Heere van Zijn Israël getuigt: Hij zal bloeien als de lelie. Trouwens, oorzaken hebben gevolgen. De vervulling van Gods belofte: "Ik zal Israël zijn als de dauw" zal altijd in haar heerlijke, Godverheerlijkende vrucht zich openbaren. Bloeien als de lelie, dat doet Gods erfdeel, als het door Gods genade uitblinkt in Godzaligheid, in kennis en in de vreze des Heeren. Dan is Sion groot en heerlijk, als het gelijk is aan een stad op een berg gebouwd en als een zoutend zout, dat als bederfwerend middel van zo grote nuttigheid is. En op de vraag, wat doet die heerlijkheid rijpen en tot volle klaarheid komen, denken we aan de dauw des Geestes en aan de koesterende stralen van de Zon der Gerechtigheid, waardoor het hart zich voor Jezus ontsluit en wat ons vatbaar en bekwaam maakt om het werk der genade in ons naar buiten te openbaren. Wees dan zwart in eigen oog, dan zijt ge toch liefelijk in de ogen van Hem, Die in en door Zijn eigen werk verheerlijkt wordt.
Zien we in deze tijden van bange worstelingen op al de scheuringen en verdeeldheden, op al de dwalingen en afwijkingen, zien we, wat ons kerkelijk leven betreft, op onze kleinheid en geringheid - wie zou dan niet haast geneigd zijn om te denken en te zeggen: Wat zijn we daar thans ver van verwijderd, dat we zouden bloeien als de lelie. Laat ons daarbij echter niet uit het oog verliezen, dat de wijze, waarop de Heere Zijn beloften vervult, vaak zo gans van onze voorstelling afwijkt. Buitengewone dingen zijn mogelijk. En het is de Heere, Die wonderen werkt. Maar afgedacht van dat buitengewone, is ieder gelovige, aan wie de Heere persoonlijk die belofte vervult, aan een lelie die bloeit, gelijk. En dan mag en moet tot roem van Gods genade worden erkend: Er zijn nog in de hof des Heeren zulke schone en welriekende bloemen. We zijn er in het jaar, dat daar achter ons ligt, meer dan eens getuige van geweest in eigen kring, daargelaten, wat we ook van anderen hoorden. Er is geweend en geworsteld, maar ook gejubeld en gedankt voor de grote genade door God aan ellendigen bewezen.
Vroeg men ons: Wat is dat? Dan dachten we gedurig aan dat kostelijke woord, door Hosea aan zijn tijdgenoten gepredikt: "Ik zal Israël zijn als de dauw; hij zal bloeien als de lelie."
Hoe donker de tijden thans in veel opzichten ook zijn, en hoe welgegrond de klacht van 's Heeren volk ook zij over het gemis van Gods Geest, toch mogen we ook nog van iets anders gewagen.
Nee, de Heere is voor Zijn erfdeel geen land van donkerheid of uiterste duisternis. En al heeft Gods kerk een zware strijd te strijden tegen ongeloof, bijgeloof, schijngeloof en een valselijk genaamde wetenschap, Christus Die het Hoofd is van Zijn duurgekochte gemeente, de Koning van Zijn kerk, leeft en regeert. Als van Zijn hoge troon roept Hij het ons toe: "Zijt getrouw tot de dood en Ik zal u geven de kroon des levens."
Hij zal bloeien als de lelie. Hetzij we dan denken aan het zaad van Abraham naar het vlees, als het eigenlijke Israël, hetzij we denken aan het geestelijk Israël, als de kerk des Heeren, vergaderd door Christus uit Joden en heidenen, altijd blijft deze belofte des Heeren van een zinrijke betekenis en van een onschatbare waarde. Immers zij predikt ons niet alleen de macht, maar ook de genade en de grote goedertierenheid van de Heere onze God. Willen we het heil zoeken voor Sion en de geestelijke welstand van Gods kerk aanschouwen, dan hebben we hier de aanwijzing als antwoord op de vraag, vanwaar dit alleen komen moet.
Lere dit ons pleiten op Gods genadige belofte. Doe ons dit in het verborgen en in het openbaar de troon der genade bestormen met de bede: "Heere, velen vragen, wie zal ons het goede doen zien, maar verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns."
Zij het en worde het meer en meer ons gebed en onze smeking voor de kerk, die ons dierbaar is, voor de Theologische School, voor elke gemeente in het bijzonder: Heere, laat ze bloeien mogen als de lelie, ter ere van uw driemaal Heilige Naam. We hebben zulke groet en schreiende behoeften. Er zijn zoveel herderloze gemeenten, er zijn nog zoveel dorre akkers, waar zo uiterst weinig geestelijke vrucht wordt gevonden.
Er zijn wellicht plaatsen, waar voor het uitwendige de kerk een leliënveld gelijkt, maar waar ge zo weinig van innerlijke zielswerkzaamheden ontdekt. En zo menige lelie, door Gods hand geplant, groeit en bloeit als een lelie onder de doornen. Wat al miskenning en geringschatting, wat al strijd en worsteling, en toch ook bij en onder dat alles zien we, dat de Heere Zijn eigen werk beschermt en bewaart. Daartoe hebben we een Koning Die leeft en regeert, verhoogd en verheerlijkt aan de rechterhand van de Vader. Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid.
In Christus is de levensgrond en de levenskracht van al Zijn gelovigen. Zal er opwassen en toenemen zijn in geloof, in kennis, in liefde, in genade, dan moeten we dat niet verwachten van onze wetenschap, van onze gaven, noch van iets uit de mens, maar alleen en uitsluitend van inniger gemeenschap met Christus door de Heilige Geest.
Vraagt men naar oorzaken van veel dorheid en geestelijk gebrek, dan behoeven we naar die oorzaken niet ver te zoeken. Laat ons, waarom zouden we het verhelen, dit in ootmoed en oprechtheid voor God belijden: Dat zijn onze zonden en veelvuldige afwijkingen van de Heere. De schoonste lelie moet verdorren, als men haar regen en zonneschijn onttrekt.
De kerk is in de wereld, en altijd tracht satan de wereld in de kerk te brengen. Ook ieder gelovige is in de wereld, en wat zegt de apostolische waarschuwing veel, voor jong en oud: Heb de wereld niet lief!
Wat is er voortdurend veel dat van God en Zijn gemeenschap zoekt af te trekken. We leven in een tijd, waarin men op allerlei wijze, theoretisch en praktisch ons een andere Bijbel tracht in de hand te stoppen, en dat is veel gevaarlijker dan wanneer men alleen maar tracht u onvoorwaardelijk Gods Woord te ontnemen.
Een lelie is een schone bloem, maar vergeten we het niet, de wereld is vol kunstbloemen, doch deze zijn zonder geur en zonder elven. God is een jaloers God op Zijn eer. Als Gods Geest bedroefd en uitgeblust wordt, dan blijven de gevolgen niet achter. Dan zijn, dan worden we een verdorrende lelie gelijk.
Bloeien als de lelie zal de kerk des Heeren, als de kanalen, waardoor de levenssappen ons moeten toevloeien, niet worden verstopt en als zij zich niet onttrekt aan de kracht en de invloed van Christus Die de Zon der Gerechtigheid is.
Waar dit gezien, gevoeld en geloofd wordt, moet op twee dingen ernstig worden gelet. Vooreerst op de weg en wijze waarop en waardoor het bloeien van de lelie wordt bevorderd, en in de tweede plaats op hetgeen oorzaak kan zijn, waardoor groei en bloei schier onmogelijk wordt egmaakt.
Gehoorzaam aan God, afhankelijk van God, gelovig in God, zo heeft reeds de geschiedenis van Israël, maar ook later de geschiedenis van de Christelijke kerk geleerd, dat is Gode welbehagelijk. Daardoor wordt God verheerlijkt en het heil van Sion bevorderd.
Wat zegt het veel, als we vervolgens lezen in onze tekst, in nauw verband met het voorgaande, dat de Heere van Zijn Israël getuigt: "Hij zal zijn wortelen uitslaan als de Libanon."
Dit wijst als derde gedeelte ons op Israëls kracht.
III
Uit de wortels trekt de boom of bloem zijn voedsel. Op zijn wortels staat de boom en de bloem vast. De wortels, in de beeldspraak van de tekst, duiden de voorspoed en de bestendigheid van een volk aan.
Dit alleen zegt daarom in betrekking tot het Israël Gods al zoveel.
Daardoor wordt de belofte: "Hij zal bloeien als de lelie" nog aanmerkelijk vergroot. We zijn het volkomen eens met die uitleggers, die menen, dat we hierbij niet zozeer te denken hebben aan het gebergte van die naam, als wel aan de cederen van de Libanon.
Het is waar, het Libanongebergte strekt zich wijd uit. Vergeleken bij een reusachtig geboomte kunnen we zeggen, dat zijn wortels wijd en zijd zijn uitgestrekt. Doch wie kent daarenboven niet het spreekwoordelijk getuigenis, wat de oudheid betreft, van de cederbomen van de Libanon. Men beweert, dat eer zelfs nu nog overblijfselen zijn uit die overoude tijden, welke aan een eeuwenlange oudheid doen denken.
Hoe diep en hoe breed waren de wortels van die schone en trotse ceders, reeds in de tijd van David en Salomo zo beroemd, om zoveel stormen en beproevingen te trotseren, dat zij na elke storm het hoofd wisten omhoog te heffen. Van welk een diepe en heerlijke betekenis is daarom deze belofte van de Heere aan Zijn Israël gedaan: Hij zal zijn wortelen uitslaan als de Libanon. Afgedacht van voorrechten en weldaden, waarin later Israëls burgerstaat nog delen zou, denken we hier bijzonder aan geestelijke zegeningen, als vrucht van hetgeen de Heere hieraan laat voorafgaan met te zeggen: Ik zal ze vrijwillig liefhebben.
"Bloeien als de lelie" is dan heerlijkheid, maar wortelen als de Libanon doet denken aan kracht.
Gelijk de waarde van een gebouw bijzonder in betrekking staat tot het fundament van het gebouw, zo zal de kracht van de boom tot ontwikkeling en uitbreiding uit zijn wortels blijken, of, wilt ge liever, afhankelijk zijn van zijn wortelgestel.
In betrekking tot de kerk des Heeren bidden we om de komst van het Koninkrijk Gods. Daartoe arbeiden we ook als dienaren in de wijngaard van de Heere, ieder naar de mate der gaven hem van god geschonken. En hoe groot en hoe heerlijk is de staat van Gods kerk, als deze belofte "de wortelen uitslaan als de Libanon" in vervulling treedt. Trouwens dit staat in verband met en doet denken aan nog andere toezeggingen van de Heere.
Immers de volheid der heidenen zal ingaan, gans Israël zal zalig worden en uit alle geslachten, talen, volken en natiën zal Christus Zijn gemeente vergaderen. Al gaat het met veel strijd en worsteling gepaard, al is er veel verdeeldheid en gebrek enerzijds, anderzijds is het niet te ontkennen, dat het Evangelie veld wint en er ontzaglijk veel gearbeid wordt in het belang van Gods Koninkrijk. Hoe lang was het grote Chinese rijk als met een ijzeren muur omringd en schier ontoegankelijk voor het Evangelie, en hoe treffend was het, toen we enkele maanden geleden daar van regeringswege vernamen het verzoek om de voorbede van de christenen in het belang van de staat.
Treffend was het evenzeer, toen vóór enige weken in de hoofdstad van ons land een zwarte, een negerpredikant aan een gemeente uit de kinderen van Jafet het Evangelie verkondigde.
Wij Christelijke Gereformeerden zijn maar een kleine kerk in een klein land. Maar gedachtig aan hetgeen Israël geweest was en later geworden is, bewijst ons de geschiedenis, dat de Heere machtig is, het kleine groot en sterk te maken. Vraagt men, wat daartoe wordt vereist, dan is nodig éénheid en vastheid in belijdenis, opwassen en toenemen in de genade en in de kennis van onze Heere Jezus Christus. Dan moeten we niet door allerlei wind van leer ons laten afvoeren van de eenvoudigheid der waarheid. Dan moeten geloof en liefde ons samenbinden. Met veel stenen kunnen we een groot huis bouwen, maar er moet cement of specie zijn, waarmee die stenen aan elkaar verbonden worden. Er moeten ook bekwame bouwlieden zijn. Is er geen goede leiding, dan komt het werk niet goed tot stand. Met twisten, verdeeldheid en allerlei ergernissen gaat men wel achteruit, maar niet vooruit. Als ieder de eerste en de voornaamste zou willen zijn, tekent dit de Geest van Christus niet.
Twee grote vijanden bedreigen steeds de gewenste volmaking van het werk. Dit zijn de zogenaamde verstands- en gevoelsmensen. De eersten verwachten alles van de wetenschap, en de anderen, die schier alle wetenschap minachten, verwachten alles alleen van het subjectivisme. Beide beginselen worden in de Heilige Schrift veroordeeld. Ieder mens heeft een hoofd en een hart. Met die beide moet gerekend worden. God de Heere rekent er ook mee. Het is de roeping van de kerk, de roeping ook van ieder oprecht belijder der waarheid, ieder naar de mate der gaven hem geschonken, de vlag van onze belijdenis te ontplooien en te doen wat men kan, om ook anderen voor Christus te winnen. Aan gelegenheid tot werkzaam zijn ontbreekt het niet.
God wil het, zei één van de pausen in de middeleeuwen, en op dat woord trokken de kruisvaarders op naar het heilige land. God wil het, onze behoefte eist het en de nood der tijden dringt van alle zijden, om tegen de wassende stroom van de geest van deze eeuw positie te nemen, te waken, te bidden, te arbeiden met al de krachten en gaven ons van God geschonken. Het "Maranatha", de Heere komt, klinkt ons van alle zijden in de oren. Waakt dan, gemeente van de levende God, opdat de Heere door Zijn genade ook van u mag getuigen, gelijk weleer van de gemeente te Philadelphia: "Gij hebt Mijn Woord bewaard en hebt Mijn Naam niet verloochend."
Hij zal zijn wortelen uitslaan als de Libanon. Het uitslaan en uitbreiden van de wortels doet niet alleen denken aan omvang, maar ook aan diepte. Liggen de wortels van de boom verborgen onder de aarde, wat op die wortels stoelt en groeit zal wel bewijzen, van hoedanige aard dat wortelwerk is.
"Hij" is Israël. Dat Israël is de kerk. En zal het de kerk zó gaan, zal zij zich openbaren overeenkomstig de tekening in onze tekst, dan moet niet alleen haar leven, maar ook haar kracht zijn uit de Heere Die door de dauw van de Heilige Geest Sion vruchtbaar doet zijn. Dan ook zal haar heerlijkheid zijn in Christus haar Hoofd, in Wie zij zal bloeien als de lelie.
Zij dit onze bede, door God genadig om Christus' wil verhoord! Dan, geliefde broeders en zusters, zie dan zal de Heere Zich verblijden in Zijn erfdeel en de oprechten zullen getuigen: De Heere, de God van Jakob is met ons.
Stemme ons dit om met de psalmist te jubelen:
Gelijk een duif, door 't zilverwit,
En 't goud, dat op haar veed'ren zit,
Bij 't licht der zonnestralen
Ver boven and're voog'len pronkt,
Zult gij, door 't Godd'lijk oog belonkt,
Weer met uw schoonheid pralen.
Ik zal Israël zijn als de dauw. Wie onzer, geliefden, zou bij het indenken van hetgeen deze heerlijke belofte inhoudt, niet denken bij ogenblikken: Gave de Heere uit genade, dat die belofte des Heeren ook aan ons werd bevestigd. Dan zeker zouden ook wij met de Godsman uit de oudheid jubelen: "Deze vermelden van wagens en gene van paarden, maar wij zullen vermelden van de daden des Heeren."
Wij spraken, gelijk ieder heeft begrepen, overeenkomstig het bijzonder doel van ons samenzijn, een voorbereidend woord, met het oog op de arbeid van de Synode, welke morgen, zo de Heer wil, zal aanvangen. Zien wij op onszelf, zien we op zoveel ellende, als ons omringt, en denken we daarbij aan onze nietigheid en onwaardigheid, alsmede aan de ernst der tijden, waarin we leven, dan zou allicht de vraag bij ons rijzen: op grond waarvan kan er bij ons nog sprake zijn van verwachting?
Zien we echter van al wat schepsel is, af, en denken we aan hetgeen de Heere van Zijn Israël zegt: "Ik zal ze vrijwillig liefhebben," dan weten we: Het is niet om ons, maar om Zijns Zelfs wil, als de Heere aan armen en nooddruftigen, aan schuldigen en doemwaardigen genade bewijst.
Alleen in Christus hebben we toegang tot de troon der genade. Alleen om Christus' wil zal het zijn, als we iets mogen genieten van hetgeen Gods belofte inhoudt: Ik zal Israël zijn als de dauw.
Lere ons dit als een Daniël voor God in het stof bukken en als die enige bidder zeggen: "O Heere, hoor! O Heere, vergeef! O Heere, merk op en doe het, vertraag het niet! Om Uws Zelfs wil, o mijn God! Want uw stad en uw volk is naar Uw Naam genoemd!"
Weg dan met alle verdeeldheid! Weg met alle ergernissen! Weg met alle zelfzucht en eigengerechtigheid! Weg met alle vals genaamde wetenschap! Weg met het zoeken van eigen eer en roem.
Laat ons omlaag voor God in het stof gebogen met de zonde van land en volk, met de zonde van onze personen, gezinnen en gemeenten, belijdenis doen voor onze God en als ware boetelingen pleiten op genade in Hem geopenbaard, Die met doornen gekroond, Zich uit eeuwige zondaarsliefde heeft gegeven tot in de vreselijke kruisdood.
Dan, ja dan zal Jakobs God horen naar onze smeekgebeden, dan zal de Heere Zich ontfermen over Sion, dat naar Zijn Naam is genoemd. Dan ook zal Jakob zich verheugen en Israël zal verblijd zijn.
Hiermee zouden we kunnen eindigen. Maar als evangeliedienaar hebben we nog een laatste woord hieraan toe te voegen. Het zal u zeker niet bevreemden, als ik zeg, met allerlei gewaarwordingen deze avond dit spreekgestoelte te hebben beklommen.
Het is de plaats hier niet, om dit alles te gaan opnoemen. Slechts dit ene: Het zien van zovele ambtsbroeders roept onwillekeurig zoveel herinneringen voor de geest uit vroeger dagen. Dan de gedachte, dat mij na 1892 zo menigmaal de taak was opgedragen in de ure des gebeds vóór de Synode voor te gaan, en dat de Heere mij ook nu nog, op bijna 70-jarige leeftijd, daartoe verwaardigde, doet mij in ootmoed met dankbaarheid herinneren, waar zoveel over ons hoofd is heengegaan: Hulp van God verkregen hebbende, sta ik tot op deze dag.
Dat alles danken we aan de genade en ontferming van onze God. Mag ik nog een laatste wens en bede van mijn hart uitspreken, dan vindt u die vertolkt in de woorden van onze tekst. Dan worde die belofte des Heeren ook aan ons vervuld: "Ik zal Israël zijn als de dauw; hij zal bloeien als de lelie, en hij zal zijn wortelen uitslaan als de Libanon."
Gaan we aanstonds van hier, laat mij ieder hoofd voor hoofd nog mogen vragen: Waar gaat ge heen? Gaat ieder naar zijn woning, vergeten we niet, geliefden, we gaan ook allen naar de eeuwigheid. Maar dan, waar zullen we dan zijn?
Als ergens een notariële acte of testament zal worden voorgelezen, waarin grote schatten zijn vermaakt, dan luistert ieder met bijzondere aandacht en belangstelling of zijn naam daar ook in voorkomt. Gods heilig Woord zegt nog zo onbeschrijfelijk veel meer dan een notariële acte, het eist daarom ook nog zoveel meer onze belangstelling.
Door de dood worden we aan elkanders waarnemingsvermogen onttrokken. Achter dat grote voorhangsel, waardoor tijd en eeuwigheid van elkaar gescheiden zijn, kan geen sterfelijk oog ons bespieden. Toch weten we en kunnen we weten, wat ieder onzer daar wacht. Eén van beiden: Eeuwig licht of eeuwigdurende duisternis, eeuwig leven of de eeuwige dood.
De Heere zal Zijn volk zijn als de dauw. Israël zal bloeien als de lelie. Daarbij is het voor ieder onzer de vraag, of we tot dat geestelijk Israël behoren.
Dat volk kenmerkt zich daardoor, dat het de besnijdenis des harten heeft ontvangen. Daardoor zal bewezen worden, of u leeft uit Christus, of dat u slechts leeft uit Adam. Van nature zijn we allen van dezelfde afkomst, maar uit genade neemt God zondaren om Christus' wil tot Zijn kinderen aan. Het doel van alle Evangelieprediking is zondaren op Christus te wijzen, als op de enige en volkomen Zaligmaker van zondaren, opdat ellendige, dood- en doemschuldige zondaren zich tot Hem zouden wenden, Die Zich ontfermt op het gebed.
Wij allen zijn van gisteren en weten niet, wat we morgen zijn zullen. Heden kan het schijnen, dat geen kwaad u dreigt. Morgen kunt u gedagvaard worden voor de rechterstoel van Christus.
"Wat zoekt gij?" Zo begon ik deze avond. En met diezelfde vraag zal ik eindigen. Wat zoekt gij? Zoekt ge alleen wat van de wereld is? Dan zal uw hoop en verwachting voor de toekomst vergaan, gelijk de ganse wereld vergaan zal.
Zoekt u zelf de zaligheid te verdienen? Maar God de Heere getuigt Zelf, dat onze gerechtigheden als een wegwerpelijk kleed zijn voor Zijn aangezicht.
Ieder mens zoekt, wat tegelijkertijd zijn gemis verraadt. Zo weinigen zijn ware zoekers, en alleen aan hen is de belofte gedaan, dat zij vinders zullen worden. Nooit zal het daartoe komen met de mens, tenzij hij door Gods Geest ontdekt wordt aan hetgeen we allen door de zonde hebben verloren.
Eerst dan zien we onze armoede voor God. Maar ook dan wordt Gods belofte zo dierbaar: Ik zal Israël zijn als de dauw. Dan verlangt u tot dat Israël te behoren. Dan vraagt u met ernst en behoefte, of er een weg en een middel is, om daartoe te komen. En geloofd zij de Heere, er is een weg in Hem ontsloten: Jezus Christus onze Heere Die Zelf verklaard heeft: Ik ben de Weg.
In Adam verloren, in en door Christus behouden. Dat is het antwoord van Gods kind op de vraag: Hoe is dat mogelijk?
Mag er dan iets in u openbaar worden van dat bloeien als de lelie, dan kunt u uit de vrucht besluiten, dat u tot dat geestelijk Israël behoort, dat de besnijdenis des harten tot kenmerk draagt.
Welk een genadige onderscheiding viel u daardoor te beurt, gunstgenoten van de Heere! Temidden van een geslacht, dat God miskent, Zijn Woord verwerpt, Zijn Christus verloochent, te mogen bloeien als een lelie onder de doornen.
Zij uw en onze bede: Kom, o kom, Zon der Gerechtigheid, verwarm en koester met Uw heerlijk licht onze koude harten, opdat deze zich voor U ontsluiten en het goud van Uw genade zichtbaar worde.
Dan, ja dan zal als vrucht daarvan ook uw innige zielsbegeerte zijn, om de wortels uit te slaan als de Libanon, ten einde sterk te worden in onze God en vruchtbaar te zijn voor Hem, Die gezegd heeft: "Uw vrucht is uit Mij gevonden."
Amen.