Hosea 2 : 14 ged. ds F.P.L.C. van Lingen
Tekst: "Het dal Achor, tot een deur der hoop."
Hosea 2 : 14 ged.
Ps. 135 : 8
Hosea 2
Ps. 39 : 5 (ná de Schriftlezing)
Ps. 102 : 1, 7
Ps. 130 : 2, 3
Ps. 42 : 5
Geliefde gemeente,
"De ganse wereld verdoemelijk voor God." Dat woord van de apostel vindt zijn bevestiging en heeft zijn nagalm in het kraken van de bomen als de stormwind ze breekt. Daarvan getuigt het gedierte des velds, als Joëls woord moet worden herhaald: "O, hoe zucht het vee! de runderkudden zijn bedwelmd, want zij hebben geen weide. Ook schreeuwt elk beest des velds tot U: want de waterstromen zijn uitgedroogd, en een vuur heeft de weiden van d woestijn verteerd."
Maar meer nog dan planten- en dierenwereld spreekt van die vloek de schuldige oorzaak van al dat lijden, de mens, die een strijd op aarde heeft, die niet slechts met zweetdroppelen, maar ook met tranen de bodem week maakt, ja zelfs met zijn bloed. De vlekken door een Abel geverfd zijn tot plassen geworden, en die plassen tot stromen, die de rivieren rood hebben gekleurd en de slagvelden gemest. De wereld is één groot Bethesda, de aarde één ontzaglijk kerkhof. Ja zelfs de zee zal in de grote dag van de opstanding haar doden hebben weder te geven.
Dat lijden van de wereld ondervinden wij zelf in een mate, als de Heere God in Zijn wijsheid nodig acht; dat lijden aanschouwen wij rondom ons bij vriend en vijand, bij bozen en goeden, en er is niemand, die Zijn hand kan afslaan of tot Hem kan zeggen: "Wat doet Gij?"
Hoe zien wij dat lijden van onze mede-schepselen aan, met welk gevoel? Dat tekent voor ons eigen gemoedsbestaan. De Spanjaard vermaakt zich nog in de woedende stierengevechten en de jeugd op onze eigen straten in het plagen en kwellen van het onschuldig dier of van de onnozele die zich niet kan verdedigen. De oude Romein had zijn vermaak in gladiatorenstrijd, een Nero zijn grootste genot in het aanschouwen van martelingen. De kreten van de kruiseling spreken uit wat menselijk welbehagen zijn kan. en die lust heeft zijn toppunt in het woord van Caligula, die woedend tegen het mensdom de wens omtrent zijn natuurgenoten uitsprak: "Och, dat zij één nek hadden!"
Romes hierarchie heeft haar lust gekoeld aan pijnbank en schavot en martelvuren. Synodale hierarchie toont in haar gereformeerden-haat haar lust om uit te bannen, om weduwen uit te stoten, om onderwijzers en leraren van school of kerk, van huis en brood te beroven, en waarom? Omdat de hoogheid van Christus, het enig Hoofd der Kerk is aangerand? Dan ware terecht het banvonnis geveld. Nee, mijn heren! dat moogt ge vrijelijk doen, maar omdat de hoogheid van de Synode werd aangeraakt, en de Synode is immers meer dan de Christus, of liever heeft de plaats van de Christus ingenomen?
Mijne broeders en zusters! zegt niet: "Ik heb in deze mijn hart gezuiverd; ik ben vrij van alle leedvermaak." Onderzoeken wij ons; of zou misschien onze Catechismus onwaarheid spreken, als hij zegt: "Ik ben van nature geneigd mijn naaste te haten.."
Anders is het gebod van Hem, Die aan Jeruzalem met tranen de ondergang aankondigde; en Die gedurig met medelijden werd vervuld over het lijden van de mensen.
Ja, daar is een billijken van Gods recht, als Hij het woord vervult (Pred. 1 : 26 v.) aan de goddelozen: "Zo zal Ik in ulieder verderf lachen; Ik zal spotten, wanneer uw vreze
komt."
Er is een billijken van Gods recht, als Hij ter helle doet nedervaren, en Abraham tot eigen vlees en bloed zegt: "Kind, gedenk dat gij uw goed in uw leven hebt gehad, en daarom lijdt gij smarten."
Toch is als roeping ons voorgeschreven te lijden met de lijdenden. De bergrede noemt de barmhartigen zalig, en de gelijkenis leert ons de Samaritaan na te volgen, die de Jood tot het laatste hielp, zijn vijand, die hij uitgeplunderd en halfdood op de weg had gevonden. "Jezus weende" is het kortste vers in onze Bijbel, maar dat zeker niet het minst rijke is in lering.
O, het is zo grote vertroosting als ons lijden wordt gevoeld door onze medemensen. Het is zo schoon om te aanschouwen, als daar tranen van medelijden vloeien uit het oog van hem, die de neergebogene in armen des ontfermens gesloten houdt.
Toch, geliefden, kunnen er juichtonen opgaan, daar, waar geschrei wordt gehoord, en met reden; tonen van dankbaarheid, van vreugde over dat klinken van smart.
Treed die kamer der geboorte binnen. Een mens is ter wereld gebracht, en dat kindeke schreit. Het moet dat smartelijk geluid laten horen; waar het achterblijft, daar zoekt de geneesheer het door middelen teweeg te brengen, want het geschrei is levensteken. Maar ziet dan ook hoe de moeder tranen van weelde schreit, als zij haar kind, haar eigen kind hoort. Haar hart springt op van vreugde, want die tonen melden haar, dat zij moeder is, en toch - moederlijk medelijden begeert aanstonds weer te geven, waarom dat schreien vraagt.
Een vrouw, zegt de Heere, wanneer zij baart, heeft droefheid, dewijl haar ure gekomen is, maar wanneer zij het kindeke gebaard heeft, zo gedenkt zij de benauwdheid niet meer, om de blijdschap, dat een mens ter wereld geboren is.
Bij de komst op de aarde schreit de mens, en wat er rondom is juicht. Zal het bij het heengaan van deze aarde omgekeerd zijn, zullen wij temidden van wenenden juichende scheiden, geliefden, dan zal moeten plaats hebben wat door de natuurlijke geboorte wordt afgebeeld, dat, wat in die nacht aan een Nicodemus met een dubbel "voorwaar" is gepredikt.
Welke ook van de duizenderlei bekeringsgeschiedenissen de onze zij, zonder smarten, zonder tranen en worstelingen is zij niet. Hoe gij ook, afgedwaald schaap! weer terug zijt gebracht tot de kudde van de enige Herder, zonder droefheid komt gij er niet. En het is die droefheid, welke oorzaak is van blijdschap, want die duisternis is het, waaruit God licht schept. Het is in die smarten, dat wij een welgevallen hebben, waarvoor het volk van de Heere God dankt, waarom het bidt tot Hem, Die gezeten is aan 's Vaders rechterhand om te geven bekering en vergeving van de zonden. Daarom de dankpsalm: "God heeft bij ons war groots verricht;" daarom de psalm van het gebed: "Verheug het volk," daartoe ook ons gebed!
"Het dal Achor, tot een deur der hoop."
Hosea 2 : 14 ged.
Voor het sterven komt vaak bij de lijder nog een ogenblik van opleven; vóór het ondergaan van de zon geeft zij ons een prachtig schouwspel aan de kimmen. Vóór het tien stammen rijk
ten onder ging, gaf de Heere een Jerobeam II, van wie wij lezen (2 Kon. 14 : 27): "De Heere had niet gesproken, dat Hij de naam van Israël van onder de hemel verdelgen zou, maar Hij verloste hen door de hand van Jerobeam, de zoon van Joas."
En nog meer; vóór Jeruzalems muren ineen zonken, stonden dienaren Gods op, die de banieren van de Heere recht zochten te houden. Zo wij ze opnoemen, wordt allerminst Hizkia's naam verzwegen, en evenmin Hosea, die in de dagen van die beide genoemde koningen leefde. Van Hosea is terecht gezegd, dat zijn bestraffend woord vlamt met de verzengende gloed van Elia, maar dat altijd door de vlammen van de heilige toorn het zachte suizen van de goddelijke liefde waait.
Als hij optreedt tegen de zwarte gruwelen van Efraïm, dan horen wij het knetteren van het vuur van de wraak, maar hij is als een vader, die straks de roede laat zinken, en in tranen neervalt, om met die tranen de afgeweken zoon te verbidden, dat hij nog wederkere van de zondige weg, een vader die door betuigingen van liefde en genade, door beloften van vergeving en heil zoekt te trekken aan zijn liefdevol hart. Zo is hij de mond van die God, Die Israëls ontrouw bestraft, maar nochtans de Getrouwe blijft, en alzo lezen wij als boven dit boek de woorden van Paulus: "Ziet dan de goedertierenheid en de gestrengheid van God," van Paulus die met een Hosea te samen de zegepsalm zingt over de laatste vijand: "O dood, waar zijn uw pestilentiën! o hel, waar is uw verderf?"
Ziet het maar in ons hoofdstuk zelf. Nauwelijks heeft het woord geklonken: "Ik zal over haar bezoeken de dagen des Baäls, waarin zij die gerookt heeft, en is haar boelen nagegaan, maar heeft Mij vergeten," of de stem der genade wisselt die strafrede af: "Daarom ziet, Ik zal haar lokken en zal haar voeren in de woestijn, en Ik zal naar haar hart spreken, en Ik zal haar geven haar wijngaarden van daar af, en het dal Achor tot een deur der hoop, en aldaar zal zij zingen als in de dagen van haar jeugd, en als ten dage, toen zij optoog uit Egypteland."
"Het dal Achor een deur der hoop." Dat woord is een woord van vertroosting voor degenen, wien het gelden mag, hetzij we op de gesteldheid van de plaats, of op haar geschiedenis, of op de betekenis van haar naam letten. Bij Egyptes vuuroven had het volk der belofte gezucht en gebeden en uit die harde dienstbaarheid verloste de Heere het door Zijn machtige hand. Hij kliefde de zee en wierp farao met zijn wagens in de diepte van de dood. "Hij lokte ze," om met Hosea's woorden te spreken, "en voerde ze in de woestijn, en sprak met hen naar hun hart."
"In de woestijn." Och, had Gods volk zich naar Zijn raad gedragen, hoe kort zou de beproeving zijn geweest, maar eerst moesten tientallen jaren voorbijgaan, in die veertig jaren een nieuw geslacht zijn opgegroeid voor de grenzen van die woeste plaats voor de tweede keer konden worden bereikt. Eindelijk is de Jordaan overgestoken, zijn Jericho's muren gevallen, en is ten noorden va die stad een diep dal binnen getreden, het dal Achor. Nu is het geen woestijn meer, waar de hitte de voetzool brandt en de zonnestralen de schedel zengen; Achors diepte geeft wat anders te aanschouwen, wat anders te gevoelen. Daar groeien de palmbomen, daar verkwikt de dauw, daar grazen in de weiden de kudden en geven een voorsmaak van het land, dat van melk en honing vloeit. De profeet Jesaja (65 : 10) zegt: "Het dal van Achor zal tot een runderleger worden voor Mijn volk, dat Mij gezocht heeft." Dat runderleger zou Israël iets te smaken geven van de heerlijkheid van Kanaän, moed tot strijden instorten, de hoop vernieuwen en verlevendigen en opwekken, de hoop op de volheid van de zegeningen van God.
Het dal Achor was in Hizkia's en Jerobeams dagen lang reeds door getrokken, toch zegt de Heere: "Alzo zal Ik met u doen," en Hij tekent met datzelfde de weg, die Hij houdt met Zijn volk. Hij draagt in Zijn uitverkorenen de zonden niet als een Eli, maar als de Rechtvaardige, Die te rein is van ogen, dan dat Hij het kwade zou kunnen aanschouwen. Hij laat de roede neerdalen op de afgewekenen, maar vergeet daarom Zijn verbond niet. Hij kan Zijn trouw niet vergeten. Als Hij geslagen heeft en het geschrei gaat op, dan heelt Hij, en als satan Simon heeft zoeken te ziften als de tarwe, dan is de tijding van de Paasmorgen: "Zeg het aan Petrus" voor de verslagen discipel een Achordal, een deur der hoop. En als de kerk van God, vanwege haar afwijkingen aan vreemde heersers overgegeven, ontwaakt uit de zwijmel van de verblinding, dan wacht haar een woestijn van verdrukking. Gesmaad en vervolgd door de verwoede vijand vraagt ze soms, wat van haar worden zal, maar God leidt in de diepte, waar de hoop oprijst, en de blinkende morgenster spreekt van Hem, Wiens aangezicht blinkt als de zon, wanneer die opgaat in haar kracht.
Of wilt gij liever letten op dat dal in zijn geschiedenis - herinnert u dan met mij wat daar is geschied, als door het geloof Jericho's muren waren gevallen. Overmoedig geworden door de val van die machtige stad, trekt Israël het dal Achor binnen om op te trekken tegen Ai. "Vermoei daarheen al het volk niet," zo is het woord, "want zij zijn weinige."
Nee, Achans overtreding was de enige niet. Zijn zonde moest met de dood worden gestraft, maar geheel Israël toch ook leren, dat de overwinningen des Heeren zijn, dat niet op het gering getal van de vijand, maar alleen op de machtige arm van de Heere mag worden gesteund. Na Israëls nederlaag "versmolt het hart van het volk en het werd als water" (Jozua 7 : 5).
Daar ligt Jozua neer op de aarde met gescheurde klederen en het "Ach Heere! Heere! waarom?" en het "Ach Heere! wat zal ik zeggen?" over eigen leed lost zich op in het: "Wat zult Gij dan Uw grote Naam doen?" Dat is de klacht van Achors dal. Daar zoekt op Gods bevel het verootmoedigd volk naar de zonde, en het vindt de ban in het leger, omdat God er de ogen voor opent.
Het was om die ban, dat Hij niet mee optrok, van Wien alle kracht en zegen is; maar de ban wordt weg genomen, de gouddorst van een Achan vindt zijn loon. Nu klinkt het woord van de Heere: "Vrees niet en ontzet u niet. Maak u op; trek op. Ik heb koning en volk en stad en land in uw had gegeven." Er is een deur geopend voor de hoop en de verwachting, die niet zal worden beschaamd.
Een Achordal wordt aan Israël en mede aan het Israël van het Nieuwe Verbond voorgesteld. Helaas! nauwelijks is het door de hand van de Almacht uit slavenboeien gered, of het hart wordt overmoedig en stout en machtig in eigen ogen. Een Mozes zelfs droeg het niet, als de Heere Zijn wonderstaf eens niet nodig had, maar zonder die staf het water uit de rotssteen wilde laten vloeien, en een Petrus denkt dat hij zijn leven wel voor Christus stellen kan. Dan komt er een Achordal, waar erkend wordt, dat de kracht Godes is, waar het volk vraagt naar de ban in het midden, een Achordal, waar het de zonde uitbant, al valt het ook zwaar de stenen te werpen, een dal van tranen, waar de eer van God weer boven komt, en het ons weer te doen is om Zijn grote Naam, en het dal wordt een deur der hope; want als Israël de Heere achterna klaagt, dan weer het getrokken te zijn, het gevoelt, dat in die droefheid een stem ligt verborgen van Gods genade, het luistert of de Heere van vrede spreekt, en wacht met vast vertrouwen en wacht niet tevergeefs. Hij opent daar de deur der hope.
Let eindelijk ook op de naam. Het is een dal, en wel genoemd, in onderscheiding van andere woorden, eveneens dal vertaald, met een woord dat diepte (eemek) betekent. Dat dal is tegengesteld aan de hoogten van Nebukadnezar, vanwaar hij zijn Babel beschouwt. Daar verwacht men het niet van de heuvelen of de bergen, maar psalm 130 is het lied der scharen, die daarin afdalen. Uit de diepte roepen zij tot God. Het is het dal Achor, dat is "beroering, droefenis."
Geen dieper Achor werd ook op aarde gevonden, dan Gethsémané, waarin de Heere des hemels en der aarde inging met een "Nu is Mijn ziel geheel bedroefd tot de dood toe." Maar ook des Heeren discipelen vinden op aarde vaak een Achor. Daar wordt het hun bang vanwege eigen schuld, en liggen ze neder op de aarde, omdat het "de ganse wereld verdoemelijk voor God" geworden is tot een "tegen U, U alleen heb ik gezondigd. Ik ellendig mens!" Daar is ons Achor "roept de afgrond tot de afgrond bij het gedruis Uwer watergoten; al Uw golven en al Uw baren zijn over ons heengegaan."
Doch hoort, geliefden, wat de psalmist dadelijk volgen doet, zodat David met Hosea mede getuigt: "Maar de Heere zal des daags Zijn goedertierenheid gebieden en des nachts zal Zijn lied bij mij zijn, het gebed tot de God mijns levens. " Achor is nog wel Kanaän niet. "De hoop die gezien wordt, is geen hoop; want hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen?" (Rom. 8 : 24).
Het is nog wel niet "de volle verzekerdheid der hoop" (Hebr. 6 : 11), maar een deur der hoop. Daar begint het licht is dagen, daar breekt een ster door, daar grijpt de ziel moed om op te staan en tot de Vader et gaan, om Hem vast te grijpen bij de slippen van Zijn kleed, om te zeggen: "Ik laat niet los, voor Gij mij zegent."
Toch is het geen deur, die straks zich weer sluit. Bij de Kananese groeit de hoop ook bij het afwijzen, ook bij het woord "hondeke." Zij wordt sterker, naarmate wij dieper het dal ingaan, de zwakke hoop wordt vertrouwen, wordt zeker verwachten, en in die hoop zijn wij reeds zalig. Hoe spoedig keert bij het voorttrekken soms de weg, en zien wij de bergen Gods voor ons, vanwaar de hulp zal komen, en is de profetische Geest in ons neergedaald, die wat nog toekomstig is, reeds aanwezig ziet en juichen doet: "Wij zijn verlost," al houden ook nog de boeien vast; de Geest, Die in de hemel verplaatst, al staat ook onze voet nog op aarde. In Achor worden alle bergen en heuvelen vernederd, maar daar ondervindt ook Gods volk, dat alle dalen zullen verhoogd worden. Daar klinkt de stem van de roepende in de woestijn om des Heeren weg te bereiden, en opdat des Heeren heerlijkheid openbaar
worde (Jes. 40 : 3 v.v.).
Geliefden, kent gij dat dal? Aan de ingang staat vertroostend geschreven met letters, die ook lichten in de nacht: "Hij schept uit duisternis licht," en aan het einde roepen de dienstknechten des Heeren de worstelaars toe (2 Kor. 7 : 9 v.v.): "Ik verblijd mij, niet omdat gij bedroefd zijt geweest, maar omdat gij bedroefd zijt geweest tot bekering; want de droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid."
Psalm 130 : 2 en 3
De bruid in het Hooglied waarschuwt er tegen, dat men de liefde opwekke voor het haar luste. Wij ook, geliefden, zoude dezelfde waarschuwing laten horen omtrent het Achordal, een waarschuwing tegen tranen der geveinsdheid, tegen ingebeelde, tegen zelfgemaakte droefheid. Ik zag eens een jongeling, die zich in schulden had gestoken, aan een vrome moeder een brief schrijven vol betuigingen van berouw. Hij schreef: "Ik heb mijn brief doorweekt met tranen," en sprenkelde, om er een schijn van waarheid aan te geven, er waterdruppelen op. Tussen dit en het verbroken hart zijn zovele trappen. In het huis van Jaïrus schreien de gehuurde klaagvrouwen en maken beroerte en misbaar, maar als het vertroostend woord van de Heere is gehoord, dan belachen zij Hem. Op de weg naar Golgotha zijn vrouwen, die het zo goed menen met de Man van smarten en schreien om de wrede dood, die Hem zal worden aangedaan, maar de Heere keert Zich tot hen en zegt, dat het andere tranen zijn, die Hem behagen.
Er is een farao's woord: "Ik heb mij ditmaal verzondigd; de Heere is rechtvaardig; ik daarentegen en mijn volk zijn goddelozen" (Ex. 9 : 27). Och, onder de slaande hand, onder de bittere gevolgen van de zonde komt zo gemakkelijk een "ditmaal verzondigd" over de lippen, waarvan straks al de nietigheid openbaar wordt. Als de roede is weg genomen, is de rouw voorbij.
De dief die betrapt wordt op heterdaad, wenst dat hij ditmaal zijn hand niet uitgestoken had, maar denkt daarom met vreugde terug aan zo menige roof zonder ontdekking gepleegd. Er vloeien soms tranen in menigte, als met wegslepende welsprekendheid het ontzaglijke van de misdaad wordt geschilderd of het lijden van Golgotha voor ogen wordt gesteld, maar even vele tranen zouden uit dezelfde ogen vloeien, als in de komediezaal een aandoenlijk tafereel werd geschetst. Wat onderscheidt dan die tranen, in de tempel geweend, van die schouwburgtranen?
Elke plant, die de hemelse Vader niet geplant heeft, zal worden uitgeroeid. Wat de duivel in een Judas-hart werkt leidt tot zelfmoord. Met hetgeen de mens zelf werkt, komt hij bedrogen uit, want aan alle mensenwerk ontbreekt het leven; dat werkt God alleen, en zonder leven kan niets den Heere behagen. Als wij onszelf een dal Achor geven of als wij van elders binnendringen, mijn hoorders, dan zal het voor ons geen deur der hope zijn. Ziet het in ons tekstvers. Er staat: "Ik zal haar geven." Geen eigen geslagen geld is gangbaar, en evenmin is te vertrouwen wat uit de hand van de valse munter komt. Alleen wat de Waarachtige geeft is waarachtig, alleen de wissel door Hemzelf gemerkt, vindt betaling met "de deur der
hope."
Na maanden van verharding, maanden van zwijgen, waarbij de beenderen verouderden in zijn brullen de ganse dag, werd Davids hart gebroken en zijn geest verslagen, en zijn mond tot belijdenis geopend. Nu is er een verwachting in zijn ziel geboren en hij bidt: Doe mij vreugde en blijdschap horen, dat de beenderen zich verheugen, die Gij verbrijzeld hebt" (Psalm 51 : 10). De verouderde, de verdroogde beenderen had God verbrijzeld. Nathans woord was hem een woord Gods geweest, waarvan de Heere wel vragen mocht (Jer. 23 : 29): "Is Mijn woord niet alzo, als een vuur, spreekt de Heere, en als een hamer, die een rotssteen te morzel
slaat?"
Geliefden, het kindeke schreit niet vóór de geboorte, maar "zeker, nadat ik bekeerd ben, heb ik berouw gehad, en nadat ik mijzelf ben bekend gemaakt, heb ik op de heup geklopt" (Jer. 31 : 19). Daarom bidt ook de zondaar, dien God verkoor: "Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn, want Gij zijt de Heere, mijn God" (vers 18).
Er is een droefheid naar de wereld, die de dood werkt (2 Kor. 7 : 10). Op deze is van toepassing wat Jezus Sirach zegt: "De droefheid heeft er velen verdorven en gedood (30 : 24); van droefheid komt de dood en droefheid des harten kromt de sterke" (38 : 19).
Waaraan die droefheid, die uit God is, te onderkennen? Aan hogere graad, aan sterker openbaring? Toehoorders, geschilderde bloemen zijn in de regel van hoger kleuren dan die men in de tuin ziet groeien.
Er is een stille treurigheid, waarbij de Heere de zonde geeft in te zien en ze ernstig doet haten, maar waarbij Hij tevens de uitlatingen van Zijn genade nu en dan gevoelen doet. Er is een krachtiger werking Gods, waardoor Hij het hart verslaat en vermaalt, en de tollenaar van verre staande, slechts op de borst slaande uitroepen kan: "O God, wees mij zondaar genadig!" Sterker weeën gaan dikwerf krachtiger en sneller wedergeboorte vooraf. Als de Heere in de zeeën van angst inleidt, als "al Zijn golven, al Zijn baren de benauwde ziel vervaren," als in David al Gods pijlen zijn nedergedaald en hij brult van het geruis zijns harten (Psalm 38), of een Heman (Psalm 88) Gods vervaarnissen draagt en doodbrakende is, als banden des doods omvangen en beken Belials verschrikken, banden der hel omringen en strikken des doods bejegenen (Psalm 18), dan is het ontzaglijk in dat Achordal, dan is het een dal der schaduwen des doods, maar toch ook alleen maar van schaduwen, niet van de dood zelf, en een schaduw doodt niet.
Nee, mijne hoorders, niet aan de graad, die de thermometer in het vuur der beproeving wijst, is het te onderkennen of het de warmte van de zonne Gods is, of de kunstmatig verwekte. De mate der smart zij de Heere overgelaten, en als Hij ons als Petrus aanwijst met welke dood wij God zullen verheerlijken, dan hebben wij niet omtrent een Johannes te vragen: "Wat zal deze?" Hij leidt een iegelijk gelijk Hij wil.
Het werk van God heeft andere kentekenen. In Achors dal hebben wij het niet te doen met de straffen, maar met God. Het is een groot verschil of het ons weinig deert, dat Gods eer is geschonden, als van ons het onheil maar wordt afgewend, dan of het ons van minder betekenis is, dat de straf blijft, indien Zijn oog maar weer vriendelijk voor ons mag zijn. "Welgelukzalig hij, wiens zonden zijn vergeven" zong David, al werd ook van de aangekondigde straf niets weg genomen. Zijn kind stierf, er kwam kwaad uit zijn eigen huis, hij had geen rust zijn ganse leven, zelfs niet op zijn sterfbed, waar nog een Adonia's pogen hem bemoeilijkte. Dat alles was wel zwaar, maar het was te dragen.
Op dat alles moet hij antwoorden: "Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig," maar niet te dragen was, dat 's Heeren oog in toorn op hem nederzag.
Evenmin als de vrouw van Simons huis kon tevreden zijn met hetgeen de Heere tot Simon van haar schuldvergeving had gezegd, maar zij slechts kon opstaan toen de Heere persoonlijk tot haar had gezegd: "Uw zonden zijn u vergeven," evenmin kon een David rust vinden op Nathans woord: "De Heere heeft ook uw zonde weg genomen; gij zult niet sterven." Hij moet het horen uit 's Heeren eigen mond, die tot het hart van vrede spreekt. Dat wij tegen God gezondigd hebben, tegen Hem, Hem alleen, de Heilige en Rechtvaardige, dat is het wat het hart bezwaart; dat God in Zijn majesteit is gekrenkt, in Zijn eer is geschonden, maakt de afwijking zo ontzaglijk. En nog meer, als wij tegen Zijn liefde hebben misdaan. O, toehoorders, als wij licht hadden ontvangen, en tegenover de ondervonden genade misdreven, dan ziet in Achors dal het oog Gods ontferming, dan staan daar alle Eben-Haëzers zoor ons; zij rijzen in onze herinneringen die tijden van Gods-gemeenschap, die bewijzen van Zijn eeuwige trouw, dan rijst boven die alle Golgotha met zijn kruis voor onze geest. Ach! die liefde Gods, die ondervonden genade maakt het zo zwaar, dat wij misdreven. Als wij opmerken hoe lang de Heere reeds klopte aan de deur en wij in onze zonden bleven, en wij opgeschrikt de mirre aan de handvatsels gewaar worden, dan moet het "Uit diepte van ellende" wel onze klaagpsalm zijn.
Wat uit God is, dringt tot God. Dwaze maagden, die de deur straks gesloten vinden, vragen: "Geef ons van uw olie," en berouw der hel doet roepen tot vader Abraham. Waar berouw roept tot God.
In Achors dal wordt het "Ach Heere, Heere!" gehoord. Als de Heere het gemis van de ark gevoelen laat "klaagt het ganse huis van Israël de Heere achterna" (1 Sam. 7 : 2). Als de bede Gods door Jeremia's mond in Israëls hart gevallen is, de bede: "Gij hebt met vele boeleerders gehoereerd, keert nochtans weder tot Mij" en de klacht vermurwd heeft: "Gelijk een vrouw trouweloos scheidt van haar vriend, alzo hebt gij trouweloos tegen Mij gehandeld, gij huis Israëls!" , dan wordt een stem gehoord op de hoge plaatsen, een geween en smekingen der kinderen Israëls, omdat zij hun weg verkeerd en den Heere hun God vergeten hebben.
Maar in die droefheid is het dan ook: "Wij komen tot U. Waarlijk tevergeefs verwacht men het van de heuvelen en de menigte der bergen; waarlijk in de Heere, onze God, is Israëls
heil."
Als God de Heere Zijn volk in Achors dal leidt, dan is het niet maar te doen om vergeving, maar ook om verbreking van de banden van de zonde. De dronkaard, die zichzelf als hij ontwaakt, verfoeit, maar straks, door de wanhoop gedreven, weer het glas ter bedwelming aan de lippen zet, heeft geen traan voor God geweend. De Lots, die de rechtvaardige zielen kwellen in Sodom, maar om het schone Siddimdal, of om de verbintenissen van de dochteren nochtans in Sodom blijven wonen,zijn nog niet waarlijk verootmoedigd voor God.
De Heere heeft ons gebracht in het Achordal, en daar de ban in het leger doen zien, en daar door de slagen van de vijand ons wakker geschud, en daar gedwongen door Zijn machtige hand tot de Karmelsbelijdenis: "De Heere is God."
Op de dag van Israëls verootmoediging, de Grote Verzoendag , moest niet alleen de bok van het zondoffer voor het volk worden geslacht, maar ook de bok Azazel, beladen met al de ongerechtigheid levend voor het aangezicht van de Heere worden gesteld, om door hem verzoening te doen, "opdat men hem als een weggaande bok naar de woestijn uitlate" (Lev. 16 : 10).
Hij Die de zonde in haar ontzettende gevolgen voelen laat, stort daarbij ook een haat uit in het hart tegen de zonde. Dat plekje van ons lichaam, dat wij als het zwakste leerden kennen, heeft onze meeste zorg. Zo zal ook een ziel, welke eenmaal in de diepte neerlag over een bepaalde zonde, ook het meest vrezen wederom in diezelfde ellende neer te zinken.
Die droefheid naar God is een deur der hope. Ik weet het, alle bloesem is nog geen vrucht; zelfs opent zich niet elke knop tot bloesem. Er wordt veel zaad verstikt tussen de doornen en verschroeid door de hitte van de zon, hoe schoon het ook opschoot. Er kan een smaken zijn van hemelse gaven, van het goede Woord van God en de krachten van de toekomende eeuw, een deelachtig geworden zijn van de Heilige Geest, waarvan het einde is, dat men de Zoon van God wederom kruisigt en openlijk te schande maakt; maar toch een deur der hope is ons gegeven, waar wij in Achors dal zijn geleid, dat die namen geschreven staan in het boek van het leven. Zonder knop geen bloesem, en zonder bloesem komt zeker geen vrucht.
Een treurige tijd was het zwijgen van God in de dagen van de richteren. Beth-Sear werd niet door Manasse, de Kanaäniet niet door Efraïm verdelgd, en even ontrouw en werkeloos waren Zebulon en Naftali en Dan. Maar ziet een engel des Heeren komt opwaarts van Gilgal tot Bochim, en maakt aan Israël van Godswege de zonde bekend, en vraagt: "Gij zijt Mijner stem niet gehoorzaam geweest, waarom hebt gij dit gedaan?"
Toen hief het volk zijn stem op en weende (Richt. 2). Dat was het ogenblik, waarop een betere tijd begon. Ja, zalig zijn ze, die treuren, want zij zullen vertroost worden. Als David het rustig heeft in het land van de Filistijnen, dan is hij in zielsgevaren, maar als de Heere hem bij Ziklags puinhopen heeft gebracht, dan is de redding nabij. In het Bakadal zij het donker en dor, maar de psalmist zingt uit ervaring: "Als zij door het dal der moerbeziebomen doorgaan, stellen zij Hem tot een fontein. Zij gaan van kracht tot kracht, een iegelijk zal verschijnen voor God in Sion."
"Zij zullen komen met geween," zegt de Heere (Jeremia 31 : 9 en 13). "En met smekingen zal Ik hen voeren. Dan zal zich de jonkvrouw verblijden in de rei, daartoe de jongelingen en ouden te samen; want Ik zal hunlieder rouw in vrolijkheid veranderen en zal hen troosten, en zal hen verblijden naar hun droefenis."
Wilt gij nog meer bewijzen uit de Heilige Schrift merkt het dan op met welk een verwachting elkke klaagpsalm eindigt. Wilt gij, dat ik er u een noem - treffend om de plotselinge verandering van toon, ik noem Psalm 6. Hoor slechts: "Ik ben moede van mijnzuchten; ik doe mijn bed de ganse nacht zwemmen; ik doornat mijn bedstede met mijn tranen. Mijn oog is doorknaagd van verdriet, is veroud vanwege al mijn tegenstanders. Wijkt van mij, al gij werkers der ongerechtigheid! want de Heere heeft de stem van mijn geween gehoord. De Heere heeft mijn smeking gehoord; de Heere zal mijn gebed aannemen."
Zegt, geliefden, is David niet reeds als opeens uit Achors dal in de volheid der verwachtingen overgezet?
Of anders - lees de gelijkenis van de verloren zoon, en gij zult zien dat het "Ik verga van honger" de eerste stap is tot redding, het heerlijk begin van hetgeen hem straks in 's vaders armen doet liggen, en, met de ring van het zoonschap versierd, doet aanzitten aan de welbereide dis.
In dat diepe dal van Achor ligt een zegen, "want Hij, Die zeer hoog woont, ziet zeer laag" (Psalm 113). De geringe richt Hij op uit het stof, de nooddruftige verhoogt Hij uit de drek.
Nee, wij beklagen u niet, die in die diepte vertoeft, en daaruit roept. Ik beklaag alleen, die op eigen hoogten hun altaren bouwen, die nimmer de diepten zijn ingegaan, waar men als een verlorene kruipt voor God.
Hoe wens ik het daarom, dat de stem van Hem, Die alle macht heeft, tot u in andere zin dan tot Simon, het woord "naar de diepte!" toeriep, maar om tot hetzelfde "Heere! ga uit van mij, want ik ben een zondig mens" u te leiden. Of zou het beter zijn, wat een Tacitus schreef van een keizer, dat als hij de goden wilde vereren en hij een tempel was binnengetreden, hij plotseling trilde aan al zijn leden, en, hetzij omdat de godheid hem verschrikte, of omdat hij door de herinnering aan zijn misdaden nooit zonder vrees was, zijn voornemen varen liet. Is dan niet begeerlijker die droefheid, welke een onberouwlijke bekering werkt? Eenmaal worden zeker onze ellenden ons openbaar, zo niet in het dal van Achor, de deur der hoop, dan in de ingang van de hel, de deur der eeuwige wanhoop.
Geliefden, treurt niet als degenen, die geen hoop hebben, als God de Heere u uw zonden voorhoudt. Vreest niet als Hij u gelijk Ezechiël de wanden laat doorgraven en de deuren openbreken, maar van uw eigen bestaan, en u vraagt: "Mensenkind, ziet gij deze gruwelen?" Vreest alleen hiervoor dat die droefheid zal verdoven zonder dat de Zonne der gerechtigheid daagt, dat gij in Pniëls worstelingen Hem zult loslaten voor uw naam Israël geworden is. De tijd van de smarten is de tijd van de opzoekende liefde van God, en als Hij dat harde hart is beginnen te vermorzelen, hoe zou Hij dan niet horen? Zou een vader kunnen afstoten, als een zoon die verdwaald rondzwierf, eindelijk voor hem nederligt in tranen van boete? En zou God harder zijn dan een mens?
O, denk eraan: Het dal Achor is gegeven tot een deur der hope, en de hoop beschaamt niet; het dal Achor noemt Jesaja reeds "een runderleger voor Gods volk, dat Hem heeft gezocht."
Daar zijn "de wijngaarden der bruid" gelijk in ons tekstvers voorgaat; "de wijngaarden van Engedi" zoals het Hooglied ze noemt, dat is "fontein des Lams."
Houdt dan moed. Aan het eind van dit hoofdstuk staat geschreven: "Ik zal Mij ontfermen over Lo-Ruchama, en Ik zal zeggen tot Lo-Ammi: "Gij zijt Mijn volk" en dat zal zeggen: "O, mijn God!"
Laat het u niet moeilijk zijn, broeders en zusters, als gij uit de droom wakker schrikt, en wordt opgewekt van het leger uwer afdwalingen. Ware het beter geweest, zo de Heere u in die bedwelming had gelaten? Of verkiest gij niet, door de pijn der slagen Gods gebogen, te liggen voor Hem in het stof, boven die toestand van dodigheid? Het is de getrouwheid van God, Die u opzoekt, als Hij door de tegenspoeden van het leven, door ramp op ramp, door de angst over de zielen te jagen, door Zijn aangezicht voor u te verbergen, u doet vragen welke de ban zij, die er bij u gevonden wordt.
Het is getrouwheid des Heeren, als Hij u dwingt, om met uw afgod te breken, om het oog uit te rukken, de hand af te houwen, welke u ergert. Een David werd in het stof gelegd met vasten en geween, maar straks dankt hij voor die slagen en zingt: "Het is goed voor mij, verdrukt te zijn geweest."
Wat waar is voor elke ziel van Gods uitverkorenen, is waar voor de gehele kerk van Christus. Gezegend zij, als zij niet meer in de verdoving verkeert, maar in Achors dal is geleid, als niet meer het geloofsleven geketend ligt aan het goud, of gehechtheid aan stenen, of betrekkingen der gewoonte haar binden aan de oude paden der verkeerdheid, maar de Heere haar heeft opgeschrikt uit de bedwelming, en haar klachten worden uitgestort voor 's Heeren aangezicht. Het wenend Sion is beter dan de gerusten te Sion, waarover het "wee" geschreven staat. Geliefden, dat wij ons verheugen, dat de Heere God ons heeft doen bekennen: "Wij en onze vaderen, wij hebben gezondigd," dat Hij ons in de schuld heeft doen vallen. In Dekapolis nam de Heere de doofstomme alleen, en stak Zijn vingeren in zijn oren en raakte zijn tong aan, om aan te wijzen waar het gebrek was, en toen riep Hij: "Effatha."
Zo deed God met Israël, als Hij het lokte en voerde in de woestijn. Zo doet God thans met Zijn kerk. Hij zondert haar af, Hij legt de vinger op de wonde, en dat is de aanvang van de redding. Hij zegt tot Lo-Ammi: "Gij zijt Mijn volk" en dat antwoordt: "O, mijn God."
Wij zijn nog in het dal Achor; het vuur der vervolging brandt steeds feller. De strijd dringt door de zuurdesem der beproeving in kerk, in staat, in broodwinning, in familie, in eigen huis. Steeds meer wordt geëist van uw verdraagzaamheid, van uw offervaardigheid. Het wordt soms de vraag: "Hoe komen wij dat dal Achor door?"
Maar nee, naar geen vleespotten van Egypte wensen wij terug. Wij gaan het land der vrijheid in, en Achor zelf is reeds een deel daarvan. God heeft het ons gesteld tot een deur der hope. Al moge dan Tobia en Sanballat met Gesem bespotten, met list willen vangen, ons vreesachtig zoeken te maken, al zeggen zij verachtende: Wat is dit voor een ding, dat gijlieden doet?
Wij geven ten antwoord: "God van de hemel, Die zal het ons doen gelukken, en wij, Zijn knechten, zullen ons opmaken en bouwen" en Hij, onze God, beschame niet de hope van hen, die Hij in Achors dal heeft geleid.
Amen.
Maar de HEER zal uitkomst geven,
Hij, Die 's daags Zijn gunst gebiedt;
'k Zal in dit vertrouwen leven,
En dat melden in mijn lied;
'k Zal Zijn lof zelfs in de nacht
Zingen, daar ik Hem verwacht;
En mijn hart, wat mij moog' treffen,
Tot de God mijns levens heffen.
Psalm 42 : 5