Psalm 23:4 'Het schaap in de doodsvallei', Prof. G. Wisse

HET SCHAAP IN DE DOODSVALLEI
Predikatie over Psalm 23 : 4 door prof. G. Wisse
Psalm 45: 1 
Lezen:  Psalm 23 
Psalm 84: 6 
Psalm 23: 2 en 3 
Psalm 48: 6

Medereizigers naar de ontzaglijke eeuwigheid!
Zo willen wij bijzonder in deze ure u aanspreken, waar we gereed staan een herfstpredikatie te houden.
Reeds vóórdat gij uw voet op de drempel van dit bedehuis had geplant, heeft de Heere u onderweg reeds een herfstpreek toe¬gezonden in het vergeelde herfstblad, dat nederdwarrelde voor uw voet. En dan horen we de profeet Jesaja uitroepen: Wij allen vallen af als een blad. Dat blad, dat daarstraks in zomerweelde pronkte aan uw geboomte, tot luister van uw hof, het ligt thans voor uw voet, verdord in het slijk, en dat is uwen mijn beeld. Zoals eenmaal een vaderlands dichter het zo treffend heeft gezongen:
De dood heeft mij een brief geschreven, 
Ik las hem op het dorrend blad,
Dat, door de stormwind voortgedreven, 
Op 't vensterglas had postgevat.
Dus las ik: Kom wandelaar, rep uw schreden, 
Uw avond komt, uw nacht daalt neer;
Doe wat gij nog kunt doen op heden,
Want morgen daagt u dra niet meer.

Want morgen, God weet het, gaan mogelijk over u of mij de rouwklagers door de straten om aan te zeggen: Deze mens is gegaan naar zijn eeuwig huis. En in deze strijd, zegt de Schrift, hebben wij geen geweer, d.w.z., geen middel ter afwending, want de dood is waarlijk niet om- of af te kopen. En de schrikkelijkheid van de dood wordt niet weggenomen door te trachten dezelve te verklaren, want de dood is, evenals de zonde, onlogisch, daar¬om onverklaarbaar. Geen bloemen of kransen of zerken of graf¬tomben zijn in staat wat ge daar aan de schoot der aarde toe-betrouwt op dit ogenblik terug te geven; het blijft achter. Geen geweer is er in deze strijd.
Daar is echter wel een vertroosting tegenover de dood. Het is de bedoeling van ons samenzijn heden, om deze in het licht te stellen. Om het als met bazuingeschal uit te roepen - hoe schrikkelijk het dal des doods ook moge zijn - zij, die in de Heere Jezus hebben geloofd, zij hebben iets, waardoor zij dat donkere doodsdal met moed en troost tegemoet kunnen treden. De eerste Zondag uit onze Heidelbergse Catechismus vertolkt het reeds in dat heerlijke woord: Mijn enige troost in leven en sterven is, dat ik niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben. Dat is, met andere woorden, dat ik ook straks dat doodsdonkere dal in moet gaan, maar niet alleen. Zoals de psalmdichter van Psalm 23 het zegepralend over de dood uitriep: "Al ging ik ook door een dal der schaduwen des doods". 
Hoort ge het goed? Leest ge het nauwkeurig? Al ging ik ook - hij is nog niet in dat dal. En hij ziet een ontzaglijke werkelijkheid vóór zich; maar dan is het alsof hij in heerlijke geloofstriomf de dood tart en trotseert. Geloofstaal: Al ging ik ook. Laat het dan herfst zijn en laat dan het herfstblad vóór mijn voet nederdwarrelen, en laat het dan een brief zijn, die mijn ziel enerzijds ontroert, ik heb wat anders, zegt de dichter, daar tegenover; waardoor deze herfstavond een lente van schoon¬heid en kleuren en geuren in God kan spreiden.

Komt, laat ons dat heden met elkander nader beluisteren. Psalm 23 is het vervolg, ook geestelijk, op Psalm 22. In Psalm 22 heeft de dichter profetisch het borgtochtelijke werk van de Heere Jezus bezongen; en nu stalt hij in Psalm 23 de zalige vruchten voor de kudde daarvan uit. Opdat wij heerlijk zullen verstaan welk een voorrecht die kudde van Christus bezit, en opdat ge in dat voorrecht van dat schaap van Christus bovenal ontwaren zult de luister van de Herder. Want waarlijk, ge zoudt u toch vergissen, als ge zoudt menen, dat we heden slechts zullen stilstaan bij het geluk van dat schaap. Neen, dat geluk hoop ik u ook wel in het licht te stellen, maar opdat de luister van de herder des te luisterrijker aan het licht zal treden. We gaan namelijk tot u spreken over dat loflied van Psalm 23, in het vierde vers bijzonder. Daar lezen wij: 
Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij: Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.
Mij dunkt, een onderwerp voor een herfstpredikatie bij uitne¬mendheid. Naar luidt dezer kostelijke woorden, hopen we in de kracht des Heeren elkander te bepalen bij wat ik wil noemen:

HET SCHAAP IN DE DOODSVALLEI
Dat is het onderwerp. En dan drie zaken uiteen te zetten:
I. gebracht in de donkerste ure;  
II.  geleid door de beste Herder;
lIl.  getroost door het voortreffelijkste wapen.
Eer we deze dingen nader met elkander een weinig overdenken, laat ons dan zingen Psalm 84 : 6.

I. Herhalen we nog eenmaal: Het schaap in de doodsvallei; ten eerste: gebracht in de donkerste ure.

Kennelijk heeft de koninklijke zanger zijn heerlijk lied ontleend aan zijn vroegere herdersleven, toen hij als jongeling de kudde zijns vaders weidde. En dan stelt hij zich dat tafereel nog eenmaal voor, en dan tekent hij ons, hoe hij die kudde leidde, om te be¬ginnen, langs lieflijke, aangename paden aan de oevers van stille wateren, in grazige weiden. Lieflijk tafereel, al dadelijk verstaan wij daar de geestelijke strekking van als een vrucht uit Psalm 22; .hoe die grote, heerlijke Herder van Zijn geestelijke kudde, die kudde leidt langs oevers van zeer stille wateren, waar ze grazige weiden vinden, om zich vrolijk in hun Herder te verheugen. O, wie iets van het genadeleven kent, hij weet, dat er zulke uren voor de kudde aanbreken, met name vooral in die eerste zalige tijden, als de Heere Zich in hun ziel volheerlijk geopenbaard heeft naar Zijn Woord en Getuigenis. Maar de dichter verbergt het ons niet, daar komen ook andere dagen en uren. Ziet, daar ginds verheft zich een vervaarlijk rotsgebergte, en de kudde wordt in die richting gedreven. En als we dan naderbij komen, dan zien wij, dat een overhangend blok van dat rotsgebergte hellend hangt over een vallei, waardoor een donkere schaduw in die vallei gespreid wordt. En hoe meer de kudde die vallei en dat ontzaglijke gevaarte nadert, hoe meer ze beangst schijnt te worden. Geen wonder, dat ze tegen elkander aandringen en een uitweg zoeken. Neen kudde, houd maar op, ge kunt elkaar niet redden. In duistere uren moet ge het van de Heere alleen hebben. En dan drijft die Herder die kudde verder onder dat rotsblok door, de donkere diepte in.

Zo kent Gods kind, het schaap van Christus, naast en behalve en na lieflijke uren ook donkere uren. Uren, bijvoorbeeld van zware overtuiging, diepgaande ontdekking, ganselijke ontledi¬ging, sterven aan zichzelf voor het aangezicht Gods. Donkere uren van druk uitwendig, somtijds vermengd met zwarte uren van aanvechting, twijfel en benauwdheid, ziels conflicten inwen¬dig, zodat de dichter weleens uitroept: "Al Uw golven, al Uw baren, zijn over mijn hoofd gegaan". Maar bijzonder willen wij deze woorden van toepassing brengen op die donkerste ure, waarheen ook een christen geleid wordt, als de stervensure aan¬breekt. Hetzij bij een plotselinge dood, hetzij na een langdurig ziekbed, maar het geldt ook voor het kind van God, dat de dood hem niet overslaat. Het is de mens, ook de bekeerde mens, gezet eenmaal te sterven. In het Grieks staat dat "eenmaal" als een telwoord, d.w.z. we doen het nooit over. Het gebeurt éénmaal, geen tweemaal. En zoals de boom dan valt, zo blijft hij liggen. En ook het liefste kind van God, met welk een teder leven van Gods Geest ook begenadigd, kent zijn uren wel, dat hij, mis¬schien des nachts wakker liggende, daarover peinst en zijn ziel ineen krimpt. Sterven, wat is dat? Ik kan u verzekeren, dat de grootste medici der wereld verklaard hebben: Wij weten niet waarom wij sterven moeten. Dat mysterie grijpt ook Gods kind aan. Is sterven griezelig? Doet het pijn? Wat gebeurt er dan met me? Ben ik het bewust, als ik overga van de tijd in de eeuwigheid? Honderd vragen bestormen hier het arme hart. Somtijds breekt het zweet ook Gods kind uit, van ontroering en angst, met name als ge de boodschap moet vernemen: het kan nog enkele uren of een enkele dag duren, maar ge zijt aan de grens gekomen. Dat is wat!

En weet ge wat nog de zwaarste donkerheid is? En nu spreek ik een ogenblik in het bijzonder het kind van God toe in ons midden, want daar weet het kind van God óók van. Al was ik nog zo verzekerd van mijn zaligheid, en nog zo gewis bekend met mijn waarachtige bekering, maar daar is iets in dat sterven, dat me bij de keel grijpt, en wat is dat? Dat weet Gods kind zo bijzonder, namelijk wat de apostel neer¬schrijft: "De bezoldiging der zonde is de dood". En op een an¬dere plaats, als de apostel zegt: "De prikkel nu des doods is de zonde, en de kracht der zonde is de wet". Dat heeft Gods kind reeds bij zijn leven geleerd, en dat ontwaart hij naarmate hij al meer het donkere dal des doods nadert. Dat we sterven moeten, dát is ontzettend. En geeft het ongeloof geen antwoord, Gods kind heeft uit het Woord des Heeren wel het antwoord. Ik weet wél, waarom ik sterven moet. Grote filosofen, grote medici, zij weten het niet; wij weten het wél. Evenals de bloem op de stengel verwelkt wanneer de stengel uit de vruchtbare aarde is uitgerukt, evenzo moet mijn persoon naar lichaam en ziel verwelken, als ik uit de levens aarde van God Drieënig ben uitgerukt, losgeraakt, gevallen. Dan sterven wij. Gij zult de dood sterven. Van onze geboorte af.
Nu verzoek ik u met grote ernst om dit donkere dal niet te ver-eenzelvigen met het dal der jaren, maar met wat anders. Het dal der jaren, ja, die redenering kent ge wel, nietwaar? Eenvoudig voorgesteld, dan redeneert men: men is geboren, van dag tot dag wordt men ouder, men bereikt vijf jaren, tien jaren, twintig en dertig en veertig en vijftig jaren, en dan zijn we zo wat op de top, en dan gaan we van de top nederwaarts; gaat ge naar de zestig, ge gevoelt het al, gaat ge naar de zeventig, dan wordt ge het al scherper gewaar, wordt ge tachtig, of mogelijk negentig, men vraagt zich af: zou de dood mij vergeten? Maar vrien¬den, die donkere doodsvallei, dat donkere doodsdal, dat is niet het dal der jaren, maar dat is het dal der vernedering, dat we uit God zijn uitgevallen. Want immers de zuigeling in de wieg sterft ook wel. Men behoeft geen tachtig, of zeventig, of zestig te worden eer men dat donkere doodsdal ingaat. Het kind in de wieg, de fiere jongeling en jongedochter, de Heere weet het, maar ik zeg het u opdat de ernst op uw ziel wege, wie weet, er zitten er hier in de kracht, inde pracht van hun leven, die mis¬schien aanstaande Zondag begraven zijn. Ik heb dat meermalen uitgesproken, maar ik wens dat wel elke dag, als het volk ver¬zameld is, u toe te roepen; want dat is de praktijk, de werkelijk¬heid van het leven.

En dat verstaat met name dat levende schaap van Christus, wat een diepe vernedering het is, dat ik sterven moet. Het is niet tot onze eer, toehoorders, dat we grafwaarts worden uitgedra¬gen. En als het kind des Heeren daarmede van doen krijgt, dan is het maar niet de angst van het mysterie en de vraag of het griezelig is of pijn doet, maar dan wordt het: O God, hoe zal ik U ontmoeten? Want sterven is God ontmoeten. En de eerste vraag, die God, zo stel ik me voor, zou kunnen stellen aan u en mij, zou kunnen luiden: Waarom zijt gij gestorven? Zijt gij dan van Mij afgevallen? En dan komt dat ontzaglijke woord:
En daarna het oordeel. En dan vallen we in de handen van een streng Rechter, een rechtvaardig God. En wie dan voor eigen rekening in het leven lag en ook ligt in het sterven, het ware die mens beter, dat hij niet geboren ware geworden. Be¬denkt deze dingen, schrijft ze op de deur van uw leven, van uw consciëntie, van uw kostelijke ziel, toehoorders, want we reizen allen dat donkere doodsdal wis en zeker tegemoet En dat ver-bergt de dichter ons niet.

Weet ge waarom niet? Ik herhaal opzettelijk, wat ik straks zei, om de ernst der zaak, om de heerlijkheid der zaak, namelijk, de dichter verbergt ons dit alles niet, opdat het schaap van Christus wete, hoe rijk en gelukkig het is, zó rijk, dat het zulk een donkere ure niet behoeft te vrezen, zegt de psalmdichter. En dat vermeldt hij, opdat ge zoudt weten, hoe gelukkig dat schaap is, jawel, dat ook; maar opdat ge aan dat geluk van dat schaap, dat zelfs de doodsvallei niet vreest, zult kunnen weten, hoe heerlijk de Herder van dat schaap is. Zo'n Herder heeft dat schaap, die deze psalm kon schenken. Eén van de schoonste uit¬stallingen van de dierbaarheid van de Heem Jezus, geliefden, is deze. Als een mensenkind bij Geesteslicht verwaardigd mag worden zo'n blik op de Christus te mogen slaan, dat hij zo alles voor leven en sterven uit Hem put, dat hij uit mag roepen: Wel¬nu, laat dat blad maar dwarrelend in het slijk voor mijn voeten nedervallen, laat de doodsvallei mij maar tegengreinzen; ik heb iets, dat daartegen bestand is. En wat is dat? Daar komt het tweede woord als vanzelf. Als dan het schaap denkt aan die donkerste ure, dan spreekt de dichter:

II. Geleid door de beste Herder.
Het hangt op heel onze levensweg, geliefden, niet af van de weg, maar van de gids. Van de gids, die meegaat. En nu is de roemtaal van dit kind van God in Psalm 23: "De Heere is mijn Herder". En nu kan hij daar maar niet genoeg liefs en schoons van die Herder vertellen. Men spreekt weleens van kenmerken, of ik genade bezit, ja of neen. Daar zullen we thans niet breed over uitweiden, want dat is ons onderwerp niet; maar één woord wil ik er toch van zeggen: als er ooit één kenmerk mag gelden als kenmerk van genade, dan is het dit, dat zulk een begenadigde bij uitstek spreekt van Zijn dierbare Borg. Het is heerlijk, te kunnen vertellen: ik ben bekeerd, en hoe ik be¬keerd ben en al deze schone zaken. Maar 'bovenal klopt hier de pols van het waarachtige, kenmerkelijke, geestelijke leven, als die ziel aan het woord komt om van haar Koning en Herder te spreken. En nu komt de dichter op zijn kracht. Nu heeft hij de donkerste vallei getekend, opdat hij de schoonste lof van zijn Herder kan zingen. Al ging ik ook door het dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen. Niet dat er geen kwaad is, dat staat er niet; goed lezen! Het is allemaal kwaad in die donkere doodsvallei, maar ik zal het niet vrezen. Het is een kwaad, dat mij geen kwaad doen zal; ik behoef er dus niet bang van te wezen. Het is het dal van de schaduw des doods. Ont¬houdt het, want die donkerheid daar in dat dal werd gespreid door dat overhangende rotsblok, en dat rotsblok bleef rustig in de hoogte hangen, het schaap moest er wel onderdoor. En nu wordt het vreesachtig gemaakt door de schaduw van dat rots¬blok. Onthoudt dat goed.

Dat is met Gods volk ook zo; waar ze soms bang voor zijn, daar behoeven ze eigenlijk niet bang voor te wezen. Het is de schaduw. Ik heb wel eens gehoord, en gij zeker ook wel, van kinderen Gods, die in heerlijke ruimte weg mochten reizen en die uitriepen: Is dat nu sterven? Zalig sterven, mogen sommigen zelfs zeggen. Een godzalige schrijver zegt ergens: Van sterven worden we beter. Dat is nog wat anders. Het is maar de schaduw van dat rotsblok. En nu moet die kudde wel onder dat blok door, en die schaduw doet onrustig op¬springen, maar kwaad zal ik niet vrezen, want Gij zijt met Mij. Hij gaat niet alleen. Er is in Nederland een versie, dat weleens gezongen wordt: "Ga niet alleen door 't leven". Hier zou ik kunnen zeggen: "Gij gaat nooit alleen door het leven, als ge de Heere hebt leren kennen". Al ziet ge Hem niet altijd, al ervaart ge het niet altijd even levendig, al zijt ge dodig gestemd; zelfs al zoudt ge tijdelijk God verlaten, in de zondestrik verward ge¬raakt, de Heere verliest Zijn schaap nooit uit het oog. En dat ook niet in de doodsvallei, in letterlijke zin verstaan. Hij gaat mee de doodsvallei in. En Hij gaat mee die doodsvallei in als de beste Herder, Die ik me denken kan, en daar zijn drie re¬denen voor. Ik zal ze gevoegelijk achter elkander noemen en een weinig ontwikkelen. En hoop, dat ge ze noteren zult in uw geheugen. Maar dat ik sprak van die beste Herder, Die meegaat de doodsvallei in, dat is ten eerste wegens Zijn beminnelijke dierbaarheid.

Dat eerst. Schrijf het mijnentwege op. Noteer het in uw geheugen. Vanwege Zijn beminnelijke dierbaarheid. Want daar is geen herder zo beminnelijk dierbaar als Deze, Die in Psalm 22 Zijn bloed voor die kudde gestort heeft. Dat hebben ze onder¬vonden in de donkere ure vóór het sterfbed gespreid wordt. Als ze namelijk in Psalm 116 leren uitschreien en kermen soms:
Ik lag gekneld in banden van de dood,
Daar d' angst der hel nw1mij alle troost deed missen.
En als dan in die ure de geschonken Borg tot hen kwam, let wel, van de Vader geschonken en in het geloof omhelsd. En als dan in die ure die Borg hun hand gevat heeft en met Zijn dierbaar bloed besprenkeld heeft en uit Zijn zalige verbonds¬belofte door de Heilige Geest getroost heeft en het woord aan hen bezegeld: "Al waren uw zonden als scharlaken, Ik zal ze maken als witte wol", en ze zo, door de Heere Jezus in het geloof te omhelzen, in de ruimte kwamen, 0, wat was Hij dan ont¬zaglijk dierbaar. En als dan diezelfde Jezus meegaat, zoudt ge een andere willen hebben? Is dat geen waarborg genoeg? Die¬zelfde dierbare, beminnelijke Borg, Die u in de doodsvallei van uw zielsontdekking in de ruimte heeft gebracht, Diezelfde gaat mee. Dan kan u geen kwaad meer overkomen, dat staat vast. Ik zou niet vrezen. Geleid door de beste Herder. We mogen slechts aanstippen, want er is nog meer te zeggen, maar alles op zijn bestemde tijd; er is meer. Geleid door de beste Herder, dus wegens Zijn beminnelijke dierbaarheid. Ik voeg daar aan toe: en wegens Zijn ambtelijke bevoegdheid.

En nu gaan we nog wat dieper op de zaak in. De Heere Jezus, die zaligmakende Herder, gaat mee de doodsvallei in. Niet maar als een lieve Jezus zonder meer. Niet maar als een beminnelijke figuur, die ook de dood doorgegaan is. Niet maar als een ver¬trouwde vriend aan uw zijde, en wat schoons ge nog meer moogt opnoemen; maar Hij gaat met u mee als uw Herder, dat wil in dit verband zeggen: Christus oefent, let wel, Zijn ambtelijke bediening uit, ook in de doodsvallei. Daar worden we maar te weinig bij bepaald. Daar moeten we toch even streng onze aandacht op vestigen. Christus in Zijn ambt en Ziin ambte¬lijke bediening. Profeet, Die onderwijst, Priester, Die Zijn bloed stortte en voor ons bidt, Koning, Die ons regeert en Die ons be¬schermt; de drie ambten. Die ambten van Christus worden be¬diend bij ons leven al, maar ik herhaal, wij worden er in den regel niet genoeg bij bepaald, wat het betekent, dat de Christus Zijn ambtelijke bediening ook uitoefent in de doodsvallei. Ik wil trachten daar iets van te zeggen. Wat is de ambtelijke be¬diening van Christus op het sterfbed? Daar hebben we nu alle¬maal mee te maken, en Gods kinderen in ons midden in het bij¬zonder. De ambtelijke bediening van- de Heere Jezus op ons sterfbed. Het wordt weinig besproken. Ik geef daarover een enkele opmerking.

Ten eerste: de Profeet.
Christus gaat mee als Profeet. Ambtelijk, Hij is er toe aangesteld door de Vader. Hij heeft er de bekwaamheid voor ontvangen; Hij is verantwoordelijk voor de zaak. Hij moet om te beginnen Zijn Profetisch ambt laten gelden. En hoe doet Hij dat in de doodsure ? Doordat Hij als Profeet ons door Zijn vermaningen, vertroostingen en onderwijzingen leert hoe wij sterven moeten. En dan hebben we gehoorzaam te sterven. Dat is wat. Die onder¬wijzing geeft de Heere Jezus. Gehoorzaamheid leren ook in de stervensure. Van vader Jakob lees ik, dat hij zijn zonen tot zich riep: "Komt eens hier, mijn zonen, legt mijn voeten recht, want ik ga sterven. En dan het uitroepen: "Op Uw zaligheid - dat was Christus - wacht ik". En in dat licht, bij een geopende hemel, bij een verwachte Christus, mag hij uitroepen: "Legt mijn voeten recht". Hij voelt: Ik ga sterven; en is dan gewillig, ge¬hoorzaam. Men zou het in dit woord kunnen uitdrukken: Heere Jezus, wilt Gij mij hebben? ... hier ben ik. En niet tot elke prijs te trachten God te bewegen: ach, laat mij nog een dag, of een half jaar, of een uur leven. Neen, Heere, als Gij mij Boven wilt hebben, hier ben ik. En dat bedient de Heere Jezus ook als Profeet, bij de één meer en bij de ander minder. Overdenkt deze dingen, opdat ge ook voor de stervensure uit die Herder, die Ambtsdrager, uw kracht en troost put.

Er is meer. Profeet. Hij is ook de Priester, Die voor ons Zijn bloed stortte en voor ons bidt bij de Vader.
Ziet, ik noemde Hem de beste Gids en Herder, Die meegaat, want wat is er gebeurd? Die Herder is eenmaal ook onder dat rotsblok doorgegaan, die donkere vallei in. Zijn hele wezen sidderde en Zijn ganse per-soonlijkheid schudde van ontroering, en het bloedzweet werd Hem in de hof uitgedrukt; en dan op het kruis, daar raakte dat rotsblok, ik spreek figuurlijk, los. En wat op de kudde niet ge¬schiedde, gebeurde daar. Dat rotsblok, dat pletterde neer op Zijn hoofd, Zijn schouders, Zijn borst, Zijn ziel, Zijn ganse per¬soonlijkheid. Eli, Eli, lama sabachtani: Waarom hebt Gij Mij verlaten, Mijn God? Daar hoort ge de kreet. Het rotsblok is op Hem neergepletterd, en dat was opdat wij in de doodsure zelf van Hem nimmer verlaten zouden worden, en waardoor het volk, als de Heere licht over Zijn werk geeft, kan zingen:
Jezus, Uw verzoenend sterven Blijft het rustpunt van mijn hart.
En uit de kracht van dat borgtochtelijke werk staat Hij naast de sponde van dat kind van Hem, dat sterven gaat, dat zelf mogelijk niet meer lispelen kan. Dan staat Hij voor de Vader. Dan staat satan aan de andere kant en zegt: Moet die naar de hemel, die zo en zo en zo gezondigd heeft? Dat is mijne, zegt satan. En dan staat daar de Christus in Zijn ambtelijke bediening als Priester, en dan zal Hij Zijn gebed voor dat stervende kind opheffen voor het aangezicht des Vaders ook in die ure: "Vader, Ik wil, dat die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt". Wat heer¬lijk, dat deze Herder meegaat, de doodsvallei in en door.

Om niet meer te noemen, Profeet, het is ambtelijk, Priester, weer ambtelijk, Koning, weer ambtelijk. 
Als Koning gaat Hij mee de doodsjordaan in. Als Koning, O, wat een heerlijke gedachte. Had ik nog een uur vóór mij, om dit uit te breiden, maar aanstippen¬der wijze moge het korte woord genoeg zijn. Als Koning, want wat daar sterft, wat daar uitgeteerd ligt, misschien nauwelijks meer te benaderen vanwege, ik zeg het met eerbied en ernst, van¬wege de walgeliikheid soms van de ziekte, waaraan dat schaap daar sterft, O mijn vrienden, dat stervende kind is de bruid van Christus, die Hij met Zijn bloed gekocht heeft, en die Hij hebben wil. En die heeft Hij zo gekocht in Psalm 22, dat Hij in Psalm 23 er van verzekert, dat Hij meegaat, want wat zal de hemel zijn zonder de Christus; maar daar voeg ik in één adem aan toe: wat zou die hemel en die Christus in de hemel zijn zonder die bruid? Ze gaan ter bruiloft, omdat de Koning wenst, dat de bruiloft gevierd zal worden. En zo heeft Hij als Koning een vrije door-tocht door de doodsvallei bedongen. Zo hebben zij een paspoort, waarop ze veilig reizen zullen. alle duivelen der hel ten spijt. En nu nog eenmaal. Het was de meest gewenste Herder, reeds vanwege Zijn beminnelijke dierbaarheid, Zijn ambte¬lijke bevoegdheid, en nu nog vanwege Zijn verantwoordelijke betrouwbaarheid. Want het behoort ook tot het werk van Chris¬tus, dat Hij betrouwbaar moet zijn. Hij heeft hen van de Vader ontvangen. En als nu dat schaap, dat daar sterven gaat, niet thuis kwam, dan was dat vreselijk voor dat schaap. Maar ik hoop, dat ge me volgen kunt en wilt en verstaat. Dan was het nog ontroerender als ik dan tevergeefs een oog op Christus zou slaan en zou moeten uitroepen: O Heere Jezus, hebt Gij mij dan niet kunnen kopen, zo, dat ik Uw eigendom mocht blijven?

Ik had eens een ernstig gesprek met een roomse geestelijke van formaat. Drie uren zaten we met elkander te redeneren. En bij het scheiden vroeg ik hem, of we elkander in de hemel zouden wederzien. En hij antwoordde met zoveel woorden: O, dat hoop ik toch van harte. Ik zeide: Hoopt u dat? Kunt ge niet zeggen: Ja! Och, zeide hij, soms .... maar ik kan het nog ver¬liezen. Daar hebt ge het tekort in het roomse stelsel. Christus, Die wel de mogelijkheid van zalig worden verwierf, maar niet de werkelijkheid. Waarop ik dan ook antwoordde: Pater, als gij dan niet zeker weet zalig te zullen worden, is dat dan niet een Christus met risico aan Zijn werk verbonden? Dan hebben wij een andere Heere Jezus. En gaat het niet meer om u, en om mij, maar om de waarde van die Herder. Gelukkig behoef ik niet te zeggen, dat ik een Herder ken, waardoor het misschien mogelijk is, dat ik er kom als ik goed meewerk. Hij heeft mij zó gekocht met Zijn bloed, dat Hij mij nooit meer verliezen kan. En nu gaat het niet maar om uw of mijn zaligheid, maar of die Herder betrouwbaar is. Een vertrouwde Herder, Die op Gol¬gotha Zijn doodsnik uitriep: "Het is volbracht". Zonder risico, het staat eeuwig vast.

Daarom moeten Zijn Magdalena's. Zijn Petrussen, Zijn moorde¬naars op het kruis, Zijn stokbewaarders, ja tel ze maar op, en de Heere verwaardige ons dat wij onze naam er bij mogen voegen, toehoorders, daarom moeten allen, die tot de kudde behoren, levende schapen zijnde, daarom moeten ze zalig wor¬den en zullen ze zalig worden. Christus' eer staat er mee op het spel. Op het spel? neen, duizendmaal neen, het staat niet op het spel. Het staat eeuwig vast en zeker. En die ooit hier op aarde die Herder heeft leren nodig krijgen, van God Drieënig heeft mogen ontvangen en door de Heilige Geest geleerd heeft in Hem te geloven, die mag het uitjubelen: Heere Jezus, eeuwig zal ik bij U zijn en blijven! want Hij is de meest betrouwbare Herder, Die met Zijn bloed voor de zaak eeuwig instaat. Daarom, ik zal geen kwaad vrezen, Gij zijt met mij. Hebt ge meer nodig? Toch niet.
En nu nog een zaak. Met dat al zult ge mogelijk kunnen op¬merken: daar in dat dal, daar schuifelt toch het wild gedierte, het roofgedierte, en daar vliegt de roofvogel en de arend over die kudde en blikt in de diepte en wacht het moment af, dat hij pijlsnel neerdaalt en in zijn grijpklauw een schaap of een lammetje wegrukt tot zijn prooi? Heere, wat moet ik daar tegenover stellen. Wederom de Herder. Namelijk

III. Getroost door het voortreffelijkste wapen.
En dan zegt de heerlijke dichter hier: "Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij". Bedenkt wel, stok en staf is niet precies het¬zelfde. De staf, daar leidt en weidt de herder de kudde mede, en de stok, dat is een geweldige knots, die hij aan een lederen riem hij zich draagt. Wat de staf aangaat, daar eerst een enkel woord over.
Wat de staf aangaat, zoals ik zeide, daar leidt en weidt hij de kudde mee. En vooral in het Oosten was er aan het boveneinde van die staf een holte, waarin de herder, als het nodig was, een kluitje aarde kon optillen. En als er dan gevaar scheen, dat het schaap een verkeerd pad zou opgaan, een zijweg zou inslaan, afdwalen, dan wierp hij dat kluitje aarde .... op dat schaap? Neen, zo is het niet. Niet op dat schaap, maar, zoals ik mij eens van een herder heb laten onderrichten, dan wierp hij dat kluitje aarde vlak over de kop vlak vóór dat schaap. Opdat het opzij zou springen. Of de herder wierp dat kluitje aarde terzijde van dat schaap, waar het dreigde af te wijken van de rechte weg. Opdat, door dat geworpen kluitje aarde, dat schaap op zou schrikken, opzijde zou springen, van het rechte spoor niet af¬dwalende en het verkeerde spoor vermijdende.

Heerlijk, dat we onder zulk een staf door de doodsvallei geleid zullen worden. Als de Heere met Zijn vertroostingen, vermanin¬gen, onderwijzingen, terechtwijzingen, ons zal leren godzalig te sterven. Dat is een apart stuk godzaligheid. Daartoe gebruikt de Heere ook dat kluitje aarde. Verstaat ge mij? Ik zou er breder op ingaan, als de tijd niet riep om voort te gaan.
En dan de stok. Dat is niet maar een wandelstok, maar onder stok hebben we hier te verstaan zoveel als een geweldige knots, een knuppel, die de herder bij zich draagt. En laat nu geen roof¬gedierte aansluipen, of ook de vliegende arend van boven neer¬schieten om een schaapje van de kudde weg te roven, want als dat beest naderbij komt .... kets, dan slaat hij met die knots dat beest de kop in en het ligt in zijn bloed terneer gestort, het schaap is bevrijd. En let nu wel. Nu zegt de dichter: "Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij". Met andere woorden, als hij dat doodsdal in moet dan kijkt hij of de staf in de ene en de knuppel in de andere hand is. Maar als die herder nu kwam on¬gewapend, dan zou dat schaap zeggen: och, och, zou dat wel gaan als er gevaren dreigen? Maar, zegt de dichter, nu zie ik, dat die Herder altijd paraat is en meegaat. Uw stok en Uw staf, als hij die maar ziet, weet ge. Onder geleide van een gewa¬pende Herder, met het meest beveiligende wapen. Onder leiding van een Herder, Die een wapen bij zich heeft, dat voortreffelijk genaamd kan worden. Als hij dat maar ziet, dan zegt hij: Die vertroosten mij; d.w.z. troost, het is een overlegging van een goed tegenover de overweging van enig kwaad. En als dat goede dan zó groot is, dat het het kwade, dat ik overleg, overtreft, dan heet dat troost. Een overlegging van zó veel goeds, dat nog zoveel kwaads er voor achterwaarts wijkt. En nu bedoelt de dichter: Als ik nu maar zie, dat die dierbare Herder met dat gewenste wapen in de hand met mij de vallei ingaat, dan ben ik getroost, ook wat dat roofgedierte aanbelangt, en dan kom ik best door die donkere vallei heen en zie ik straks het licht weer dagen, en zal ik met vrolijke blijdschap mij herinneren wat het betekend heeft: "De Heere is mijn Herder, mij zal niets ont¬breken". En laten dan de schaduwen des doods mij omhullen, dan zal ik wegens al deze heerlijke genoemde dingen met de dichter het uitroepen:

Ik vrees niet, neen, schoon ik door duist're dalen In doodsgevaar bekommerd om moest dwalen;
Welaan, eer we nu nog een slotwoord gaan spreken, voor u en mij van persoonlijke aard, laten we dan eerst instemmen met het loflied op deze Herder uit Psalm 23. Zingen we Psalm 23 : 2 en 3:
Ik vrees niet, neen, schoon ik door duist're dalen
In doodsgevaar bekommerd om moest dwalen; 
Gij blijft mij bij in alle tegenspoeden:
Uw stok en staf zal mij altoos behoeden;
Gij troost mijn ziel, en richt, in mededogen,
De tafel aan voor mijner haat'ren ogen.
Gij zalft mijn hoofd; Gij doet mijn blijdschap groeien,
En van Uw heil mijn beker overvloeien.
Het zalig goed, mij door Uw gunst gegeven, 
Verlaat mij niet, maar volgt mij al mijn leven, 
Zodat ik in het heilig huis des Heeren
Een lange reeks van jaren blijv' verkeren.

Toepasselijk slot woord.
En nu nog een slotwoord van persoonlijke aard voor ons allen. Welnu, geliefden, laten we drie zaken bemediteren. Vóór het dal, in het dal, en straks achter het dal, of liever, het dal achter óns. Vóór het dal. Dit geldt nu van ons allen, zoals we hier neder¬zitten. En dat houdt in een grote weldaad van Gods lankmoedige liefde, waar ge nog leeft in het heden der genade; maar het houdt ook in een ontzaglijke ernst. De wijsgeer Plato, een heidens denker in de oudheid, heeft gezegd: Al het overleggen eens wijzen is een overlegging des doods. Hij wilde daarmee zeggen:

Wie wijs is, moet overdenken, dat de dag des doods komt. En als nu een heiden als Plato dat met ernst zei, hoeveel te meer betaamt het ons daaraan met christelijke ernst te denken. Nu gaan we zo aanstonds naar huis, en de dood slaat niemand onzer over. Ik weet niet of het u bekend is, maar men heeft berekend: elke seconde sterft er minstens één der mensen. Denkt door, dat is op zijn minst zestig in een minuut, dat is zes-en-dertig-honderd in een uur, dat betekent, wat deze dienst aangaat, als we straks huiswaarts keren, dan zijn inmiddels zevenduizend mensen de valreep overgegaan van deze planeet der zintuigelijk waarneem¬bare gewesten naar de ongeziene gewesten der eeuwigheid. Op de tik van het uurwerk van de tijd gaan we de valreep over, één, twee, drie. En daar slaat straks een tik, dan is het mijn beurt, uw beurt. Tik, het is al gebeurd, wie volgt? Denkt dat eens in, toehoorders. Want zo waar ge hier betrekkelijk nog ge¬zond en levend tegenwoordig zijt, zo zeker zal straks die tik voor mij en voor u slaan. Kunt ge uw ziel nog langer aan de duivel prijsgeven? Dat roep ik al de onbekeerden in ons midden toe. Al degenen, die nog geen waarachtige grond in Christus hebben gevonden. Allen, die misschien ik weet niet wat voor vrome redeneringen ophangen, en het waarachtige leven niet kennen, en als het er op aankomt zich openbaren vijanden er van te zijn. De hellegangers vindt men niet alleen in de kroeg en in de bioscoop en in de danszaal, en wat er nog meer is van de wereld, maar ook in Gods kerk, ook hier. Waarom ver¬kwanselt ge uw ziel, lieve jongelui en ouderen van dagen, langer aan de duivel? Weet het, liefhebbers van de zonde worden vanzelf slaaf van de zonde. En als God almachtig niet weder¬barend tussenbeide treedt, dan worden ze slachtoffers van de zonde. Nog eens, een liefhebber van de zonde wordt slaaf van de zonde en eindigt, als God het niet verhoedt, in slachtoffer van de zonde. Daar zal het kerkhof in uw woonplaats ook: van kunnen getuigen van jongeren en ouderen. Is het dan zo wense¬lijk om verloren te gaan, dat ge de zonde aanhoudt? Als uw hond ziek is, gaat ge naar de veearts; en als uw kostelijke ziel op het spel staat, wat doet ge dan? Menigeen neemt de pommadedoos en kleurt zich de wangen en stift zich de lippen en krult zich de haren en staat voor de spiegel, en lijkt met het armzalig lichaam meer op een modepop dan op een christen of christin. En weet het, mijn hoorders, dat lichaam, waar ge mee gepronkt en ge-coquetteerd hebt, dat wordt straks aan de wormen der aarde tot een spijsoffer voorgezet.

 Ach prediker, zegt ge, spreek toch zo niet, man, je maakt me benauwd. Ik wenste van God, dat ge zo benauwd werd van de zonde, dan zult ge van deze voor¬stelling geen last hebben. O, dat ge zo eens de noodzakelijkheid van bekering leerdet kennen. Ja meer. Neen, roepen om genade uit angst voor de dood is nog geen bewijs van genade. Vragen om bekering is nog geen bewijs dat bekering aanwezig is. Waar¬om vraagt ge om bekering? De dood? De hel? De ontzettende eeuwigheid? 't Is goed, maar het is niet genoeg. Waarachtige bekering is een bekering uit, om en tot God. "Bekeert u tot Mij". Wat houdt dat in? Dat we bekeerd moeten worden om God, dat moet ons de pijn van het hart worden. Ik heb de Heere ver¬worpen, en daarom ben ik van de geboorte af een stervend schepsel. Daar gaat niets van af, mijn hoorders, dat moet in orde komen door het geloof in de Borg, of het is voor eeuwig een afgelopen en afgesneden zaak.

Men loopt daar zo licht overheen tegenwoordig. Men spreekt over de dood en' men zingt van de triomf en men jubelt van het geloof, en men gaat inmiddels gemoedereerd zowel naar de bioscoop als naar de kerk, ja soms ook al naar zogenaamde christelijke dansgelegenheden en naar wat al meer door de duivel is uitgevonden. Dat gaat zo maar door, dat sijpelt door tot in onze kerken toe, overal. O jeugd, o toehoorders, staat toch eens een ogenblik stil. Ge hebt een bekering tot God nodig, door God, om God. Ik verzeker u, dat uw vergiftigde ziel vanuit uw opgepronkte, wereldse, coquetterende lichaam zal uitgaan naar de buitenste duisternis. Op het doodsbed zullen twee zaken met name u bij de keel grijpen, en dat zullen zijn: ge zult nooit zo de heiligheid Gods gezien hebben dan op uw sterf¬bed; ten tweede, en ge zult nooit de zonde zo schrikkelijk ge¬vonden hebben dan op uw sterfbed. Wat er met u gebeuren moet? Dat moet hier gebeuren, terwijl ge nog leeft. Zou het niet zalig zijn om in te denken, dat God de Heere uw eeuwig deel was geworden? Is het niet heerlijk om te kunnen zeggen, al verlies ik heden alles, en al zal mijn lichaam gesloopt worden, dan is er toch één zaak, waar de doodgraver niet bij kan komen. O, dat zalige van Gods eigendom te zijn geworden. Behouden door het bloed van Christus, door de wederbaring des Geestes. Het is iets, waar de eeuwigheid voor nodig zal zijn om de zaligheid en heerlijkheid daarvan uit te roepen en te doorgronden, te loven en te prijzen. 
En vergis u nu niet, dat ge op valse gronden gaat steunen, want er zijn wat mensen, ook in onze dagen, dat is de keerzijde van de medaille, die met al deze dingen zeggen ernst te maken, en bidden om genade en bekering, en altijd maar vragen om nog meer ontdekking en meer ontgronding. Best, maar ik moet u op één ding ernstig wijzen. De diepste ontdekking wist nog niet één zonde uit en breekt nog niet één zondelust in ons. Een godzalige schrijver uit de vorige eeuw zegt daarvan: De ontdekking aan uw zonde is nog niet de ver¬geving der zonde. Daartoe moet ge ingeplant worden door een oprecht geloof in die gezegende Borg en Christus van Psalm 23.

En daar huppelen velen tegenwoordig maar gemakkelijk over¬heen en ze kunnen maar allemaal geloven, en ze kunnen allemaal maar hopen en ze zetten het gemakkelijk in de advertentie: In Jezus ontslapen. En als ge vraagt: hebt ge al eens leren sterven bij uw leven, dan kijken ze u verbaasd aan. Wij? Wij zijn kin¬deren des verbonds, het tegendeel blijkt toch niet aan ons? En God is toch goed en. trouwen genaderijk? Vrienden, de satan sleept ze zo bij honderden naar de hel, want als God genade in het hart werkt, dan krijgen we een walg aan de wereld, aan openbare en verborgen zonde, maar ook een walg aan alle valse gronden en verkeerde kenmerken. Dan is het ene ware kenmerk van alle kenmerken ten deze, dat ik als een verlorene aan de voeten Gods, uit God gezaligd worde.
 Ik heb eens gelezen van de grote kerkvader Augustinus in zijn bekende boek "de Con¬fessiones van Augustinus", hoe hij daar neerschreef: Moriar ne moriar, een latijnse zin. Moriar ne moriar, dat betekent: Dat ik sterve opdat ik niet sterve. Kostelijke uitdrukking. Wat is dat? zegt er één. Begrijpt ge dat niet? 0, vraag de Heere vanavond voor uw bed eens op uw knieën, of Hij dat zinnetje u eens verklaart van binnen: dat ik sterve opdat ik niet sterve. Het wil zeggen: dat moet hier beginnen in dit leven, eer de dokter zegt van uw lichaam: het is afgelopen. Sterven aan de zonde, aan de wereld, aan mezelf, mijn eigenlievend ik; sterven aan de wet, zoals Paulus uitroept: "Door de wet hen ik gestorven aan de wet". Dat betekent: "Ik heb geleerd door de wet, dat ik door de wet er niet komen kan. Dat is sterven, ja dat is sterven. Maar, zegt ge, dan heb ik geen hoop. Goed. 'k Wou vluchten, maar 'k kon nergens heen, riep de dichter uit. Geen hulp meer te verwachten uit mezelf, noch van iets ter wereld. Dat is sterven. 0, in alle oprechtheid, ge zult zalig worden door het geloof, of niet ingaan. Het is zoals vader Brakel zegt in één van zijn geschriften: Onze leraren, die moesten er op slaan, dat het kraakte. Ja, dat zei Brakel. Jawel, een lieve man. Ja juist omdat hij zo lief is, zeker! En wat wilde hij daarmede zeggen? Onze dominé's moesten er op slaan, dat het kraakte .
Tegen wie was dat? Dat zei hij zeker met het oog op al die licht¬zinnige meisjes en jongens, en al die wereldse dansers? Neen, weet ge tegen wie hij het ditmaal zeide? Dat zei hij tegen die dominé' s, waarvan hij in datzelfde verband neerschreef, die de gemeenten maar 'Opbouwen op allerlei zelfgemaakte subjectivis¬tische gronden, en als er maar een traantje geschreid wordt en een zuchtje geslaakt, die mensen dan maar staan op te beuren en dat zonder dat ze tot het geloof in de Heere Jezus worden geleid. Zie, dit is het echte sterven: al het mijne weg, ook het vrome van mij. Niet dat het niet waardevol is om eerst onze ellende te leren kennen; maar gij kunt van de kennis van uw ellende zonder meer niet leven; ook op dat punt moeten we sterven. God rechtvaardigt niet óók, maar enkel goddelozen.

En nu het heerlijk Evangelie. Op die plaats, waar dat doorleefd wordt, daar is God aanwezig om te verlossen. Dat doorleeft Gods kind voortdurend. Op die plaats, waar dat doorleefd wordt, waar hij zo leert sterven voor God en hij moet uitroepen: Heere, hier ligt nu een verloren doemeling, geschikt voor de hel; op die plaats schenkt God de dierbare Borg van Psalm 23. En op die plaats vindt ge een Herder, Die - let wèl - Die een recht geeft om te geloven. Hoort, Die een recht geeft om te geloven. Want door geloven moet ik zalig worden. Door in Jezus Christus ingeplant te worden, door me met mijn ganse zijn aan Hem over te geven, op Zijn Borghanden te vertrouwen.
Daar vindt ge de Heere Jezus, op die plaats. Hier is een God, Die u een recht geeft uit het genadeverbond om te geloven. Het is een uitdrukking van de godzalige theoloog Boston, geen vinding van ons, maar ik ben het er wel hartelijk mee eens. Een recht om te geloven. Wat spreekt die man daar kernachtige, reformatorische taal, hè? Een taal, waar men tegenwoordig in allerlei kerken aan ontwend schijnt te zijn. Men hoort die dingen bijna niet meer.
Een recht om te geloven, want het komt op geloven aan. Ja, dat hebben ze wel bij het rechte eind, allen, die roepen van: Wij moeten geloven, en geloof maar, geloven, geloven; maar die inmiddels wars zijn van het omkomen aan onszelf. En toch moet dit voorafgaan. En dan alleen door geloof zalig. En wat wil dat zeggen: geloven? Dat wil zeggen, de gezegende van God geschonken Borg zó leren kennen, dus eerst kennis ja, ja, kennis. Niet de academische kennis, maar bevindelijke kennis van de Heilige Geest ingeprent en naar Gods heilig Woord. Zo de Borg leren kennen in Zijn noodzakelijkheid, geschiktheid, dier¬baarheid, algenoegzaamheid. Zó Hem leren kennen, dát ik op Hem vertrouw, ik niet van Hem af kan blijven en uit Hem leef. En naarmate gij de beminnelijkheid in de Heere Jezus uit Zijn Woord leert kennen, in die mate zal uw ziel dan ook uit dat kennen een vertrouwen beoefenen, waarbij ze op niemand anders steunt, ook niet in de doodsvallei, dan op deze Herder alleen. 
Geliefden, nog een paar woorden. Nu mochten er in ons midden zijn, die deze boodschap meenemen en zich afvragen: zou dat voor mij zijn, zo'n snode afgewekene? ° prediker, daar zit onder uw preekstoel. ... Ja, zeg het maar niet aan mij, zeg het maar aan de Heere. Och, op de kansel staat een zelfde als gij, die niets van waarde kan inbrengen voor God en die eeuwig verloren zou moeten gaan, of het gezegende bloed van die Middelaar moet de Heere mij toepassen en door Zijn Heilige Geest mij leren godzalig te omhelzen. Maar dan geldt ook geen verdoeme¬nis voor degenen, die in Christus Jezus zijn. O, dan mogen we het uitroepen uit Psalm 23: Dood, kom maar, doodsvallei, het is ernstig, het is diep, het is donker, maar ik heb een Herder, Die er tegenop kan.
Dat is de heerlijkheid van een herfstpredikatie, waarin niet alleen het dwarrelend blad voor mijn voeten nederdaalt. maar waarin ik de heerlijkheid van de Koning in Zijn luister daar tegénover zie, Die de dood verslonden heeft tot overwinning. En als we dan straks die doodsvallei in moeten, volk, in de vallei, hoe zal dat gaan? '

Ik grijp het samen in één woord. O, dan kan ik me zo indenken, dat menigeen hier zit, die met mij zegt: Ach Heere, ik ben ook zo'n kleintje. Ik kan haast nog niet op m'n voeten staan of lopen in de genade, Och, mijn vrienden, dat is niet zo slecht hoor, als ge uzelf zo voelt. Als we op onze plaats zijn, dan worden we kleiner en kleiner. Maar dan heb ik toch een lieve troost en ik zal dat niet breed uitbreiden, maar ik moge in een beeld het voor u ophelderen, en we gaan tot een besluit komen. Het is jaren geleden, toen we nog woonden in het lieflijke Drie¬bergen, dat op zekere morgen een herder met ,een grote schaapskudde voorbij de pastorie kwam. Wij kenden elkaar en groetten elkaar en ik zag met welgevallen dat tafereel voor mij. Maar daar werd mijn oog opmerkzaam op een zak, die hij op zijn rug droeg, en ik meende, dat er in die zak zich iets bewoog. Ik treed naar de weg toe en op hem af en zeg: wel vriend, wat hebt ge daar in die zak, het is of er beweging in is? Ja dominé, zegt hij, wilt ge eens kijken? Ik zeg: Wel natuurlijk, laat maar eens kijken. En daar zet hij die zak vóór zich op de grond neer, een ogenblik wacht hij, en daar doet hij die zak open; daar kijk ik in die zak en wat denkt ge? Daar lagen drie pasgeboren lammetjes in die zak. Hij zei: Dominé, die beestjes kunnen nog niet zo ver lopen, die halen de stal niet, en nu heb ik ze maar in een zak op mijn rug genomen. Kunt ge de toepassing verder maken? Ik denk van wel. Toehoorders, zegt het maar: Heere, hier is ook zo'n kleintje, ach, neem me dan maar in de zak mee. Begrijpt ge het? En de Heere zal het doen, want Hij moet met die lammetjes thuiskomen. Hij mag niet in de schaapskooi bin¬nen zonder deze onderweg geboren lammetjes. Kleintjes, de Heere kan niet buiten u, niet zonder u, en daarom, Hij gaat met u tot ge straks het dal zult uitkomen en dan zal het dal achter u liggen. En wat zal dat wezen!

Had ik nog een hele nacht vóór mij, ik raakte niet uitgepreekt, maar ik volsta met deze paar volzinnen. Als we dat dal zullen uitgaan, dan straalt het licht van de andere zijde de donkere doodstunnel al meer binnen, en naarmate dan de ziel in de ster¬vensure uit het lichaam, zo stel ik me voor, uitgeweven wordt, en dat licht ziet, zal ze de vleugelen reppen náár dat licht, om eeuwig thuis te zijn. En wat het zalige daarvan inhoudt? Twee zaken; dat God al wat van Hem in Zijn dierbaarheid voor Zijn volk kenbaar is, zal openbaren; en dat wii een vermogen zullen ontvangen, meer dan ooit hier beneden, om die Gods¬openbaring in ons op te nemen, te verwerken en in lofaccoord uit te zingen tot roem van God, die heerlijke en Drieënige God, de Herder Zijner duurgekochte kudde. Wat zal dat wezen!

En dan is er nog een vrager, die zegt: En zie ik dan mijn jongen weer daar Boven, en mijn man en mijn vrouw enz.? Ja, dat zijn gewichtige vragen. Ik wil ze u niet afnemen, maar ik wil u op iets anders wijzen, zonder dat ik u daarop een beslissend antwoord kan geven. Maar een vertroostend antwoord wel. Wie daar binnen mag komen, die zal daar de Herder zien, zoals hij Hem hier op aarde nooit gezien heeft; en dat zal zo'n heerlijke ontmoeting zijn, waar de ziel zó van doorvuld, doorgloeid en doorzalfd zal wezen, dat die gezaligde ziel wel tot in eeuwigheid op die Herder zal kunnen blikken, voordat zij nog denkt aan degenen, die haar voorgegaan zijn. Maar dit geloof ik vast, en dam eindig ik mee: allen, die in Christus ontslapen zijn, zullen elkaar, maar let wel, in Christus, het verheerlijkte Hoofd, als verheerlijkte leden wederzien, en ze zullen de waarde van zich¬zelf en van elkander voor en in het Koninkrijk Gods zien en beleven. En dan zal daar voor de troon van de Herder een kudde staan, een kudde, welker loflied zal weerklinken boven het herfstgetij aller eeuwen uit in de jubelluister van de zomer der eeuwige zaligheid, waar dit lied weerklinken zal:
Waar is nu, o dood, uw prikkel? 
Waar, o hel, uw overmacht?
Aan het Lam, Dat overmocht heeft, 
En verlossingen gewrocht heeft,
En ons met Zijn bloed gekocht heeft, 
Zij aanbidding, lof en ere,
In der eeuwigheid gebracht.
Amen.