Jeremia 33:10-11 'De stem des bruidegoms en de stem der bruid.' prof. G. Wisse

Het Prinselijk Bruidspaar in de Poort van Bethlehem

Tijdwoord

Prof. G. WI S S E

Oud-Hoogleraar aan de Theol. School der Chr. Geref. Kerk

TER GELEGENHEID VAN HET HUWELIJK VAN

  1. K. H. PRINSES JULIANA EN Z. D. H. PRINS BERNHARD

In deze plaats . . . zal wederom

gehoord worden . . . de stem des

"bruidegoms en de stem der bruid.

Jeremia 33 : IO, 11.

God de Heere, de Schepper van hemel en aarde, gaf den mensch, verdreven uit Eden’s hof, op zijn zwerftocht door de woestijn dezer wereld, twee bloemen mede uit het Paradijs: den Sabbath en het Huwelijk.

Onder alle hemelstreken, bij alle volken, en in alle tijden vindt men deze in variant van manier en vorm weder.

Want God liet, ondanks onzen val, zijn wereldplan niet los, en het einddoel van zijn glorie bleef vast: Door huwelijk ten Sabbath.

Dat is: in de lijn van voortgezette historie loopt de weg van uit het Paradijs over Golgotha naar de heerlijkheid.

Het huwelijk in dienst van het Godsrijk.

Het huwelijk een paradijsbloem.

God schiep den mensch als tweeling: man en vrouw. Samen het beeld Gods vormend.

Elk huwelijk, elk bruidspaar dwingt deswege gewijden eerbied af.

Want het staat in den glans van de paradijsweelde, die nog nágloort.

In het huwelijk toch zien wij levensliefde functionneeren door de liefde des levens; tot het wondere mysterie van mensch uit mensch geboren worden; de éénheid van het menselijk geslacht.

Liefde, woord van den hemel!

Wat is liefde? Liefde is het doorleefde besef, dat wij iets missen; iets hetwelk in gemeenschap met een ander vervuld wordt; ik gevoel mij dan in mijzelf als het ware niet ,,af”; en in gemeenschap met die(n) ,,ander” word ik mijzelf compleet; in levensfunctionneering tót leven. Een schaduwslag van

God: zoet geheimnis der levensontvouwing. Het is ontvangen tot geven; geven tot offer; en offer tot zelfvervulling. In een ander komen tot ons zelf, om het eigen zelf te ontplooien in een ander. Een goddelijke vonk die gloort in den mensch.

Zoo behoort liefde en huwelijk tot het volle rijke leven van den mensch, als geschapen naar Gods beeld.

De menschelijke geschiedenis begint dan ook met een bruiloft. Adam ontvangt Eva tot een hulpe uit Gods hand; en God zelf zegent het huwelijk in aan den vóóravond van den Sabbath; opdat het menschelijk leven in God zal glorieeren.

En wat wij nu ook in het paradijs moesten achterlaten, het huwelijk gaat mede; hier blijft de mensch mensch Gods.

Dit is de glans die uit den hemel elk bruidspaar (naar de idee) overstraalt.

Naarmate nu die huwelijkssluiting in het menschelijk leven op hooger niveau plaats vindt, zal de waarde van het huwelijk al gewichtiger tot ons spreken; en van dieper en omvangrijker beteekenis zijn.

Zoo kan een huwelijk zelfs van nationale beteekenis zijn; ja van belang voor het Koninkrijk Gods. Hier herinneren wij ons het huwelijk van Abraham, van Jozef (in Egypte), van Boaz, van David en anderen. En zoo menig voorbeeld ook uit de ongewijde geschiedenis is dáár, om het gewicht dezer waarheid in het licht te stellen.

Vorstelijke huwelijksverbintenissen met name kunnen zoo onnoemelijk groot van invloed worden, van zoo vér strekkende beteekenis voor een volk, ja soms voor het geheel der internationale verhoudingen.

En voorwaar, het is verre van overdrijving als de spontane vreugde van ons Nederlandsche volk goeddeels daaraan mag toegeschreven worden, dat ons volk, zelfs instinctief, beseft, dat het Prinselijke Bruidspaar van heden, ook van zulk een stralenkrans omweven voor ons staat.

In dit vorstelijk huwelijk toch gevoelt Nederland, heel ons volk, aan, dat hier iets gebeurt hetwelk vaderland en volk, onze historie en toekomst raakt.

Een der bitterste bezoekingen Gods moge het heeten, wanneer God-Almachtig zóó zijn slaande hand over een volk opheft, dat de levensliefde niet meer functionneeren kan naar de inzetting en ordinantie Gods; en alzoo de ,,historie” in haar normaal verloop en ontwikkeling wordt gestuit; b.v.

door oorlog of revolutie.

Want het huwelijk wil zeggen: historie; voortgang en ontplooiing der menschheid, als organisch geheel. Huwelijksstuiting, als dus de stem van den bruidegom en van de bruid niet meer wordt gehoord, is verwoesting van de cel van het menschelijke leven; zooals zich dit van uit het gezin in maatschappij en kerk presenteert.

Jeremia had dit oordeel eens zijn volk moeten aanzeggen; in Jer. 16 : 9, I0 toch lezen Wij: ,,want zóó zegt de Heere der heirscharen, de God Israëls: zie ik zal van deze plaats voor ulieder oogen en in ulieder dagen doen ophouden de stem . . . des bruidegoms en de stem der bruid . . . omdat uwe vaders Mij verlaten hebben . . .”

En nu zit Jeremia daar neder op de puinhoopen van een eens volkrijke vroolijke stad, wier burgers de lofzangen Israëls opzonden bij de altaren van Jehovah. Eens had daar de troon van Davids Huis gestaan, en de stoelen des gerichts.

En thans? Rookende puinhoopen, de heiligdommen verwoest, de schatten geroofd, het zwaard des vijands was dronken geworden van het bloed der verslagenen, de bloem der burgerij in ketenen van ballingschap weggevoerd naar Babel.

Thans is het krijgsrumoer verstomd; maar de godzalige profeet Jeremia beweent de breuk van de dochter Sions: Jeruzalem is woest, dat er geen mensch en geen beest in is (vs. 10); en de stem van den bruidegom en van de bruid wordt niet meer vernomen.

Dát is oordeel, smaad, weedom van den Heere der heirscharen haar aangedaan. Want daarin wordt Jeruzalem’s historie als stopgezet. Geen perspectieven zijn er dan meer.

Dan is alles somber en donker, nevel, duisternis, nacht geworden.

Zij het dan ook in geheel anderen vorm, onder andere omstandigheden en in gansch anderen zin, maar van deze dingen was er toch wel iets aanwezig, wat de kern der zaak aangaat, in de geschiedenis van ons Vorstenhuis.

Godlof, wij werden tot heden nog altijd bewaard voor oorlogsjammer, geen vreemde dwingelandij vernielde nog onze rechten en vrijheden, geen revolutie vermocht zich nog te ontketenen onder de burgers van éénzelfde dierbre Holland; en de troon van Oranje stond nog, omringd van de tienmaal honderdduizenden getrouwen.

O zeker dit alles zij, Gode ten prijs, als verbeurde genade erkend.

Maar toch, er lag de laatste jaren een floers van doffe gedruktheid over het beste deel onzer natie. Want, ja want zou er nog toekomst, nog historie, nog nieuw perspectief zijn voor Nederland en zijn Oranjehuis? Zou het nog?

De klokken van Delft moesten geluid worden; geluid worden éénmaal, andermaal. Heel Holland weende en rouwde.

Wij hadden nog onze geliefde Vorstin en onze Prinses.

Maar hoe lang nog? Zouden de klokken van Delft lange nog mogen zwijgen? En al ware dit zoo, zou er nog nieuwe hoop voor de toekomst geboren worden; zal er nog verder sprake kunnen zijn van den nazaat van Oranje? En zal dan ons dierbaar volk toch ten prooi worden aan burgertwist en vreemde

tyrannie? Zal er dan . . . maar wie zal het aantal vragen tellen, dat zich dan opeenstapelt, en wie zal ze beantwoorden?

Holland versomberde in rouwmoedigheid. God was daarbij in zijn recht. Want merken wij het al reeds maar op: een volk dat in hooger en lager kring voortgaat met den God des heils te verlaten, kan niet, mag niet rekenen op hoopvolle perspectieven.

En nochtans God is genadig, barmhartig, lankmoedig en groot van goedertierenheid; het is alsof de Heere nog éénmaal ons toeroept: Ik zal Jeruzalem nog verkiezen; den dag der bezoeking zal ik nogmaals uitstellen; en u den tijd der bekeering weder verlengen. O, Land, Land, Land, hoor des

Heeren woord; ditmaal een woord van verbeurde ontferming, opdat de lankmoedigheid Gods ons tot bekeering moge leiden.

Want de klokken worden geluid, maar niet de klokken boven den Delftschen grafkelder. Maar bruiloftsklokken roepen als een stem des Heeren over onze Hollandsche landouwen het uit:

Wederom zal gehoord warden de stem der vroolijkheid en de stem der blijdschap, de stem des bruidegoms en de stem der bruid.

Eer het Kerstfeest, de dag van de verkondiging der groote blijdschap voor alle volken aanbreekt, is heel Holland één bruiloftszaal geworden. Al bracht ook elke dag des jaars ons een Jobsbode, eer het jaar ten einde is gespoed, breekt altijd nog één dag aan, welke in staat is om alle droefenis in

blijdschap te verkeeren, de dag van het geopenbaarde welbehagen Gods in menschenkinderen; waarop de Koning aller koningen tot Borg en Zaligmaker in den stal geboren werd, en uit welken geboren Koning alle heil voor tijd en eeuwigheid ons toekomt; óók, dat er nog weder hope voor Neerland’s natie zal zijn.

En eer dit jaar ten einde is gespoed . . . begroeten wij, als staande in de poort van Bethlehem het Vorstelijk Bruidspaar

Prinses Juliana en Prins Bernhard.

Kerstfeest: het Woord is vleesch geworden; Gods allerhoogste transcendentie (dat God boven en over alles troont) opgeluisterd in Gods diepste immanentie (dat God ook in zijn: wereld woont). Tusschen God en wereld geen tegenstelling: God vernieuwt het gelaat des aardrijks; genade herstelt ook de ontredderde natuur; alle terreinen kunnen weer geheiligd worden; de paradijsbloem des huwelijks bedreigd en ontadeld, wordt in eere hersteld; de genade is overvloediger dan de zonde; heel het menschelijk leven komt Gode toe, der stem des bruidegoms en de stem der bruid zal wederom gehoord worden.

Aardsche bruiloftsfestijnen zullen niet ophouden, want het moet eenmaal bruiloft in den hemel worden. De Groote Bruidegom die Zelf Leven is uit de liefde Gods, zal een Bruid tot de feestzalen mogen toeleiden, zijn uitverkorene duurgekochte Kerk. De Koning in de kribbe en de bruiloft des Lams, hoe staan zij met elkaar in onlosmakelijk verband. En nu krijgt ook het aardsche huwelijk een dieper motief, een heiligen zin naar het raadsplan Gods. Want nu wordt de completeering

(de vólmaking in getal) van het menschelijk geslacht, tot een completeering van Gods Kerk; en is alzóó het huwelijk ten dienste van her Koninkrijk Gods.

Neen het einde is niet de puinhoop, o Jeremia. De profeet ziet het. Want in dat Israël was de Christus. Daarom kán het niet eindigen, Juda’s zonden ondanks, met rookende puinhoopen. o, Wilt  weten vanwaar die heerlijke wending in de profetie?

En hoe het kwam, dat Jeremia in zijn profetisch woord wederom hoorde de stem der vroolijkheid?

Hoor dan, hoe hij uitroept door goddelijke visie: ,,in die dagen en te dier tijd zal Ik David eene Spruite der gerechtigheid doen uitspruiten” (vs. 1 5). Hij ziet van verre Bethlehem.

En dat is grond der hope voor een zij her om zijn zonden neergeslagen volk.

Als God verblijdt, dan doet Hij het zalig rijk.

Wederom zal Jeruzalem bruiloftsvreugde kennen. Wederom, o let op dit woord. Die vreugde was dus eens geweest, maar verstomd. Dat was omdat Jeruzalem en Juda God verlaten hadden, in geestelijke echtbreuk.

Als zich over een volk donkere wolken samenpakken, dan heeft de Heere, de God der gansche aarde een twist met zulk een volk. Ook met U Nederland, dat in zoo menig opzicht van God is afgedwaald; moedwillig en roekeloos.

Maar, merken wij dan niet minder op, als ons Vorstelijk Bruidspaar heden als in de poort van Bethlehem staat, hoe dit enkel en alleen nog mogelijk was door dien grooten Prins van het huis Davids, voor Wien op de knieën neer te zinken, o volk, o Vorstenhuis, in schuldbelijdenis, in genade-inroeping zoo betamelijk is, en hetgeen enkel en alleen de grond uwer hope zal kunnen worden.

Dat wederom is een stoffe tot ongekende vreugde, maar met een diepe les en roepstem. God had het kunnen laten; en het dan toch te ontvangen, dan zij dit land en volk tot verootmoediging voor God.

                                                                               ****

Voorzeker nu weten wij wel, dat bruiloftsvreugde, ook zonder die van ons Vorstelijk Bruidspaar, evenzeer nog in den lande zal zijn; maar in deze Vorstelijke Bruiloft is het toch bruiloft voor heel de natie als natie.

Het is alsof wij in de stem dezes Bruidegoms en dezer Bruid iets hooren weerklinken van Bilderdijk’s:

Holland bloeit weer,

Holland ‘groeit weer,

Holland zal weer Holland zijn.

De Hollandsche natie (van ,,nascor” geboren worden) is geboren in nood en dood, in roemruchtige vrijheidsworsteling; de roemruchtigste die denkbaar is; eene die in lijnrecht verband staat alweder met de kribbe van Bethlehem. Want naar het schoone juiste woord van Groen van Prinsterer is de

Hollandsche natie geboren uit den strijd om de vrijmaking van Jezus’ Kerk. Voor heel Europa, voor heel de wereld ten bate, is op onzen vaderlandschen bodem in bloed en tranen die vrijheidsworsteling gestreden, tot de zegepraal van het Protestantisme; dat wil zeggen ten deze: dat wij vrijheid zouden hebben, om God te dienen naar Zijn Woord. En in dien strijd waren het altijd de Oranje’s, ons van God geschonken, die aan de spitse stonden. Een dankbaar nageslacht geniet er

de ontelbare vruchten van. En eert dan ook den nazaat van dat Doorluchtige Huis onzer verlossing met ongekende liefdetrouw.

Ja, dat aan de zijde der Koninklijke Bruid een Bruidegom staat uit een geslacht, dat in de dagen der Reformatie, zoo kloek positie koos voor ’s Heeren zaak, (wij verbergen het niet) het verhoogt onze vreugde in geen geringe mate.

Zoo is in dit huwelijk dus meer te zien dan wat bij gewone huwelijksplechtigheid, hoe eerbiedwaardig in zichzelf ook, valt te roemen. Meer te zien nog dan bij andere vorstelijke huwelijksverbintenissen, met welken aardschen luister overigens ook omstraald. Ja meer te zien zelfs, dan uit louter

troonsopvolgingsoogpunt. Hier is perspectief uit nationalen zin, en uit gezond protestantschen zin tevens. Door deze huwelijkssluiting kan middellijker wijs ons volk in eendracht en saamhoorigheidsbesef dieper geworteld worden.

Populair in den goeden gezonden zin des woords, ja hartelijk door heel de natie geliefd als dit Prinselijke Bruidspaar is, kan het in Godes hand middel zijn, om ons volk voor revolutionnaire ontreddering te vrijwaren; en zou het zelfs nog nieuwe hoop kunnen hergeven voor de handhaving onzer religieuze waarden. Dat ons volk zich verheugt in het hooren van de stem van dezen Bruidegom en Bruid, het behoeft thans wel geen nader betoog. Wij Weten het, deze Vorstelijke Personen hebben elkander hartelijk lief; het bleek uit alles. En een vorstelijk huwelijk uit liefde, het zij in alle teederheid maar ook in alle nuchterheid gezegd, o, dat is op zichzelf reeds zoo verkwikkend voor het nationaal bewustzijn en kan in geen geringe mate medewerken tot des volks welzijn. Daarbij te weten dat zij, gelijk onze geëerbiedigde Koninginne zelf altijd zoo kloekzinnig heeft getoond, de belangen van vaderland en volk op het hart voelen gebonden, dit alles stemt te midden van de hoogst onrustige en sombere tijden, die wij moeten doormaken, tot zeldzame gerustheid, ja tot nieuwe bezieling en moed.

Dat heel Holland juicht, het is geen wonder. En hoe groot zou het zijn, als wij er waarlijk een gunstbewijs Gods ook over Zijn Kerk in mochten zien.

Dit alles en zooveel meer opent perspectieven waar (na de sombere rouwklokken van Delft) ons volk met beving naar uitzag. Mits; ja mits.

Mits dit Bruidspaar werkelijk sta, niet alleen naar den datum, maar naar geestelijke werkelijkheid, . . . sta in de poort van Bethlehem.

En mits ons volk, in zijn officieele organen voorop, kniele voor den Koning in de kribbe.

Geen nieuwe toekomst, geen perspectieven, geen dageraad, zoo het niet verwacht worde van de Spruite, van Hem die de Heere onze Gerechtigheid heet (vs. 16); de eenige wortel van perspectief voor het Koninkrijk Gods.

Want vergeet niet, o volk van Nederland, o Vorstenhuis; vergeet het niet te midden van het feestgedruisch, dat de verstomming van de vreugde stemme des bruidegoms en der

bruid, en in Jeremia’s dagen, en in latere tijden, ook in onze landshistorie in bange dagen, was uit den afval en uit de verlating Gods.

Israël’s geestelijke echtbreuk, in het nawandelen van de Baäls der vreemde volken; dat dat was de oorzaak van den nationalen ondergang, althans van zoodanige tuchtroede des Almachtigen Gods, dat de stem des bruidspaars niet meer was gehoord. En het weder gehoord worden, was enkel en

alleen uit de verbondstrouw van Israël’s God, opdat dien God de lofzangen zouden rijzen; en die vangen altijd aan met een verbroken hart, dat is het lofoffer dat Hem behaagt, en hetwelk zóó duur betamelijk is. Zeker ook thans. Opdat bij dit ,,wederom” een afvallig volk wederkeeren mocht tot

Jacob’s God en Israël’s Ontfermer.

In de poort van Bethlehem, alleen daar is hulpe te verbeiden. Alleen door die poort heengeblikt kunnen wij nog nieuwe velden van hoopverwachting ontdekken. Dan zullen wij met Vorstenhuis en onderdanen langs de kribbe moeten voorttrekken; na eerst aan die kribbe neergeknield onze

zevendubbele zware zondeschuld te hebben beleden en beweend.

Want ook Nederland, ja Nederland met name heeft deze Godsbemoeienis verbeurd en verzondigd. Nederland juist; nademaal dit land zoo uitverkoren gezegend is geweest met de schatten des Evangelies. Van uit de vlammen der brandstapels is ons het Woord van God door onze godzalige vaderen overgeleverd. Dan ach, wat hebben wij er mede gedaan?

Zeker niet, wat God er mede bedoelde. Des Heeren naam en woord is opzijde gedrongen, en aan de vreemde goden van de Gode vijandige denkbeelden eener wijsbegeerte die niet uit God is, en geïmporteerd werd uit de landen onzer voormalige verdrukkers, is plaats ingeruimd, is het oor geleend, is zeggingschap verleend boven en tegenover God. De practijk in het volksleven heeft dezen snooden afval veelszins bevestigd, bij hoog en bij laag. O Zeker, godsdienstigheid, zij is er ook nog wel. Maar niet een godsdienstig vorstenhuis, niet een godsdienstige regeering, niet een godsdienstig volk is de waarborg onzer redding en behoudenis; maar een godvreezend.

Anders kon het wel eens wezen, dat wij den naam van Baäldienaar mogelijk zouden ontgaan, om ,,Kalveren”-dienaar (Dan en Beth-El, vormdienst) te moeten genaamd worden.

Als wij daar op letten, dan is er iets, dat ons zelfs doet huiveren in dit vreugdefestijn. Als wij al dit feestgedruisch vernemen, en dan zoo ingezet en opgezet in zulk een veelszins werelddienenden vorm; als wij nagaan hoe dans- en balzaal, pret en jolijt, snarenspel der wellustigheden en feest-

tafels des zondigen vleesches en . . . (ach waar is de grens!) . . . ; als wij dit alles nagaan, en dan erop merken, hoe de breede massa niet wil hooren van vernedering onder God en onder zijn ontzaglijke roepstemmen en oordeelen ook tot en over ons land; als wij niet de heiligdommen Gods op ’s Heeren dag zien gevuld, maar wel de stadions van de religie des lichaams; als wij de honderdduizenden naar de gelegenheden van den Satan zien slenteren avond aan avond; als wij hooren slechts: geef ons brood en spelen; als wij dit Koninklijk Huwelijksfestijn in vele vele kringen zien aangegrepen, niet om op de knieën te worstelen, maar om te zwieren over de parketvloeren der ijdelheid, de hel tegemoet; als wij, o God gena, gena, als wij dit alles overdenken: dan is het om angstig te worden; en diep ontroerd benauwd van ziele uit te roepen: och, Heere Heere, treed niet met dit volk in het gericht, want waarlijk de feesttempels konden inéén storten, en de puinhoopen

rijzen.

Ja, als God deze stemme der wereldvreugde eens zou veranderen in tranen en rouwklagen, dan staat er nog iets voor de deur, Nederland.

En dan het afkeerig verlaten voorwerpelijk en onderwerpelijk binnen de kerk van de waarheid, welke naar de godzaligheid is.

Neerland’s volk, in den naam des eeuwigen Gods zij het u toegeroepen, weiger toch niet langer de tucht aan te nemen. Vorstelijk Bruidspaar, staande voor het aangezicht van den God der gansche aarde, besef ook Gij dan Uw hooge verantwoordelijkheid ten deze, opdat de Koning van Bethlehem zóó de derde in Uwe verbintenis zij of werd, dat  er de Eerste in zij.

De toekomst van een volk hangt saâm met deszelfs verleden, met deszelfs klaarblijkelijk door God aangewezer plaats en taak. Wordt dit niet beseft, dan gaat een volk ten gronde. Neêrland’s beteekenis en roem ligt nu eenmaal niet binnen de sfeer der aardsche grootheid en waarde, maar binnen die van Godsrijk en Kerk. Dat hebben de grootsten der Oranje’s, met Prins Willem de Eerste aan de spits, ook zelf altijd getuigd en beleefd. Ontzinken wij aan dit besef, dan zijn wij verloren.

En ach hoe veelszins zijn wij aan dit besef reeds ontzonken.

Indien nog langer worde voortgegaan met onteering van Gods naam, Gods dag, Gods kerk, Gods dienst, met verlating van de oude beproefde waarheid, dan zal de Heere de feesttafels omkeeren; en uw feestgedruisch doen verstommen.

Dan konden de hoera’s welhaast veranderd worden in weeklagen.

Dat dan Vorstenhuis en Volk bij aanvang, bij vernieuwing den God der gerechtigheid erkenne, opdat de stem van den Bruidegom en van de Bruid vernomen worde den God des lofs tot beerlijkheid.

Dan zouden de oordeelen nog worden ingehouden. Dan zouden wij vroolijk kunnen zijn, vroolijk in den Heere; dan werd het bruiloft voor de ziel.

Zoo niet, dan heeft diezelfde Jeremia nog een andere boodschap. Als in weedom Gods luidt het in Jer. 13 : 18: ,,Zeg tot den koning en tot de koningin: vernedert u, zet u neder; want uw gansche hoofdsieraad, de kroon uwer heerlijkheid is nedergedaald.”

Keeren wij dan weder tot der vaderen God, onder deze vernieuwde roepstem Zijner lankmoedigheid.

Dan zullen wij wel moeten komen met de koorden om den hals, gelijk eens de knechten van Benhadad tot den koning Israëls. Maar dan zal in nog hooger en zaliger zin dan toen kunnen gezegd, kunnen ervaren worden: wij hebben gehoord dat de Koning Israëls een goedertieren Koning is. Ja dan kome er een ellendig en arm gemaakt volk op de knieën, om in de poort van Bethlehem uit te roepen: o, Heere wij hebben gezondigd; en wij bezitten geen penning om te betalen, niets; maar dan klinkt van uit Bethlehem zulk volk als antwoord tegen: gij behoeft ook niets te hebben, want de Heere

is onze Gerechtigheid (vs. 16); de Spruite Davids zelf is de vleesch gewordene gerechtigheid Gods. God heeft een gerechtigheid neergelegd in de kribbe van Bethlehem voor een schuldig arm volk. En die gerechtigheid omhelsd in het geloof, ontsluit de poorten van het eeuwig Jeruzalem Gods.

Breng dan aan dien Koning op uw knieën, o koningen, uw heerlijkheid.

Dan zal er nog nieuwe hoop geboren worden.

Wat de toekomst in haar schoot verbergt, wij weten het niet. Of eigenlijk wij weten het wel. Alles rondom ons predikt al luider dat de toekomst des Heeren genaakt.

Door bange wereldweeën zullen wij heen moeten. Den internationalen donder hooren wij aanrollen. Zwart is de hemel, de rosse gloed van de bliksemen van Gods oordeel spelt ons het naderend eindgericht.

De klokken van Delft, zullen zij nog eenmaal, nog andermaal, nog wederom luiden? Al verliep alles normaal, zij zullen ook dan toch, dan juist nog wederom luiden.

En voorts alle aardsche heerlijkheid, óók vorstenluister gaat eenmaal onder en daalt ten grave.

o, Bedenk het, geliefd Vorstenhuis, bemind volk; bedenk het, alleen wie God heeft, die is rijk! Alleen wie het huwelijk met dien hemelschen Bruidegom uit Bethlehem kent, die is gelukkig; hem wacht de feestzaal, waar God alle tranen van de oogen zal afwissen, en waar eeuwige blijdschap op het hoofd zal zijn; met verzadiging van vreugd eeuwiglijk.

Straks is ook dit nationale feestgedruisch verstomd. God zegene dan dit gelukkig Vorstelijk Echtpaar, tot rijke vreugde van onze beminde Vorstinne zelf, tot heil van het jeugdig liefelijk Echtpaar, tot een nieuwe bladzijde van rijke historie voor heel ons volk.

Straks is ook alle aardsch gedruisch voorbij. Welgelukzalig dan het volk, hetwelk aan God en zijn Woord en dienst is verbonden gebleven. Gelouterd in den smeltkroes der verdrukking, zal na velen bangen tegenspoed, al ging het ook door bloed en vuur heen, toch wederom de stem des Bruidegoms en der Bruid warden gehoord. Op dien grooten feestdag namelijk, waarop Hij wederkomt, op Wiens kleed en dijen geschreven staat: Heere der heeren en Koning der koningen.

Den dag n.l. waarop de groote hemelsche Bruidegom Zijn stem zal doen hooren: kom gij gezegende mijns Vaders, beërf het Koninkrijk dat u bereid is van voor de grondlegging der wereld, ga in tot de vreugde uws Heeren.

En waarop de Bruid hare stem verheffen zal: gezegend zij de groote Koning die tot ons komt in ’s Heeren Naam.

Dan is alle aardsche glorie voor altijd voorbijgegaan, ook alle rouw en smart; dan glanst alleen in alles eeuwig overstralende glorie de kroon van Davids grooten Zoon, den Koning van Bethlehem, den Koning des hemels.

Dan vangt de eeuwige Sabbath aan, waarop het eeuwig Bruiloft wezen zal.

De Sabbath en het Huwelijk, de twee bloemen uit het Paradijs, gaan ten hemel in, vereend in de Bruiloft des Lams.

De geschiedenis begint en eindigt met een bruiloft; de bruiloft van dát Lam, den Koning van Bethlehem, over Wien de Bruidkerk als over haar hemelschen Bruidegom hare stemme opheft:

En welke vorsten ooit het aardrijk moog’ bevatten,

Wie hunner is, o Heer’, met U gelijk te schatten.

Amen.