2 Koningen 2:23-24 'Kaalkop ga op!' ds. J.C. van Ravenswaay

Godsdienstige mensen en Gods Majesteit

door ds J.C. VAN RAVENSWAAY

__________________________________________________________________________________

Psalm  25: 6

Lezen 2 Koningen 2

Psalm   68: 4 en 5

Psalm  76 : 4 en 5

Psalm 119: 18

2 Koningen 2 : 23-24:

En hij ging van daar op naar Bethel. Als hij nu de weg

opging, zo kwamen kleine jongens uit de stad; die bespotten

hem en zeiden tot hem: Kaalkop, ga op! Kaalkop, ga op!

En hij keerde zich achterom, en hij zag ze en vloekte hen

in de Naam des Heeren. Toen kwamen twee beren uit het

woud, en verscheurden van dezelve twee-en-veertig kin-

deren.

,,Indien gij van de wereld waart, zo zou de wereld het hare liefhebben; doch omdat gij van de wereld niet zijt, maar Ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat u de wereld”.

Dit Woord van de Heere geldt voor alle tijden; voor toen en nu en voor de toekomst. De kerk mag niet verschillen met de wereld, mag niet beweren, dat haar ethiek boven die van de wereld verheven is. De kerk moet zich voegen naar haar beginselen en haar daden tot voorbeeld stellen. Durft zij anders te doen, dan barst haar vijandschap los.

De wereld wil haar rust behouden, zij wenst geen opwekking uit de zoete droom der wellusten. Nog minder als die wereld enigszins godsdienstig is getint.

O volk van God, wees toch een lichtend licht en een zoutend zout, een stad op de berg. Des te duisterder de toestanden worden op kerkelijk erf, wordt uw roeping zwaarder. Ga niet mee

met allerlei stromingen en sluit geen voorzichtig verdrag met de vorst der duisternis. Zie wat Eliza doet, dienaren des Woords in onze dagen. Hij trekt op naar en tegen Bethel. Hij sluit zich niet op, maar treedt op naar buiten. Door de kracht en genade Gods mag hij tonen van hoedanige geest hij is. En hij wordt bespot.

Laten wij met elkander overdenken: Een korte preek, gericht aan het adres van spottende jonge mensen.

Gaan wij na:

  1. de oorzaak van die spot;
  2. het godslasterlijke in die spot;

III. de gevolgen van die spot.

I.

Allereerst dan: De oorzaak van die spot.

,,En hij ging van daar naar Bethel”. Elia heeft kort geleden afscheid genomen van Eliza. Hoe indrukwekkend is dat geweest. Eliza voelde zich ontzaggelijk klein bij dit geweldige gebeuren.

Nu is hij alleen achter gebleven en van God geroepen Elia’splaats in te nemen. Spoedig treedt hij op en verricht enkele wonderen; de grond maakt hij vruchtbaar en het water gezond. Daarna vertrekt hij naar Bethel.

In die dagen was Joram koning over Israël. Deze koning was een zoon van Achab en Izébel, de koningin, die de Astartedienst meebracht naar Palestina. In zulk een tijd mag Eliza zijn werk

beginnen.

De moeder van de koning leefde nog en wendde al haar invloed aan op haar zoon. Onder haar leiding was het met Israël van kwaad tot erger gekomen. Bijna het ganse volk verlustigde zich in de vleselijke godsdienst van Baal en Astarte. Een klein hoopske volks bleef de ware dienst van God getrouw. Vooral in Bethel had de duivel zijn triomfen gevierd.

Voorheen had satan in Bethel Jacob af moeten staan aan de Heere. En Jacob, die dit meemaakte in Luz, noemde de naam dier plaats Bethel — huis Gods. Wat was er nog van overgebleven?

De profeten Gods noemden diezelfde plaats Bethaven, dat is huis van ijdelheid. We vinden er de staatsgodsdienst door Jerobeam ingesteld. Israël mocht en moest niet meer optrekken naar Jeruzalem, de hoofdstad van het tweestammenrijk. Er moest een volkomen breuk geslagen worden tussen die twee rijken, en dat moest ook mede bewerkstelligd worden door het instellen van aparte heiligdommen in het Noorden en Zuiden des lands.

De leuze was: Los van Jeruzalem; dat is los van de Heere. Niet de ark des verbonds, gemaakt naar het voorbeeld des Heeren, maar menselijke altaren, naar menselijk inzicht, moesten het volk geestelijk voedsel verschaffen. Door Israël los te scheuren van Jeruzalem, wilde Jerobeam de eenheid van zijn rijk verstevigen.

Hij offerde de godsdienst aan zijn staatkunde op, met al de nare gevolgen van dien.

Is het tegenwoordig anders?

Men is er in vele gevallen in geslaagd de godsdienst van Jeruzalem naar Bethel over te brengen. Heimelijk randt men de ware godsdienst aan en stelt er een andere voor in de plaats en men zegt: Hier is Jeruzalem; of als men driester wordt: Bethel is beter dan Jeruzalem. Bethel, maar het is een Bethaven geworden — een huis van ijdelheid. Beter geen godsdienst dan zo’n godsdienst. Men spreekt daar in het algemeen over God en men bedoelt de kalveren, die men oprichtte in Bethel. De naam Christus is geliefd in Bethel, maar spreekt u niet over de drie ambten van deze Gezalfde. Ze mochten eens ontdekt worden aan hun onverstand, of aan de schuld en aan de heerschappij der

zonde. Het moest eens uitkomen, dat zij geen kennis, gerechtigheid en heiligheid meer bezaten.

Het publiek in Bethel is alleszins godsdienstig. Let op hun aandacht voor de prediker. Alleen, hij moet niet te lang preken en de kost moet niet te zwaar zijn. Gevoelig zijn ze ook, maar hun gevoel eindigt in de mens en laat geen enkele vrucht na.

Bidden, geen gebrek; u denkt maar aan het gebed van de Farizeeër. Beter dan alle mensen, en als er zalig worden, dan zij!

Arm Israël, dat Jeruzalem kwijt is. Arme Israëlieten, die zich laten verleiden door zulke voorgangers.

Naar zo’n stad is Eliza op weg. Bethel en Eliza passen niet meer bij elkaar. Maar de Heere heeft gezegd, dat Eliza naar Bethel moet gaan. En in gehoorzaamheid aan de Heere trekt Eliza van Jericho naar het huis der ijdelheid.

De knechten des Heeren krijgen wel eens moeilijke opdrachten.

De weg der zelfverloochening moet dikwijls betreden. Gekruisigd in het vlees moeten zij de zoete heilgeheimen van het kruis en de Gekruisigde leren kennen. Zij zijn niet beter dan andere mensen. Van Elia zegt de Schrift: ,,Hij was een mens van gelijke bewegingen als wij”. Maar als zij dat inleven, gaan zij de weg des Heeren, al leidt deze naar het huis der ijdelheid. In naam huis Gods, maar in werkelijkheid een synagoge des satans. Menigmaal hebben Gods geroepen knechten de rijke zegeningen des Heeren in drukwegen ondervonden, ja op plaatsen genoten, waar de duivel ogenschijnlijk dictator was.

Eliza is voor Bethel het grote gevaar. Zij hebben niets met elkander gemeen. In Bethel leeft de duivel, en in Eliza’s hart is de Heere Koning. In Bethel leeft men voor zichzelf, en Eliza leeft voor de Heere. In Bethel wil men blijven die men is, en Eliza heeft geleerd, dat hij hier geen blijvende stad heeft. In Bethel dient men gemaakte goden, en Eliza dient de God, door Wiens hand hij is voortgebracht. In Bethel dient men de goden ter verwerving van een hemel, en Eliza mag God dienen om Hemzelf.

Bethel kust Bethaven, Eliza wil verzoend Zijn met de drieënige God

Bethel kan Eliza niet gebruiken. Als die man zich niet aanpast, ontploft de ganse inhoud van de stad boven zijn hoofd. Dood en leven verdragen elkander immers niet. Hebt u het zich nooit afgevraagd: Waarom moet Eliza nu naar Bethel? Het antwoord is eenvoudig. In dat goddeloze Bethel is een profetenschool, eertijds door Elia gesticht. Een theologische school in een afgodische plaats. Zo heeft de Heere het gewild. Naast de synagoge des satans een huis Gods. Naast de kweekschool van dienaren der hel een kweekplaats voor dienaren des hemels. De Heere hardt Zijn dienaars tegen de verleidingen uit de hel, daar waar de realiteit van de hellemachten zich openbaart. Hij trekt hen

niet uit de werkelijkheid van het leven terug, maar plaatst hen er midden in. Zeker, ook de brute werelddienst vindt opgang in Bethel, doch wat gevaarlijker is, alleszins godsdienstige mensen

bevolken de wijken van deze plaats. De profetenschool is hun een ergernis, en het zal de blijdste dag in hun leven zijn, als tot opheffing van deze school besloten wordt. De vooruitzichten zijn

inmiddels goed. Elia is weg. Zij haatten deze open, ronde man, die onbewimpeld de waarheid sprak. Zij moesten de vuurprofeet niet, in geen enkel opzicht. Alles ging immers zo goed en door zijn optreden bij de Karmel is de zuivere dienst van de God des verbonds opnieuw openbaar geworden. Maar nu is Elia er niet meer en met hem verdwijnt misschien de opleiding, en als de schapen geen herder meer hebben. . . .

Doch de Heere zorgt voor Zijn volk. Hij houdt Zijn werk in stand op een plaats, waar vooral godsdienstige vijandschap die arbeid zal aanvallen. De heftigste aanval richt de duivel op de leider.

Hij ziet Eliza reeds naderen. Men verrast hem niet gemakkelijk. Onder de toelating Gods is hij een geducht tegenstander van de zaak des Heeren, vooral als hij zich verkleedt als een engel des lichts, en doet alsof hij de zaak des Heeren dient.

Geliefden, laten wij nauwkeurig acht geven op de werken van deze hellevorst, die rondgaat als een briesende leeuw, zoekende wie hij mocht verslinden. Bedenkt voorts, dat zijn tijd kort is, zodat hij, naar Gods Woord, in het laatst der dagen met verdubbelde krachten zal arbeiden om de zaak des Heeren allerlei afbreuk te kunnen doen. Gelukkig mag hij niet verder gaan dan de Heere wil, en al zijn doen moet medewerken ten goede en ter uitvoering van Gods raad. Toch zullen de dagen benauwend angstig worden en om der uitverkorenen wil zal die tijd verkort worden.

De oorzaak van de spot moet dus allereerst gezocht worden in de onzichtbare aanvoerder, die Gods werk en kerk bestrijdt.

Hij is zeer gevaarlijk in zijn optreden, als hij u doet geloven, dat ge er één van het volk zijt. Reken er maar op, dat ge voor deze beloning moet werken. De duivel laat zich duur betalen. Gij moet als tegenprestatie het ware volk van God aanvallen, vooral de leiders van dat volk. O, ga toch na, aan welke zijde gij staat. Of ge door genade een dienstknecht en dienstmaagd des Heeren zijt geworden, of dat ge staat onder de regering van die grote verleider. Ga het eens na in uw hart, of ge werkelijk met liefdebanden aan dat duurgekochte volk van God verbonden zijt, en of ge eerbied hebt voor het werk, dat de Heere in hun ziel verrichtte.

Neen, ik vraag niet of ge durft te zeggen, dat ge zelf ook een kind des Heeren zijt. Laat de Heere het van u zeggen, eerder hebt ge hierover niet de volle zekerheid.

Slecht, heel slecht staat het met u, als ge het volk des Heeren niet verdragen kunt. Nog slechter wordt het, als u meent er zelf één van te zijn, maar niet Weet hoe God zulks in uw ziel gewerkt heeft, en dan toch maar volhoudt het ware leven deelachtig te zijn. Dan moet ge ook niets hebben van een prediker, die van God geroepen is en die verwaardigd wordt het Woord des Heeren zuiver uit te dragen. Vele mensen houden nog wel van een dominé, maar niet van de God, Die de dominé zond. Te kort voor de eeuwigheid, medereizigers! En als de geroepen predikers zulke zielen eerlijk behandelen, gaat de liefde tot de predikant verdwijnen. O, laten de knechten des Heeren toch getrouw zijn en geen oksels onder de armen naaien. Ontwijkt de strijd niet, want de Heere zendt u naar Bethel, waar Bethaven het hoogste Woord voert. ,,Zijt getrouw tot de dood, en Ik zal u geven de

kroon des levens”. Verandert om de massa de inhoud van uw prediking niet. Het moge veel uw verzuchting zijn, om vooral in deze tijd te smeken: Heere, dat ik eerlijk moge blijven in de bediening des Woords, en het opleggen van handen aan U overlate. De gevolgen zullen zeker niet uitblijven. Enerzijds zal het getal uwer vijanden vermeerderen, anderzijds zal de Heere zegenen, u en Zijn volk. Geestelijke banden worden hechter gemaakt, de waarde van de wereld wordt minder, de vijandschap van de vrome kerkmens zonder gronden neemt toe, maar zal voor u een kenmerk zijn, dat de Heere aan uw zijde staat. Eenmaal zal het kruis worden weggenomen en de kroon u worden overhandigd uit de handen van die grote Davidszoon. De spot is maar voor een tijd, de verheerlijking duurt eeuwig.

Eliza gaat naar Bethel, naar de profetenschool, doch aleer hij in Bethel aankomt, heeft de duivel zijn trawanten gezonden om deze knecht van de allerhoogste God aan te vallen met demonische spot. Laten we daartoe nu met elkander bezien

II.

het godslasterlijke in die spot.

Jericho en Bethel liggen ongeveer vijf uren gaans van elkander verwijderd. Eliza, de zachtmoedige man, heeft misschien wel gedacht naar Bethel te moeten om daar het Woord Gods te verkondigen, en dat door die verkondiging er nog velen uit de macht der duisternis getrokken zouden worden tot Gods wonderbaar licht. Misschien zou Bethel nog eens worden wat het oorspronkelijk was. Eliza heeft een gans andere aanleg dan Elia.

Elia was de man van de wet, van het vuur, van de oordelen Gods.

Zeker, ook voor hem was de duivel benauwd, maar toch niet zo als voor Eliza. De duivel siddert meer voor de boodschap der genade, voor de lokkende stem des Evangelies. De oordelen verharden de mens, de wet brengt de mens in opstand. De duivel weet, dat de mens door de liefde Gods verbroken wordt, en door de oordelen der Wet hoogstens benauwd.

Maar geliefden, laten we, wanneer dit zo opgemerkt wordt, toch oppassen voor de uitersten, en de Heere gedurig vragen om ontdekkend licht der genade. Immers op de leerschool der genade ontkomt niemand aan de vraag: ,,Waaruit ken ik mijn ellende?”

En het antwoord op deze vraag blijft onveranderd: ,,Uit de wet Gods”. De liefde van God is niet zonder rechtvaardigheid, en Zijn rechtvaardigheid niet zonder liefde. Al de deugden Gods worden

gehandhaafd bij de redding van een zondaar. En niemand van Gods lieve kinderen Wordt de kennis van Gods rechtvaardigheid bespaard, evenmin de kennis aan Zijn andere deugden. Hoe krijgen zij te maken met Gods heiligheid en majesteit, maar gelukkig ook met Zijn barmhartigheid en goedertierenheid.

Als het verschil van karakter is opgemerkt, moge dit niet leiden tot de gedachte: Het verschil in de wijze van bekeren kan bij mij principiëel anders zijn dan bij mensen, die het meer over de wet hebben. Wie dat gaat denken, is onschriftuurlijk en hoogst waarschijnlijk nog onwedergeboren. De wet blijft gelden ons ganse leven. In het begin is de wet een tuchtmeester tot Christus, en later is zij richtsnoer in het stuk der dankbaarheid. Maar wat alles zegt: Is het einde der wet, Christus, dan niet de Voorspraak voor Zijn volk bij de Vader? God heeft de wet niet opgeheven, maar gehandhaafd in Christus, en nu kan het Evangelie verkondigd worden, dat Christus de wet heeft vervuld, een lijdelijke en dadelijke gehoorzaamheid heeft aangebracht, en dat wij Hem als zodanig moeten leren kennen als onze schuldovernemende Borg.

De ene prediker mag wat aangenamer in de prediking zijn dan de andere, allen moeten zij verkondigen de drie zaken: Ellende, verlossing en dankbaarheid. Zij moeten niet prediken wat de gemeente wil hebben, maar verkondigen wat de gemeente nodig heeft. Eliza mag aangenamer van karakter zijn, liefelijker in de voorstelling van geestelijke zaken, maar niet minder schriftuurlijk zijn dan Elia. Menigeen voelt zich bekeerd omdat hij een traantje heeft weggepinkt, onder een ,,liefelijke prediking”. Maar vergeet het toch niet, dat de waarheid zegt: Vijanden worden met God verzoend en goddelozen gerechtvaardigd om niet. Gods Woord  gaat er zonder meer bij u, noch bij mij, zo maar in. De Heere moet met Zijn onwederstandelijke genade de bolwerken van onze vijandschap doorbreken, anders komt Hij nooit bij ons binnen.

Achteraf zullen wij het verstaan, dat de Heere de Zijnen heeft liefgehad met een eeuwige liefde, en daar mag hij dan ook wel eens over zingen en hiervoor God groot maken.

En de duivel heeft het nodig gekeurd zijn dienstknechten zowel op Elia’s als op Eliza’s weg te sturen. De duivel bestrijdt nooit de dood, altijd het leven.

Eindelijk is Eliza aangekomen bij de wallen van Bethel. Heeft hij op de weg naar Bethel kunnen mediteren tussen God en zijn ziel, wat hij nu meemaakt zal hij nimmer kunnen vergeten.

Door de poorten der stad ziet hij jongens aankomen. Het Woord, dat de Schrift hiervoor bezigt, wettigt de gedachte, dat we moeten denken aan knapen van ongeveer 16 tot 18 jaar. Wat willen

zij? Komen zij Eliza begroeten? Gaan zij hem tegen om hem welkom te heten bij zijn komst naar Bethel? Zij zullen ons niet lang in het onzekere laten. Daar openen zich hun monden, en de taal, die zij spreken, verkondigt ons aanstonds hoe zij staan tegenover deze man. Zij lachen hem uit en werpen hem de laagste scheldwoorden in zijn aangezicht. Zij roepen: ,,Kaalkop, ga op! Kaalkop ga op!”

In Israël was kaalheid een schande. De melaatsheid veroorzaakte haar altijd. Zo kon het gebeuren, dat zeer jonge mensen reeds een kaal hoofd hadden. Eliza was ook niet oud toen hij Elia opvolgde.

De Israëliet beschouwde kaalheid ook als teken van zwak zijn, van geen betekenis zijn, niets kunnen opbrengen in het leven ten behoeve van zichzelf en voor anderen.

Deze scheldende knapen zullen Eliza niet van melaatsheid hebben verdacht, maar toch werd hij als een melaatse behandeld.

Men schuwde hem, omdat hij een profeet van Jehova was. Men had een dodelijke haat tegen hem.

Laten We dit eerst bezien, geliefden. Als de zaken goed mogen liggen tussen de Heere en de ziel en Zijn knechten. Wat komt er dan een hechte band tussen God, Zijn volk en Zijn knechten.

We zouden zeggen: Die band is niet te verbreken. Hoe kunnen zij dan samen spreken over het werk Gods, verricht in het leven van een zondaar. Dan maken zij samen God groot. Dan is de tijd er nog wel, maar de zaken van de eeuwigheid nemen hen zó in beslag, dat zij, een beginsel der eeuwige vreugde smakende, de tijd een ogenblik vergeten zijn. Dan is het: ,,Komt, maakt God met mij groot”. Dan is er niemand de meeste, maar zijn zij allen om strijd de minste. Hoe aangenaam is dat, in alles de Heere te mogen bedoelen. Mochten we dat maar veel meer levendig bevinden. Dan kan de grootste naar de kleinste luisteren, omdat de grootste, in die toestand, in de bevinding en beleving der zaken, voor zichzelf de kleinste is. Dat hindert hem ganselijk niet, omdat het zo’n groot wonder voor hem is, dat God hem er bij rekent, hetwelk hij zeker geloven mag met het geschonken geloof. En als er dan zo’n kleine bij is, die het maar niet durft te aanvaarden in de toeëigenende daad des geloofs, zegt die grote: En schep nu maar moed uit mijn behoudenis. Kostelijk is dat, als het zo nog

eens mag liggen. Zo is het als de Heere in het midden is. Gans anders is het als wij op de troon komen te zitten.

Hier zijn echter andere zaken aan de orde. Een heirleger van ,,godsdienstige” vijanden heeft zich opgemaakt om Eliza het leven te vergallen. Zij achten hem niet als dienstknecht Gods, maar verwensen hem. Had hij hun dan iets kwaads gedaan.

O neen, hij had nog geen woord tot hen gesproken. Eén ding weten ze echter: Dit is de opvolger van Elia. Dat is voor hen voldoende om deze man godslasterlijke spot naar het hoofd te slingeren. De knechten des Heeren worden door de godsdienstige massa beoordeeld naar hun herkomst. Eigenlijk zijn zij niet gewild, omdat zij de mensen behandelen naar het Woord van God, dat hun alle eigenwaarde ontneemt en hun doet weten, dat alleen een Goddelijk wonder hen van het eeuwig verderf kan verlossen. Zij willen niet alles verliezen, niet sterven; zij willen een waarheid, die elk wat wils geeft, en een waarheid, waarbij men in zijn doodstaat kan blijven leven. In ieder geval, alles mag

niet worden ontnomen door de prediking des Woords. Zalig worden buiten zichzelf, op gronden, niet in, maar buiten het schepsel, zonder pardon de weg voorgehouden te krijgen: ,,door de dood naar het leven, en achter de dood pas het leven”, is te rechtlijnig, te afsnijdend. Zij horen liever de ,,evangelische” weg, een weg, waarbij men niet spreekt over de noodzakelijkheid der

staatsverwisseling.

Neen, die profeten moeten Zij niet. ,,Spreek ons van zachte dingen”. Dood, uitgewerkt, uitgeteerd, arm en wat dies meer zij, zijn woorden, die in hun geestelijk woordenboek niet voorkomen.

Dat de dienstknechten des Heeren zich niet laten verschalken door deze hooggeleerde kerkmensen. Bant alle invloed van deze verleiders radicaal uit. Handelt niet zachtkens met deze speelpoppen uit de hel. Zegt het waar het op staat, en weet het, dat men u wezenlijk niet moet, want men haat u om Hem, Die u van vijand tot vriend maakte. Wacht u voor hun vroomheid, voor hun tranen. Zij willen u hierdoor verleiden en wijs maken, dat het toch eigenlijk wel anders kan. Er zijn al ,,levende” mensen

genoeg, die nog nimmer iets van het sterven hebben geleerd.

Werkt, ware dienstknechten des Heeren, nooit op succes, maar onder biddend opzien tot de Heere. Verwacht geen bijval van mensen, doch hoopt op de Heere. Rekent op spot. Heeft kerkelijk Israël de Heere dan niet uitgemaakt voor Beëlzebul, de overste der duivelen? Alleen Gods genade maakt ons tot eerlijke vrienden van predikers, die het Woord van God recht snijden. De grote rest kan het maar al te goed uithouden in het huis der ijdelheid bij de valse profeten, die vaak over liefde spreken,

maar nog nooit hun vijandig hart jegens God leerden kennen.

En dat men de dienaars des Heeren niet moet, blijkt uit ons tekstverhaal.

,,Kaalkop, ga op”, zo schelden zij. Zij bedoelen: Vaar op, zoals uw meester deed. Zij spotten met de hemelvaart van Elia en willen juist hierdoor Eliza belachelijk maken. Als u een profeet bent, speel dat spelletje dan ook eens. Het is een uitdagend  spotten en een belasteren van de waarheid van Gods werk.

Hoe erg dat is, moge blijken uit II Kronieken 36 : 15-16, waar geschreven staat: ,,En de Heere, de God hunner vaderen, zond tot hen, door de hand Zijner boden, vroeg op zijnde, om die te zenden; want Hij verschoonde Zijn volk en Zijn woning. Maar zij spotten met de boden Gods, en verachtten Zijn woorden; zij verleidden zichzelf tegen Zijn profeten, totdat de grimmigheid des Heeren tegen Zijn volk opging, dat er geen helen aan was”.

We hebben hier te maken met de roepende zonde. Als deze doorzet, is er geen helen aan. Voor eeuwig kwijt! Men maakt Gods werk uit voor het werk des duivels. En men is in eigen oog erg godsdienstig, maar stekeblind voor de waarheid Gods. Inwendig is men bezet met een dodelijke haat tegen alles wat met die God te maken heeft, en men voelt zich pas goed op dreef als men eens flink tegen die ziekelijke mensen kan uitvaren. Aan zulke mensen is niets meer te behalen, zij voelen zich tot alle zaken gerechtigd, zelfs tot het veroordelen. Zij zijn altijd bekeerd en zakten nog nimmer door hun bekering heen. Zij zijn klaar en durven derhalve gerust met een geroepen dienstknecht des

Heeren de spot te drijven, omdat zij geloven, dat het een verdichter van fabelen is.

Vrienden, in de dag des oordeels zullen wij verantwoording moeten afleggen over het beluisteren van predikaties en predikanten, en van onze houding, die wij tegenover hen hebben aangenomen. En Jezus heeft gezegd: ,,Wee, wanneer alle mensen wél van u spreken”.

Wij spraken straks van verschillende aarden bij Elia en Eliza.

Laat het waar zijn, dat de ene knecht des Heeren aangenamer karakter heeft dan de andere, toch moeten en willen zij — als Gods Geest hen bediend — schriftuurlijk leven, handelen en wandelen. Laat Eliza wat zachter zijn in zijn bewoordingen, toch blijkt het, dat hij niet zachtzinnig optreedt als men zijn God aanrandt. Maar laat ons eerst even stilstaan bij deze boosdoeners, die Eliza, meer nog, de God van Eliza, belasteren. Laten we ons afvragen: Hoe gaat het tegenwoordig met onze jonge mensen?

Gelukkig zijn er nog, die hun ouders gehoorzamen, die willen luisteren naar hun goede raadgevingen. Daar zijn er nog, die verstandelijk geloven, dat de mens van dood levend gemaakt moet worden, die de noodzakelijkheid van de wedergeboorte aanvaarden. Gelukkig liggen er nog onder beslag van de waarheid, en bespeurt men soms het ritselen van het nieuwe leven.

Dat verblijdt en geeft hoop, temeer als we letten op de uitleving van de hedendaagse kerkelijke jeugd. Zeker, men wil nog wel naar de kerk, maar het liefst eenmaal, en u hoort de verzuchting

slaken: wat preekt die dominé toch lang en wat is hij saai; hij preekt alleen voor het Ievende volk, en voor ons schiet er geen woord op over!

Misschien hebben zij hierin niet altijd ongelijk, doch vaak is die dominé zo saai, omdat hij verbiedt wat zij beminnen, en gebiedt wat zij haten. Wellicht hebben zij vrienden en vriendinnen, die ook naar de kerk gaan, maar een gans andere dominé hebben.

Een dominé, die van een grapje houdt en die het helemaal niet erg vindt, als zijn catechisanten naar filmvoorstellingen gaan kijken; die zelfs wel durft te zeggen: Heb je die film nog niet gezien? Dan wordt het tijd, dat je er eens heengaat. En het mag, want het is een christelijke film! Zo helpen zij mede aan de haatkwekerij jegens God en Goddelijke zaken; zo zijn zij handlangers van de slang, om onze jonge mensen op te zetten tegen het ware leven en de strijdende kerk des Heeren. Zij jagen onze jonge mensen aan het Heilig Avondmaal met de versierselen van Izébel aan het lichaam. De eerste tafel is voor de jeugd of voor hen, die pas belijdenis des geloof hebben afgelegd, en door de prediker wordt gezegd: ,,Oudere mensen, je moet de jongeren ook wat gunnen”.

Zo speelt de leiding met de leiding, en kweekt een volk op voor satan en de hel. God zij hun ziel genadig, die zó voor durven gaan. Wij zullen de vruchten plukken, die wij in de zielen van ons jonge geslacht hebben gezaaid. En omdat de hoger geplaatsten misbruik hebben gemaakt van hun bevoegdheid, zitten wij volop in de moeilijkheden. De eerste schuld ligt niet bij de jonge mensen, maar bij hen, die leiding dienen te geven; bij de ouders, onderwijzers, heren, vrouwen, predikanten.

Kinderen, eert uw ouders. Ouders, zorgt toch, dat ge zelf uw gezag niet ondermijnt, hetwelk God u schonk en daarom eist, dat gij uw kinderen zult regeren naar Gods Woord. Als ge u aan uw

verplichting onttrekt, zal de Heere u vroeg of laat doen weten, waarin ge tegenover Hem en uw kinderen tekort zijt geschoten.

Hetzelfde geldt voor elke gezagsverhouding, ook van de ambtsdragers en de leden der kerk. Als de lijn maar iets scheef gaat, zijn de gevolgen na enkele jaren niet meer te overzien. Vele zaken beginnen met een geringe afwijking, en eindigen in bodemloze ravijnen. Als de leer niet zuiver wordt voorgesteld, zal men steeds verder afwijken en terrein prijs geven aan de vorst der duisternis. Als we onze jonge mensen met een schipper-en-plooi-godsdienst vast proberen te houden, zullen we straks ondervinden hen kwijt te zijn, ook die van God nog bekeerd worden; want die zullen het ons dan wel vertellen, hoe het wel moet zijn, omdat zij het van God geleerd hebben.

Mensen, in de kerk grootgebracht, kunt u horen spotten met de dienst van God. Daar doen vele jonge mensen aan mee. Ouders, plukken wij misschien ook al de vruchten van onze Eli-houding?

O, denkt er toch aan wat gij God beloofd hebt! Hij weet, dat u van nature niets over hebt voor Zijn zaak, maar toch wil Hij de nodige krachten verlenen om u alles te geven tot uitvoering van uw ouderplicht. In het gezin ligt de oercel van het gezag. U kunt zo veel voorkomen met Gods hulp, maar ook zo veel bederven door eigen schuld. Daarom, denkt daar nog eens aan, aan die belofte, en wie weet wat er met Gods genadige leiding bereikt wordt. En ontziet de kastijding niet. God doet het Zijn

eigen kinderen ook; wilt gij dan beter zijn dan de Heere? Denkt er om, dat, als gij niet gekastijd wilt worden door uw kinderen, gij hun een schriftuurlijke opvoeding moet geven. Helpt dat óók niet, weet, dat God Rechter is, Die beslist.

Gij hebt voorts wel toe te zien, aan welke predikant gij uw kinderen overgeeft. Als de prediker de waarheid gaat ondermijnen, kunt gij er van op aan, dat de breuk tussen God en de ziel groter wordt gemaakt, ook bij uw kinderen. Wij leven in een tijd van gezagsondermijning. Hieraan heeft de kerk meegewerkt. Bethel is tot een Bethaven geworden. Het huis Gods tot een huis van ijdelheden. Doch ook de beminnaars van de ijdelheden menen, dat zij van Jacob een Israël zijn geworden. O, veroordeelt niet, maar gaat evenmin proberen deze lieden te bevredigen, want dan zult ge helemaal naar hun zijde moeten overhellen en van uzelf alles los moeten laten. Doet ge dat niet? Wel, dan worden zij nijdig en roepen: ,,Kaalkop, ga op! Kaalkop, ga op!” Heel vrij weergegeven: Houdt gij uw godsdienst en laat mij de mijne maar. Nog duidelijker: Die godsdienst van u vare ter helle! En

weest er van verzekerd, dat men u haat, omdat men die God van u niet kent en nooit wil kennen. Zo was het voorheen bij ieder kind van God, maar waar geen onderscheid was, daar heeft de Heere redenen uit Zichzelf genomen, reeds in de stilte der eeuwigheid, en hen gered met Zijn onberouwelijke verkiezende liefde. Niets was er bij van hen, alles ging uit van God. Maar toen Hij overkwam en doorwerkte, mochten zij door Gods eigen werk Gods werk en de Heere omhelzen.

Ja, Eliza is zachter van nature dan Elia. Doch doet even uw oren goed open en luistert wat hij zegt, en let op wat hij doet.

,,Hij keerde zich achterom, en hij zag ze en vloekte hen in de Naam des Heeren”.

Zo komen wij dan tot de verklaring van onze derde gedachte:

III.

De gevolgen van die spot.

Eliza kijkt achterom, de zachtmoedige man. Maar zien we het goed? Zijn ogen schieten vuurvonken, zijn zachtmoedigheid schijnt verdwenen te zijn. Heel zijn gelaat is veranderd, heel zijn wezen spreekt van actie. Hij staat daar als geladen. . . . met een boodschap uit de hemel. Hij is profeet, en moet dat Woord van God onder alle omstandigheden brengen; ook nu moet hij spreken. Hij moet het Woord van God verkondigen.

De profeten des Heeren hebben een Goddelijke roeping en zending, en krijgen van hun Zender genade om een woord te spreken, dat op een bepaald tijdstip noodzakelijk is. Daarbij krijgen zij moed om uit te spreken wat tegen eigen bestaan indruist.

Wij willen maar aantonen, geliefden, dat de knechten des Heeren niet altijd hetzelfde kunnen en mogen zeggen. Naar gelang de omstandigheden zijn, richt zich het Woord van God daarop.

Dat Woord des Heeren brengt altijd het zwaard mee. Christus heeft Zelf gezegd: ,,Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard”. Het Woord des Heeren separeert, snijdt weg

wat van ons, en behoudt wat van God is, breekt het onze en bouwt Gods werk. Dat moet de gezondene nimmer vergeten.

Wel en wee moeten verkondigd, ook wanneer er een nabij leven met de Heere aanwezig is. Wie het wél vergeet, wil rechtvaardiger zijn dan de Heere, wie het wél vergeet, wil barmhartiger zijn dan God. Ze horen bij elkander, en pas als de moede pelgrim zijn hoofd neerlegt voor de laatste reis, zal het in de eeuwigheid worden eeuwig wel, en nooit meer enig wee. Doch in dit aardse Mesech zullen wel en wee voor Gods lieve volk gemengd blijven.

Hun blijdschap zal op aarde gemengd blijven met de traan, en boven zal de Heere alle tranen van hun ogen afwissen. Hier wordt beleefd: ,,Gij hebt hun weeklacht en geschrei veranderd in een blijde rei”. Doch op aarde moet het geregeld beleefd; dat blijft zo maar doorgaan in de tijd.

Als er plaats voor gemaakt is door de Heere, mag de dienstknecht des Heeren de rijkdommen der genade uit de schat des Woords opdelven, en geeft de Heere een vertroostende zegen. Dat wil

nog niet zeggen, dat, al is de schuld vergeven, dat volk zich nu afbekeerd gevoelt. Het wordt verwaardigd groot van de Heere te spreken en nietig van zichzelf te denken. Immers, genade

brengt aan de grond en op de grond.

Maar als er een afwijken is, en dat afwijken blijft doorgaan, dan heeft de dienstknecht des Heeren toe te zien, dat hij niet doet alsof alle verhoudingen tussen God en de ziel in orde zijn. Doet

hij dat toch, dan zal het volk hooggevoelend van zichzelf worden en het steeds beter buiten de Heere kunnen stellen. Dan is de dienstknecht mede oorzaak, dat er allerlei wantoestanden ontstaan en dat er geen vruchten meer gezien worden van het geschonken geloof. Dan komen er allerlei menselijke uitspraken over de Schrift, die met Gods Woord niets meer gemeen hebben; ja, men stelt ze hoger dan de uitspraken van dat zuivere Godsgetuigenis, dat eeuwig zeker is en slechten wijsheid leert. Bij de scheuringen van onze tijd komen we dergelijke toestanden zeer veel tegen. De predikers gaan vragen: Hoe zou ik moeten preken om het de mensen naar de zin te maken? Men gaat allerlei uit-

spraken van mensen overnemen, om toch maar in de smaak te vallen, en verarmt op die wijze het rijke Woord van God, dat om onze verklaringen niet vraagt, wijl God Zijn volk Zelf leert.

Och, dat we ons meer aan dat Woord hielden. Want alles wat niet is naar den Woorde Gods, zal geen dageraad hebben. Zegt de dichter het niet:

Maar zo zijn kind’ren ooit Mijn zuiv’re wet verlaten,

Zo ’t richtsnoer van Mijn recht ter reeg’ling niet kan baten,

Zo zij ontheiligen wat Ik heb voorgeschreven,

Dan mogen zij gewis voor Mijne straffen beven!

Laten de dienstknechten des Heeren toch goed opmerken wat er in onze dagen geschiedt, en laten zij het Woord niet daarnaar inrichten, maar daarop richten. Eliza was een profeet, die het Woord Gods bracht op de juiste wijze. Hij liet het licht schijnen in de duistere plaatsen, en daarom moest men hem niet, daarom werd hij bespot. De Heere geve ons genade, dat we mogen doen als hij, en zonder aanzien des persoons Woordbediening verrichten zoals God het wil.

Als Eliza omkijkt naar die jongens, vliegt het Woord van God naar de spotters. Het kan zó ver met ons komen, dat alleen het oordeel, ja het veroordelen Gods, op ons afkomt, voor eeuwig en reddeloos verloren. Mochten we daarvoor bewaard worden. Wat hebben die knapen dikwijls een preek gehoord. Maar zo’n korte, door alles heendringende predikatie nog nooit. Hoort, hij vloekt, hij vervloekt hen, die godsdienstige jongens. Horen zij het goed? Hij vloekt niet zoals zij het wel eens deden, als zij de Naam des Heeren misbruikten, maar hij vloekt hen in de Naam des Heeren.

Hij doet dit niet uit zichzelf, maar in opdracht van een Ander.

Ontzaggelijke predikatie. Dat is het einde voor degenen, die dit te beluisteren krijgen. Korte predikatie, die verwijst naar de rampzaligheid, onherroepelijk. In de Naam des Heeren worden zij

door het Woord des Heeren ter helle verwezen. Hebben dienaren des Heeren dan ook zulke opdrachten? Als God ze geeft, ja!

O arme dienstknecht, die niet meer durft te vermanen en die wel Gods arme volk de voet durft dwars te zetten, die Gods Werk belachelijk durft te maken en dan nog meent, dat het zo goed

gedaan is. De kansels worden met zulke armoedzaaiers maar al te vaak ontsierd. Woorden hebben zij genoeg en oordelen kunnen zij ook, maar de oordelen zijn voor die vervelende kinderen van God. En het klinkt in hart: ,,Heere, hoe lang duurt het nog, aleer wij van die vreemde mensen verlost zullen zijn? Wanneer zal Uw kerk van die remmende individuen geen last meer hebben? Wij danken U, dat wij niet zijn zoals die tollenaars. Het is toch eigenlijk maar een stelletje oplichters!”

Wat zijn de vijanden van Gods volk bezig als ze een kind des Heeren zwart kunnen maken! Men raakt er haast niet over uitgepraat, en het slot is: Neen, zó ben ik niet, en ik wens geen gemeenschap met dat volk te hebben.

Gekocht volk van God, let toch op uw handel en wandel. Verkeer dikwijls in het eenzame en zucht zonder ophouden om genade, opdat ge toch staande mocht blijven tot eer van Hem, Die zo waardig is gedankt, gediend en gevreesd te worden.

Zeker, het is droevig voor uzelf, als ge een stap over de grens doet, en het zal u lang heugen; maar veel erger is, dat ge uw God zoveel smaadheid aandoet. En we zullen alleen weer rechte smart over de zonde hebben, als we in het geloof zien, dat de zonde bedreven is tegen God.

Eliza moet hier een ontzaggelijk woord spreken. Hij gaat vervloeken, en op de manier, waarop dit gezegd wordt, komt duidelijk uit, dat hij er met zijn hart bij is. Naar het vlees valt het voor hem niet mee uitgescholden te worden, maar door Gods genade weet hij, dat God aangerand wordt door deze laster. Hij verklaagt deze bruten bij de troon der genade. Hij speelt niet zijn eigen rechter, maar de hemel zegt hem: ,,AIzo zegt de Heere: Vervloek hen in Mijn Naam”.

O jeugd van Nederland, Zoek de Heere terwijl Hij te vinden is, roep Hem aan terwijl Hij nabij is. Zoek de Schepper in de dagen uwer jongelingschap, eer dat de kwade dagen komen, en de jaren naderen, van dewelke gij zeggen zult: Ik heb geen lust in dezelve. Nog is de deur der genade niet op het nachtslot gedaan, nog nodigt de Heere en vermaant Hij. Wil Zijn vermaning toch horen, opdat er opening kan komen voor Zijn vertroosting voor doemschuldigen. Ouderen, merkt op wat de Heere hier laat doen.

Wat zoudt gij zeggen als de Heere over u en uw kroost deze prediking liet uitspreken? En dan kan het nooit meer veranderd worden. Dan zult ge buiten staan voor eeuwig. O, de Heere nodigt en roept nog. Soms horen we nog van bekering van jonge mensen. Meestal moet dat ook in de jonge jaren geschieden; dat was ook de mening van onze oudvaders; trouwens, Gods Woord wijst ook die kant op.

Dat de schrik des Heeren u dan mocht bewegen tot het geloof, en dit Woord in de dag des Heeren niet tegen u getuige. Wie spot met Gods volk en wie Gods profeet bespot en daarmee blijft doorgaan, zal hetzelfde ontmoeten als deze knapen. Zij zullen in de Naam des Heeren gevloekt worden.

Maar stel u voor, dat het daarbij gebleven was. Dat die beren niet gekomen waren en de jongelingen niet verscheurd waren geworden. Wat dan? Vraagt u dat nog? Och, als ze van de eerste schrik bekomen waren en onder de ban van Eliza’s blik waren uitgekomen, dan waren zij weer doorgegaan en hadden het wellicht nog erger gemaakt dan de eerste keer. En niet altijd wordt het Woord Gods terstond vervuld. Het kan heel lang duren aleer de Heere Zijn knechten recht doet, althans uiterlijk zichtbaar voor de buitenwacht. Vele kinderen des Heeren hebben jaren aaneen onder verdenking gestaan niet alleen, maar werden tevens beschuldigd van de ergste misdrijven. Hun naam werd vaak

door het slijk gehaald, en de beschuldigers dachten er niet aan dit ooit te herstellen, zelfs dan niet als de waarheid had gezegevierd. Soms werkte de Heere zo ,,traag”, dat Gods volk verkeerd ging zingen:

Zou God Zijn gena vergeten?

Nooit meer van ontferming weten?

Het kan soms heel bang worden. Buiten hoop, zwarte nacht. O, als de vorst der duisternis op Job mag aanvallen, doet hij al zijn best om hem met een paar ferme slagen neer te vellen, en al spoedig vervloekt Job zijn geboortedag; hij, de van eeuwigheid gekende, doet dat. Het kan zo donker worden, als de Heere blijft zwijgen. En toch, volk, Hij zal u antwoorden, Hij zal recht doen, maar zó, dat Hij aan Zijn eer komt, en ik door Zijn genade aan mijn zaligheid. Het moet worden: ,,Op Uw zaligheid Wacht ik, Heere!”

Maar als het de zaak Gods geldt, zoals hier, en de Heere haastelijk recht moet doen, ter oorzake van de eer Zijns Naams, dan is Zijn Woord nog niet koud, of de hitte van Zijn gramschap valt in volle hevigheid op de aanranders van Zijn deugden. Dan gebeurt het, dat Zijn knechten de vreselijke zijde van Zijn majesteit in de uitoefeningen van Zijn strafgericht krijgen te aanschouwen, en zij zwijgen als de Heere recht doet. Niet Eliza is hier de eerste belanghebbende, maar de God van Eliza, en

daarom is het eveneens de zaak van Zijn knecht. Hij heeft in de Naam des Heeren gesproken, en die Naam blijkt niet maar een blote klank te zijn, doch een Persoon, en wel die Persoon, uit Wie, door Wie en tot Wie alle dingen Zijn. Zonder de wil van die God kunnen wij ons noch roeren, noch bewegen. Deze God is de Heere van leven en van dood.

Hij vloekt hen in de Naam van Jehova, de eeuwig getrouwe Verbondsgod, bij Wie geen verandering is, noch schaduw van omkeer. De onveranderlijke God is getrouw in het vervullen van al Zijn beloften, ook in die van de wraak. Ontzettende gedachte. God Zelf is aangerand in Zijn liefde, Hij is gelasterd in Zijn trouw; Hij wordt verdacht niet alleen, maar ook beschuldigd van leugens. Vreselijke wraak over hen, die Hem aldus durven bespotten. Nog erger voor hen, die het teken en zegel des

verbonds bezaten en bezitten. Hier voltrekt zich Gods Woord: ,,De kinderen des Koninkrijks zullen buiten geworpen worden.

Het zal Sodom en Gomorra verdraaglijker zijn in de dag des oordeels dan ulieden! Tot de hemel verhoogd, maar nu tot de hel nedergestoten”.

Het is het ergste, als we in de Naam des Heeren gevloekt worden, maar het is ook vreselijk, als de Naam des Heeren zich tegen ons keert, en dat voor altijd.

Daar komen een paar beren uit het woud, die zich anders op klaarlichte dag niet zo gemakkelijk vertonen. Deze dieren zullen de instrumenten zijn in Gods hand, om Zijn Woord waar te maken. Zij maken zich gereed voor de aanval en springen op hun slachtoffers met geopende muil. Zij trekken en scheuren hun lichamen aan stukken en laten hen dan liggen voor hetgeen zij zijn. Zij werken mede aan een regelrechte hellevaart. Nog horen we hun spot naklinken en dan de stem van Eliza, dan weer aanschouwen we dit aangrijpende toneel. Er is majesteitsschennis gepleegd, en de aangerande God doet wraak ter plaatse waar men met Hem en Zijn zaak spotte. Het oordeel direct op de uitdaging. Twee-en-veertig jonge levens, zonder uitzondering, een prooi voor de vorst der duisternis. En nog zo jong, wie weet wat zij zich nog voorstelden van dit leven te genieten. Doch de Heere breekt hun levensdraad door. Zij zijn niet meer, Gods geduld met hen is ten einde.

Zo kan het gebeuren, dat Gods volk in de vurige oven moet en de vijanden staan te juichen bij hun ondergang; dat het in de leeuwenkuil moet en de standhouders brullen van pret. Maar het is ook mogelijk, dat Gods vijanden worden verslonden door de toorn van God, en Gods volk mag aanschouwen hoe God afrekent met hen, die Hem gram zijn. Het kan gebeuren, dat men voor Gods volk een kuil graaft, maar dat de vijand in de kuil valt, die hij zelf gegraven heeft. Het komt voor, dat men een galg opricht voor de kinderen Gods, maar dat Haman wordt gehangen en dat er in de tenten der rechtvaardigen gejuich is over de wondere uitreddingen Gods.

Niet altijd gaat het zo. God doet altijd recht en Hij doet alles ter eer Zijns Naams. En waar Hij de meeste eer in ontvangen kan, daar gaat Hij staan om die eer volkomen voor Zichzelf op te eisen en te ontvangen.

Maar volk, als gij nu verwaardigd wordt Zijn eer te bedoelen, dan kunt ge wat de wereld niet kan; dan kunt ge en wilt ge —door God daartoe bereid — sterven, om er eeuwig beter van te worden. Zo wordt het leven Christus en het sterven gewin. De wereld worstelt met het raadsel — want dat is het voor haar — van de dood. Zij weet er geen weg mee en kan er geen oplossing voor vinden, al die eeuwen niet. Maar voor Gods volk wordt het geweldige van de dood opgelost in Christus, Die dood geweest is, maar weder levend is geworden en Die leeft in alle eeuwigheid.

Ook de hatelijke en hatende godsdienstige mens, die geen behoefte heeft aan Godsvreze, zal moeten medehelpen aan de promotie van Gods volk naar de eeuwige welgelukzaligheid. In de tijd staat hun Koning wel eens een degradatie toe, maar als het naar de eeuwigheid gaat, en de tijd zal voor dat volk ophouden, dan hebben al die vernederingen moeten medewerken ten goede.

Dan belijden zij: Zo kan de Heere alleen zalig maken.

Opnieuw is Eliza alleen. Hij werd gespaard, de aanvallers verscheurd. God had voor Eliza gestreden en hij kon stil zijn.

Soms valt het oordeel Gods midden in ons eigen huis. Denkt slechts aan het huisgezin van Aäron. Twee zonen nam de Heere van hem weg vanwege hun grove overtredingen. Over dit verlies mocht hij niet treuren, maar hij moest spijze tot zich nemen.

O geliefden, het aanranden van Gods majesteit is levensgevaarlijk. Gods geduld duurt lang, maar soms komt er opeens een einde aan. De Heere laat niet eeuwig met Zich spotten. Hij is heilig, Hij is de souvereine God, Die met Zijn maaksel doet wat Hij wil. Hij handelt niet willekeurig, maar rechtvaardig. Hij slaat pas toe als de maat der zonde vol is. Maar dan reiken onze zonden ook tot in de hemel.

En toch trachten we u te wijzen op Hem, Die Zich boog onder de vloek der zonde. O kerk, hoor Wat hij zegt: ,,Mijn duive, Mijn volmaakte, Mijn bruid”. Hij wil, dat de bruid leeft ter eer van Hem en dat zij uitroept: ,,Mijn Liefste is blank en rood. Mijn Liefste draagt de banier boven tienduizend”. O, dat die hof nog eens werd doorwaaid met de Noorden- en Zuidenwind, en dat de vruchten der kerk nog eens gezien mochten worden ter eer van die drieënige God. De Heere wil dat de kerk weer zingt

en beleeft:

Daar strekt Zich al mijn lust en liefde heen.

Ai, neig mijn hart en vurig zielsverlangen,

O Heer’, naar Uw getuigenis alleen;

Laat gierigheid mij in haar strik niet vangen.

Amen.