Psalm 52:3 'Gods goedertierenheid duurt toch den gansen dag.' ds. S. van der Molen

 GODS GOEDERTIERENHEID DEN GANSCHEN DAG

Predikatie gehouden op Zondag 19 Mei 1940

in de Bergsingelkerk te Rotterdam door

Ds. S. van der Molen

Gezongen: Psalm 68 : 17.

Gelezen    : Daniël 9 : 3-17.

                     Psalm 51 : 2-4.

GELIEFDE GEMEENTE.

Het is wel onder zeer bijzondere en droeve omstandigheden, dat wij - door vriendelijke gastvrijheid daartoe in staat gesteld -heden in dit bedehuis vergaderen.

Het bekende woord van Job, den grooten lijder der oudheid, leeft in ons hart: "Want ik vreesde een vreeze en zij is mij aangekomen en wat ik schroomde is mij overkomen”. Immers vele malen bleek onze beduchtheid voor naderende oordeelen, en waarschuwden we elkander, maar nu troffen zij ons. Troffen zij ons, zwaarder - ik zeg niet: dan verdiend was - maar wel zwaarder dan één onzer ooit had vermoed.

Wij zitten hier neer op een plaats, welke de onze niet is en denken aan ons voormalig kerkgebouw, terwijl we met trillende stem Jesaja nazeggen: ,,Ons heilig en ons heerlijk thuis, waarin onze vaders U loofden, is met vuur verbrand en al onze gewenschte dingen zijn tot woestheid geworden".

Hoe letterlijk trad weer het Psalmwoord in vervulling:

Uw heiligdom is door het vuur verteerd;

Niets heeft zijn glans voor 't woên des gloeds beveiligd.

Uw schoon paleis, Uw woning is ontheiligd,

Ten gronde toe in puin en asch verkeerd.

Daarbij, met diepen rouw is 't, dat wij hier gezeten zijn. Is niet een geheel gezin, een liefdevolle vader, een tengere moeder een lief ontluikend kind, door den dood plots overvallen en begraven

onder 't puin van de woning, welke anders hun beschutting bood?

Met zorg is 't hart vervuld over anderen, die nog worden gemist en waaromtrent de vrees niet denkbeeldig is, dat gelijk Lot ook hen getroffen heeft.

En de geweldige schrik, de doorgestane angst, de ontzettende aanblik van de vreeselijke tooneelen, die uw oog aanschouwen moest, teekenen zich nog af op elks gelaat. We gevoelen ons jaren ouder

geworden door die enkele dagen, en velen zitten hier neder, pijnlijk getroffen door . . . Doch neen, we mogen niet aanvangen met te klagen al onzen nood en te noemen al ons verlies; wij willen niet

vrij laten gaan den loop onzer vele gedachten. Wij zetten ons hier neer, om sterkte te zoeken in gemeenschapsoefening met elkander; om onze schuld te belijden ook; om onze gebeden en onze dankzeggingen uit te storten voor 's Heeren genadetroon; om als immer ook nu in Zijn Huis Gods Woord te hooren. En dan, waarbij mag ik u bepalen? Over de belijdenis voor 's Heeren kind en knecht van voor zoovele eeuwen mag ik u spreken:

Gods goedertierenheid duurt toch den ganschen dag.

Psalm 52 : 3.

Het was - lees maar vers 2 - in den donkersten tijd van Davids veelbewogen leven, dat hij dezen 52sten Psalm heeft gezongen. En als in zoovele van de heerlijke liederen van dezen begenadigden zanger, gunt hij ook in dit lied ons een blik in zijn hart.

Hoedanig was zijn zielsgestalte toen? Bang? Bang voor Doëg, den Edomiet, van wien hij enkel kwaads maar duchten kon? Voor Saul, die ,,als een veldhoen op de bergen" hem najoeg? Of was wellicht met wraakgierigheid zijn hart vervuld, waar hem, onschuldig toch, zooveel leeds werd aangedaan? Of anders, was hij misschien geheel moedeloos? Of opstandig tegen God en de menschen?

't Zou ons niet verwonderen zeker, want wie kan zeggen, welke gedachten dezer dagen in eigen hart soms om den voorrang strijden.

Maar neen, zoodanig is zijn zielsgesteldheid niet. Gerust geeft hij den boosaard over aan Hem. die gezegd heeft: Mij komt de wrake toe; Ik zal het vergelden. En voor hem zelf, o zijn vertrouwen staat op Gods goedertierenheid, vers 10, Gods goedertierenheid, welke naar onzen tekst, toch den ganschen dag duurt.

Wie opmerkzaam een blik werpt in zijn Bijbel, ziet terstond, dat een tweetal woorden, n.l. ,,duurt toch”, cursief is gedrukt. d. w. z. dat zij, duidelijkheidshalve, door de vertalers in den tekst zijn ingevoegd. Letterlijk staat er dus alleen: ,,Gods goedertierenheid den ganschen dag". Gevoelt ge allen niet aanstonds, dat dus terecht dat ,,duurt toch" er is ingevoegd? Dat deze gedachte allerklaarst

in den tekst zelf ligt? Dat deze er zelfs het hart van vormt?

 "Gods goedertierenheid duurt toch den ganschen dag". Het klinkt, wanneer ge goed dit woord u indenkt, als een kreet uit een geprangde ziel. Welke ziel terdege weet wat nood is, doch welke ook de eenige en onwankelbare troost kent, welke den vasten grond gevonden heeft, waarin het anker veilig zich hecht. Ja, een kreet is het, welke daar gehoord wordt in onzen tekst, maar dan: een kreet der overwinning, waarvoor de vijand beven mag en welk het hart een zalige rust geeft.

We mogen dit woord van naderbij bezien en u spreken over

GODS GOEDERTIERENHEID DEN GANSCHEN DAG.

een waarheid,

1e. fel bestreden;

2e. veelvuldig ervaren;

3e. zalig geloofd.

Gemeenschappelijk gebed. Zingen: Psalm 51 : 2 en 4.

  1. ,,Gods goedertierenheid den ganschen dag"; 't is zonder twijfel, ieder, die 's Heeren Woord toestemt, noemt dit een waarheid, maar óók, ieder, die maar eenigermate den strijd des geloofs kent, haast zich, daaraan toe te voegen: ja, maar fel bestreden, en men denkt aan zoovele droeve tijden in het leven, waarin 't zoo moeilijk was, zoo onmogelijk, om het vast te houden: Gods goedertierenheid duurt toch . . .

Ook thans, na alle ervaringen van deze week, was het ons misschien gemakkelijker te spreken over allerlei andere zaken, zelfs over andere deugden Gods dan over Zijn goedertierenheid, b. v. over Zijn oneindige macht. over Zijn vlammende gerechtigheid.

Immers, hoe nameloos klein gevoelden wij ons allen, hoe nietig alles, waarop wij toch zoo gaarne steunen. Hoe zagen wij ons als van alle zijden ingesloten. Hoe is er tot God gezucht, gekermd, gesmeekt, geroepen, maar Hij ging door. Het oordeel werd maar niet gestuit, zoo leek het, al wrongen zich onze handen krampachtig ineen. De bommen regenden gierend neer, om dra donderend uiteen te springen, vernieling brengend alom. Als kaartenhuisjes stortten machtige gebouwen ineen, waarvan wij dachten, dat ze de eeuwen zouden verduren. De gewonden kreunden en riepen met heesche stem om hulp: de ingeslotenen gilden: de vlammen loeiden, aangeblazen

nog als door Gods eigen mond, den fellen wind. Een woestijn van puinhoopen rest; en staat er ergens op de steenen wanden van het Tirolgebergte: ,,Van U, o God, spreken deze steenen", ook de nog rookende ruïne's spreken van Hem. Hoort ge 't niet, hoe ze fluisteren, neen, luide getuigen:

Gewis, daar is een God, Die leeft.

En op deez' aarde vonnis geeft!

Zullen wij dan toch spreken over Gods goedertierenheid den ganschen dag?

Ja, Gemeente, want goedertieren is Hij. Op elke bladzijde belijdt het de Heilige Schrift.

De Kerk der oude bedeeling roemde er reeds in met zoo blijden jubel: ,,Hij doet ons niet naar onze zonden en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden. Want zoo hoog de hemel is boven de aarde, is Zijn goedertierenheid geweldig over degenen, die Hem vreezen." En wijder nog, strekt de Heere Jezus haar uit voor ons gezicht, als Hij ons leert onze vijanden lief te hebben en goed te doen en te leenen zonder weder te hopen, opdat wij alzoo kinderen zouden blijken van den Allerhoogste, wijl Hij, neen niet slechts goedertieren is over die Hem liefhebben en niet alleen lankmoedig,

maar goedertieren over “de ondankbaren en boozen".

Trouwens, wie kan die goedertierenheid ook maar in ’t minst betwijfelen, als hij mag zien op Christus? Op Christus Jezus, Gods eigen, ééngeboren Zoon, gegeven in een wereld van doem en

dood; gegeven, opdat Hij door Zijn volkomene Zelfofferande de groote schare, die niemand tellen kan, schoon in zichzelf onwillig, verlossen zou van zonde, jammer en vloek en brengen tot de zalig-

heid van 't eeuwig hemelleven. ,,Want alzóó lief heeft God de wereld gehad."

En den ganschen dag duurt zij; het kan niet anders wezen, waar de Heere onveranderlijk is en zonder schaduw van omkeering.

Niets is er ooit in Hem, dat wankelt of wijkt. ,,Ik weet, dat al wat God doet, in der eeuwigheid zijn zal; daaraan is niet toe te doen en daaraan is niet af te doen."

't Is waar: wij weten het; maar . . . maar . . . hoe is het? Hoe is het in uw leven? Zijn er niet de uren, dagen, maanden, jaren zelfs, waarin het leven u zoo zwaar is, waarin de donkerheid overheerscht, waarin het u zoo heel droef is? Gij roemdet ook wellicht in Zijn goedertierenheid, maar de lof bestierf op uw lippen. Pas lichtte de blijde morgen aan, of donkere wolken pakten zich al samen; het was op den middag, maar de zon werd verduisterd; of na den dag zou d' avond dalen, maar 't was in nevelen, dat ge kwaamt en vrees van rondom verschrikte uw gemoed. En toch: Gods goedertierenheid den ganschen dag?

De Heere is vrij in al Zijn wegen en Hij leidt de Zijnen naar Hij weet, dat het goed is: soms over zonnige hoogten, niet zelden ook door donkere diepten. Hetzij vanwege tijdelijk wee of vanwege zielesmart, maar elk onzer doorworstelt de tijden, waarin men het uitsnikt: o mijn God! mijne ziel buigt zich neder in mij . . . de afgrond roept tot den afgrond, bij het gedruisch Uwer watergoten; al Uwe baren en Uwe golven zijn over mij heengegaan.

En dan? Dan zijn ,,mijne tranen mij tot spijze dag en nacht, omdat zij den ganschen dag tot mij zeggen: “Waar is uw God ?"

Dat is zoo bang. Waar is dan nu vooral Zijn goedertierenheid?

Wellicht hebben die vragen ook dezer dagen menigmaal uw ziel bestormd en gekweld.

Immers een stralende lentemorgen brak aan, doch terstond was er reeds de verschrikking. De nachtrust was al gering geweest, maar banger zou de dag toch worden. Ge boogt uw knieën en laast

in Gods Woord, maar hoe was de middag, de avond, de volgende nacht? Daar is op de portalen, in de kelders, op de straten gekermd; de handen waren met saamgeklemde vingers opgeheven; de nood omringde u als nooit te voren, en toch: de Heere heeft ons in het net gebracht; Hij heeft een engen band om onze lendenen gelegd; Hij heeft den mensch op ons hoofd doen rijden; wij zijn in het vuur en in het water gekomen. 't Was meer dan bang, niemand vergeet het ooit.

En hoe is het nu?

O, broeders en zusters, we weten het: velen uwer hielden niets over, dan het kleed, dat gij thans draagt. Uw huis, waarin zooveel werd doorleefd; uw huisraad, waarvan zooveel u dierbaar was; uw

zaak, misschien van ouder op kind overgegaan, of met gedurige inspanning van al uw kracht opgebouwd; 't is al vergaan. Hoe onbeschrijfelijk triest is geheel het beeld onzer woonplaats. "Want Gij hebt van de stad een steenhoop gemaakt, de vaste stad tot een vervallen hoop."

En ,,eenerlei wedervoer beide den rechtvaardige en den goddelooze". Wonderlijke bewaringen merkten wij op, maar wij zagen ook kroegen staande gebleven en woningen van Gods kinderen met den grond gelijk gemaakt. Ruwe spotters werden er getroffen, maar ook die Hem vreesden, werden van onder het puin weggehaald. Huizen der schande werden vernield en tempels, gewijd aan 't ijdel ,.genot" gingen ten gronde, maar vele godshuizen evenzeer, waar gebeden werd en geloofd, gezucht en gezongen.

In raadselen loopt menigeen, en hoorden we 't niet, nu fluisterend, dan bruut: Waar is nu uw God? Is er wel een God? Hoe kan Hij zulks gedoogen? Zou Hij dan goedertieren zijn en Zijn goedertierenheid nog onveranderlijk wezen ook? Voorheen ja, scheen de zon, toen kon ik zingen, maar nu is 't duister en de toekomst zonder eenig uitzicht, enkel bang.

Gemeente, deze strijd is niet vreemd; zelfs Asaph ontkwam er niet aan. Hij ook schatte zich eens verloren; mocht van geen vertroosting hooren; als zijn ziel aan God gedacht, loosde hij niet dan

klacht op klacht. Zou de Heere Zijn gunstgenooten, dacht hij, dan altoos verstooten; niet goedgunstig zijn voortaan; nimmer ons meer gadeslaan? Het is daarom niet te verwonderen, als het ook op u

aankomt en u wordt ingeblazen: Hij heeft vergeten genadig te zijn.

Wat zullen wij zeggen? Dit: Gods goedertierenheid den ganschen dag, het is een waarheid, maar een, die menigmaal fel bestreden wordt.

Doch terstond mag daartegenover worden gesteld, het is een waarheid óók

  1. veelvuldig ervaren.

Zal ik, wanneer wij dit overdenken, naar onze gewoonte het u weer uit de Schrift laten zien? Het zou ons inderdaad zeer gemakkelijk vallen. Want het leven van elk der Bijbelheiligen was daarvan het klaarst bewijs en al hun roem is in het ééne woord samen te vatten: Gods goedertierenheid duurt toch den ganschen dag.

De tijd, om al deze voorbeelden u te herinneren, ontbreekt ons echter, doch is het niet genoeg, Psalm 136 in uw gedachtenis te roepen? Men schroomt soms dezen psalm in den huiselijken kring te lezen, of men leest maar een enkele maal, wat er toch in elk vers weer staat. Doch zes en twintig keer achtereen riep de dichter het uit en zes en twintig keer zongen Israëls tempelkoren het hem na:

Want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid. En is het te veel?

Ben nuttelooze herhaling? Een vermoeiend refrein? Zeker, voor wie er de waarheid niet van kent, of voor wie er in 't geheel niet in leeft. Maar ’s Heeren kinderen doorleven de tijden, waarin het hun zeker niet te veel is; waarin zij in dien onafgebroken jubel juist hun hart vertolkt zien. Zou het teveel kunnen zijn, als zij bij tijden vol van lof en dank het uit mogen roepen: 'k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheên; Uw waarheid t'allen tijd vermelden door mijn reên?

Keer op keer immers, blijkt, - om ons slechts tot eigen leven alleen te bepalen - verrassend in wonderlijke zegeningen en ongedachte verlossingen, die eindelooze goedheid Gods. Nu was het

stoffelijke nood, waarin Hij uitkomst bracht; dan was het geestelijke ellende, waaruit Zijn hand zoo koninklijk u redden wilde.

Blader ook thans maar in uw levensboek van voor deze week der verschrikkingen en . . . ge roept het weer uit: Hulpe van God verkregen hebbende, sta ik tot op dezen dag. Het zag er wel meer somber voor u uit en dagen van moeite en nachten van zorg moesten doorworsteld. Doch is steeds weer de slotsom niet: Hij schenkt mij hulp. Hij redt mij keer op keer?

Betreffende het tijdelijk leven zullen zelfs onbekeerden dit gaarne bevestigen, en zij moeten zelfs waken de talrijke natuurlijke zegeningen, de soms zoo kennelijke uitreddingen, niet tot een grond te

maken voor de eeuwigheid. Zonder meer is niet zelden dit hun spreken: Zoo vaak redde Hij mij uit, welnu, dan zal Hij mij ook in 't sterven wel niet begeven. Een bedriegelijke redeneering; een valsche grond. Zonder wedergeboorte zal niemand het Koninkrijk Gods zien. En: wie den Zoon heeft, die heeft het leven, maar wie den Zoon niet heeft, die heeft het leven niet.

Doch zoo zelfs zij de weldoende hand Gods in hun leven telkens weer op mogen merken, hoeveel te meer dan 's Heeren kinderen niet, waarvan ziel en lichaam beide Godes zijn. Hun leven is waarlijk

niet anders dan één blijk van de macht en trouw en wondere liefde van den eeuwigen Ontfermer.

Hoort ze maar spreken, als het licht hen bestraalt, 't is altijd weer:

Mij, in den kuil verzonken.

Mij heeft Hij hulp geschonken,

Gevoerd uit modd'rig slijk.

Zoo was het naar het lichaam, zoo was het naar de ziel. In ziekten gaf hij vaak genezing; in armoede verademing; in moeiten raad; in verguizing troost. Zij kunnen er niet van zwijgen. Ook nu gedenken zij wellicht zoo menige weldaad, genoten op stoffelijk gebied. En, voegen wij daartoe: hoe menigmaal is ook mijn arme ziel getroost geworden. Getroost, als ik door zondemacht geboeid.

onder zondeschuld gebogen, gansch reddeloos mij waande, ja verloren inderdaad ook was. O, als ik daaraan denk, hoe ’k eenmaal naar den Heere niet vroeg en Zijne wegen mij niet behaagden, maar voor Zijn dienst gewonnen werd en naar Hem leerde dorsten, gelijk 't gejaagde hert; hoe ik geheel doemwaardig mij moest leeren kennen, maar door ’s Geestes drang genoopt werd mijn Rechter

om genade te bidden; hoe ik troosteloos daarhenen liep, totdat de liefelijkheid van 's Heeren Woord mij werd ontsluierd in zoo rijke genadebeloften; hoe mij 't gemis van een Borg ontdekt werd, zoodat

ik niet kon bestaan voor den heiligen God, totdat mij den Heere, Jezus aan het hart werd, geopenbaard; hoe ik geheel ontledigd met niets dan schuld en verderf mij zag staan, maar dien gezegenden Immanuel omhelzen mocht en in Hem vrede vond bij God: hoe daar de Psalmen der bevrijding en des lofs gingen ruischen in mijn hart; hoe daar de hemel mij geopend werd en de gemeenschap met den Drieëenige geschonken . . . O, hoe wonder is het mij dan steeds te moede, en hoe goed.

Doch zegt mij, waaraan dankt gij dat alles? Waaraan danken?

Waaraan zou ik het anders kunnen danken dan aan Gods goedertierenheid? Aan Gods goedertierenheid in Christus Jezus. Aan Gods goedertierenheid, die van eeuwigheid is en tot in alle eeuwigheid.

Waardoor Hij mij eenmaal ten leven verkoos: opzocht; nawandelde en steeds Dezelfde blijft, ook zelfs als Hij Zijn aangezicht voor mij verbergt.

Juist zoo, gemeente, en daar ziet ge 't, het wordt menigvuldig ervaren: Gods goedertierenheid duurt toch den ganschen dag.

En nu, het is wonderlijk; angst en verschrikking was ons aller deel; zware slagen vielen allerwege op ons neer, en toch: nooit hoorde ik zooveel spreken over Gods goedertierenheid als deze week bij tal van ontmoetingen. Hart en mond was daarvan blijkbaar vol. Ouderen getuigden er van en jongeren kwamen er mee voor den dag. In de huizen en op de straat, vrijmoedig werd zij beleden.

Zij bleek ook wel klaar. Laten we ook hier er in roemen.

Zij bleek in 's Heeren sparende en reddende liefde, wanneer toch de dood ons van nabij aangrijnsde. Rechts en links van ons zijn er gevallen, die niet meer opstaan zullen, wijl hun levenslamp werd

uitgebluscht. Al was het in letterlijken zin ,,behouden als door vuur", wij behielden allen het leven en, als nooit tevoren, kijken de ouders op de kinderen en de kinderen op de ouders en zeggen dankbaar:

Niet één wordt er gemist. Veler bezit werd in één kort uur vernietigd, maar anderen daarentegen — en hun getal is toch veel grooter nog - mochten blijven in hun woning of keerden na de vlucht weer en vonden tot hun verwondering al het hunne ongerept.

Ons kerkgebouw werd ons ontnomen en veel ging in de vlammen op; doch zijn vele Bijbels mee verbrand, des Heeren Woord is niet weg en reeds mogen wij als Gemeente weer samenkomen.

Is het niet groot? Duurt dan Gods goedertierenheid niet den ganschen dag?

En meer. Blijkt zij niet daarin, dat onderworpenheid en troost door den Heere rijkelijk aan velen wordt verleend?

Ons hart toch is geneigd tot alle boosheid. Tot bittere grimmigheid en wraakgierigheid jegens het schepsel, waardoor het leed over ons kwam. Tot het roepen tot den Heere, om verantwoording voor al Zijne daden. Gewoon, helaas, zou het zijn geweest, als ook nu slechts met verbeten woede gesproken kon worden over die ons terneder wierpen, of dat de vuist gebald werd tegen. . . . den hemel aan.

Doch daarentegen, - neen, wij prijzen u niet! - is er de erkenning:  Ach, die menschen waren - schoon verantwoordelijk - instrumenten slechts, door God gebruikt. En Hij, Hij deed geen onrecht; Hij sloeg ons niet te hard; en is het dat Hij veel ons ontnam, Hij geeft, dat ons hart voor opstand wordt bewaard, en Hij vertroost onze ziel met zeer kennelijke vertroostingen. Is het niet groot? Duurt dan Gods goedertierenheid waarlijk niet den ganschen dag?

En, tenslotte, is de zegen niet groot, dat de Heere veelzins een klaar inzicht gaf in de nietigheid aller stoffelijke en in de onvergankelijke waardij der eeuwige dingen?

Waar jaren aan was gewerkt, hecht en betrouwbaar leek, ‘t bleek werkelijk slechts ijdelheid te wezen. In de ure des gevaars werd aan geld en goed niet gedacht. Slechts op lijfsbehoud was

men bedacht.

Op lijfsbehoud alleen? Maar velen hadden de hoop daarop al zoo goed als opgegeven. En toen, Wat ging er toen om in het hart?

Er waren er, die konden sterven. Die met Stephanus spraken: Heere Jezus, ontvang mijnen geest! Er waren er ook, die wisten niet bereid te zijn en riepen: Gena, o God, gena! En velen hebben toen verstaan het Psalmwoord: Want Uwe goedertierenheid is beter dan het leven. Hoe zalig is toch het volk, welks God de Heere is. Geen kwaad kan dezen treffen.

Het is zoo goed, met kracht daarbij bepaald te zijn. Wij hadden het meer dan noodig. Van nature zijn we altijd aardschgezind en blind voor 't ééne noodige, maar de laatste jaren kenmerkten zich

toch wel heel erg door een opgaan in het stoffelijke. ,,Laat ons eten en drinken en vroolijk zijn", was algemeen het levensdevies. Algemeen heerschte zulk een ijselijke kilheid, zulk een groote gevoelloosheid, zulk een doffe onverschilligheid voor de dingen der eeuwigheid. Neen, waarlijk niet in de wereld alleen, ook in de kerk. Een uiterlijke vormendienst werd genoegzaam geacht, of zelfs daaraan ontzonk men voor een groot deel en 't getal dergenen, die eens gedoopt waren, zelfs belijdenis aflegden, maar geheel in de wereld opgingen, werd zoo bijster groot. Zelfs 't ware volk des Heeren was menigmaal zoo krachteloos, geesteloos. geurloos, zoo wereld gelijkvormig.

Erkennen wij toch ootmoedig daarvoor schuld!

Nog liet echter de Heere niet van ons af. Hij liet ons Zijn Woord. Zijn liefelijke noodiging en dringend vermaan. En daarenboven, nu- vergeef ons de plastische uitdrukking - schudde Hij ons door elkaar in letterlijken zin; brak Hij voor onze oogen onze bouwsels af; stelde Hij de troostelooze nietigheid van al het wereldsche zoo klaar ons voor oogen; raakte Hij met de roede ons geweten aan: liet Hij ons meer dan ooit zien, dat zalig alleen hij is, die den God Jacobs tot zijn hulp heeft.

Wat zeggen we: Gods oordeel ging over onze stad? 't Is waar!

Vertoornd was Hij op ons vanwege den gruwel onzer ongerechtigheid. 't Is Waar! En buigen wij het hoofd en vernederen wij ons hart. Maar ook is 't waar, zalig waar: de zegen daalde neer. De Heere heeft gedachten des vredes nog over onze stad , waarin Hij vanouds ,,zoo veel volks had"; Hij roept tot wederkeer, bepaalt ons bij wat eeuwig blijft en wat voor altoos zal vergaan. Hij ontnam ons in Zijn vrijmacht veel, maar spreekt daarbij : Ik blijf, Ik de Almachtige; Ik, die vreeselijk ben in al Mijn daden; Ik, die echter Mijn verbond gedenk tot in duizend geslachten; Ik, die Jeruzalem nog verkies en in Christus uw God eeuwig zijn wil. Duurt dan Zijn goedheid toch niet den ganschen dag? Wordt het niet veelvuldig ervaren?

Nog zien wij deze waarheid

III. Zalig geloofd. Doch eerst zingen we Psalm 4 : 3:

Dan zult gij recht naar 't outer treden,

En off’ren God een rein gemoed,

Het offer der gerechtigheden,

En 't zuiv're reukwerk der gebeden

Betrouwt op Hem, want Hij is goed.

Daar velen twijfelmoedig vragen:

Wie zal ons 't goede toch doen zien?

Doe Gij, O Heer’, na 't angstig klagen.

Ons 't lief'lijk licht Uws aanschijns dagen,

En wil Uw rijke gunst ons biên.

Zoo vloeit dan weer, trots alles wat gebeurde, de tijdstroom voort. En bij de vele puinhoopen kunnen wij niet blijven zitten.

Op vandaag volgt, - laat God ons 't leven, - weer een morgen en de toekomst strekt zich vóór ons uit, al is verborgen, al wat zij in haar schoot draagt.

En hoe is het ten deze met u?

Er zijn er, - wien zou het verwonderen? - die liefst de handen maar in den schoot legden en bleven zitten, verslagen. Hun oog staart dof, hun knieën zijn slap geworden, zij weten zelfs niet wat zij begeeren.

Wij verstaan u, broeders, en zusters, neen, wij vallen u niet hard.

Maar toch, hoort ge 't niet, hoe, als in Mozes' dagen, des Heeren Woord ook nu als van den hemel klinkt: Zeg den kinderen Israëls, dat zij voorttrekken? Voort, al ziet ge evenmin als 't oude volk een weg, waarlangs ge kunt gaan. Roept Hij tot voorttrekken, dan is er een weg, of Hij baant hem, zelfs dwars door de zee.

Voort, maar hoe zult ge 't kunnen? Als ge gelooven moogt, dat Gods goedertierenheid den ganschen dag duurt.

Anderen grepen reeds weer den arbeid, het leven, aan. Zij zijn alweer aan 't bouwen, is het nog niet met de hand dan toch met het hoofd. Plannen worden beraamd, voornemens gekoesterd. Ook

inzake kerkbouw. Reeds nu kwam men en zeide: Zullen we er wel één, geen twee of beter nog drie bouwen?

Ook hier dreigt gevaar. Gevaar, dat wij in eigen kracht weer zoeken op te staan, te zien ons weer te redden. Maar daarvoor heeft toch de Heere ons te diep vernederd; te dikke streep door onze berekeningen getrokken; te zeer geblazen in onze grootheid en waan. Wel moeten wij voorttrekken, doch in diepe afhankelijkheid, in 's Heeren kracht alleen, in 't geloof in ’s Heeren onveranderlijke goedertierenheid.

In 't geloof, dat is in kennen, in toestemmen en vertrouwen. In ’t geloof, dat is in vasthouden, ook als wij niet zien. In 't geloof, dat is in veilig steunen op den Heere. Welk een hechten grond is er voor dat geloof. Gods goedertierenheid blijft.

Bekend en veel genoemd is 't zoo ware woord: Het zijn de goedertierenheden des Heeren, dat wij niet vernield zijn. Groote kenners van het Hebreeuwsch leeren, dat er eigenlijk staat: Het zijn de goedertierenheden des Heeren, die niet vernield zijn. Welk een gedachte, waarvan de rijkdom vooral nu blijkt. Vernield zijn veler huis en zaak; vernield zijn duizenden trotsche gebouwen; vernield zijn ook veel godshuizen; vernield zijn ook onze eigen kerk en kansel, maar neen, vernield zijn niet des Heeren goedertierenheden. Daar kan geen wapen wat van breken; geen vijand ons van berooven.

Hoe zalig, als dit wordt geloofd.

O kinderen Gods, heeft dat geloof u niet meer dan eens gered?

Niet vaak u het hoofd weer doen opheffen? Niet uw hart met blijdschap en vrede vervuld?

Herinner u toch, toen gij, verbrijzeld onder 't recht der wet, niets zaagt dan een vertoornd Rechter, en 's Heeren Woord en Geest u een blik verleende in Zijn liefdevol hart. Toen satan u wees op uwe vuile kleederen en u den leugen voorhield, dat uwe zonden te groot waren, dan dat zij vergeven konden worden, en gij het vrije van Gods welbehagen leerde zien en de volkomen genoegdoening van den Christus. Toen 's Heeren aangezicht voor u verborgen was, zoodat ge werdt verschrikt en de vrees u beangstte, dat nooit meer Zijn gunst door u genoten zou worden, totdat Hij u wees op de onwankelbaarheid van het Verbond Zijns Vredes en Zijner goedertierenheid, welke, al zouden bergen wijken en heuvelen wankelen, toch van u niet wijken zullen, zooals de Heere, uw Ontfermer, spreekt. Toen gij weleer ook door diepe wegen moest gaan en smartvolle verliezen u troffen, en gij daarin

slechts straf kondt zien, totdat de Heere toonde, uit liefde u te kastijden en tot uw nut.

Hoe zalig was het u toen, te gelooven, dat Gods goedertierenheid toch den ganschen dag duurt. Dat deed uw kleingeloovige vrees wijken; dat deed het licht breken door alle duisternis heen; dat nam de stekende pijn uit de beproevingen weg. O dat waarlijk te gelooven, doet satan bevend wijken; verleent u levensmoed; verandert zelfs de doodschaduw in morgenstond.

Dat waarlijk te gelooven, doet u zalig roemen ook in de verdrukkingen, die heden u knellen. Broodsgebrek bedreigt u – geen nood, ,,Zijn goedertierenheid duurt toch den ganschen dag", ,,uw

brood is zeker, uw water gewis". Ge bezit niets meer - maar de Heere is er toch nog en zongt ge niet menigmaal, dat ge nevens Hem niets hebt in den hemel; dat nevens Hem u ook niets lustte op aarde?

De kerk is er niet meer - och kom, de kerk blijft eeuwig. ’t Is - hoe noode wij het missen, want lief was het ons -- toch maar het gebouw, de vergaderplaats, welke in de vlammen opging. Christus'

gemeente zal door de poorten der hel niet overwonnen worden; de kerk leeft door en in haar heerlijk Hoofd en Hem kan geen kwaad ooit iets meer ontnemen. Ons land wordt door vreemde macht overheerd en onze vrijheid ligt aan banden - wij hebben een Koning, die voor eeuwig zal regeeren en Zijns koninkrijks is geen einde. Zie, gemeente, dat geeft rust en blijdschap te midden van

al uw smart. Hebt gij dat geloof? Mocht ge 't oefenen? De Heere is het waard en 't geeft uw hart een weelde, waar geen aardsche schat bij halen kan.

Of is 't zoo nevelig in uw ziel; vindt ge alles maar zoo vreeselijk hard; rijzen daar steeds zoo bange gedachten in u op: kunt ge er maar niet bij? Gelukkig weet de Heere, wat van Zijn maaksel is te wachten, hoe zwak van moed, hoe klein zij zijn van krachten.

Doch als ge daar maar niet in wegschuilt. Wat is het zonder dat geloof toch onrustig in u, niet waar? Hoe zijt ge dan ontevreden in u zelf. Hoe stookt dan de booze het vuur heet. Werpt u op de knieën; bepeinst Zijn Woord; overdenkt al d’ oude dagen, jaren, eeuwen, gunsten, plagen, en wat immer aan uw ziel van Gods hand te beurte viel. Overdenkt ook uw zonden, de zonden der kerk, de nationale zonden. Is 't u dan geen wonder, dat er nog iets overbleef? Vooral, denkt aan Golgotha. Gij draagt een kruis, maar wat is het bij het Kruis dat daar eens stond? Gij werd berooid, maar hoe hing de Man van Smarten daar? ,.En wij" - des moordenaars woord past ook in onze mond - ,.wij lijden straf,

waardig hetgeen wij gedaan hebben, maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan".

Houdt aan, mijn machtelooze medestrijder, totdat het licht u rijze en 't doorbreekt in uw ziel: Gods goedertierenheid duurt toch den ganschen dag.

Hoe bleek echter in meer dan droeve werkelijkheid de armoede  van den mensch zonder God. Dan bij de puinhoopen te staan is nog wat anders, want dan staat men tegelijkertijd bij de puinhoopen van al het geluk. Dan is men gansch verslagen, totdat men weer moed vindt om voort te bouwen aan een nieuw luchtkasteel, dat immers straks weer in zal storten. Dan leeft men zonder toevlucht, zonder ware troost, zonder lichtend levenseind.

Heeft men geleerd, de laatste dagen? We hopen het: maar toch, neen, we koesteren ten deze geen illusies. Zonder genade verandert  een mensch niet. Zijn wij allen aangegrepen, min of meer verdoofd, och, ga eerlijk uzelf maar na: wij zijn niet in onszelf verbeterd, de wereld is ook niet verbeterd, 't blijkt nu reeds.

Maar als nu ook gij, mijn medereiziger naar de eeuwigheid, nog onbekeerd bleeft, zeg mij, wat moet er dan gebeuren, om u ’t hart te verbrijzelen? Dacht ge deze week niet, toen de vlammenzee zoo

geweldig laaide, aan Sodom eens? Dacht ge niet aan den ondergang der wereld, welke eens, misschien zelfs dra, komen zal? Nog trok de Heere niet door; nog verschoonde Hij. Zijn goedertierenheid duurt ook uw ganschen levensdag, maar komt het eind daarvan, en uwe ziel is niet gered, dan is ook de genadetijd voorbij. In bangen vlucht leerden duizenden wat het is, zich te haasten om huns levens wil. Leert het ook voor uw ziel. Leert vluchten uit de stad Verderf.

Leert vluchten tot het Pella der behoudenis. Leert vluchten tot den grooten Doodsoverwinnaar. Prange u de nood, de ellende uwer arme ziel. Lokke u de zoete stem des Evangelies. Uw zonden zijn niet te groot; uw ellende is niet te diep voor zulk een goedertieren God. Zelf bereidde Hij de Vrijstad; baande Hij den weg naar 't Vaderhuis. Den Heere Jezus gaf Hij tot een Borg en Middelaar, veracht dan toch Zijn goedheid niet. Moet dan de ijdelheid der wereld u nog klaarder worden getoond? Misschien neigt uw levensdag al tot zijn einde.

Velen, zeer velen, deelden uw lot op den onvergetelijken Dinsdagmorgen nog, terwijl geen avond meer over hen z'n schaduwen wierp, mogelijk deelt gij dra hun lot. Gemeente, God heeft gesproken als nimmer te voren. Zij er een ootmoedig luisteren naar die stem. Leve er toch een diep schuldbesef; maar leve er ook de blijde hoop.

Verwakkerd door Gods goedertierenheid zij er een afsterven van wereld en zonde. Steunend daarop, een blijmoedig voortreizen. Want wat heeft de Heere Zijn volk beloofd en bereid? ,,Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn en door de rivieren, zij zullen u niet overstroomen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken." Den ganschen dag zal dit uw waar bevinden zijn. En als gij dan uw laatsten Nebotop beklimmen zult, zult gij den afgelegden weg overzien en getuigen: Dat is waar, den ganschen dag. En voor u zult ge dan Kanaän aanschouwen, blinkend in ’t eeuwig, zalig, morgenlicht.

Amen.

Slotzang: Psalm 89 : 7.