Psalm 50:15 'Roept Mij aan in den dag der benauwdheid' ds. C. Smits

In de dag der benauwdheid roepen tot God

door

  1. C. SMITS

________________________________________________________________

Psalm 86 : 1

Lezen Psalm 50

Psalm 50 : 1 en 6

Psalm 145: 6

Psalm 59: 10

Psalm 50 : 15

En roept Mij aan in de dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren.

Drie stukken zijn nodig om welgetroost te leven en zalig te sterven: Ellende, verlossing en dankbaarheid — zo toch luidt het antwoord op de tweede vraag van de Heidelberger Catechismus.

Voorwaar, indien ergens, zo mag dit genaamd worden een antwoord, hetwelk steunt zowel op de inhoud der Heilige Schrift, als op de bevinding van Gods volk.

Ellende, verlossing en dankbaarheid, ze zijn de drie kardinale stukken, die iedere pelgrim op weg naar Sion leert. Immers, die verwaardigd zal worden eenmaal de kroon neder te werpen voor het Lam, hij zal weten uit welk een nood en dood hij verlost is; en daarom, de eerste accoorden van het loflied, dat daar zal opstijgen voor de troon van het Lam, worden hier geleerd aan deze zijde van het graf. Hier toch leert een ellendig volk roepen uit de diepten tot God, doch ook leert het ervaren de

verlossende kracht van Jezus’ bloed en gerechtigheid. Ja, ook leert het Hem eren, lieven en loven, Die hun ziel zo dierbaar is.

Welnu, we vinden de toezegging hiervan zo heerlijk vertolkt in het u voorgelezen schriftgedeelte.

Psalm 50 is een psalm van Asaf. De dichter wil hier op twee zaken vooral de nadruk laten vallen, namelijk enerzijds laat hij zien hoe schijnvroomheid door God verfoeid wordt, anderzijds stelt hij de weg voor, waarin God verheerlijkt wordt.

Om dit nu voor te stellen, tekent hij de Heere, Die als Rechter gezeten is, om te oordelen over de handelingen van Zijn volk. Hij tekent God in Zijn majesteit en heerlijkheid. ,,Vuur en storm

gaan voor Zijn aangezicht henen”.

De rechtspraak nu moet in het openbaar geschieden, ten aanzien van hemel en aarde; daarom roept Hij de volken der aarde samen als toeschouwers. Ook de aangeklaagden worden voorgeroepen.

,,Verzamelt Mij Mijn gunstgenoten”. Dat is het volk, dat Hem behoort te dienen en te eren. Hij wendt Zich tot Israël.

Israël, het brengt in menigte slachtofferen, en denkt met deze vormendienst God te behagen; het meent, dat Hij nodig heeft de menigte van stieren en bokken, en met dit alles onthoudt het zijn hart aan God. Het nadert tot God met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Hem. Hierom nu getuigt de Heere tegen Zijn volk. Hij heeft niet nodig de menigte van offerdieren, maar Hij wil geestelijke offeranden. ,,Offert Gode dank, en betaalt de Allerhoogste uw geloften”.

De Heere wil een hart, dat Hem onverdeeld van alles de eer geeft. Voorts moet de mens God erkennen als de Almachtige en Souvereine, dat Hij alleen machtig is te redden uit de grootste

nood; en door dit in danktoon voor aller oor te openbaren, zal hij Hem eren als een Helper in de nood, een Redder van de dood, Wie al ’t schepsel moet zingen.

Want zo toch lezen we in het woord van de tekst: ,,En roept Mij aan in de dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen en gij zult Mij eren”.

In de dag der benauwdheid roepen tot God.

  1. Omdat de nood zo groot is.
  2. Omdat de Redder zo machtig is.

III.           Omdat de vrucht zo heilrijk is.

I.

Omdat de nood zo groot is.

Asaf, de dichter van deze psalm, spreekt in de eerste plaats van een dag der benauwdheid. Deze uitdrukking is niet vreemd in de Heilige Schrift. En dat is niet zonder grote oorzaak. Immers, wie komt er niet mee in aanraking? Wat al kwalen, smarten, rampen en tegenspoeden, ja benauwdheden, zijn de vruchtgevolgen van onze rampzalige val!

Eigenlijk, indien ons oog er slechts voor ontsloten is, is ons ganse leven één dag der benauwdheid. Wij allen toch liggen onder de vloek van een beledigde en geschonden wet. Wij allen leven van nature onder het heilig ongenoegen Gods. Doch de toorn Gods, uitgegaan tegen de mens, die gezondigd heeft, is nog een ingehouden toorn; of anders gezegd, krachtens Goddelijke lankmoedigheid is Zijn toorn met barmhartigheid gemengd. De Heere komt temidden van Zijn rechtmatige toorn des ontfermens te gedenken. Om onzentwil kan de aarde niet anders voortbrengen dan doornen en distelen, doch door de algemene goedheid Gods wordt zij vruchtbaar gemaakt van boven en worden mens en beest onderhouden.

Er komen echter toestanden in het leven van een ieder, waarin hij in mindere of meerdere mate met de dag der benauwdheid in aanraking komt. Die dag der benauwdheid is voor de één een droeve morgen, en voor de andere een sombere avond zijns levens, terwijl voor een derde zijn ganse leven niets anders is dan een dag van benauwdheid.

Zo bijvoorbeeld brak voor David de dag der benauwdheid aan, als hij uitriep in Psalm 116: ,,De banden des doods hadden mij omvangen, en de angsten der hel hadden mij getroffen; ik vond

benauwdheid en droefenis”. En Hiskia riep eenmaal uit: ,,Dit is niet anders dan een dag der benauwdheid”; terwijl Heman klaagde in Psalm 88: ,,Van de jeugd aan ben ik bedrukt en doodbrakende; ik draag Uw vervaarnissen; ik ben twijfelmoedig”.

Zo had Jacob zijn ganse leven een ruim deel van de tegenspoeden en benauwdheden gekend, waarom hij tot Farao zeide: ,,Weinig en kwaad zijn de dagen uws knechts geweest”. En Mo-

zes getuigde: ,,Het uitnemendste van dit leven is moeite en verdriet”.

De dag der benauwdheid kan zich in onderscheidene vorm, trap, mate en omstandigheden voordoen. Zegt nu de Heere tot ieder en in alle omstandigheden: ,,Roep Mij aan”? Jawel toch, daarvan legt ons de Heilige Schrift geen onduidelijk getuigenis af. We willen een paar voorbeelden noemen.

Achab was een zeer goddeloos koning, pleegde moord en roof, maar ook voor hem brak de dag der benauwdheid aan. Elia kondigde hem het oordeel Gods aan. Hij legde daarop een zak op zijn lendenen en scheurde zijn klederen. En de Heere zag het aan en schortte het oordeel op.

Het was voor de Ninevieten een dag der benauwdheid, toen Jona predikte: ,,Nog veertig dagen en Ninevé zal Worden omgekeerd”. Doch toen mens en beest sterk tot de hemel riepen, spaarde de Heere in Zijn grote lankmoedigheid de stad, zodat we lezen: ,,En Hij deed het niet”. ‘

Ja, de Heere hoort het roepen uit de dag der benauwdheid. Hij hoort zelfs de jonge raven, als zij tot Hem roepen. Hier toch openbaart zich de rijkdom van Gods lankmoedigheid. In Psalm 107 worden ons verschillende omstandigheden genoemd, waarin wordt gesproken van benauwdheid en angst. Maar al zo vele malen lezen wij: ,,Doch roepende tot de Heere in de benauwdheid, die ze hadden, verloste Hij hen uit hun angsten”.

En daarom zal er ook voor niemand een oordeel van verontschuldiging overblijven in de grote dag aller dagen.

Voorts is het een waarschuwing en moedgeving.

Een waarschuwing namelijk, omdat wij uit de gestelde voorbeelden kunnen leren, dat een uitredding uit tijdelijke noden, en een krachtige gebedsverhoring, op zichzelf nog geen grond zijn voor de eeuwigheid.

Hoe ook is het anderzijds bemoedigend voor degenen, die in waarheid de Heere zoeken, want als de Heere zo in tijdelijke omstandigheden zorgt en uithelpen wil, als we in waarheid daarom verlegen zijn, zal Hij dan niet veel meer het oor neigen tot degenen, die Hem in waarheid aanroepen voor het heil van hun onsterfelijke ziel?

Krijgt nu een ieder in meer of mindere mate zijn deel in de angstvalligheden van dit leven, krijgt een ieder vroeger of later te doen met de dag der benauwdheid, daar is echter een volk, dat in bijzondere mate daarin krijgt te delen. Immers, Gods Woord zegt: ,,Vele zijn de tegenspoeden des rechtvaardigen”.

Doch waarom nu juist moet dat volk er vaak zo diep door? Waarom moet Asaf klagen: ,,Dewijl ik de ganse dag geplaagd ben, en mijn bestraffing is er alle morgen”?

Het is alleen opdat de deugden Gods in hen zouden verheerlijkt worden. Van Paulus sprak de Heere tot Ananias: ,,Ik zal u tonen hoeveel hij lijden moet om Mijns Naams wil, want deze is Mij

een uitverkoren vat”.

En zo zal het dan niet de benauwdheid zijn, maar de oefeningen, die het kind van God daar in opdoet, welke een kenmerk der genade genoemd mogen worden.

Allereerst Gods gerechtigheid. Zij leren, dat het kwaad en bitter is tegen de Heere te zondigen. Dan Gods Wijsheid, die het nodig keurt, en Gods liefde, die de drijfveer is, waarom ze zo vaak als

goud beproefd worden. Immers, die de Heere liefheeft, kastijdt Hij. Deze wegen van tegenheden, deze verdrukkingen werpen van zich een vreedzame vrucht der gerechtigheid, namelijk degenen, die er door geoefend worden. Hier leren zij God in Zijn recht en in Zijn souvereine handelingen met hen, toevallen. Hier mogen zij ondervinden, dat dezelfde handen, die slaan, ook helen.

Van Hem, Die hen in wegen van benauwdheid bracht en Die hen wondde, komt ook de balsem uit Gilead.

Gods deugden zijn de drijfveer van de roede, die over hen komt in de dag der benauwdheid; maar ook diezelfde deugden, waardoor de Heere antwoordt op het roepen van Zijn arm volk en

zegt: ,,Ik zal er u uithelpen”. Dit deed de dichter uitroepen:

Gij deed mij veel benauwdheid smaken,

En drukkend harteleed;

Maar, tot mijn hulp gereed,

Zult Gij mij weder levend maken;

Mij uit de afgrond trekken,

En met Uw vleug’len dekken.

II.

Omdat de Redder zo machtig is.

Bij alle benauwdheid echter, waarover we tot nog toe handelden, en waarin ook Gods volk vaak in Zulk een ruime mate deelt, is er echter één, die deze alle te boven gaat. Van die benauwdheid

sprak de dichter in Psalm 38:

Ben, door Uwe wet te schenden,

Krom van lenden,

Vol van druk, benauwd van hart.

En hiermede krijgt een ieder te doen, wiens voeten ooit geplaatst werden op het smalle pad, dat naar Sion voert. Dit is, als hun blinde zielsogen geopend worden, zodat ze gaan zien waar ze tot nog toe blind voor waren, als ze gearresteerd worden op hun zondeweg. Ze leren bij aanvang zichzelf kennen in hun schuld en verdoemelijkheid voor de Allerhoogste.

Let echter wel. Elke overtuiging van zonde leidt niet tot een zaligmakende bekering. Er is een overtuiging, die zeer wanhopend is, als bij Kain, Ezau of Judas. Zulk een overtuiging kan zeer benauwd zijn, maar drijft niet heen naar God, maar instede daarvan van God af. ,,Kaïn ging uit van het aangezicht des Heeren”. Zulk een benauwdheid verstokt het hart, gaat over zoals zij gekomen is, of eindigt aan de strop of in het water.

Het zaligmakende en het nabijkomende is voornamelijk in den beginne zo moeilijk van elkaar te onderscheiden. Waar de Heere echter door Zijn Geest een werk van zaligmakende genade begint te vestigen in de ziel, daar gaat de benauwdheid niet over de gevolgen van de zonde, of de schandelijkheid of schadelijkheid daarvan in de eerste plaats.

Neen toch, tegen een goeddoend God gezondigd te hebben, Hem te moeten missen, van Wiens recht, maar ook van Wiens goedheid en barmhartigheid ze aanvankelijk indrukken omdragen, zodat het hen uitdrijft met smeking en geween naar die God, tegen Wie ze gezondigd hebben.

Met David is het: ,,Tegen U, U alleen heb ik gezondigd”. En met de knechten van Benhadad gaan ze met de strop om de hals, nochtans uitroepend: ,,Wij hebben altijd gehoord, dat de koningen van Israël goedertieren koningen zijn”. Ja, zo roepen ze wel eens uit:

Gij, Die ’t zuchten hoort der armen,

Wilt U over mij erbarmen,

Dat ik U niet langer mis,

Die mijn ziel zo dierbaar is.

Zulken krijgen in die benauwdheid wel eens enige verkwikking, namelijk als ze hun ziel eens hartelijk voor God uit mogen gieten.

Want ze komen hier aanvankelijk aan Gods kant te staan, leren het Goddelijk recht toevallen en krijgen een welgevallen in de straffen hunner ongerechtigheden. In deze weg worden er wel eens zoete tranen geschreid.

Doch hoe bewegelijk en veranderlijk is dan hun zielsgesteldheid. Hoe gevoeliger ze over hun schuld kunnen klagen, hoe minder benauwd ze zijn; doch straks staat de gerechtigheid Gods weer levendig voor hen en, ziende zichzelf in hun totale ontblootheid van alle gerechtigheid, de wet Gods in haar geestelijkheid en eisen, hun geweten, dat hen aanklaagt, de satan, die hen beschuldigt, ervaren zij wat de dichter uitroept: ,,Ik werd benauwd van alle zijden”.

Doch, o eeuwig wonder van ontferming, tot zulken klinkt het in het woord van onze tekst: ,,Roept Mij aan”.

Maar, zo hoor ik een benauwde van hart zeggen: ,,Roept Mij aan”, ach, de benauwdheid van mijn benauwdheid is, dat ik niet roepen kan.

Ach, kon ik maar eens innig vragen,

En mijn nood aan Jezus klagen,

Dat zou verzachten mijne pijn.

Maar ongevoelig heen te gaan,

Dat is een voorboô van het sterven,

Moet ik dan eeuwig Jezus derven,

En onverzoend in ’t oordeel staan?

Laat ons tot zulk een volk zeggen: Ge moet tot God roepen, ge moet geloven, ge moet ernstig bidden, enz. Het zal veelal de benauwdheid nog groter maken.

Immers, God komt in dit Woord de hand ter redding uit te steken, maar nu kan de zondaar die niet aangrijpen. Bij voortgaande ontdekking leert hij niet alleen zijn grondslag: ,,Liggende in modderig slijk, waar men niet staan kan”, maar ook zijn totale hulpeloosheid en machteloosheid. Het is benauwdheid, Magor Missabib, schrik van rondom.

Doch let nu wel, hier wordt deze uitnodiging: ,,Roept Mij aan”, een scheppingsbevel. Want Hij, Die hier spreekt, is Dezelfde, Die eenmaal in de ochtendstond der schepping sprak: ,,Daar zij licht”. Hij roept de dingen, die niet zijn, alsof ze waren. Hij is het, Die temidden van de dood het leven, en temidden van de duisternis het licht formeert. Het gaat hier als bij de opwekking van de jongeling te Naïn, waar Christus sprak: ,,Jongeling, Ik zeg u, sta op”. Hoe toch was dit mogelijk? Kon een dode opstaan? Is het niet dwaas om tot een dode te zeggen: ,,Sta op”? Voorzeker, het zou dwaasheid zijn, als wij dit zeiden, doch niet als Christus het zegt. Hij toch komt als de Almachtige de mogelijkheid te-

midden van de onmogelijkheid te formeren.

Zo is het ook hier. Zijn Woord is met kracht. Zijn Woord is een scheppingsbevel, een kracht Gods tot Zaligheid. En deze kracht nu wordt in de arme zondaars zo uitgewerkt, dat ze in zichzelf niets dan zwakheid, niets dan machteloosheid bevinden. Maar ze wenden zich tot de Heere met een gevoel van onmacht en ellende aan hun zijde, maar daar tegenover ziende de Heere zo vol, zo rijk en zo dierbaar, dat ze zeggen: ,,Maar in de Heere zijn gerechtigheden en sterkte; tot Hem zal men komen”. En zo leren zij door de Geest der genade en der gebeden zuchten, roepen, schreien; zo leren zij geweld doen op het Koninkrijk der hemelen; zo roepen zij met Jacob: ,,Ik laat u niet los, tenzij Gij mij zegent”.

Zo leren zij roepen omdat hun nood zo groot is, maar ook omdat de Helper zo machtig is.

,,Roept Mij aan”. Dat is Jehova, de Ik zal zijn, Die Ik ben. Dat is Gods Wezensnaam, waarvan wij lezen: ,,De Naam des Heeren is een sterke toren; de rechtvaardige zal daar henen lopen en in een hoog vertrek gesteld worden”.

Aanroepen, dat is een vorm des gebeds. Dit aanroepen veronderstelt nood, of ook wel een verre afstand. Dit was het geval bij David, als hij zeide: ,,Van het einde des lands roep ik tot U, als mijn ziel overstelpt is; voer mij op een rotssteen, die mij te hoog zou zijn”, en op een andere plaats:

’k Roep U aan in angst en smart,

Duizend zorgen, duizend doden

Kwellen mijn angstvallig hart.

Doch let nu ook op de belofte, of de vrucht, namelijk: ,,Ik zal er u uithelpen”. ,,Hij zal Mij aanroepen, en in de benauwdheid zal Ik nog bij hem zijn”.

Benauwd van alle zijden. Alles getuigt tegen hem. De beschuldigers, satan, wet, zijn eigen geweten. Ja bovenal, de Allerhoogste klaagt hem aan. Van alle zijden ingesloten. Doch hier openbaart Zich uit Gods eeuwig welbehagen Hij, Die als de Borg der uitverkorenen vervult: ,,En Hij zal de nooddruftige ter rechterhand staan, om hem te redden van degenen, die zijn ziel veroordelen”.

Dit kan Hij alleen doen, Die met Zijn hart borg geworden is.

Die pleit op grond van Zijn eigen zoendood. Die het recht der wet vervuld heeft. Die van de Vader uitgaat; Die de stem Zijns bloeds en Zijner gerechtigheid verheft in ’s hemels vierschaar.

Die bevoegd en machtig is om de ellendige in zijn ellende vrij te maken.

Velen lopen over deze zaken heen. Het zijn dezulken, waarvan we lezen in de Openbaring, dat er sprinkhanen zullen zijn met mensengezichten. Dezulken springen over het recht Gods heen.

De duivel leert het ons tegenwoordig geslacht, en hun mond spreekt het uit: ,,Dat is ouderwets, mystiek; immers, wij hebben het verbond, de belofte. Spreek ons van zachte dingen en beschouw onze bedriegerijen”. Het zijn de mannen, die bij voorkeur komen met producten van onze oppervlakkige en verwaterde tijden. Met een nieuwe bijbelvertaling, nieuwe psalmberijming,

nieuwe zangwijzen, nieuwe kerkorde, en. . . . een nieuwe bekering.

Al die nieuwigheden zijn vrucht van een onvernieuwd hart. Ja, van de dood. Dezulken kennen geen zielebanden en benauwdheid, maar grijpen de beloftenissen Gods aan als een roof. O, de Heere moge nog onze ogen openen voor het zielsverderfelijke van onze tegenwoordige godsdienst, waar God en Zijn Geest niet in zijn, om het nog intijds zielsbevindelijk te leren: ,,Deze ellendige riep, en de Heere hoorde en verloste hem uit al zijn benauwdheden”. Daar valt al wat van het schepsel is buiten. Zulk één blijft liggen waar hij ligt, die kan niet van zijn plaats komen; die kan alleen door genade om genade roepen, door genade genade beleven en verheerlijken. Maar dan ook alleen leert hij ervaren:

Mij, in de kuil verzonken,

Mij heeft Hij hulp geschonken;

Gevoerd uit modd’rig slijk.

III.

Omdat de vrucht zo heilrijk is.

Uithelpen! Dit veronderstelt, dat men ergens in zit of van rondom ingesloten zit.

Zo nu zijn voor Gods kinderen de benauwdheden als zo vele hoge muren, die hen ingesloten hebben als in een kerker, waarom we lezen ,,Ik ben besloten en kan niet uitkomen”. Doch het kan ook vergeleken worden als bij een diepe put, waarin men verzonken ligt. Dit was het geval bij de dichter in Psalm 69, als hij zeide: ,,Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet staan kan; ik ben gekomen in de diepte der wateren, en de vloed overstroomt mij”.

Van zulk een benauwdheid, waaruit hij tot God leerde roepen, sprak ook Jeremia: ,,De wateren zwommen over mijn hoofd. Ik zeide: Ik ben afgesneden”. Maar ook: ,,Heere, ik heb Uw Naam

aangeroepen uit de onderste kuil; Gij hebt mijn stem gehoord; verberg Uw oor niet voor mijn zuchten, voor mijn roepen”.

Nu zegt de Heere: ,,Ik zal er u uithelpen”.

Hoe dat kan? Alleen op grond van Gods eeuwige, verkiezende liefde, uit kracht van Gods vrijmachtig welbehagen. Uit deze bewegende grond ontdekt zich de enige weg tot redding en behoudenis van de verloren zondaar. Het is alleen in die door God verkoren Held der hulp, Die daartoe in ontelbare benauwdheden, smaadheden en angsten der hel is neergezonken. Het is alleen door de koorden van Gods verkiezende liefde en de snoeren van des Middelaars hartebloed, waardoor een arme vertredene, in de dood weggezonkene, wordt opgehaald uit de kuil van angsten en benauwdheid.

Vandaar sprak de apostel: ,,In Wie wij hebben de verlossing door Zijn bloed; de vergeving der zonden naar de rijkdom Zijner genade”. Hij gevoelde, dat de vergeving der zonden in zijn consciëntie verzegeld was.

En zo ook zongen de kinderen Israëls een lied van zoete melodie, tot lof van Zijn rijke genade, voor de grote bevrijding, die Hij hun geboden had. Ik twijfel er niet aan, of zij hebben gedacht, dat zij zouden zingen al de dagen huns levens. Hij gaf een nieuw lied in hun mond.

Immers: ,,En gij zult Mij eren”, zegt de tekst. Christus beroofde inderdaad de wet van haar veroordelende kracht over Zijn volk, als zijnde nu gerechtvaardigd en verzoend, en Hij verduurde in

hun plaats de bezoldiging der zonde, zodat Hij de dood verslonden heeft tot overwinning. Zo ziet de ziel door de inwendige verlichting des Heiligen Geestes, dat in Hem (Christus) gerechtigheid en vrede elkander kussen, en het is dezelfde wet, die hen veroordeelde en haar vloeken tegen hen uitsprak, die nu in het hart geschreven is, opdat deze de regel zij van hun geloof, leven en praktijk.

De Wet is dus bevestigd en in genen dele buiten werking gesteld.

Daarom: ,,Gij zult Mij eren”, is naar de regel van deze wet.

Maar ach, hoe diep wordt de ziel in dit stuk vernederd. Want niet minder dan in het stuk der rechtvaardigmaking: ;,Uw vrucht wordt uit Mij gevonden”, namelijk de vrucht van Christus’ gerechtigheid, dat is de toepassing van Christus’ plaatsbekledende en toegerekende gerechtigheid; zo komt ook in het stuk der heiligmaking de vrucht van Christus’ heiligende genade door de

bediening des Heiligen Geestes openbaar. In beide is Christus noodzakelijk en in beide geldt het: ,,Uw vrucht wordt uit Mij gevonden”.

Immers, wanneer het vuur des Heiligen Geestes in hen in Zijn heiligende invloeden zich openbaart, dan gevoelen zij het lichaam der zonde sterker te zijn dan ooit; en het is zeer waarschijnlijk, dat dit het geval was met de apostel, toen hij uitriep: ,,Ik ellendig mens! wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?”

Spraken we zoëven van de kinderen Israëls, dat ze na hun doortocht door de zee, nadat ze uit de diepte en banden der benauwdheid verlost waren; wel dachten ze, dat ze hun ganse leven nu zouden zingen, dat na het doorgaan door de Rode Zee de zonden hen niet meer zouden verontrusten, omdat alle Egyptenaren verdronken waren. Zij bevonden echter, dat er in Kanaän krachtige Kanaänieten en Amorieten waren. En in deze strijd mogen er ogenblikken van overwinning zijn; vele malen echter

liggen ze neder als een strijdeloze strijder in banden van ongeloof en twijfel. Zelden kunnen ze hun hoofd boven de gebreken uit krijgen. Satan is zo kwaadaardig, het hart zo bedriegelijk, en het vleselijk gemoed zo machtig en vijandig tegen God, Zijn bestuur en Zijn weg, dat, indien wij onze ziel tot een buit mogen verkrijgen, het zal grond verschaffen om de drieénige God eeuwig aanbiddend te loven en te prijzen.

,,En gij zult Mij eren”. Dat is een rijke belofte. Maar dat is ook naar de begeerte van het door Gods Geest vernieuwde hart.

,,Ik heb Mijzelf een volk geformeerd. Zij zullen Mijn lof vertellen”. Daartoe worden ze van harte willig en bereid gemaakt.

,,Mijn volk zal zeer gewillig zijn op de dag van Mijn heirkracht”.

Hoe schoon valt het schepsel er buiten. Niets uit ons, het al uit Hem; zo komt een arme zuchter in Jeruzalem. Maar zo ook mogen ze er wel eens toe verwaardigd worden om uit dit Mesech der ellende uit te zien naar die volkomen verlossing uit al hun benauwdheden, als ze volmaakt Hem mogen eren, lieven en loven, Die hun ziel zo dierbaar is. Kennen we voor eigen hart iets van dit leven? Hebben we ooit uit de banden onzer zonde en schuld in waarheid leren roepen?

En hebben we ten deze ervaren, dat God in Christus is een gebed gevend, een gebed horend, maar ook een gebed antwoordend God?

O, wanneer wij nog een vreemdeling zijn van al deze dingen, dan kunnen we een schone belijdenis hebben, een rechte kennis der waarheid, een goede opvoeding genoten hebben, en een naar de buitenzijde onberispelijk leven hebben, maar ach, dan hebben wij niet meer dan de rijke jongeling. We kunnen bijna een christen zijn en dicht bij het Koninkrijk der hemelen, en toch voor eeuwig buiten blijven. Hoe vreselijk zal het zijn. Dat zal dan een eeuwige dag der benauwdheid zijn, waaruit men vruchteloos roepen zal. O, leerden we het nog voor het voor eeuwig te laat zal zijn. Bedenkt het, de tijd is kort en de eeuwigheid wenkt. Arm, diep beklagenswaardig schepsel, die in tijd en eeuwigheid geen toevlucht kent, die nog voor eigen rekening leeft, geen hoop in het leven, geen troost in het sterven. Ziet daar tegenover het geluk van Gods kinderen, reeds aan deze zijde van het graf. O, hoe mogen alle bezwaren wel eens wegvallen, als ze het oog op Sion gericht hebben. Hoe licht valt hun weg, als ze mogen zien op de overste Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus.

Maar ook, hoe mogen ze wel eens terugzien op hun afgelegde weg, wat en wie God voor hen geweest is in wegen van druk en benauwdheid. Ja, dan fluistert de Heilige Geest in hun ziel:

,,Richt u merktekenen op; stel u spitse pilaren”.

En hun ziel antwoordt:

Ik zal, omdat G’ in bange dagen

Mijn Toevlucht waart, van U gewagen;

Van U, mijn Sterkte, zij mijn zang

En snarenspel, mijn leven lang.

Ik heb, in nood aan God verbonden,

In Hem mijn hoog vertrek gevonden.

In God, Wiens goedertierenheid

Zich over mij heeft uitgebreid.

Dat eren zal straks volmaakt plaats hebben, als ze, verlost van het lichaam des doods en der zonde, de Vader, Die hen verkoor, de Zoon, Die hen verloste, en de Heilige Geest, Die hen verzegelde tot op de dag van Jezus Christus, eeuwig zullen lieven en loven, en ze het lied zullen aanheffen van Mozes en het Lam.

Amen.