Psalm 48:13 'Gaat rondom Sion en omringt het; telt zijne torens. ' ds. P. de Smit

DE KERK DES HEEREN 1933
Psalm 48: 1
Lezen: Psalm 68 :1-14.
Psalm 68:5 en 13.
,, 89:8.
,, 93:4.
Gaat rondom Sion en omringt het; telt zijne torens.
Psalm 48 :13.

Vraag 54. Wat gelooft gij van de heilige algemene Christelijke kerk?
Antwoord. Dat de Zone Gods uit het ganse menselijk geslacht zich ene gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren, door Zijn Geest en Woord, in eeuwigheid des waren geloofs, van den beginne der wereld tot aan het einde, vergadert, beschermt en onderhoudt; en dat ik daarvan een levend lidmaat ben, en eeuwig zal blijven.
Heid. Cat. Zondag 21a.
Wij gaan tot u spreken, mijne geliefden, over de kerk. Voorzeker een uitgelezen onderwerp en in onze dagen, zeer actueel. De kerk vraagt in bijzondere mate onze aandacht. De vijand let ook op haar. Van alle zijden wordt Sion omringd, schoon niet steeds met edele bedoelingen. Helaas, hoe fel wordt de kerk bestreden. Het is daarom voor ieder onzer noodzakelijk, dat we heldere begrippen over de kerk hebben. Moge de prediking in deze ure daartoe iets bijdragen. Onze liefde tot de kerk moge opgewekt worden, opdat wij haar als de stad Gods, verheffen tot het hoogste van onze blijdschap.
Wij wensen aan de hand van onzen Heidelberger rondom Sion te gaan en het omringende zijne torens te tellen.
DE KERK DES HEEREN.
1. Haar liefelijkheid;
2. Haar opbouw;
3. Haar bewaring.
1. HAAR LIEFELIJKHEID.
Dan mag ik u al dadelijk zeggen, dat de Heere haar liefheeft en liefelijk vindt. Het woord „kerk" zelve herinnert ons daaraan, want kerk betekent: wat des Heeren is. Ze is dus het eigendom van den Heere. Dan is het wel te begrijpen, dat Hij haar liefheeft, ja, dat Hij haar bemint als de appel van het oog. Daarom heeft de Heere ook zulke voortreffelijke namen voor die kerk uitgezocht, en in al die namen heeft Hij Zijn liefde voor haar uitgesproken. Zij wordt genoemd: de Stad Gods, die een vreugde is voor de ganse aarde. In het Hooglied spreekt de Heere van haar als: mijn schoonste, mijn duive, mijn liefste, mijn volmaakte. Elders wordt ze geheten een huis, waarvan de Heere zelf de Kunstenaar en Bouwmeester is. Haar grondvesten rusten op de heilige bergen van zijn verkiezende liefde. Daarom is zij „de uitverkoren vrouw", naar Johannes' tweeden zendbrief. Haar vloer is de waarheid.
Daarom is het de verheuging des Heeren, dat zijn kinderen in de waarheid wandelen. Haar muren en voorschansen worden heil genoemd, want daar is onwankelbare zekerheid achter dezelve. Het dak van die kerk is de heilige hoede des Heeren, waarom er ook staat, dat de Heere over Sion scheppen zal een wolk des daags en de glans van een vlammend vuur des nachts, want over alles wat heerlijk is zal een beschutting wezen. Het sieraad van die kerk is vrede en blijdschap, waarom de dichter zingt: de heiligheid is uwen huize sierlijk, Heere, tot lange dagen. Uit dit alles kunnen wij zeer gemakkelijk zien, dat de kerk liefelijk is voor den Heere. Zelfs wordt zij genoemd: de bruid van Christus, en zijn lichaam. En welke bruidegom bemint niet zijn bruid met tedere liefde? Wie van de menschenkinderen heeft niet zijn eigen lichaam lief en koestert dat? Hoeveel te meer mogen wij dit van den Heere zeggen, ten opzichte van de kerk.
Geen, wonder dan, dat zeer heerlijke dingen van deze stad Gods worden gesproken. Licht te begrijpen, dat de dichter, met heiligen geestdrift, ons oproept: Gaat rondom Sion en omringt het, telt zijne torens; zet uw hart op zijne vesting; beschouwt onderscheidenlijk zijne paleizen, opdat gij het den navolgende geslacht vertelt.
Nu heeft de Heere die kerk niet alleen lief, omdat ze zijn eigendom is, maar ook omdat Hij ze aan zijn volk geeft. Bunyan heeft de kerk des Heeren genoemd: het paleis liefelijkheid. En hij zegt ervan, dat de Heere dit paleis heeft laten bouwen tot een vriendelijk verblijf voor alle vermoeide pelgrims, die uit de stad des verderfs voorttrekken naar het hemels vaderland. O, als er eens geen kerk was, waar zouden wij dan verblijven. Hoe dor en verlaten zou dan ons leven zijn. Wij zouden gelijken op arme, verdwaalde woestijnreizigers, die elk ogenblik, van vermoeienis, dreigen te bezwijken. Zie er dan ook een groot bewijs van Gods liefde in, als Hij die kerk heeft gegeven aan Zijn beminde volk. Besef dan toch, dat die kerk voor den Heere liefelijk is, als Hij haar wilde stichten tot een verkwikkend tehuis van zijn beminden, opdat ze op hun zware tocht, door deze wereld, een aangename pauze daarin mochten vinden.
Het spreekt vanzelf, dat die kerk ook liefelijk is voor de ware Sionieten. Petrus roemt haar: een uitverkoren geslacht, een heilig volk, een verkregen volk, dat verkondigen mag de deugden des-genen, die ze geroepen heeft uit de duisternis tot zijn wonderbaar licht. Paulus belijdt van haar, dat zij is: de stad des levenden Gods, het hemelse Jeruzalem, de algemene vergadering, de gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn. En wie van de kinderen Gods wil niet gaarne van die kerk zingen, om haar te prijzen:
In haar paleizen vestigt God
Zijn troon; wordt daar erkend, een slot,
Een hoog vertrek voor 't volk te wezen;
Geen vorsten heeft men daar te vrezen.
Voorwaar, de kerk is liefelijk. Liefelijk voor den Heere. Liefelijk voor het volk des Heeren. De Heere spreidt Zijn vollen luister daar ten toon. De kinderen des Heeren zingen in haar paleizen van haar roem en glorie.
Maar, die liefelijkheid zal nog meer rijzen voor onze aandacht, als wij de eigenschappen van die kerk zullen naspeuren. In de apostolische geloofsbelijdenis zeggen wij: Ik geloof, een, heilige, algemene, christelijke kerk. Daar worden dus wel een viertal eigenschappen opgeteld.
Eén kerk is het. Helaas, daar zijn in onze dagen vele kerken en kerkjes, groepen en groepjes. Dat wij het belijden en gevoelen met diepe smart. De verdeeldheid der kerk herinnert aan onze zonde. Is ons allen tot scherpe veroordeeling. Maar, dit raakt toch nog maar den buitenkant, de zichtbare zijde. Die mogen we volstrekt niet gering achten, want dat zou beginselloos zijn. En beginselloosheid is goddeloosheid, is revolutie uit de hel, is het communisme op het zichtbare veld van de kerk. Moge de Heere ons daarvoor bewaren. De beginselloosheid is schrikkelijk. Maar dit neemt toch de eenheid van de kerk niet weg. Als wij maar letten op het leven dat haar is gegeven. Als wij maar bedenken de vaste, innige verknochtheid van de kerk aan den levenden Christus. Dan is ze, — ondanks alle verbrokkeling, die wij met grote droefheid belijden; ondanks onze gruwelijke zonde, die zoveel verscheuring gebracht heeft; — toch een. Ik geloof één kerk. Eén kudde onder één Herder. Eén lichaam onder één Hoofd. Eén godsgebouw bewoond en doorwoond door één Heiligen Geest.
Eén beminnelijk gezelschap saamgebonden door één zoeten hechten, onverbrekelijke band des vredes. Daaraan denkende zing ik het nog van harte mee, wat eenmaal Groenewegen ons heeft voorgezongen:
Zoete banden, die mij binden,
Aan het lieve volk van God,
Mijne ziele haar beminden,
Want wij erven eender lot.
O hoe lieflijk zijn die banden,
O, wat is dat zalig een,
Zoo verenigt hart en handen,
Alles hebben wij gemeen.
Ze is ook een heilige kerk.
Neen, dat wil nu niet zeggen, dat er geen smetje of vlekje aan -die kerk zou kleven, of dat die kerk hier op aarde in onberispelijkheid zou leven of wandelen. Maar wel, dat zij tot zulk een reinheid en smetteloze heiligheid bestemd is.
De zonde behoort niet tot het wezen van de kerk.
De zonde moet uit haar midden weg.
De kerk moet de zonde afsterven, opdat ze in gerechtigheid zou leven, onberispelijk voor den Heere zijnde in de liefde. Ik weet, dit maakt nu juist den grote strijd uit voor de gehele kerk. Een strijd, waaronder ze klaagt en weent, omdat ze telkens weer haar onheiligheid ontwaart. Dit neemt echter niet weg, dat zij toch een heilige kerk is.
Dan moet ge eens denken aan de heilige roeping, waarmee ze begaafd is, toen de Heere haar riep uit de duisternis tot zijn wonderbaar licht. Dan moet ge ook bedenken, dat die kerk gewassen is met het dierbaar bloed van den Heere Jezus Christus en hoe zij vervuld wierd met dien Heiligen Geest. En ja, dan mag die kerk hier nog met zeer veel onheiligheden hebben te worstelen; laat ze het hier beneden nog moeten uitsnikken: Ik zink in 't slijk; ik voel mij overstromen; ik ga te grond; de vloed is mij te groot, — toch zal die kerk eenmaal, triomferend, het hoofd boven de wateren der zonde opheffen en blinkend in de hemelse sieraden van zuivere gerechtigheid en heiligheid staan voor den troon van God en van het Lam met lange, witte klederen bekleed en palmen der glorie in de hand.
Daarom belijden wij met onze vaderen: ik geloof een heilige kerk.
Ze is ook een algemene kerk.
Zij is niet tot één volk bepaald.
De kerk des Heeren is een wereldkerk.
Zij omvat alle volken en natiën en geslachten. Zij heeft verkwikking en lafenis voor elk mensenhart. Voor jeugdigen en ouden, voor" geleerden en eenvoudigen, voor Javanen en Chinezen, voor Barbaar en Scyt, voor dienstbare en vrije. Het is een heerlijke gedachte de ` leden van alle zijden der wereld tot die kerk te zien toevloeien. Het is hartverheffend te mogen weten, dat de Naam van onzen Heere Jezus Christus aan alle plaatsen Zijner heerschappij wordt aangeroepen, en dat de Vader overal wordt aangebeden in geest en in waarheid.
Want er is geen onderscheid, noch van Jood, noch van Griek, want eenzelfde is Heere over allen, rijk zijnde over allen, die Hem aanroepen. En eens zal de hemel gevuld zijn met een schare van verlosten, die gekomen is uit alle volk en geslacht en taal en natie.
Een algemene kerk.
Gij hebt verstaan, dat vooral hierin gegrond is de roeping om het evangelie uit te dragen naar alle creaturen. Er mag geen landstreek overblijven, waar de Naam des Heeren niet wordt gehoord. Er mag geen vlek meer bestaan, waar satan vrij en frank en onbeperkt zijn ijzeren scepter zou zwaaien. Heel de wereld moet opgeëist voor den Heere, en voor zijnen Christus. „Van zee tot zee moet Hij regeren. Zover men volken kent Men zal Hem van d' Eufraat vereren, Tot aan des aardrijks end." Zoo eerst komt het tot zijn beslag, wat wij belijden: Ik geloof een algemene kerk.
Ze is ook een christelijke kerk.
Christus is haar heerlijk Hoofd en Koning.
Christus heeft de kerk van den Vader ontvangen als loon op zijn arbeid. Derhalve is zij het eigendom van Christus. Hij is haar Hoofd. Zij is zijn lichaam. Hij is haar kroon. Zij is zijn kroon. De kerk wordt ten innigste met Christus verenigd. Zij wordt Hem ingelijfd. Zij bouwt haar geloof op Hem. Zij leert op Hem hopen. Ze wordt met Zijn Geest vervuld en door Zijn Geest geleid. Deel krijgt ze aan zijn zalving, daarom is die kerk in Christus geroepen tot profeet, priester en koning. Zoo ontvangen dan alle leden uit Christus wat ze behoeven voor het leven en de godzaligheid. Welk een onuitsprekelijk voorrecht tot die ware, levende kerk te behoren. Die den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe. Maar zovelen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods — die zijn erfgenamen Gods en mede-erfgenamen van Christus. Die belijden daarom ook hunne gemeenschap aan Christus en spreken met vreugde in hun credo: Ik geloof een christelijke kerk.
Vatten wij dit alles nu te zamen, dan blinkt de liefelijkheid van de Kerk des Heeren ons duidelijk tegen. Het wordt ons dan glashelder dat de Heere de kerk liefheeft en haar liefelijk maakt. Hij vervult haar met de hemelse geuren van zijn zalige tegenwoordigheid. Hij versiert haar met de schoonste kleuren van Zijn blanke gerechtigheid. Zoals de tempel van den ouden dag vervuld was van 'de zoete geuren der welriekende wierookwolken, zoo vervult de Heere zijn kerk met zijn Geest, liefde en genade en maakt haar tot een indrukwekkend, heerlijk heiligdom.
Maar nu staat het voor een ieder onzer ook vast, dat die kerk teder bemind wordt door de godvrezenden. Wat eenmaal de Israëliet met vurige bezieling van Jeruzalem zeid, dat zegt elk kind van God van de kerk des Heeren: Indien ik u vergeet, o Jeruzalem, zoo vergete mijne rechterhand zichzelve. Mijn tong kevie aan mijn gehemelte, zoo ik aan u niet gedenke, zoo ik Jeruzalem niet verheffe boven het hoogste mijner blijdschap.
Ach, vraagt gij, waarom zijn er dan zovelen in onze dagen, die Sion gram zijn? Waarom zovelen, die in beginselloosheid de kerk verachten en vertreden? En niet buiten haar, want daar kunnen we niet anders verwachten. Maar in haar midden. Soms in ééne gemeente.
Van de Mohammedanen is ons bekend, dat ze heel de wereld opeisen voor hun godsdienst. Zij streven dat doel na met het zwaard in den vuist en met een fanatisme, dat aan doodsverachting grenst. Waarom zien wij zoveel ijver bij de valse kerk en waarom ontdekken we daarvan zoo weinig bij de ware kerk? Van de kleine partij der goddeloze communisten in ons land is het, vooral in deze dagen, bekend geworden, dat ze overál haar organen heeft, of wilt ge; haar cellen: op kantoren, op fabrieken, in het leger, bij de marine, tot zelfs, zoals men fluistert, in het koninklijk paleis. Waarom daar zoo sterke activiteit, zoveel vuur en bezieling voor de ongeloofsidee, en waarom in de kerk des Heeren zoo droeve verdeeldheid, zulke scherpe haat en tweedracht, zoo vaak afbreuk en tegenwerking — dikwijls in één en hetzelfde huis?
Laat ons dit echter niet bevreemden, mijne geliefden. Het is waar, velen nemen aanstoot aan deze dingen. Doch ten onrechte.
Wij moeten weten, dat hier op aarde de strijdende kerk is. En dan moeten wij, met onze vaderen, vooral hier, de onderscheiding maken van zichtbare en onzichtbare kerk. In de zichtbare kerk nu kunnen zeer velen insluipen, die van de ware, onzichtbare kerk niet zijn. De ambtsdragers kunnen die niet onderkennen. Zij hoeven dat niet ook. De Heere weet, met nauwkeurige zekerheid, wie de Zijnen zijn, en dat is genoeg. Hem komt het oordeel toe. Intussen, in die zichtbare kerk zijn geveinsden, hypocrieten, huichelaars, zulken, die zich niet van harte tot God bekeren. Naar het uitwendige gerekend, behoren ze tot de kerk; maar de Heere zegt van hen, dat ze dood zijn. En die zijn, inderdaad, dikwijls de grootste vijanden. Die hebben het de ware kerk al wat lastig gemaakt. Die hebben het ware volk van God al wat smarten aangedaan. Die hebben de getrouwe leeraars als menig- maal bestreden. De jeugdige Timotheüs heeft al wat te verduren gehad van een Hymenëus en Filétus in de gemeente van Efeze. Zij dreigden schier de gehele gemeente te verwoesten. En hoewel dit den vijanden nooit zal gelukken — want het vaste fundament Gods ligt onwrikbaar — nochtans kunnen zij heel wat verscheuring en verstoring brengen. Daarom zeg ik: het bevreemde ons niet, dat er juist op het terrein der kerk zoveel strijd wordt aanschouwd. O, het verbaze ons niet, dat telkens twist en boosheid openbaar komt. We moeten het verwachten. De kerk is het slagveld, waar de zwaarste strijd wordt gestreden. Alleen laat dit onze bede zijn en onze voordurende vreze: Heere, mag ik tot uw levende volk behoren. Laat ik uwe sprake tot mijne ziele beluisteren: Vrees niet, klein kuddeke, want het is uws Vaders welbehagen, ulieden het koninkrijk te geven. Dan weet ik vast: gij hebt de kerk lief. Ook de plaatselijke gemeente. Dan zult gij niet breken, maar bouwen, niet lasteren maar bidden, niet vloeken maar zegenen.
O, mocht de Heere ons zulke leden geven.
Jonge mensen, mocht gij zulke leden zijn of worden.
En gij ouderen, gij mocht het met onze jonge mensen genieten. Dan zoeken wij het heil van eigen kerk, van eigen gemeente, zonder verachting of geringschatting van anderen. Wij hebben de kerk lief en wat meer zegt: de Heere heeft ons lief. Want de kerk is liefelijk in het oog des Heeren.
Daarom is het ook de Heere, die haar bouwt. Dit leidt mij als vanzelve tot de tweede gedachte over de kerk des Heeren, namelijk:
2. HAAR OPBOUW.
Nu gaan we eens het antwoord lezen van onzen Heidelberger. Op de vraag: Wat gelooft gij van de heilige algemene Christelijke kerk? wordt door hem gezegd: Dat de Zone Gods uit het ganse menselijk geslacht Zich een gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren, door Zijn Geest en Woord, in eeuwigheid des waren geloofs, van den beginne der wereld tot aan het einde, vergadert. Daar worden niet minder dan een zevental schone, voortreffelijke kenmerken van den opbouw der kerk ons voorgelegd.
Laten wij ze maar eens nagaan.
In de eerste plaats wordt ons verteld, dat de Zone Gods haar opbouwt. Wij hebben het daar straks reeds gezien, dat de kerk zijn eigendom is. Hij heeft ze van den Vader ontvangen. Hij heeft Zijn ziel tot een schuldoffer voor haar gegeven. Hij heeft Zijn dierbaar bloed voor haar geplengd. Op dien arbeid mag Hij dan ook zaad zien. En welk een troostvolle gedachte is dit. De kerk is geen stichting van mensen, maar van den Zone Gods. Mensen kunnen veel tot stand brengen, maar eenmaal zinkt het weder in het niet weg. Nebucadnezar had een machtig wereldrijk, zoo schitterend, dat de Heere hem in zijn Woord vergelijkt met een „gouden hoofd". Maar Babylon is niet meer. Karel V had een rijk, waarin, zoals men zeide, de zon niet onderging.
Maar door de geweldige zorgen was deze koning al vroeg oud en stierf hij en zijn rijk viel aan brokstukken uiteen. Napoleon deed in enkele jaren schier heel Europa onder zijn vuist bukken.
Maar nog vóór zijn eigen levenseinde daar was, moest hij de vernietiging van zijn levenswerk aanschouwen. Zoo is het met de kerk des Heeren niet. Zij wordt niet door zwakke, sterfelijke mensen gebouwd. De Heere zelf is haar Bouwmeester, de Zone Gods. Hij, die de structuur van deze wereld heeft samengesteld, Hij bouwt de kerk. Hij, die de dingen roept die niet zijn alsof ze waren; Hij róept de kerk te voorschijn. En niets kan Hem daarin tegenstaan of hinderen. Hij bezit alle macht in hemel en op aarde. Geen woeden van satan, geen rumoeren der volken kan Hem Zijn heerlijk werk beletten. Hij zegt tot Jeruzalem: word gebouwd; en tot den tempel: word gegrond. Ook behoeven wij niet te vrezen, dat Zijn schone stichting te niet zal gaan, want Zijn koninkrijk is een koninkrijk van alle eeuwen. Welk een blijdschap dus, dat de Zone Gods de kerk opbouwt. Als wij nu ook maar weten mogen, dat wij door Hem ingezameld werden, dan mogen wij elkander toeroepen: „Juicht en zingt vrolijk, gij inwoners van Sion, want de Heilige Israëls is groot in liet midden van u."
In de tweede plaats wordt ons gezegd, dat de kerk opgebouwd wordt uit het ganse menselijk geslacht. De opbouw is reeds aangevangen in het paradijs. Adam en Eva werden als de eerste levende stenen toegebracht. En die bouw is voortgegaan. Hoevelen zijn gekomen. Abel en Seth, Henoch en Noach, Abraham en Melchizedek, Isaak en Jacob, en duizenden bij duizenden zijn toegebracht. Nog steeds gaat die bouw voort uit het ganse menselijk geslacht. Soms kwamen drie duizend gelijk. Op dien onvergetelijken Pinksterdag; soms komén enkelingen, schier onmerkbaar. Er zijn tijden, waarin het lustig bouwen van den groten Bouwheer als met het oor wordt gehoord. Er zijn ook tijden, waarin bijna niets van den opbouw wordt vernomen, zoo-dat een Elia in zijne dagen zelfs meende, dat hij maar alleen was overgebleven van de getrouwen. Maar de bouw gaat voort, of wij het zien of niet zien, horen of niet horen. De bouw gaat voort, ook in onze dagen, ook in ons midden. Gezegende dag, waarop ook wij in Sion mogen ingelijfd worden om den naam van Sions kinderen te dragen. Onvergetelijke dag, waarop wij evenzo Christus toegevoerd mogen worden, om aan Hem deel te krijgen en door Hem aan den Drieëenigen God. Dan mag het ook van ons gezegd, wat Paulus van. de Efeziërs heeft geschreven: Eertijds waart gij duisternis, maar nu zijt gij licht in den Heere, wandelt dan als kinderen des lichts. Weet gij uzelf reeds vergaderd tot deze levende kerk, door den Zone Gods?
In de derde plaats wordt vermeld: wie tot de gemeente toegevoerd worden. Dat zijn: de uitverkorenen ten eeuwigen leven. De Zone Gods gaat bij het opbouwen van Zijn kerk dus niet willekeurig te werk. Het zou zeer dwaas zijn zoiets te denken. Wanneer een architect een kostbaar gebouw zal oprichten, dan maakt hij van te voren immers een bestek. En als hij met de uitvoering van dat plan begint, dan zal hij zich te nauwste aan dat ontworpen plan houden. Hoeveel te meer de Zone Gods bij den opbouw van Zijn kerk. Het geldt hier niet een monumentaal gebouw, dat enkele eeuwen moet verduren, dat de vreugde en de roem der menschenkinderen zijn moet, — het geldt hier de kerk, die Gods liefde bezit, die Zijn glorie en Zijn naam zal vertellen tot in einde-boze eeuwigheid. Daarom geschiedt de opbouw der kerk naar het machtige ontwerp des Vaders: de heerlijke verkiezing. 0, welgelukzalig de mens, dien God uitverkoren heeft en dien Hij doet naderen om te wonen in Zijne voorhoven.
Ik weet, dat vele mensen van dit gewichtige besluit Gods niets willen weten. Zij briesen er tegen met al den haat van hun hart. Niet alsof zij zich zozeer om die verkiezing bekommerden, ook niet omdat de zaligheid hunner ziel zoo zwaar woog op hunne harten. Verre vandaar. Het is hun vijandschap tegen God, hun haat tegen de vrije genade, hun verwaten hoogmoed, waarmee zij zich stellen tegenover het volk des Heeren. Zullen wij dan liever van deze heerlijke verkiezing zwijgen? Zullen wij de rijkste, onwankelbare vertroosting van de kerk des Heeren dan wegmoffelen, terwille van goddelozen, geveinsden, huichelaars?
Heeft de Heere dat ooit ergens geboden? Staat het misschien hier of daar in het Woord van God, dat wij deze of gene waarheid alleen vertellen zullen aan broeders en zusters, in de gezelschappen, liefst zoo geheimzinnig mogelijk? Wij weten het beter. En wat heeft de Heere Jezus gedaan? Heeft Hij heel voorzichtig de eeuwige verkiezing des Vaders gemeden? Maar wat vraag ik nog langer. Juist de Heiland heeft dezen onwankelbare grond van de kerk zoo heerlijk en helder naar voren gebracht. Hij sprak het vrijuit tot de Joden: Die uit God is, hoort de woorden Gods; daarom hoort gijlieden niet, omdat gij uit God niet zijt; en wederom: Ik stel mijn leven voor de schapen, gelijk ik u gezegd heb. Ja, eens was zelfs dit eeuwig welbehagen Gods des Vaders de stof van des Heilands danklied, als Hij zeide: „Ik dank u, Vader, Heere des hemels en der aarde, dat gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt ze den kinderkens geopenbaard; ja, Vader, alzó is geweest het welbehagen voor U." Voorwaar, er is geen waarheid in het Woord van God', waarvoor wij verlegen hoeven te zijn, of waarvoor wij ons hebben te schamen.
En er is geen waarheid, die wij niet rustig en openlijk en ten volle mogen prediken. En zoo zij zuiver gepredikt worde, wij hebben niet te vrezen, dat zij enige schade zal doen. — Zeker, deze waarheid kan verknoeid worden en verwrongen. Maar, dat kan iedere waarheid. Onvaste mensen doen zulks, doch tot hun eigen verderf. Wat deze verkiezing betreft, het onwankelbare fundament, waarop de kerk des Heeren rust, wij zullen ze prediken, met blijdschap, met gloed, tot vertroosting van allen, die den Heere vrezen en tot beschaming van allen, die den Heere en Zijn Sion gram zijn. Ook ten opzichte van deze waarheid, roepen wij u toe, met den dichter:
„Gaat rondom Sion en omringt het; telt zijne torens." En wanneer wij nu dit gewichtige besluit prediken, dan hoeft niemand hierdoor moedeloos te worden. Het is eens zeer schoon opgemerkt: niemand hoeft te geloven, dat hij een verworpene is, zolang hij nog leeft en wandelt in den dag der zaligheid; niemand mag geloven, dat hij het is, want de roepstemmen Gods zijn ernstig en dringend en verplichten hem te geloven in Christus; niemand kan het geloven, want zijn leven en de gunstbewijzen, waarmee de Heere hem omringt, zijn al te zamen een sprekend getuigenis, dat God nog geen lust heeft in zijnen dood, maar in zijn bekering en leven. En niemand gelooft het werkelijk ook, want dan zou zijn leven hier op aarde al een hel zijn. Daarom juist merkt gij den laaienden haat en de groeiende vijandschap van alle goddelozen, die tegen de verkiezing aanlopen. Maar wij zullen niet aflaten ze te prediken en aan te wijzen als het vaste, onherroepelijke, zalige besluit van God, en als een bron van troost en zekerheid van zaligheid voor allen, die tot de kerk des Heeren toegevoerd worden. 0, mijne geliefden, de kerk des Heeren ligt zoo vast! Ze ligt niet in menselijke willekeur. Ze hangt niet aan een zwevend misschien. Ze dobbert niet op de bewegelijke wateren van uw of mijn gevoel. Ze is zelfs niet afhankelijk van uw of mijn geloof. Ook wordt ze niet verbroken door mijn zonde of door uwen val. De zwarte golven der zonde van de hele wereld kunnen haar niet wegspoelen. De kerk des Heeren rust in het eeuwig welbehagen van God den Vader. Daar is ze veilig. En daarnaar wordt ze nu door den Zoon opgebouwd. Hoe groot wordt het nu, als ik er een van die kerk zijn mag. Dat is, mij een rijke stof tot overvloedigen en ootmoedigen dank. Dat doet mij in verlegenheid neerbuigen en uitroepen: Waarom was 't mij gemunt, daar er duizenden gaan verloren, die Gij geen genade gunt. Waarom was ik uitverkoren? Genade, geliefden, genade! Vrije genade! Welbehagen, eeuwig, vrijmachtig, souverein welbehagen.
Voorzeker, het wordt hier beneden, door al Gods lievelingen reeds gezongen: Niet ons, o Heere, niet ons, maar uwen Naam zij eeuwig lof en ere, om uwer goedertierenheid, om uwer waarheid wille. Maar, hoe zal het eenmaal in de zalen van de triomferende kerk, in den hemel der vreugde, duizendvoudig worden herhaald, als met ene stem van vele wateren. Zoo is het dan niet dengenen, die wil, noch dengenen die loopt, maar des ontfermenden Gods. Zoo ontfermt Hij zich dan diens Hij wil en verhardt diens Hij wil. En toch zal nooit een zondaar kunnen zeggen, dat dit welbehagen de oorzaak was van zijn rampzalig verderf, want dat waren zijn eigen zonden, waarmede hij goddelooslijk tegen den Heere overtreden had.
Ten vierde wordt ons gezegd, waardoor de Zone Gods Zijn kerk bouwt. Door Zijn Geest en Woord. -Dat zijn de krachtige middelen, waarmee Hij zondaren trekt uit de wereld tot de kerk, uit satans dienst tot den dienst des Heeren, uit de diepe ellende der zonde tot de zalige vreugde van Gods genade. Hoe gewichtig en belangrijk is dus de prediking des evangelies. Het is de roepstem des Heeren, die Hij, vol liefde, doet uitgaan tot een afkerig geslacht. Het is de lokkende nodiging: wie is slecht, hij kere zich herwaarts. Dat niemand onzer toch ooit die prediking des evangelies verzuime. Het mocht de ure van zaligheid eens wezen. Het mocht ons eens gaan als een Lydia, wier hart geopend werd om acht te nemen op Gods getuigenis. Wel hebben wij toe te zien; dat we ons neerzetten onder een zuivere bediening des evangelies. Wij moeten vragen naar de redelijke, onvervalste melk. En wanneer wij dan opgaan, laten we ons rustig en stil onder de prediking nederzetten, met de ootmoedige verzuchting, dat de Heere in ons hart moge werken, door Zijn Heiligen Geest. Waar die Geest des Heeren het Woord vruchtbaar maakt en aan onze harten toepast, daar vallen de gouden snoeren van ontferming om ons hart en mogen wij komen uit al 't aards gedruis tot Gods huis.
Wie onzer mag spreken van zulk een gelukkige ure?
Het is waar, er is in dat 'toebrengen veel onderscheid. Ieder van Gods kinderen wordt afzonderlijk geleid. Nimmer mogen wij onze leiding aan een ander ten voorbeeld voorleggen. Toch hebben Gods kinderen ook weer veel met elkander gemeen. Onze Heidel-berger merkt daarom zoo terecht op, dat de. Zone Gods ze vergadert in enigheid des waren geloofs.
Dit is een andere trek van den opbouw der kerk.
Timotheus is in zijn jeugd toegebracht, en Paulus meer in de kracht van zijn leven. Maar beiden komen ze tot één Zaligmaker. De stokbewaarder kwam met heftige beroeringen tot den Heere, en Lydia, naar het ons voorkomt, op een liefelijke, zachte wijze. Maar beiden mogen zich straks verheugen over de zaligheid, die zij in den Heere hebben gevonden. Deze enigheid des waren geloofs is een heerlijk stuk. Waarin wij ook van elkander onderscheiden mogen zijn, in karakter, in aanleg, in talenten, maar niet in de kennis der zonde. Allen leren wij de zonde kennen en verfoeien. Allen zijn we, bij het gezicht op onze zonde, in onwaardigheid voor God op de knieën gezonken, om onze schuld te belijden en onze vloekwaardigheid voor God, met een diep en innig leedwezen, uit te spreken.
Waarin wij mogen verschillen-van elkander, in rang, in stand, in ontwikkeling, maar toch zeker niet in onze liefde tot God, die onuitblusbaar is, en die een eeuwigheid zal behoeven, om zich aan God te wijden. En hoe trekken onzer aller begeerten zich samen op Jezus Christus, en Zijn dierbaar bloed. Hoe is het aller heimwee om Hem te kennen, te lieven en te loven. Ja, ik mag het gerust zeggen, wij geven het voor elkander niet op, maar in een heiligen wedijver van ootmoed en geringschatting van ons-zelven, zingen wij des Heeren lof, zeggende: mij, den allergrootste der zondaren, is barmhartigheid geschied. 0, die enigheid des waren geloofs, is het niet mede het cement, waardoor de kinderen Gods aan elkander worden verbonden, als levende stenen in het Godsgebouw. Het is mij dikwijls een zoet wonder, dat ik bij schrijvers, uit andere landen, en van eeuwen lang terug, dezelfde klaagtonen vind; die uit mijn benauwden boezem oprijzen, en wederom, dat ik bij hen ook dezelfde jubelzangen beluister, die de Heere aan de harp mijns harten soms belieft te ontlokken. Dat is de enigheid des waren geloofs. Kent gij die ook? Ze openbaart zich zowel in de kennis der zonde, alsook in de liefde tot den Heere; in het hunkeren naar Christus, alsmede in dat zichzelfvergetend prijzen van zijne genade. Bouwt Christus nu alzo Zijn kerk, die bouw gaat voort, zoo vervolgt onze Heidelberger, van den beginne der wereld tot aan het einde. Totdat het laatste steentje toegebracht zal zijn, de laatste uitverkorene ingezameld. Dan zal de strijdende kerk overgaan in de zegepralende. Dan zal het blijken te zijn een gemeente, door den Zone Gods vergaderd uit alle volken, uit alle oorden, uit alle tijden. Een grote schare, die niemand tellen kan, gewassen in Christus' bloed, omhangen met de sierlijkste gewaden, triomferend over zonde, dood en hel en den Heere lofzingende tot in het eeuwige leven. Als wij daar dan toch maar bij mogen zijn, mijne geliefden. Dat zal wat wezen. Altoos bij den Heere te zijn. Eeuwig Hem toe te behoren. Zijn volle zaligheid, ongetemperd, te ontvangen, en met al de verlosten voor Zijn troon te staan en Zijn glorie te ontvouwen. Waar is een feest, dat bij dit hemelfeest is te vergelijken? Waar vindt ge een vreugde, die gij hiertegenover durft te stellen? Al wat van deze wereld is, snelt voorbij — maar de kerk blijft! En de vreugde, die de Zone Gods aan die ganse kerk zal meedelen, zal harten en zinnen vervullen en verrukken, ongestoord en eindeloos. Laten Gods beminden hier op aarde, onooglijke, onaanzienlijke en onwaardige stenen zijn in zichzelven, straks, als de kerk zal zegevieren, dan zullen zij allen schoon en liefelijk en aanzienlijk zijn, door Hem, die ze toegebracht heeft. Daarom zal ook het lied in die volmaakte kerk worden gezongen: Ps. 89: 8:
Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht,
Uwe vrije gunst alleen wordt d' fiere toegebracht;
Wij steken 't hoofd omhoog, en zullen d' eerkroon dragen,
Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen;
Want God is ons ten schild in 't strijdperk van dit leven,
En onze Koning is van Isrels God gegeven.
3. HAAR BEWARING.
Hier zijn we genaderd tot de laatste gedachte over de kerk des Heeren. Zoo besluit onze Heidelberger: Dat de Zone Gods.... haar.... beschermt en onderhoudt; en dat ik daarvan een levend lidmaat ben, en eeuwig zal blijven. Gij ziet, geliefden, niet alleen de opbouw van de kerk des Heeren is in goede handen, maar ook hare bewaring. En hoe gelukkig is dat. Want er zijn vele vijanden. Alrede is het ons duidelijk, dat er in de kerk vijanden zijn: huichelaars, geveinsden, hypocrieten. En dat zijn bittere vijanden. Zij kunnen het de kerk des Heeren zeer moeilijk maken. Maar nu zijn er ook zovele vijanden buiten haar. Daarbij is dit het schrikkelijke, dat ze allen samenspannen, de vijanden van binnen en van buiten. Het gaat om den ondergang van de kerk. Hoe is die kerk gegaan door strijd en storm. Soms leek het, of er niets meer van haar zou overblijven. Dan heeft het volk van God wat geklaagd en geweend over Sions gruis. Dan kon men niet meer gaan rondom Sion om zijn torens te tellen. Een mist van kruitdamp onttrok Sion aan het lichamelijk oog. Maar de kerk• was niet weg. De kerk kan niet weg. De Zone Gods beschermt haar. Ach, dat dit toch meer voor ons zijn mocht, dan een lippenbelijdenis. Dat wij dit toch omhelzen mochten met een levend geloof! De Zone Gods bewaart de kerk. Alle instrumtenent tegen haar bereid, zal niet gelukken. Alle tong, die tegen haar in 't gericht treedt, wordt verdoemd. Welk een rijke bemoediging voor alle ware Sionieten. Laten wolken en nevelen Sion omhullen en Sions torens aan ons gezicht onttrekken, ziet wat hoger op, gij kinderen des Heeren, laat uw oog des geloofs rusten op Hem, Die tussen de gouden kandelaren wandelt en Die de ` sterren houdt in Zijn hand. Weet het: Christus houdt Zijn kerk in stand. Geen duizend Nijlen hebben haar kunnen verdrinken. Geen donkere kerkers hebben haar kunnen versmoren. Geen loeiende brandstapels hebben haar kunnen verstikken. Geen bange leeuwenkuilen konden haar verzwelgen. Nog is Christus dezelfde! Nog leeft Hij en houdt Zijn kerk vast. Nog roept Hij verkwikkend en sterkend Zijn strijdend volk toe: Wees niet vervaard, gij kleine stoet! Hoe fel des vijands overmoed zijn zegelied doe schallen. Hij rekent op uw ondergang. Maar voedt dien ijdelen waan niet lang. Hij zal gewisselijk vallen! Zeker, de strijd is zwaar in onze dagen. Hij zal, naar het zich laat aanzien, nog zwaarder worden, en nog scherper. Maar let, o kerk des Heeren, op uwen Koning, uwen Beschermer. Hoor naar Zijn Woord! Vrees geen der dingen, die gij lijden zult. Uwe verdrukking duurt slechts tien dagen, ze zal zeer haast voorbijgaan. De vijanden zullen wel tegen u strijden, maar ze zullen u niet overmogen. Hij houdt u vast. Hij heeft u lief. Gaf Hij niet voor u Zijn leven? En denkt gij dan, dat Hij u zal vergeten?
Vrees niet, o kerk, voor overmoedige Socialisten. Zij hebben wel uwen ondergang bezworen, maar wat zijn die Socialisten vergeleken bij uwen heerlijken, machtigen Koning? Vrees niet voor de brullende Communisten. Ze zijn wel geweldige leeuwen, die vervaarlijk briesen, maar ze zijn geketend met ijzeren ketens, ze zullen u niet deren.
Vrees niet voor de macht van het ongeloof, dat met woord en geschrift, op kansels en katheders, de kerk tekeer gaat. Wel zijn er geslepen verraders en sluwe slangen, maar de Helvertreder zal ook deze draken den kop vermorzelen. Ja, vrees niet voor degenen, die het lichaam kunnen doden, maar vrees Hem, Die beide, ziel en lichaam, kan verderven in de hel. Wel, als wij toch mogen opzien naar boven, hoe veilig is de kerk des Heeren! Hoe het storme, hoe het bruise, — de Zone Gods beschermt haar.
En Hij onderhoudt haar, zegt ons antwoord. Dat wil zeggen: Hij brengt telkens nieuwe leden toe. Wij moeten hierop goed letten. Want wij klagen wel eens tegen elkander. Wij durven soms wel eens zeggen, dat er geen levende leden meer worden toegevoegd. Maar laten wij zoiets toch nimmer zeggen. Dat is een schrap door het kostelijke woord, dat wij hier hebben. Dat is ontkenning van den heerlijke, voortgaande arbeid van den Zone Gods. Maar nog meer. Het wil niet alleen zeggen, dat de Heere nieuwe leden toevoegt tot Zijn kerk, maar ook, dat Hij al de Zijnen onderhoudt, al de Zijnen staande doet blijven in den strijd. Hij voedt en laaft Zijn volk. Hij spreekt tot hun hart. Hij licht het juk van de kinnebakken op en reikt ze voeding toe. Hij. verzorgt Zijn beminde volk op de uitnemendste wijze. Niet één laat Hij er omkomen. Het gekrookte riet beurt hij op. De rokende vlaswiek doet Hij opvlammen. Struikelende knieën stelt Hij vast, En niemand kan Hem van ontrouw beschuldigen.
Op Zijn vraag: heeft u iets ontbroken; moet al het volk des Heeren belijden, uit een mond: niets Heere, niets en nooit.
En nu ten slotte eindigt onze Heidelberger: en dat ik daarvan een levend lidmaat ben, en eeuwig zal blijven.
Ziet daar, mijne geliefden, het cardinale, waarop het voor ieder onzer aankomt. Of wij een levend lidmaat van de kerk zijn. Het is niet de vraag of we dominee of ouderling of diaken zijn. Ook niet of wij veel in die kerk te zeggen hebben, of misschien gering geacht worden. Hierop komt het aan: zijn wij levende ranken in den waren wijnstok. O, die mensen zijn zoo gelukkig te achten. Die behoren nu tot het geestelijke Sion. Die zijn nu toegebrachten door den Zone Gods. Die zijn verzegelden in dat bundelken der verkorenen, die van God den Vader eeuwiglijk zijn bemind. Zij genieten ook de bewaring en onderhouding van Christus. En zullen zij eenmaal van hier verhuizen moeten, dan, welk een zaligheid, zij zullen overgaan uit de strijdende kerk in de triomferende, om de overwinning te verkrijgen in het bloed des Lams. Want, die een levend lidmaat van de kerk des Heeren is, zal het eeuwig blijven. Welk een onuitsprekelijk voorrecht!
Wij behoren ons ernstig te onderzoeken of wij dit voorrecht bezitten. Niemand onzer mene toch, dat een uiterlijk, onbesproken kerkelijk leven genoeg is. Wat ik u bidde: waag toch uwe kostelijke ziel niet op een bedriegelijken grond naar de eeuwigheid. Het zal op zulk een bittere teleurstelling uitlopen. Ga niet in onverschilligheid voort, door uzelf gerust te stellen, alsof het wel meevallen zoude. De Heere Jezus heeft gezegd, dat alle dorre, onvruchtbare ranken eenmaal weggenomen en met onuitblusselijk vuur verbrand zullen worden. Ge moet ook het onderzoek uwer ziele niet uitstellen, want uitstel geeft afstel. Dit nu is reeds gevaarlijk in de dingen, die het natuurlijk leven aangaan, hoeveel te meer dan in deze belangrijke zaken, die het heil onzer onsterfelijke ziel betreffen. Onderzoek u dan nauw, ja zeer nauw.
Hebt gij in uw leven de. deugdelijke bewijzen, dat gij door den Heere geroepen zijt uit den dood tot het leven, uit de wereld (Ook de godsdienstige wereld!) tot de levende kerk? Hebt gij leren zien het diep verderf en den groten jammer, waarin gij door uwe zonden laagt neergezonken? Werd dit u wel tot droefenis voor den Heere, zodat gij schreiende uw leed Hem hebt vertoond? Mocht gij ook wel komen tot de rijke barmhartigheden van een liefderijk God en was het u zalig daarheen uw toevlucht te nemen? Leerde gij bovendien, in waarheid, en bij het licht van den Heiligen Geest, Jezus Christus kennen en is daar nu in uw binnenste een liefdebrand en een liefdeband tot dezen Jezus en Zijn bloed? Kent gij de behoefte aan den Heiligen Geest, en is het voortdurend uwe begeerte, dat Hij uw Leidsman mocht wezen? Bemint gij ook de kerk des Heeren? Draagt gij haar op uw hart? Zoekt gij haar heil? Zingt gij met den dichter mee: Om des huizes des Heeren onzes Gods wil zal ik het goede voor u zoeken? Leeft gij wel hartelijk en innig mede met uwe eigen gemeente, waaraan de Heere u verbonden heeft? Ook dan, als het niet alles naar uve zin gaat in die gemeente, en als gij het misschien nu juist niet zoo goed hebt?
Wat al ernstige vragen! Leg ze niet naast u neder. In den Naam des Heeren stel ik die, en bij het heil van uwe ziel. Ik roep u op, om u te stellen voor Gods aangezicht. Kom, buig u eens neder in uw binnenkamer, leg daar deze vragen eens voor u neder en wat moet nu het antwoord zijn voor den Heere? Moet gij nu zeggen, dat gij van deze dingen niets kent? Zijt gij dus nog een dood lidmaat, slechts door den Doop of door de dunne vezel der belijdenis aan de kerk verbonden? Weet dan, dat het anders met u moet worden. Zoek den Heere, en leef. Trek getrouw op naar het huis des gebeds, zet u met eerbied en ernst onder de prediking van Gods Woord. En terwijl het evangelie verkondigd wordt, o roep en smeek tot God, dat Hij Zijn Woord toepasse, door Zijn Geest, aan uw hart. Roep tot den Koning der kerk, dat Hij u vergadere als een levenden steen tot het geestelijk Godsgebouw. Belijd ook uwe onwaardigheid, uwe verdorvenheid en hoop op genade. Zoo neerzittende in Gods huis, wees verzekerd, de Heere zal ook u gedenken; gij zult een vruchtbare rank worden in den wijnstok, een levend lidmaat van de kerk des Heeren; en de belijdenis van dezen Zondag zal uwe zalige beleving worden.
Welk een wonder van genade, kinderen Gods, dat gij levende lidmaten van de kerk des Heeren zijn moogt. Dit hebt gij niet aan uzelf te danken. Het is vrucht van Gods welbehagen. Het is een vrucht van de roepstem van den Zone Gods. Welk een liefde straalt u hier tegen. Een liefde van den Vader. Een liefde van den Zoon. Een liefde van den Heiligen Geest. Overpeinst dit zalig geheim nu eens. Hoe zult ge dan voor den Heere in verlegenheid neerbuigen, om Hem te danken. Hoe zal ook de liefde uws harten ontstoken worden, om den Vader en den Zoon en den Heiligen Geest te beminnen. Uw leven is vaak moeilijk. Uw weg voert dikwijls door nacht en kommer. Weest echter getroost, kinderen Gods. Gij zijt levende lidmaten van des Heeren kerk en zult dat blijven. Wordt de strijd u niet gespaard, weet, dat de Zone Gods is de Koning der kerk. Hij houdt de wacht. In het heetst van den. strijd roept Hij u toe: de poorten der hel zullen mijne gemeenten niet overweldigen. En wat zal ik u nog meer voorhouden?
Bid, o volk, voor het heil van Sion. Let vooral op de jeugd, op de kinderen en op de jonge mensen. Draag ze veel aan den troon der genade neder. Vraag milde zegeningen op de prediking des Woords, dat de Heere Zijn kerk bouwe uit jongen en ouden. Het is de glans van de kerk, als velen worden toegebracht. Leef niet onkerkelijk, want gij zult een magerheid over uwe ziele halen. De beginselloosheid doet veel kwaad. Het is de list van den satan, om de kerk in dezen tijd te verwoesten en het heil der ziel te verderven. Heb Sion lief, want de Heere heeft u lief en gij zult van den Heere geliefd worden. God geve u tot dit alles Zijn rijke genade. En als de overste Herder verschenen zal zijn, zoo zult gij de onverwelkelijke kroon der heerlijkheid behalen.
AMEN,
Psalm 93:4.