Jesaja 61:3 'Sieraad voor as' ds. E. du Marchie van Voorthuijzen

TEKST: "Om de treurigen Sions te beschikken dat hun gegeven worde sieraad voor as, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwde geest; opdat zij genaamd worden eikenbomen der gerechtigheid, een planting des HEEREN, opdat Hij verheerlijkt worde",

Jes. 61:3.

Zingen: Psalm 106:4

De apostel Paulus zegt dat alle beloften alleen in Christo Jezu ja en in Christo Jezu amen zijn. Dat houdt dus in dat alle beloften buiten Christus geen ja en geen amen zijn. Maar alleen in Hem zijn ze ja en amen. Allemaal, dus dat geldt ook voor deze belofte uit Jesaja 61:3 waarin we dan beluisteren:


Wonderlijke beloften voor een treurende Kerk:
1e De gaven die ze ontvangen zullen
2e De namen die ze dragen zullen
3e Het doel wat ze beogen zullen
Zingen: Psalm 63:1 en 3

Jesaja 61 begint aldus: "De Geest des Heeren HEEREN is op Mij."
Wie schrijft dat? Gelukkig Jesaja niet. Gelukkig Jesaja niet? En Jesaja is zo'n uitnemende verlichte man, de evangelist van het Oude Verbond, buitengewoon godzalig. Nee, niet Jesaja, hoor, maar de Kanttekening zegt: Dit spreekt Christus. En wie is Jesaja vergeleken bij Christus. Maar een nachtpitje, een nietig stofje, niet noemenswaardig. Christus spreekt hier. Wat zijn die kanttekeningen weer zakelijk vanavond. "Omdat de Heere Mij gezalfd heeft." Gezalfd naar Zijn menselijke natuur, met de gaven van de Heilige Geest, bovenmate begaafd en versierd. Gezalfd van
eeuwigheid tot een drievoudig Middelaarsambt. 
Hoor maar: Eerst tot het Profetisch ambt: "Om een blijde boodschap te brengen de zachtmoedigen." Een blijde of goede boodschap zeggen de Kanttekeningen. Welke tijding of boodschap is dat?
Dat vragen de Kanttekeningen. Wat houden jullie voor een goede boodschap? Wat verstaan jullie daar onder? Antwoord: 'Van de vergeving der zonden'. Af, uit, klaar!
Van de vergeving der zonden. En alle andere boodschappen die dit niet zijn of hier niet uit voortvloeien zijn geen goede boodschappen. Maar dit alleen: van de vergeving der zonden. Van alle zonden, alleen om het bloed en de gerechtigheid van Christus. Dat alleen is een goede boodschap en die zal Hij brengen de zachtmoedigen. Dat zijn degenen die geleerd hebben: 'Hij zal leiden het zacht
gemoed in het effen recht des Heeren'. Dat zijn degenen die zo'n zacht gemoed hebben, dat, al zou God ze voor eeuwig naar recht verdoemen, ze nog goed en zacht van God denken. Die, al zou er dan nooit bekering voor hen zijn, nog zacht van God
denken. Die, al zou Hij hen aanzeggen: 'Gaat weg van Mij', nog enkel goed en zacht van God denken. Want ze zijn verdoemeniswaardig en niet bekeringswaardig. Het recht Gods hebben ze het liefste. Zijn deugden zijn gebed en recht. Dat is zachtmoedig. Niet zoetsappig, nee, zachtmoedig! Die hebben een legering op de deugden en de rechten Gods aan. Al zou het hun verdoemenis betekenen, dan is God
nog liefde.


In de tweede plaats het Priesterlijk ambt: "Hij heeft mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van harte." Om te verbinden of te vertroosten die verslagen van hart zijn en bedroefd vanwege hun menigvuldige zonden en overtredingen. Die zulke ontzettende wonden hebben die door niets en niemand meer geheeld kunnen worden. Wonden vanwege de zonden. Bedroefd vanwege de zonden. Niet vanwege de hel of
andere gevolgen der zonden, maar vanwege het wezen der zonden, het Godonterende van de zonde. Vanwege de grootste zonde. Niet de onvergeeflijke zonde, maar de grootste, de zonde van het ongeloof. Alle andere zonden spruiten daar uit voort. Ongeloof. Duizend dingen geloofd, maar net niet, o dat net niet geloofd, namelijk in de Zoon van God. Je voelt toch wel: daar is een volkomen Borg voor
nodig om die ganse zondeschuld te verzoenen en alzo die bedroefden te vertroosten, want Hij is toch de enige Troost in leven en sterven. En om zulke gebrokenen van hart, zulke vergruisden, verbrijzelden, gans verslagenen te helen, te verbinden. En dan nog het Koninklijke ambt: 'om de gevangenen vrijheid uit te roepen'. Die gevangenen van de zonde, de duivel, de wereld, hun eigen verdoemelijke 'ik', die
helemaal gevangen liggen onder zulke grote beroeringen der zonde en vanwege de zonde, om die nou vrijheid uit te roepen: "Staat dan in de vrijheid waarmee Christus u vrijgemaakt heeft."
Begrijp je nou waarom hier Christus spreekt? Hij alleen kan je vrijmaken. En indien de Zoon je vrij maakt, zal je waarlijk vrij zijn, maar dan ook alleen. En anders blijf je tot in eeuwigheid een gebondene, wat er ook aan je gebeurd kan zijn. Maar er is nog meer: "En de gebrokenen opening der gevangenis." Gebonden en geklonken en geboeid in de banden der zonden. Dan moet je je toch niet meer roeren of bewegen
kunnen vanwege de zonde, alles zonde. En om die nou opening der gevangenis te geven; daar is Hij nou voor gekomen, van eeuwigheid is Hij, Christus, daartoe al gezalfd.


Maar er is nog al meer: "Om uit te roepen het jaar van het welbehagen des Heeren."Dat is om te verkondigen aan zulke vanwege de zonde bedroefde zielen het jaar van het welbehagen des Heeren. Om de zielen in Christus genade te bewijzen op die
aanbiddelijke rechtsgronden.
"En de dag der wrake onzes Gods." Wat nou? Dat hoort nu net bij elkaar. Het jaar van het welbehagen en de dag der wraak Gods. Beiden zijn even heerlijk, want beide zijn Goddelijk. Beiden zijn vreselijk. Want hoe zou je genade bewezen kunnen worden als je eerst niet naar recht verdoemd was geworden. Hoe zou je ooit enig kruimeltje zaligmakende genade ontvangen kunnen hebben in Christus als je met
alles buiten Hem niet verloren was gegaan; als God dat niet uit je zielsvingers had gebrand door gerechtigheid. Dat is vreselijk, mens; maar heerlijk als je er voor ingewonnen wordt, als je je legering mag krijgen aan de zijde Gods. Genade door recht.

En als dat nu mag gebeurd zijn, om dan uit te roepen de dag der wraakoefenende gerechtigheid Gods.
Dat is die dag, die God bevolen of bestemd heeft om alle ongelovige en onboetvaardige zondaars, mitsgaders de duivel, in de eeuwige verdoemenis te werpen. Alle ongelovigen, dat zijn dus alle toegekeerde, bijgekeerde, opgekeerde mensen, die ontzettend veel ondervonden kunnen hebben, gezien, gevoeld, getast en gesmaakt, maar net, met de vrouw van Lot, buiten Christus gebleven zijn.
En alle onboetvaardigen. Die zijn niet vaardig tot boete en berouw vanwege dezonde. Die kunnen benauwd zijn en beangst vanwege de zonde, maar niet bedroefd. Alle ongelovigen en onboetvaardigen, dat zijn de Izebels en de dwaze maagden met hun uitgangen tot de Bruidegom, dat zijn gruwelijke goddelozen en de mannen zonder bruiloftskleed, om nou zulken allen te verdoemen; om dat nou uit te roepen.
Om daar nou de treurenden mee te troosten. Dat dat nou vlak bij elkaar ligt. Het jaar van het welbehagen en de dag der wraak. Begrijp je dat? Ken je dat zielsbevindelijk in de stand van het leven: In Christus rechtvaardig, maar altijd verdoemeniswaardig vanwege de zonde?
Begrijp je dat dat een goede boodschap is voor treurenden? Weten in Wien je geloofd hebt, maar in de stand zo ongelovig. In Christus op rechtsgronden genade ontvangen, maar nu zo genadeloos.
Grond en vrucht; staat en stand; welbehagen en wraak; ken je dat? Dan moet je een treurende zijn. Maar wat voor een treurende. Nou komen wij bij onze tekst die dat nog nader gaat uitwerken en separeren: "Om de treurenden Sions te beschikken...."
Kanttekeningen zeggen, dat is: der Kerk van God. O, dat is Sion, Kerke Gods in Christus. Het zijn treurenden in Christus. Te beschikken "dat hun gegeven worde...." Hoor je dat: te beschikken dat hun gegeven worde. Alles worden. Heilig, gelovig lijdelijk. Niet: om hun te beschikken dat zij nemen. Nee, ze hebben Christus aangenomen. "Want zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven
kinderen Gods te worden." Maar hier: dat hun gegeven worde. Alles geschonken, gegeven goed. Bekeerd worden, verzoend worden, verlost worden. Alles worden. En wat krijgen ze dan? Sieraad voor as. Dus ze hebben as; en ze krijgen sieraad. Wat is dat sieraad, wat krijgen ze? Een ring? Nee, de as zit niet op hun handen, niet op hun schouders, maar op hun hoofd. Want as is het oosterse teken voor rouw; dat
strooide men op het hoofd bij grote droefheid. Alzo zijn die treurenden Sions, bedekt met as vanwege de zonden. As is het verbrande.
Je voelt wel dat je toch wel helemaal verbrand en ‘ver-ast' moet zijn om ooit sieraad te krijgen voor het eerst, maar ook bij vernieuwing. Uitgebrand en weggebrand alles wat geen God in Christus is, wat Hij niet is. Verbrand je toestanden, je gebedsverhoringen. Want de duivelen in het land der Gadarenen baden Christus dat ze in de zwijnen mochten varen en Hij liet het hun terstond toe.
En de goddeloze Gadarenen baden Hem dat Hij uit hun landpalen mocht vertrekken. En Hij ging terstond in het schip. Duivelen en goddelozen zijn verhoord op hun gebed. Verbrand je ontsloten wegje buiten je eigen, verbrand je openbaring van Christus vanuit het recht, verbrand je uitgangen, alles als vijandschap weggebrand. En dan bekleed met de mantel der gerechtigheid, het sieraad Gods in Christus. Maar
dan in de stand weer zo'n treurende Sions te worden, wiens hele hoofd met as is bedekt vanwege zijn gruwelijke, overblijvende zonden. En om die nu te beschikken, o wat een wonderlijke belofte voor zo'n treurende Kerk, dat hun gegeven worde in plaats van die as: sieraad. Dat is in de grondtaal: schone klederen, feestklederen, veelkleurige feesttooi. Dat krijgen ze op hun hoofd als in het oosten een tulband. En
wat zou dat zijn? Wat zou het anders zijn dan de verdienste van Christus, Die een doornenkroon droeg waar ze op sloegen, zodat het purperrode Borgbloed door Zijn kroon en langs Zijn hoofd liep?
Hij droeg een purperkleurige kroon vanwege het bloed, om te verdienen dat in Hem Zijn Kerk weer zou mogen zingen, getooid met dat sieraad: "Wij steken het vermoeide, bedroefde, blinde, duistere, zondige hoofd omhoog en zullen de eerkroon dragen: door U, door U alleen om ‘t eeuwig souverein, vrijmachtig, Goddelijk welbehagen, in Christus."
Dat is het sieraad omdat Hij in het aangezicht geslagen en gespuwd is, veracht, vergruisd, vergruisd tot as vanwege de zonden Zijner Kerk. Zijn sieraad voor hun as en vreugdeolie voor treurigheid. Olie gebruikte men bij feestelijke gelegenheden om hoofd en baard mee te zalven. En hier ziet het op de gaven en bediening des Heiligen Geestes. Maar eerst treurigheid. Ontzaglijke, hartverbrijzelende treurigheid. Voor
dezulken zal die Geest het uit het Mijne nemen, zegt Christus, en u verkondigen. Hij past de door Christus verworven heilsweldaden toe aan de treurenden Sions, die nooit meer op die olie durfden rekenen. Vreugdeolie; vrede met God in Christus door de
Heilige Geest. En het gewaad des lofs voor een benauwde geest. "Een samengewrongen, saamgekrompen geest", zegt de Kanttekening. Dat gewaad des lofs werd aangedaan als iemand genade bewezen was; een soort dankbetoon in feestgewaad. Dat gewaad ziet op de doeken waarin Christus bij Zijn geboorte is gewonden en neergelegd in de kribbe van Bethlehem. Een heilige geboorte, maar toch doeken vanwege de zonde, de zonde van die geboorte in zonden en misdaden van de Zijnen. Dat gewaad des lofs ziet ook op het blinkend wit spotkleed waarin Christus gekleed was bij Herodes. Maar ook op het rode, purperrode spotkleed bij Pilatus. Hij moest immers blank en rood zijn.
Blank vanwege Zijn onschuld, rood vanwege de zonden Zijner Kerk; blank vanwege de smetteloze heiligheid, rood vanwege het bloed. En dat alles borgtochtelijk, plaatsbekledend. Voor zulke treurenden, zulke hovaardige, leugenachtige, klapachtige, spotachtige, gruwelijke zondaren, dat die nou toch nog, toch nog een keer het gewaad des lofs gegeven worde.
Het ziet ook nog op de doeken waarmee Hij begraven is, waarmee Hij al de zonden Zijner uitverkorenen begraven heeft, voor eeuwig. Dat is die goede boodschap: vergeving der zonden.
Hier spreekt Christus, en Jesaja heeft het door de Heilige Geest opgetekend. Je voelt toch wel dat je toch wel helemaal saamgekrompen moet wezen vanwege de zonden om ooit dat gewaad des lofs te ontvangen. Waar ziet het nog meer op? Op het boven- of opperkleed van Christus, dat verscheurd is in vier delen. Naar elke windstreek, noord en zuid, oost en west zal het Evangelie gaan. Elk van de vier krijgsknechten kreeg een deel. Maar ook nog op de onderrok. Laat ons die niet verscheuren, want die is van boven af geheel geweven, laat ons daarover loten. Dat is het kleed van de verkiezende liefde Gods in Christus, dat van boven af uit het vrijmachtig welbehagen Gods geweven is tot zaligheid.
Tweede punt: de namen die ze dragen zullen. Opdat zij genaamd wórden. Niet: opdat zij zichzelf zullen noemen, nee, genaamd
wórden: eikenbomen der gerechtigheid. Wie zijn dat?
Kanttekeningen: Degenen die in Christus Jezus door het geloof ingeplant zijn, en vruchten der gerechtigheid, dat zijn goede werken, voortbrengen. Dus Christus tot rechtvaardigmaking en heiligmaking. Afgesneden van de eerste Adam en door een zaligmakende geloofsvereniging Christus ingelijfd en dan in heiligmaking Godeverheerlijkende vruchten voortbrengen. Dat hoort erbij. Want je
kunt door de gemene genade ook een soort rechtvaardigmaking en verlossing meemaken, maar alle rank, zegt Christus, die in Mij geen vrucht draagt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.
Mens, het zal toch wel een eeuwig wonder zijn als er nog een enkele zal zijn die niet zal worden uitgehouwen. Een rank in Christus en geen vrucht. Dat kan ook nog; Christus zegt het Zelf. Je hebt een volkomen Zaligmaker en een volkomen Borg en
een volkomen Christus nodig, tot rechtvaardigmaking en heiligmaking. Grond en vrucht, het hoort bij elkaar.
Die door hét geloof, niet een geloof, tijdgeloof of waangeloof, maar door het zaligmakende geloof Christus Jezus zijn ingeplant, allemaal, de kleintjes en de groten. Tegenwoordig zeggen ze dat eikenbomen van die grote, hoge en sterke mensen zijn. Welnee, mensen, de kleinste in Christus, de zuigeling en de rokende vlaswiek, is een eikenboom der gerechtigheid. Hoe dan? Vanwege hun sterkte in Christus, zegt de Kanttekening. Altijd eikenbomen, gerekend naar hun sterkte in Christo.
Geen rieten. Een riet leert niets van een storm. Een riet waait met de storm mee, maar wordt er niet sterker van, wordt er niet door geoefend. Maar een eikeboom steunt en kreunt onder de stormen, maar tegelijkertijd schieten zijn wortelen dieper en wordt hij steviger, en meer geoefend in Christus; altijd in Christus. Ik zal Zijn lof zelfs in de nacht, in de nacht van aanvechting en bestrijding, in de nacht van beroering vanwege de zonden. "'k Zal Zijn lof zelfs in de nacht, zingen daar ik Hem verwacht." En Paulus: "Als ik zwak ben, dan ben ik machtig", vanwege zijn sterkte in Christus. Een planting des Heeren. Geen planting van mensen, geen planting van de duivel, ook
geen planting van gemene genade, waardoor je ook benauwd en beangst kan zijn, ruimte en dierbaarheid kan zien in Christus, ja de hemelse gave, dat is Christus, smaken, de krachten der toekomende eeuw en nog veel meer ondervinden, sterker en
krachtiger soms dan vele uitverkorenen. Maar een planting des Heeren, een planting van een Drie-enig God. Afgesneden en afgehouwen van Adam en ingeënt en ingeplant in Christus door de hemelse Hovenier.


Het derde puntje: het doel wat ze beogen zullen: Opdat Hij verheerlijkt worde. Niet opdat gij verheerlijkt worde, foei toch, bah! Ook niet opdat uw genade, uw bekering, uw bevinding, uw rechtvaardigmaking verheerlijkt worde, maar opdat Hij, altijd Hij en alleen Hij verheerlijkt worde. Van de eerste aanslag af is er al iets onder alle overtuigingen en verschrikkingen dat op de deugden Gods, heel diep verborgen, ligt
aan te trekken. Iets dat hijgt naar gerechtigheid, iets dat nooit zalig zou willen worden ten koste van de ere Gods, iets dat, als het er op aan komt, liever eerlijk verdoemd wordt, hoe vreselijk het dan ook is, dan zalig gesproken te worden met krenking van
het recht Gods. Als die onderstroom er van het eerste begin, heel diep verborgen, niet is, dan is het vrij zeker dat u nooit verder komt dan ik bekeerd, ik verzoend, ik verlost, ik zalig, ik behouden.
Dan is het altijd mijn behoudenis.die in het middelpunt staat. Maar bij een voorweg en toeleiding tot een zaligmakende overgang in Christus, wordt die onderstroom steeds sterker en wordt uiteindelijk het sterkst en wordt bovenstroom en krijgt de
overhand in het liever verloren gaan dan zalig worden ten koste van het recht. Die krijgen dat recht zo hartelijk te kussen, dat lieve recht, dat heilig recht. Daar telt geen verdoemenis of zaligheid, geen hel of hemel meer mee. Heel de voorweg, met alle
dierbare uitgangen tot een onderhandelen met Christus, is afgesneden in gerechtigheid. En dat recht Gods is hunne zaligheid. Want de deugden Gods zijn God Zelf. Er blijft maar één ding over: opdat Hij verheerlijkt worde. Steelt het niet, hoor.
Lees maar verder: "Ik, de Heere heb het recht lief en Ik haat de roof in het brandoffer." Grijpt naar het eeuwige leven, dat is wat anders. Maar hier wordt Sions Koning van Israëls God gegéven, op rechtsgronden.

Eerst zingen we een versje. Psalm 36:3.
Het zal wat zijn, te vallen in een jammerstaat en hulp'loos te sterven. Het zal wat zijn de weg geweten te hebben en niet bewandeld. Vreselijk hier onverzoend te durven komen en onverzoend weg te gaan. Haast u nog en spoed u om uws levens
wil; het zou nog kunnen. Het schijnt nog het heden der genade te zijn. Dat moest toch wel een wonder zijn en een reden tot een dankstond. Deze biddag is ook al weer mislukt. Het mag toch geen biddag genoemd worden, vergeleken bij wat vroeger geweest is bij onze oudvaders die nu eeuwig aanbiddingsdag houden. Maar aan de andere kant is het diep verborgen waar dat ieder woord, hoewel onzerzijds met zeer veel zonde besmet, een middeltje had kunnen zijn en daarom zal het eeuwig tegen u getuigen als u geen treurende Sions gemaakt zult worden. Het is goed dat u hier bent. Waarom? Al was het alleen maar om dit ene: Wij bidden u van Christuswege, alsof God door ons bade, wij bidden u van Christuswege: laat u met God verzoenen.

Amen.
Zingen: Psalm 72:2