De openbaring der kinderen Gods, het uitzicht van Gods schepping.
Predikatie door D. P. ZWIER.
Ps. 29 : 5
Lezen: Romeinen 8 : 18-30
Ps. 37 : 5
Ps. 29 : 2 en 4
Ps. 98 : 4
Ps. 89 : 1
Want het schepsel als met opgestoken hoofde ver; wacht de openbaring der kinderen Gods. Want het schepsel is der ijdelheid onderworpen, niet gewillig, maar om diens wil, die het der ijdelheid onderworpen heeft; op hoop dat ook het schepsel zelf zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods. Want wij weten dat het ganse schepsel te samen zucht en te samen als in barensnood is tot nu toe.
Romeinen 8 : 19-22.
Pinksterfeest is het heuglijke feest der vervulling, der herschepping en bevat een Godverheerlijkende profetie van de herstelling aller dingen.
Eerst der vervulling. De dag van het Pinksterfeest was vervuld. De Joodse feestdag voor goed voorbij. De N. Testamentische Pink- sterdag aangebroken. Vervuld zijn Gods rijke beloften, gekomen is de Heilige Geest om woning, blijvend inwoning te maken in de harten der Zijnen. Och Heere geef thans Uw zegeningen, och Heere geef heil op deze dag. Zo bad de oude kerk onder Israël.
En God verhoorde die gebeden. De Geest werd uitgestort. Er geschiedde haastelijk uit de hemel een geluid als van een geweldige gedreven wind en vervulde het gehele huis, waar zij zaten. Wat een geweldig rijke bediening des Geestes, om jaloers op te worden in deze bange tijden.
Eendrachtiglijk bijeen, bij alle onderscheid dat er is toch heerlijke eenheid. Het huis werd vervuld met de reuk der zalf. We lezen: ,zij werden allen vervuld met de Heilige Geest." De harten vervuld. En die Geest leidt heen tot de volle Christus.
Petrus spreekt in zijn Pinksterrede vooral en in de eerste plaats over de Christus Gods. De Geest maakt plaats in de harten voor die rijke Zaligmaker in Zijn schuldvergevende liefde.
Ook is Pinksteren het feest der herschepping. De Geest is de Geest der levendmaking. Hij herschept dode zondaarsharten. Hij komt in te wonen in de zielen. Ziet het op de gezegende Pinksterdag. Op de rede van Petrus worden door de Pinkstergeest drieduizend tot de Heere bekeerd.
Doch ook ten slotte : Pinksteren zou ik willen noemen het feest der herstelling. Het is de kroon op al de feesten. Kerstfeest roept om het Pinksterfeit. De uitstorting des Geestes is de vrucht van Christus' arbeid, van Zijn troonsbestijging ook. En daarin ligt ook de heerlijkheid van Gods volk. Zij die Christus zijn ingelijfd, zullen ook in en door Hem de heerlijkheid beërven. Ook voor hen geldt: door lijden tot heerlijkheid. Naar die heerlijkheid wijst Pinksteren heen. Profetisch leidt het Pinksterfeit tot de wedergeboorte, dit is naar de betekenis van Mattheus 19 : 28 de vernieuwing aller dingen in het rijk Gods, de herstelling, de wederoprichting. Dan zal er zijn een nieuwe hemel en een nieuwe aarde waarop gerechtigheid woont. De Heere maakt dan alles nieuw. 0 wat een toekomst is voor 's Heeren volk weggelegd. Zelfs de onbezielde schepping hijgt naar die toekomst. Wij willen het met elkander zien. Verenigen wij ons eerst in den gebede.
Gebed.
Zingen : Psalm 29 : 2 en 4.
Tekst: Romeinen 8 : 19-22.
In dit gedeelte nu, van Romeinen 8 (vs. 18-30), wordt gehandeld over de verwachting van die heerlijkheid. Ten eerste door de Heilige Geest zelve. In de zwakheden van 's Heeren erfdeel, vooral ook in de lijdenswegen z u c h t de H. Geest om hen te sterken in de strijd. De Geest verwacht de heerlijke toekomst der geheiligden en zegt: „Kom". Doch ook in de tweede plaats, de bruid van Christus ziet uit naar die dag en bidt: „Kom Heere Jezus, ja kom haastelijk." Die bruid, zij die de eerstelingen des Geestes hebben, z u c h t e n naar de aanneming tot kinderen, nl. de verlossing huns lichaams.
Ja zelfs tenslotte, wat hier zelfs eerst genoemd wordt, het schepsel, de schepping Gods ziet uit naar die heerlijke toekomst. Laten wij dit mogen zien. Wij spreken tot u en nemen als leidende gedachte:
DE OPENBARING DER KINDEREN GODS, HET UITZICHT VAN GODS SCHEPPING. Rustpunten voor onze gewijde aandacht zijn:
1. de verwachting der schepping;
2. de onderwerping der schepping;
3. de vrijmaking der schepping;
4. de zuchting der schepping.
O Heere, leidt ons in deze waarheid, opdat we door Uw Geest die dag der toekomst, bekleed met Christus' heil, biddend verwachten. Amen.
I. De verwachting der schepping.
Het kindschap Gods. Is er groter zaak dan hier wordt genoemd? Immers neen! Te beleven een kind des Heeren te zijn gaat alle begrip zeer ver te boven.
Te weten door de wetenschap des geloofs: God is mijn Vader, die niet meer toornt of scheldt, maar in Christus uit loutere genade Zijn vriendelijk Aangezicht in gunst over mij doet lichten, is het niet om biddend te bewonderen en, Zijn deugden eeuwig te prijzen? Gewis, want: Erenamen, vorstentitels,
Al wat groot is, is maar schijn. Niets zo heerlijk, zo begeerlijk, Als een kind van God te zijn.
Dit zijn wij van nature niet. Dan zijn wij allen kinderen des duivels. Geen lust aan de kennis van 's Heeren wegen. Vervreemd van God en Zijn zalige dienst. In een poel van goddeloosheid gedompeld. Zijn hart is een moordkuil van ongerechtigheid. Ongestadig in al zijn gangen. 't Godsgemis is heel ontzettend. Doch dit weet de mens in die toestand niet. Hij ligt nooit eens een nacht slapeloos ter neer omdat hij God mist vanwege zijn zonden.
Door de wedergeboorte, het onmisbare werk van de Heilige Geest, wordt hij zondaar voor een heilig en rechtvaardig God. De ontdekte zondaar leert zijn schuld bewenen met hete hartetranen. In de binnenkamer schreit hij zijn godsgemis voor de Heere uit. Verdoemelijk voor God moet de mens belijden als vrucht van beleving: Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig. Zo valt hij God in Zijn recht toe. 't Is een verloren zaak aan zijn kant. Tenzij er een wonder geschied. En dat wonder is de openbaring in zijn ziel van de gezegende Heiland. Uit die openbaring krijgt hij arbeid uit en om de Christus, de van God gegeven Zaligmaker.
Paulus heeft daar goede kennis van. Gerechtvaardigd door het geloof, geniet hij vrede met God door de Heere Jezus Christus. Geen verdoemenis meer voor hem en allen, die in Jezus zijn, die niet naar 't vlees wandelen maar naar de Geest. Van zijn kindschap is hij verzekerd. Zijn staat ligt eeuwig vast. Daar is geen meer of minder. Gewaarborgd in het Wezen Gods. Door God bewaard. Onveranderlijk. Zijn stand is lang niet altijd zoals hij het zou begeren. Het heil is vast, de vreugde uit dat heil geniet hij niet altijd. Om voor God te leven staat hij pas aan 't begin. Dan is er een jagen naar om 't te grijpen, waartoe hij van Jezus ook gegrepen is.
Gewis, de beleving van het kindschap is heerlijk. Niet ieder is zich bewust kind te zijn. 't Is als in de natuur. Er zijn in 't gezin kinderen die weten dat zij kinderen zijn en dat zij hun ouders .bezitten, doch daar zijn er ook die niets van dat alles weten en toch kind zijn. De trek naar Vader en Moeder openbaart zich heel duidelijk. Zo is 't ook geestelijk. Er zijn die staan van verre. Behorende tot de
bekommerde kerk. Is er inderdaad bevinding van ware bekommering, de Heere is geen woestijn voor Zijn ware volk. Er zijn standen, zuigeling, kind, jongeling, man, Vader in Christus. O zegt een ziel wellicht in ons midden, mocht ik maar een zuigeling wezen om uit de borsten Zijner vertroostingen te genieten.
Nu heeft Gods levende kerk hun openbaring. Gods kinderen vormen de onzichtbare zijde van de kerk. Het is hiermede als met ons mens-zijn. Ziel en lichaam is de mens. Het lichaam is zichtbaar, de ziel onzichtbaar. Zo ook is de ene kerk zichtbaar in hare ambten en bedieningen en onzichtbaar in haar verborgen leven. Gods kinderen hebben een geestelijk leven, dat verborgen is. Dat leven zelf wordt niet gezien. God kent 't hart en proeft de nieren. Hun leven is met Christus verborgen in God. Het heeft echter een openbaring naar buiten. Het komt openbaar in de vruchten. Zou het niet openbaar worden als iemand door de Geest een nieuw leven verkrijgt? O zeker, de Catechismus belijdt: „want het is onmogelijk dat zo wieren Christus door een waarachtig geloof is ingeplant niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid." Inderdaad ‘t leven bevestigt dit ook. In beginsel natuurlijk. Bij de allerheiligsten zelfs. Doch dat beginsel en begin van de vreze Gods is dan in de wedergeboorte en wel uit de Christus aanwezig.
Nu is het duidelijk dat de Apostel met de openbaring der kinderen Gods nog iets anders en veel meer bedoelt.
Wij moeten niet vergeten dat er in Romeinen 8 : 17-39 feitelijk drie lijnen zijn te bespeuren, nl.: het lijden en de heerlijkheid van Christus, het lijden en de heerlijkheid van Gods volk en het lijden en de heerlijkheid der ganse schepping. Wilt u dit goed in 't oog vatten?
Nu verwacht de schepping de openbaring der kinderen Gods. Het is heden de laatste Zondag van het kerkelijke jaar. Dan staat de gemeente gaarne stil bij de wederkomst van Christus, gelijk bij de Adventsweken de kerk bepaald wordt bij Jezus komst in het vlees.Welnu bij die wederkomst van Christus zal er de openbaring zijn van de kinderen Gods. Nu zijn ze verborgen mensen, met een verborgen leven, hebben een verborgen omgang, leven uit het heilgeheim Gods. Zij krijgen een naam, die niemand kent dan die hem ontvangt. Ze vinden een schat en verbergen hem. Leden zijn ze van de onzichtbare zijde van Gods kerk. Zij zijn soms besloten en kunnen niet uitkomen. Menigmaal zuchten ze: Heere geef dat ik eens openbaar mag uitkomen, door Uw dierbare Geest bearbeid, dat zal mij in de laagte doen verkeren, dat ik eens op goede grond weten mag in Christus geborgen te zijn en dus Uw kind mag zijn. Dat zal dan zijn bij Zijn komst op de wolken. Het koren schijnt nu verborgen te zijn onder een hoop kaf. Nu is het nog niet geopenbaard wat zij zijn zullen, maar dan zal hun heerlijkheid gezien worden. Dan zullen Gods kinderen werkelijk gezien worden zoals zij zijn. Het houdt kennelijk verband met hetgeen wij lezen in het 17de vers laatste gedeelte: „zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden." Verder het lijden dezes tegenwoordigen tijds is niet te waarderen tegen de heerlijkheid die aan ons zal geopenbaard worden.
Jezus' weg was door lijden tot heerlijkheid. In de staat der vernedering was Hij in Zijn lijden gehoorzaam aan Zijn Vader. Hij voldeed Gods recht, droeg de straf der zonde voor hen, vervulde de wet des Heeren in Zijn dadelijke gehoorzaamheid, beantwoordde dus volkomen aan Gods wil om Zijn volk te verlossen en vrij te kopen uit de macht der zonde. Door de toepassing des Heiligen Geestes wordt er een volk bearbeid om. Christus Jezus te begeren en te genieten als hun schuldovernemende Borg. Verhoogd is Hij tot in heerlijkheid bij God de Vader, verhoogd nl. om hen Zijn weldaden toe te passen.
Uit die enige grond der zaligheid bewandelt nu Gods kind in de vrucht ook de weg van lijden tot heerlijkheid. Die heerlijkheid zal zichtbaar zijn. En zie geliefden, naar die heerlijkheid wacht nu de schepping Gods. De schepping is onbewust. Het is dan ook persoonsverbeelding om uit te zien naar die staat van heerlijkheid, waarin Gods kind zal mogen delen eeuwiglijk en altoos. Wat moet die toekomst dan toch uitermate heerlijk zijn, dat zelfs de ganse natuur uitziet naar zulk een gelukzalige staat. Als met opgestoken hoofde, als op de tenen staan, zich uitstrekken om met reikhalzend verlangen uit te zien naar het openbaar worden der kinderen Gods. Bij hun sterven is de ziel volkomen zalig, opgenomen in heerlijkheid om eeuwig bij God te zijn in de hoogste zaligheid. Doch hun lichaam wordt neergelegd in de koele schoot der aarde en wacht op de dag der opstanding. Dan wordt de ziel wederom met hun lichaam verenigd om gelijkvormig gemaakt te worden aan Jezus' verheerlijkt lichaam.
De Apostel sprak er reeds van in vers 23. Er is daar sprake van een zuchten door de eerstelingen des Geestes naar de aanneming tot kinderen en die is de verlossing huns lichaams. Dan heeft er dus plaats de openbare aanneming van Zijn volk, voor aller oog en oor. Hun zaak, die hier nu tegenwoordig van vele Rechteren en Overheden als ketters en goddeloos verdoemd wordt, zal bekend worden de zaak des Zoons Gods te zijn. En tot een genadige vergelding 'a1 hen de Heere zulk een heerlijkheid doen bezitten als het hart eens mensen nimmermeer zoude kunnen bedenken. Daarom verwachten wij die grote dag met een groot verlangen om ten volle te genieten de beloften Gods in Jezus Christus onze Heere. In dit deel der belijdenis straalt de hope uit naar die heerlijkheid. En dat doet nu onbewust de ganse schepping Gods. Zij is ook in lijden en gevoelt hare gebondenheid. Dit is de tweede gedachte:
II. De onderwerping der schepping.
Want het schepsel is der ijdelheid onderworpen, zo zegt de Heilige Geest. Onder schepsel verstaan wij de schepping Gods. We kunnen ook spreken over de natuur, bijzonder ook de onbezielde
schepping, als dieren, planten, en vergeet vooral niet de kracht der elementen. Dit alles en veel meer is te noemen, is onderworpen aan de ijdelheid, d.i. de verdorvenheid, de vergankelijkheid, de onvruchtbaarheid, de totale onbestendigheid. Alles is voorbijgaand, niets bestendig hier beneden. De schepselen dus, die leven onbewust in de onderworpenheid, kunnen niet weder opgericht worden eer
de kinderen, de zonen en dochteren, die de Heere vrezen, tot de staat der heerlijkheid zijn geleid. Als zij nl, de verdorvenheid voor eeuwig hebben afgelegd en zulk een staat beërven, wat geen oog heeft gezien en geen oor gehoord en in geen hart is opgeklommen, wat God bereid voor degenen die Hem liefhebben, om de Heere eeuwig te loven en te prijzen.
Hier mag het hart van 's Heeren kind wel eens verwaardigd worden om hope te vatten in de bede: „O God van zaligheden, open mijn ogen, dat ik die heerlijkheid als in de verte aanschouwe, de Koning in Zijn schoonheid en 't hemelse Kanaan der eeuwige rust. Die rust en die grote zaligheid, waar zelfs de ganse natuur naar uitziet."
Doch de natuur, de onbezielde schepping, dier, plant, is hierin niet gewillig. Neen verre van dat. Zij haakt naar het leven, door de natuurlijke genegenheid begeert zij haar eigen onderhouding, voortbestaan en volmaaktheid. Zij wil leven en niet sterven. Wat onderworpen is aan het verderf, lijdt tegen wil en, natuur. Het is duidelijk genoeg.
Maar om diens wil, die het der ijdelheid onderworpen heeft. We worden hier gewezen op Adams diepen val. Ongehoorzaam zijnde is hij en wij allen in hem van God afgevallen en de duivel toegevallen. O vreselijke zondeval, gevallen in een grondeloze rampzaligheid, door eigen schuld en moedwillige Godsverlating.
Door die val deelt nu ook de natuur in de straffen der zonde. Als de Heere door Zijn algemene goedheid, de wereld niet spaarde, zij zou geheel ter verwoesting zijn overgegeven. Door onze schuld ook de natuur delende in het oordeel Gods. De Heere derhalve heeft de onbezielde schepping aan de vergankelijkheid onderworpen. Doch in hope, daar is een heftig verlangen, naar volmaking. Wat een verdoemelijke schepselen zijn wij toch, en welke eeuwige straffen, geliefden, hebben wij verdiend, daar alle onschuldige schepselen, dier, plant, delfstof, elementen, de krachten der natuur, de straf onzer zonden dragen. Dat wij er toch iets van mochten gevoelen. De val des mensen sleurde de ganse schepping mee. Doch ook de heerlijkheid van Gods kind in de hemel zal ten gevolge hebben de wederoprichting aller dingen.
O dat Gods dierbaar volk dan niet al te zeer moedeloos worden, opdat zij niet bezwijken in de druk des levens. De schepping Gods reeds zo vele eeuwen volhard om hare onderworpenheid te dragen in hope, o hoe zal dan door Gods dierbare Geest geleerd worden om in lijdzaamheid te lopen de loopbaan die hen is voorgesteld. De natuur is der vergankelijkheid onderworpen. We denken in dit verband aan dit jaar onzen Heeren 1954. De oordelen Gods zijn duidelijk zichtbaar. Hoe veel macht, wijsheid en goedheid Gods de Heere ook nog in de natuur ten toon spreidt, overal is klaar op te merken dat de strafgerichten Gods zijn gekomen. Vulkanen, vuurspuwende bergen zijn vreselijke rampen. Neen, krachtens schepping zijn de bergen niet geschapen om dergelijke onheilen te doen komen. Der vergankelijkheid onderworpen. Orkanen en wervelstormen benemen duizenden het leven. Wat een overstromingen in zeer veel landen ook van ons werelddeel. De ramp van 1 Februari '53 is nog vers in ons geheugen. Velen hebben het tijdelijke met het eeuwige moeten verwisselen. In onderscheiden gezinnen heerst diepe smart.
Denk ,aan de aardbevingen in verscheidene plaatsen. Oorlogen, geruchten van oorlogen, pestilentiën, vreemde krankheden. Besmettelijke zieken. Het toppunt van alle leed en kwalen de dood. Het is de mens gezet eenmaal te sterven en daarna het oordeel. Waar zullen we beginnen en waar eindigen ? Gewis, de natuur en de ganse redelijke en onredelijke schepping is niet door God geschapen om te lijden en lijden te veroorzaken, niet om te sterven, doch om te leven.
Doch daar is hope dienaangaande. De ganse schepping lijdt, lijdt om de zonde van de mens, lijdt onder de toorn Gods, doch ze lijdt niet gewillig, er is overal de drang tot leven en daarom ze lijdt in hope en met een reikhalzend verlangen naar het licht van de volle dag. De wedergeboorte van de mens is het werk van de Heilige Geest.
Welnu in die wedergeboorte van Gods volk ligt profetisch in verre en wellicht nabije toekomst besloten de wedergeboorte der ganse schepping. De natuur, om de val des mensen dragende de vloek, zal ook in de herstelling en heerlijkheid van 's Heeren verkoren volk, in een heerlijke staat geraken. De smartengang van de schepping predikt geen stervensproces, doch verkondigt luide levensopenbaring. Ook deze worsteling in de schepping is naar Gods gemaakt bestek.
Laat deze zomer met veel koelheid en natheid geen verontrusting geven, doch dat de kinderen Gods in de vele tekenen der tijden mogen beluisteren de komst van de Christus op 's hemels wolken.
Hij komt, Hij komt om de aard te richten, De wereld in gerechtigheid,
Al 't volk, daar 't wreed geweld moet zwichten, Wordt in rechtmatigheid geleid.
Wat een gerichten Gods op aarde. Overal worden Zijn voetstappen gezien. De oordelen beginnen bij het huis Gods. Dat Gods kinderen mochten zuchten op de puinhopen van Jeruzalem. De scheur in 't lichaam van Christus, Zijn kerk is diep. God houdt echter de wacht. Er is daardoor bij tijden een levende hope, een uitzien naar de heerlijkheid. De schepping gaat hen hierin voor. Gelijk er bij het levende volk een hope is en een blij verwachten, zo ook bij de natuur. En daar is grond voor die hope. We zien het in de derde gedachte:
III. De vrijmaking der schepping.
Luther zou zeggen: „Thans draagt de natuur hare dagelijkse werkkleren, maar eenmaal zal zij hare Zondagse, hare feestklederen aantrekken." Juist zo is het inderdaad.
En Calvijn zegt er van: „Dat alle schepselen in moeite zijn, doch door hope worden overeind gehouden." Hieruit blijkt hoe onmetelijk de waarde is der eeuwige heerlijkheid, dat zij alles kan opwekken en meevoeren tot een begeerte daarnaar.
Immers ook de schepping zelf zal eenmaal bevrijd worden van de slavernij der vergankelijkheid en der verderfelijkheid om zo te komen tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods. De boeien zullen verbroken worden, de ketenen in stukken geslagen. De aarde, zoals zij nu is onder de vloek, is in hare allerschoonste delen toch slechts een winterlandschap, vergeleken met het paradijs en met de vernieuwde aarde.
Johannes op Patmos, verbannen als hij was voor de Naam en zaak van Christus, zag in de geest de nieuwe hemel en de nieuwe aarde waarop gerechtigheid woont. In en door de heerlijkheid van de nieuwe aarde zullen ook Gods kinderen verheerlijkt worden. En in die heerlijkheid van de levende kerk zal ook de aarde gelouterd en vernieuwd zijn. Dit alles is in Christus voor eeuwig gewaarborgd. Wat een ontzettend lijden hier op deze oude zondige aarde in de schepping Gods, in de ganse natuur. Gebonden is zij, doch eenmaal zal zij in heerlijkheid glanzen. Jesaja spreekt er van: „Want ziet, Ik schep nieuwe hemelen en een nieuwe aarde; en de vorige dingen zullen in het hart niet opkomen" (Jesaja 65 : 17).
O, in 't werk van de gezegende Heiland ligt meer dan de verlossing der ziel. In en door Hem zal de wedergeboorte en herstelling der gehele schepping voltooid worden. De vloek is door Hem opgeheven, de verheerlijking volkomen gewaarborgd. Zie zo ziet de schepping uit naar die dag der verlossing. Als ook het erfdeel des Heeren delen zal in die heerlijkheid.
Wat is hier het lijden van Gods volk soms heel zwaar. Boven de poort der wedergeboorte staat geschreven: dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk Gods. Zij moeten dus lijden. Het is de weg en de wil des Heeren. Door lijden geheiligd te worden. Niet aangenaam en begerig voor vlees en bloed. Nuttig en profijtelijk als zij er voor ingewonnen mogen worden. Het is hier toch, o dierbaar volk, een verdrukking van tien dagen. De heerlijkheid wacht.
Een Jacob had een hinkende heup, een Mefiboseth was kreupel aan beide voeten. Een Hiskia een gezwel. Paulus een scherpe doorn in zijn vlees. Asa krank aan zijn voeten. Job een Godtergende huisvrouw.
De Heere wil Zijn kinderen klein houden. Zij mogen niet groot worden. Genade maakt altijd klein. Vernederd door Zijn grootheid, vertederd door Zijn liefde mogen zij lopen de loopbaan die hen is voorgesteld. De Heere bepaalt de duur en de mate van het lijden. Het kan soms zo zwaar schijnen, toch legt Hij de mens niet te veel op.
Een mens lijdt dikwijls 't meest Door 't lijden dat hij vreest. En dat nooit op komt dagen. Dus heeft hij meer te dragen, Dan God te dragen geeft.
Het leed dat is, drukt niet zo zwaar. Als vrees voor allerlei gevaar. En komt het eens in huis,
Dan helpt God altijd weer
En geeft Hij kracht naar kruis.
Ja, zo is het. God geeft kracht naar kruis en ook kruis naar kracht.
Zo kan dat volk lijden. De Apostel belijdt: „Ik vermag alle dingen door Christus die mij kracht geeft." Wat een opstand en murmurering in donkere wegen kan er bij tijden in het hart zijn. En als God, om de zonde Zijns volks, Zijn gunstrijk Aangezicht verbergt, wat kan het duister zijn van buiten en van binnen. Door vele stormen en gevaren zijn al Gods vromen heengevaren. Het is werkelijk zo hard nodig om getuchtigd te worden. Zalig het volk dat al zijn kracht van God verwacht en dat zijn verwachting heeft van Hem die eens de lijdende Heiland was, doch nu verheerlijkt aan 's Vaders rechterhand en daar leeft om voor Zijn volk te bidden.
Zo leren zij zelfs om te willen lijden.
Paulus kreeg een behagen in noden en vervolgingen, want als hij zwak was dan was hij juist krachtig in de Heere zijn God. De doorn in zijn vlees was hem gegeven als geschenk des Heeren om zich nooit bij de uitnemende gaven, die hij bezat, te verheffen.
Gelukkig als zij mogen leren: „Het is goed voor mij verdrukt te zijn geweest." Opdat ik aldus Uw Goddelijk mag leren: „want sinds heeft mijn hart voor hoovaardij gevreesd. Doe mij toch steeds Uw wil als heilig eren." De Heere vergist zich nooit. Hij heeft met alles Zijn wijze en heilige bedoelingen. Hij plaagt niet uit lust tot plagen, niet bedroeft Hij van harte, maar tot hun geestelijk, eeuwig en tijdelijk nut.
Er wordt in die weg geoefendheid geleerd. Nl. dat zij mogen lijden. Het is toch een zeker teken van hun kindschap. Bastaarden worden gestraft, Gods kinderen worden als zonen en dochteren gekastijd. Tot hun zegen. Sla mij met medelijden, gelijk een Vader doet. Toon mij toch dat Uw kastijden, in mijn lijden, uit geen grimmigheid geschied.
Christus leed niet als een martelaar, doch als Borg en Middelaar in Zijn Borgtochtelijk en plaatsbekledend werk voor al de Zijnen. Toegepast en bevindelijk verklaard in hunne harten, zien wij bij tijden en ogenblikken uit naar de toekomstige heerlijkheid. Verlost van het lichaam der zonde en des doods om eeuwig bij hun Zaligmaker te mogen zijn. Ongestoord door enige zonde Hem volmaakt te vrezen.
Naar die toekomstige heerlijkheid verlangt de schepping. Zij schudt hare ketenen. De Geest werkt hope in het hart van 's Heeren volk, doch niet minder in de natuur. Ook zij haakt naar hare vrijmaking uit banden. Natuurlijk naar de aard der schepping. De val des mensen bracht haar de vloek. De zaligheid van Gods kind brengt haar de zegen van de herstelling en de wederoprichting aller dingen.
Neen, dan behoeft de herfst en het vallen der bladeren de levende kerk niet weemoedig te stemmen. Er ligt toch profetie in van de lente, ja van de eeuwige lente en zomer op een vernieuwde en gelouterde aarde. Zo ver is het nog niet, doch het komt. Nu zucht het schepsel nog. Staan wij er ten slotte bij stil.
IV. De zuchting der schepping.
Zo toch zegt de Apostel: „Want wij weten dat het ganse schepsel te samen zucht te samen als in barensnood is tot nu toe. 0, 't schijnt ons toch zo vreemd te zijn, bij 't lezen van dit woord der Schrift, en toch de werkelijkheid is niet anders.
Alles z u c h t, bewust of onbewust, 't mensdom, 't dierenrijk, 't plantenrijk, 't delfstoffenrijk, zelfs de elementen, de krachten der natuur, en ga zo maar door, alles zucht, 't gehele aardrijk, de val des mensen werkt door tot in de onbezielde schepping toe. Het is onmogelijk dat het leven der natuur zich onbelemmerd kan ontplooien, doch door allerlei machten bedwongen wordt. We zien een gebonden staat. 't Schoonste deel der aarde na de val een winterlandschap. Denkt u het maar gerust in. Bij wat de aarde eenmaal was in de schone lusthof van Eden, het aardse Paradijs. Het is nu een staat van kille verstijving, die haar ontzaglijk doet zuchten. Onbewust vanzelfsprekend. Het land versmacht, de most treurt, en dergelijke persoonsverbeeldingen meer in de Waarheid.
En toch, en toch geliefden, het is geen troosteloos zuchten. Sprak de Heilige Geest reeds in vers 19 over zuchten met opgestoken hoofde als om haar reikhalzend verlangen uit te spreken, hier de sprake van lijden en benauwdheid, ja zeker, doch als een barende vrouw, die een nieuw leven in zich draagt en nu in arbeid is om dat leven tot aanzijn te brengen. De zuchtende aarde draagt in haar schoot de nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont. Zij hijgt naar die ure van Christus' wederkomst op de wolken des hemels. Dan zal de woestijn bloeien als een roos, de dorre plaatsen zullen vrolijk zijn, het dorstige land zal tot springaders der wateren worden. Men zal nergens leed doen noch verderven op de ganse berg van 's Heeren heiligheid. Het zuchten der schepping is geenszins een weedomsklacht, uit doffe wanhoop, maar een op de tenen staan, de halzen rekken, de hoofden opheffen om te komen door lijden tot heerlijkheid.
Zij zucht naar die heerlijkheid van Gods volk. Het zijn de barensweeën ener nieuwe geboorte. Zij zucht te samen, 't is een zucht als in de gebondenheid, een in haar vreselijke roep naar de uiteindelijke bevrijding.
Het is ook een beeld van het zuchten van Gods levende kerk, onder het lijden des tegenwoordigen tijds. Zij toch, die de eerstelingen des Geestes hebben, zij zuchten ook en dat zeer bewust en in levend gevoel der zonden. Zij zuchten nl. in de verwachting van de aanneming tot kinderen, en dat is de verlossing huns lichaams. Het is hier voor Gods wedergeboren volk de tijd der eerstelingen. Ze zijn nog niet wat zij eenmaal horen te worden. Als hun sterfelijk en gestorven lichaam aan het einde der dagen uit het graf zal zijn opgewekt, dan zal hun zaligheid ten volle ontplooid worden. Dat is de eeuwigheid van de volle oogst. Hier is zij de gemeente onder het kruis. Zuchtenstof is er heel veel. Eerstens en vooral om eigen zonde en schuld, ook na ontvangene genade. Wat een albederf en inklevende verdorvenheid. Heus, die melaatsheid der ziel gaat dieper dan het vel. Het dringt door tot de roerselen des harten. Het ganse hoofd is krank en het ganse hart is mat. Van de hoofdschedel tot de voetzool toe 'is er niets geheels aan dezelve maar vol wonden, striemen en etterbuilen, die niet uitgedrukt noch verbonden zijn en geen derzelve is met olie verzacht. Het dringt door tot in het gebeente. 0 die smet der zonde. 't Is erger dan een vlek op een kleed, 't is er nooit uit te krijgen.
Daarbij komt dat zij ook een ruim deel krijgen aan het lijden des levens. Enerlei wedervaart de rechtvaardige, zowel als de goddeloze. Veel wederwaardigheén, veel rampen zijn des vromen lot, doch uit die allen redt hem God. Hij is zijn heil alleen.
Zij kennen ook door genade het zuchten onder de oordelen Gods, toenemende goddeloosheid en zonde van de kerk, land en volk, overheid en onderdaan. De breuke ook van Gods kerk is krachtig op de ziel gebonden. 0 mocht dit maar meer en dieper in mijn hart worden ervaren, zo zuchten zij. Wat een klein en zwak geloof menigmaal, wat een weinig waar vertrouwen op de Heere. Wat kan hun hope en verwachting toch mistig en beneveld worden. Zij hadden het in de tijden der eerste liefde heel anders voorgesteld. Zij zijn soms een lederen zak gelijk, die al zijn vocht door de rook heeft verloren. Zie dat is de stand soms van dat geestelijke leven.
Doch de dichter vervolgt dan ofschoon ik niet van Uwe wetten wijk. Dat blijft toch de staat van Gods volk. Die wordt door de Heere bewaard.
Zuchten dus vele. Is het veel een zuchten naar de heerlijkheid die geopenbaard zal worden? Wat een zaligheid. Moogt gij veel in de verwachting leven. o volk des Heeren, door de Heere bemind en verkoren, hoort dan, de onbezielde schepping gaat u voor en moogt gij volgen om te zingen:
Laat al de stromen vrolijk zingen,
De handen klappen naar omhoog.
't Gebergte vol van vreugde springen
En huppelen voor des Heeren oog.
Hij komt, Hij komt om de aard te richten,
De wereld in gerechtigheid.
Al 't volk, daar 't wreed geweld moet zwichten,
Wordt in rechtmatigheid geleid.
Zingen we dit vers, het is uit Psalm 98 : 4.
Toepassing.
Onbekeerden van hart, gij zijt ook onderworpen aan de vergankelijkheid. In Adam, het eerste verbondshoofd, zijt ge gevallen. Van de Heere, uw Schepper en Formeerder, af. De duivel toegevallen. Als de aarde beeft, de winden waaien, de stormen loeien, de orkanen bulderen, de waterstromen duizenden 't leven benemen, de wervelstormen overal in 't rond verderf verspreiden, het is de vloek des Heeren over de gevallen mens, dus ook over u. Het ganse aardrijk deelt in die vloek. Het zijn ook de roepstemmen Gods. De wereld zal eenmaal vergaan. De elementen brandende versmelten. En gij, ge wordt er niet benauwd onder. Gij slaapt in het opperste van de mast. Elk ogenblik, en wat is het een kort moment, de blik van uw oog, kunt ge neertuimelen in de oceaan van 's Heeren vreselijken toorn. Ge werkt en slaapt heel rustig door alsof er geen dood en eeuwigheid ware. Dood in de misdaden en in de zonden. De schrik des Heeren mocht u bewegen tot het geloof. Doch we weten, oordeel noch voordeel zal enige uitwerking hebben zonder de arbeid van de Heilige Geest. Het neemt uwe verantwoordelijkheid niet weg. Denkt er wel aan, de schepping, het onbezielde schepsel is niet gewillig aan de vergankelijkheid onderworpen, maar om Diens wil, die het der ijdelheid onderworpen heeft. Doch gij, o onherboren zondaar, zijt gewillig wijkende van de wegen des Heeren. Het eeuwig oordeel des Heeren zal wat zijn, nimmer de eindstreep, want eeuwig is zo lang. Bij uw diepe val, ook nog de Christus verworpen, die u zo liefelijk en tederliik wordt aangeboden in het evangelie. De nodiging Gods is zo Goddelijk welgemeend. Hoe kan 't ook anders. Met bevel van geloof en bekering naar Schrift en belijdenis. De duivel en het zondige vlees maakt er in de kerk een strijdpunt van. Zover zijn we van huis.
De Heere zegt: „Wendt u naar Mij toe en wordt behouden o alle gij einden der aarde, want Ik ben God en niemand meer." Gij zijt echter gewillig om de wereld en de zonde te dienen, doch onwillig om de Heere te vrezen. Het geloof is en blijft een gave Gods. Als het beoefend wordt, Gode alleen de Ere. Als het er niet is, de mens gaat door eigen schuld verloren, gelijk hij verloren is. Uw geweten moge eens kloppen, bevreesd soms voor de tekenen der tijden en de onheilen die er tegenwoordig in menigte zijn, het is menigmaal een morgenwolk die ras voorbij gaat. De schepping is gebonden, zij zucht onbewust in die gebondenheid, doch gij kent het ware zuchten over uw bederf niet. De schepping gaat u voor, de waarheid hier beschreven, is zelfs de enige plaats in Gods Woord waar op een dergelijke wijze over deze dingen gehandeld wordt.
Haast u dan om uws levens wil. De tijd is voorts kort. De dood wenkt ieder uur. De toekomst wenkt. Het eindoordeel staat voor de deur. De Rechter van 't heelal staat te komen. De tekenen der tijden gaan aan Zijn komst vooraf. De natuur zucht in de banden. Zij hijgt naar de ure der vrijmaking. Alles echter is tegen u en niet voor u.
Bekommerden van hart,
Gij hebt geleerd om te zuchten. De zonden van uw hart en leven drukken u. Gij gevoelt krachtig voor een vlekkeloos en heilig God nooit te kunnen bestaan in het gericht. In uzelven aangemerkt is het zeker omkomen. Gij valt bij tijden Gods recht toe in het goedkeuren van de straffen. Gij hebt zelfs een welgevallen leren krijgen in het straffen uwer ongerechtigheden. Ge staat echter van verre. Ge durft niet toeëigenen. Ge gevoelt zo voor eigen rekening te liggen. En dat maakt u toch zo benauwd. Daarbij komen de aanvechtingen des duivels die u alle rust benemen. O het kan in het rijk der natuur zo vreselijk stormen, doch ook kan het zo stormen van binnen.
Als ge op de zee ziet, dan zinkt ge met een Petrus, doch als Jezus het enkele machtswoord doet horen : „Kom", dan moet hij komen en dan mag hij komen. In die weg van het toevluchtnemend geloof, om met al uw zonden te schuilen bij Hem, komt er grote stilte in de ziel. O ge hebt zo van node, om uzelf en alles te verliezen om Hem te gewinnen. Weet toch: zelfbehoud is zelfverlies, doch zelfverlies is zalig zelfbehoud. Dit ligt gewaarborgd in Christus' zoen- en kruisverdienste tot uw eeuwig behoud. Toegepast door de Heilige Geest, krijgt daar de zuchtende ziel rust in Hem, en die rust o bekommerde ziel zal heerlijk zijn.
Daar is ook een volk, ook nu nog, dat met de Apostel zucht naar de aanneming tot kinderen, nl, de verlossing des lichaams. Zeker, Paulus was gerechtvaardigd. Zijn schuld was vergeven. Hij was
door genade een vrijgemaakt mens. Daar kon hij goed rekenschap van geven. En juist daarom is er bij hem een zuchten naar de uiteindelijke verlossing. Hij zegt: urn ook zelve zuchten naar die openbaring van hem en al Gods kinderen in de toekomst. Ook Paulus had in dit stuk niet meer dan de eerstelingen des Geestes ontvangen. Hij stond in het leven der heiligmaking nog slechts aan het begin. Hij beleefde dat in zijn vlees geen goed woonde. 't Deed hem zuchten in de aardse tabernakel. Zonder zonde eenmaal de Heere te vrezen, zijn ziel hijgt er naar, de dierbare Heiland te kennen, zoals hij hier is gekend. De lijdenswegen zijn soms zo zwaar, de Heere geeft kracht om te dragen. Het is een verdrukking van tien dagen. Zo krijgt de ziel gemeenschap aan 't lijden van Christus, alsook aan de kracht Zijner opstanding. En wat zulk een weldaad is, als zij niet weten wat te bidden vanwege hunne zwakheden, is het niet alleen de Geest die hen doet bidden maar Zelve in hen bidt met onuitsprekelijke verzuchtingen. Een Hogepriester, de Koning der kerk, die in de hemel voor hen bidt en de Geest des Heeren die naar Gods wil voor hen bidt.
En zie, die Geest is niet de Geest der dienstbaarheid wederom tot vreze, maar de Geest der aanneming tot kinderen door welke wij roepen: „Abba, Vader."
Van de Geest der dienstbaarheid wederom tot vreze zegt de kanttekening van de Statenbijbel aldus : „Alzo noemt hij de werking des Geestes door de wet die de harten der mensen door de bedreigingen tegen de overtreders verslaat en bevreesd maakt, gelijk daarvan een klaar voorbeeld is in de Israëlieten als God de wet der tien geboden voor hen van de berg heeft uitgesproken." De berg nl. rookte en beefde als de Heere nederkwam. En Mozes, zo vreselijk was het gericht, zeide: „Ik ben gans zeer bevreesd en bevende."
Doch van de Geest der aanneming tot kinderen lezen we: ,,Hierdoor wordt verstaan de genadige werking des Heiligen Geestes door de prediking des heiligen Evangeliums die de harten der gelovigen verkwikt, en van hunne aanneming tot kinderen verzekerd, waartoe ook de volgende werkingen dienen."
Van die genadige aanneming tot kinderen mocht de Apostel klaar getuigen. Doch er is nog meer. In vers 23 spreekt Paulus ook van de aanneming tot kinderen en dan bedoelt hij het volle bezit der erve in de aanneming door God beloofd. Daar geen eerstelingen meer, doch de volle oogst. Het Pinksterfeest hier der eerstelingen bevat een gezegende profetie van het eeuwige Pinksterfeest daar boven. Daar geen zonde meer, daar geen aanvechtingen meer, daar geen lichaam des doods meer. Ook het lichaam wordt dan opgewekt om aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig te worden.
Verlost van de zonde, de ijdelheid en het verderf, zal de lofzang der gezaligden eeuwig zijn. Dan antwoordt, bij ogenblikken op de vraag naar de langste Psalm, Gods kind met Psalm 89 : 1 :
'k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheén,
Zijn waarheid te allen tijd vermelden door mijn reên.
Ik weet hoe 't vast gebouw voor Uwe gunstbewijzen,
naar Uw gemaakt bestek in eeuwigheid zal rijzen,
zo min de hemel ooit uit zijne stand zal wijken,
zo min zal Uwe trouw ooit wankelen of bezwijken.
Onderzoeking des harten blijft geduriglijk van node. Er kan toch zo veel zijn dat in 't wezen der zaak niets is, en er kan schijnbaar zo weinig zijn wat toch werkelijk in beginsel alles is. Wedergeboorte uit de Heilige Geest is voor alle dingen hoogst noodzakelijk. De mens kan zich zo licht bedriegen voor de eeuwigheid. Hij is de leugen toegevallen, toen hij van de God der waarheid afviel. De eeuwige rampzaligheid zal vreselijk wezen. Met geen pen te beschrijven, door geen tong uit te spreken. Waar de worm niet sterft en het vuur niet uitgeblust wordt. In de kerk te zijn baat niet, ge moet van de kerk zijn. In het verbond te zijn is niet genoeg, u moet van het verbond zijn. Uw verloren staat grondig leren gevoelen, behoefte leren gevoelen naar de enige hope der zaligheid Christus Jezus.
We beleven zware tijden. Er wordt weinig van beleefd. Er zijn overal verschrikkingen, in de lucht, op de zeeën, op het land. Vele delen van de wereld overstroomd door de watervloeden en stormgedruis. De ganse schepping Gods is in heftige beroering. Barensnood is er, profetie ener nieuwe geboorte. Zij verwacht met sterk verlangen, de openbaring der kinderen Gods. Zij hijgt er naar. Doch laat dan in de ziel van Gods kind mogen leven :
Laat vrij het schuimend zeenat bruisen,
D' ontroerde waat'ren hevig ruisen;
De golven mogen door haar woén,
Het berggevaarte daav'ren doen.
De stad, het heiligdom, de woning
Van God, de allerhoogste Koning,
Wordt in haar muren t' allen tijd,
Door beekjes der rivier verblijd.
In de vrijmaking der natuur, ligt ook de vrijmaking van Gods volk. Ge kunt 't ook anders zeggen. Toen de mens viel, werd ook de vloek Gods over de schepping gezien. En nu Gods volk eenmaal verheerlijkt wordt, zal ook de schepping Gods in glorie zegepralen. En dat alles door de Christus.
Eenmaal zal de strijd gestreden zijn. De vijanden volkomen overwonnen. De anti-christ terneer geslagen. De koninkrijken overwonnen. Het Koninkrijk van Vorst Messias eeuwig triumferen. Dan zal de uiteindelijke openbaring der kinderen Gods plaats hebben. Hier in vele opzichten nog zovele malen verborgen krachtens hun verborgen leven. In heerlijkheid zal de levende kerke Gods glanzen. In Spanje, Columbia, achter het ijzeren gordijn, en op zoveel plaatsen ter wereld wordt de kerk vervolgd. „Hoor naar hen die in gevangenis kwijnen, laat hun gekerm voor Uw gezicht verschijnen, bevrijd hen die gedreigd door doodsgevaren, op Uwe hulp met smekende ogen staren", zo hoor ik de oude kerk bidden, doch ook de kerk van de Nieuw-Testamentische dag. O zuchtend en vervolgd erfdeel des Heeren, hoort toch, de schepping zucht ook. Waartoe? Naar de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods. Ook naar uw vrijmaking, die genade kent, doch in banden zucht. De ure der verlossing nadert met rasse schreden. Heft uwe hoofden op en verwacht Hem op 's hemels wolken.
Terwijl ik dit schrijf horen we van overstromingen in Canada, op de plaatsen waar vele Ned. emigranten wonen. En er rijst een bede op uit mijn hart: „O Heere geef, dat Uw kerk en dan inzonderheid Uw levendgemaakt volk in de bruisende watergolven, mogen beluisteren de stem van de onbezielde schepping, die als met uitgerekte hals uitziet naar Uw heerlijkheid." Want dit is de stem des Heeren op de watervloed. Laat al die stromen vrolijk zingen en de handen klappen naar omhoog. De specerijgeuren van de dag der zaligheid moge u liefelijk toegeuren. Hier is het, 't land der vreemdelingschap. Uw tehuis is op de bergen van Gods heiligheid. Wat winden die er waaien, wat regen die er plast (denkt aan zomer '54) , het hoge huis van Sion staat onbewegelijk vast. Zo vast en onbewegelijk dat de vloedgolven der wereld, de watervloeden des duivels niet bij machte zijn om het huis Gods te verpletteren. Want, 't is het vast gebouw van 's Heeren gunstbewijzen, dat naar Gods gemaakt bestel in eeuwigheid zal rijzen.
En moge dan hier in dit jammerdal de lijdenswegen lang schijnen en bang zijn, het is toch niet te waarderen tegen de heerlijkheid die aan hen zal geopenbaard worden. Daarom, o volk, houd moed in 's Heeren kracht. De Koning komt ten gerichte, doch dat recht is door Christus voor u bij God voldaan
Geduld, mijn ziel, eens komt de tijd, dat u in 't licht der eeuwig-
heid Gods grote gangen zult verstaan en zeggen : Hij heeft welgedaan. Dat geve de Heere.
Amen.
Psalm 89 : 1.
November 1954