Gods liefde op ’t heerlijkst getoond in Christus' kruisdood.
(Goede Vrijdag)
Prédikatie door Ds. JAC. OVERDUIN.
Ps. 89 : 18
Lezen: Joh. 19 : 28~42
Ps. 22: 7,8
Ps. 65 : 2
Ps. 85 : 1
Maar God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren.
Rom. 5 . 8.
Gemeente!
Het is toch wel waarlijk een góede Vrijdag vandaag. Want het is de dag, waarop wij gedenken het lijden en sterven van Christus aan het Kruis op Golgotha,
En op Golgotha, dáár zien wij, zoals nergens anders, dat God Liefde is!
Liefde, en dat voor zondaren!
Voor zondaren, zoals wij!
Zó groot is Gods liefde tot zondaren, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, óvergegeven, tot in de dood, ja, tot in de dood aan het Kruis!
En dat voor zondaren!
O, de apostel Paulus was daar toch zo vól van, toen hij deze woorden schreef aan de gelovigen te Rome, zo vol van die liefde Gods, in Christus geopenbaard.
Paulus kende die liefde Gods uit éigen ervaring ; als een liefde, ook aan hém bewezen; aan hem, die zichzelf noemde: „de minste van al de heiligen" en „de voornaamste van de zondaren."
Maar...... omdat de apostel Paulus Gods grote zondaarsliefde kende uit eigen ervaring, omdat die liefde Gods in zijn hart was uitgestort door de H. Geest, Die hem gegeven was, daarom kon hij er ook zo heerlijk en zo ruim van spreken en prediken!
Hoe kon deze Paulus zijn mede-zondaren die liefde Gods aanprijzen 1
Hoe kon hij de kinderen Gods met die liefde vertroosten!
En dat doet hij ook hier, in ons teksthoofdstuk, Rom. 5.
Want Christus, zo zegt hij in het zesde vers, want Christus, toen wij nog krachteloos waren, dat wil zeggen: toen wij nog in de macht van de zonde waren, niet in staat om Gods liefde tot ons gaande te maken, toén, zegt Paulus, is Christus te Zijner tijd voor de goddelozen gestorven.
Hoe bestaat het!
Christus is gestorven, zegt Paulus, voor de goddelozen! Wie zou dat doen: sterven voor goddelozen?
„Want nauwelijks zal iemand voor een rechtvaardige sterven", zegt Paulus ; „want voor de goede zal mogelijk iemand ook bestaan te sterven."
Paulus bedoelt : het is misschien mogelijk, dat iemand zijn leven nog wil geven voor een mens, die rechtváárdig is, op wie niets valt aan te merken, die werkelijk goed is en het daarom ook waard is. Zoiets kán misschien nog wel eens een heel enkele keer gebeuren dat iemand sterft voor een rechtváárdige.
Maar voor goddelozen! Dat is toch ongehoord.
Welnu, dát ongehoorde, dat hoort gij, dat ziet gij op Golgotha, waar Christus hangt en sterft aan het Kruis.
Daarover spreekt Paulus in onze tekst, als hij zegt: „Maar God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, toen wij nog zondaars waren."
Dat is een liefde zonder weerga!
Zo zien wij dan vanavond:
GODS LIEFDE OP HET HEERLIJKST GETOOND IN CHRISTUS' KRUISDOOD.
1. Als een wonderbaar gróte liefde.
2. Als een dringend lókkende liefde.
I.
Christus is gestorven. Waarlijk gestorven. Gestorven aan het Kruis,
Nog vlak, voordat Hij sterven ging, sprak Christus, met heldere en klare stem, Zijn overwinningswoord : „Het is volbracht!"
En zie, daar daalde de slaap des doods over Hem neer...... Als een kind, dat zich te slapen legt, zó vol vertrouwen, riep Hij het uit over Golgotha: „Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest!"
En toen Hij dat gezegd had, bóóg Hij het hoofd en gáf de geest.
Op hetzelfde ogenblik, dat Christus stierf, ging er een siddering door heel de schepping. Het voorhangsel van de tempel scheurde van boven naar beneden. Een aardbeving deed ook de rotsen scheuren, zodat verscheidene graven, die in de rotsen waren uitgehouwen, werden geopend.
Ja, het was toch wel iets buitengewoons, dat sterven van Jezus.
Dat gevoelde óók die romeinse officier, die bij de Kruisiging het bevel had gevoerd. Die man was zó diep onder de indruk gekomen van Jezus' sterven, dat hij uitriep : „Waarlijk, deze mens was Gods
Zoon!„
Toen zijn - tegen het vallen van de avond - de soldaten gekomen, gewapend met een zware ijzeren moker, om de benen van de gekruisigden stuk te slaan, teneinde daardoor hun dood te verhaasten.
Maar bij Jezus was dat niet meer nodig. Hij wás immers al gestorven. Maar voor alle zekerheid heeft één der soldaten Jezus' zijde met een speer doorstoken, en toen er uit de toegebrachte wond bloed en water vloeide, was dat het afdoend bewijs, dat Jezus al gestorven was.
De mensen, die nog achtergebleven waren op Golgotha, stroomden nu terug naar de stad, terwijl ze zichzelf op de borst sloegen.
En dan komt dat ontroerend tafereel : vrienden handen maken het lichaam van de geliefde dode voorzichtig los van het Kruis.
Daarna wikkelen zij dat lichaam, vol eerbied, in fijn lijnwaad, met kostbare specerijen. En dan dragen zij het weg naar de tuin van Jozef van Arimathea, en ze leggen het in een nieuw uitgehouwen graf, dat wordt afgesloten met een grote ronde steen.
Toen was alles voorbij, en het is weer stil geworden op Golgotha, terwijl de avond daalde.
Maar toch, gemeente, zó is het ons goéd om op Golgotha te zijn, waar Christus leed en stierf aan het Kruis. Om aan Hem te gedenken, Die Zichzelf daar heeft gegeven in de bangste ziele-nood.
Daarginds, in Jozef's hof, is 't lichaam des Heeren in het graf gelegd. En o, hoe wonderlijk rustig en vredig is het nu op Golgotha!
t Is als de stilte na het onweer.
t Is als de vrede na de strijd.
Het onweer van Gods toorn is uitgewoed.
De strijd met de vorst der duisternis is beslist.
Hoe goed is het nu, om hier te zijn, op Golgotha, waar het ganse werk is volbracht, waar Christus stervend Zijn Geest heeft bevolen in de handen van Zijn Vader.
t Is rustig en vredig op Golgotha...... Hoort, daar klinkt een stem ons tegen; een stem, die ruist over
Golgotha. 't Is de stem van een man, die eerst óók geroepen heeft: „Wég met Deze; kruis Hem!" De stem van de voornaamste der zondaren, maar aan wie barmhartigheid is geschied, en die stem zegt : „Maar God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, toen wij nog zondaars waren!"
Dát is het, gemeente.
Dat is het wonder van Golgotha.
Daar zien we Gods liefde, op 't heerlijkst getoond in Christus' kruisdood.
En wel het allereerst als een wonderbaar gróte liefde.
Want immers, het was een liefde tot zóndaren.
O, dat is het wonderlijke, het gróte: dat God zóndaren liefhad! Zondaren, die tegen Hem gerebelleerd hebben; Zijn wil en wet, zo heilig, stout versmaad.
Zondaren, die de begeerten doen van hun vader, de duivel. Zondaren, die van natuur geneigd zijn om God en hun naaste te haten.
Zondaren, die dus vijanden van God zijn.
Zondaren, die Gods liefde hebben verbeurd en Zijn toorn hebben verdiend. -
Zulke zondaren heeft God liefgehad!
En dat is geen liefde van vandaag of gisteren.
Neen, die liefde was al in Gods hart van eeuwigheid.
Ja zeker, Gods zondaarsliefde is zo eeuwig, als Hij Zelf eeuwig is. Lezen we niet in Jes. 31 : 3, dat de Heere zegt tot Zijn volk: „Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde"?
O, hoe is dat toch mogelijk?
Waarom heeft God toch zondaren liefgehad?
Zag Hij soms iets in die zondaren, dat Zijn liefde tot hen opwekte?
Neen, er was niets in die zondaren, dat God bewoog om hen lief te hebben.
„Wij waren krachteloos", zegt Paulus.
En Johannes schreef het zo duidelijk: „Hierin is de liefde, niét, dat wij God hebben liefgehad, maar dat Hij ons heeft liefgehad." Maar waarom dan?
Wat bewoog God dan om zondaren lief te hebben?
Op deze vraag is maar één antwoord te geven: God de Heere was bewogen in Zichzélf!
Hij had zondaren lief uit eigener beweging, uit vrije ontferming, uit louter welbehagen, uit enkel genade!
Hij had zondaren lief om Zichzelfs wil.
En waartóe had God dan die zondaren lief ?
Met welk doel ? Wat wilde Gods liefde dan ?
Wel, Gods liefde wilde niet anders dan die zondaren verlóssen van hun zonden en hen zaligmaken, voor eeuwig gelukkig!
Want zondaar zijn, dat betekent: óngelukkig zijn, verloren, ellendig, rampzalig!
Welke zondaar kan zichzelf verlossen ? Niet één!
Zondaar zijn, dat betekent: zonder God in de wereld zijn, geen hoop hebbende.
Zondaar zijn, dat wil zeggen : in de macht van satan zijn; gevángen onder zijn wil ; aan allerhande ellendigheid, ja, aan de verdoemenis zelf onderworpen.
Maar Gods liefde wilde zondaren zoeken en zaligmaken.
Zondaren trekken uit de macht des satans tot God. Gods liefde wilde hun alles vergeven en het eeuwige leven schenken Gods liefde wilde arme zondaren weer rijk maken en weer herstellen in hunvroegere heerlijkheid. Gods liefde wilde hun het verloren paradijs teruggeven. Gods liefde wilde die afgedwaalde zonen en dochteren weer terugvoeren naar het eeuwig Vaderhuis en aan het goddelijk Vaderhart.
Maar...... hoe kon dat?
Wil God dan de zonde ongestraft laten?
„Neen, geenszins", zegt onze catechismus, „maar naar Zijn rechtvaardig oordeel wil Hij die tijdelijk en eeuwig straffen, gelijk Hij gesproken heeft: „Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, omdat te doen."
De zonde is schennis van Gods hóógste Majesteit. God kán de zonde niet ongestraft laten, maar Hij móet haar straffen, en wel met de hóógste, dat is met de eeuwige straf aan lichaam en ziel.
Als God dat niét deed, dan zou Hij niet waarachtig zijn in Zijn spreken. Hij zou niet rechtvaardig zijn. Hij zou geen God meer zijn.
Hij kán Zijn eigen recht niet met voeten treden.
Maar hoé kon God dan tóch zondaren liefhebben?
Liet Hij Zijn recht dan tóch maar varen?
Maar dan zou Zijn liefde meer gelijken op karakterloze slapheid.
Neen, neen, Gods liefde deed geen afbreuk aan Zijn rechtvaardigheid. God had zondaren lief, met vólle handhaving van Zijn heilig recht.
Maar hoe kon dat dan?
Wel, dat kon, omdat God zondaren liefhad in Christus!
In Christus, Zijn Zoon.
God had van eeuwigheid zondaren lief. Maar Hij had ook van eeuwigheid reeds in Zichzelf voorgenomen om Zijn Zoon, Zijn eniggeboren Zoon, die Hij liefhad, in de wereld te zenden; opdat
die Zoon van God mens zou worden, om als mens voor mensen te lijden en te sterven ; om aan Gods gerechtigheid volkomen genoegdoening te geven.
God de Vader had, van eeuwigheid reeds, aan Zijn eniggeboren Zoon het werk der verlossing van zondaren opgedragen. En God de Zoon had, van Zijn kant, dat werk vrijwillig op Zich genomen. Hij had Zelf ook die zondaren lief, die de Vader liefhad.
De liefde des Vaders en de liefde van de Zoon, dat is eigenlijk één en dezelfde liefde.
God had zondaren lief in Christus.
Christus had Zelf die zondaren óók lief.
God zond Zijn eniggeboren Zoon in deze wereld, om zondaren zalig te maken.
Gods Zoon gaf Zichzelf, en Hij kwam in deze wereld, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.
God gaf Zijn eniggeboren Zoon voor zondaren over in de dood. Gods Zoon gaf Zichzelf voor zondaren in de dood.
Christus stierf; Hij gaf Zijn ziel, Zijn leven voor zondaren ; ten hunnen behoeve; in hun plaats; als hun Borg; voor hen betalend aan Gods strafvorderende gerechtigheid.
0, dat doet ons de wonderbare grootheid van Gods liefde tot zondaren nog meer bewonderen. 't Was een liefde zónder krenking van Gods heilig recht.
Want 't was Zijn liefde in Christus, Die zondaren zó lief had, dat Hij voor hen stierf, genade bij God door Zijn zoenbloed verwierf.
Ja, Christus stierf de kruisdood.
Een smádelijke dood was dat. De Romeinen sloegen alleen slaven aan het kruis, en misdadigers van de ergste soort.
Een zeer smártelijke dood was het ook, die kruisdood.
Ach, wat een onzegbare pijn heeft Christus geleden aan het kruis. Lichaamspijn zielepijn......
Maar bovenal: de kruisdood was de dood der vervloekten. Stond er niet geschreven in 't oude wetboek van Mozes: ,,Vervloekt is een iegelijk, die aan het, hout hangt"?
Christus hing aan 't kruis als een vervloekte.
Voor Hem geen plaats, noch in de hemel, noch op de aarde.
Hij droeg de vloek Gods in Zijn lichaam en in Zijn ziel. Hij hing aan 't kruis, hoewel zonder zonde, als Een, Die door God tot zonde was gemaakt. Hij stierf, als een zondaar, in de plaats van zondaren.
Hij was gerekend met de misdadigers, zoals Hij daar hing, tussen twee moordenaars in.
En zó vervulde Hij het recht der wet.
Zo verwierf Hij genade door recht!
Is dat geen wonderbaar grote liefde?
„Christus is voor ons gestorven", zegt Paulus, „toen wij nog zondaars waren."
Zulk een liefde zult ge op aarde onder de mensen nergens kunnen vinden.
Dat gebeurt maar heel zelden : dat iemand zijn leven geeft voor een ander.
Zeker, het komt een enkele maal wel eens voor. Paulus wist het wel, dat er ook in de geschiedenis van het Romeinse volk voorbeelden waren van mensen, die hun eigen leven hadden opgeofferd uit liefde voor anderen.
Maar die anderen waren dan natuurlijk altijd vrienden, goeden, rechtvaardigen; mensen, die het wáárd waren, om er je leven voor te geven!
Maar welk mens zal nu zijn eigen leven gaan opofferen ter wille van zijn vijanden ? Wie zal er nu toch de dood ingaan, om daardoor zijn vijand het leven te geven?
Dat bestaat immers niet.
Dat is ondenkbaar.
Dat is eenvoudig onmogelijk.
Maar dat onbestaanbare bestaat bij God.
Dat ondenkbare heeft God uitgedacht.
Dat onmogelijke heeft God mogelijk gemaakt.
Want Christus is gestorven voor goddelozen, voor zondaren. Die liefde van God is toch heel anders dan de liefde, die wij onder de mensen vinden.
Onze liefde is altijd een liefde tot een ander, met wie wij bevriénd zijn; in wie voor ons iets aantrekkelijks is.
Maar Góds liefde strekt zich uit tot zondaren, die voor Hem verwerpelijk en verdoemelijk zijn.
God had zondaren lief, in Christus.
Christus stierf voor zondaren.
Hij stierf niet voor rechtvaardigen, die. Hem begeren; maar voor goddelozen, die niet naar Hem vragen en Hem niet zoeken. Hij stierf niet voor vromen, maar voor goddelozen.
Hij stierf niet voor vrienden, maar voor vijanden.
Hij stierf niet voor goeden, maar voor bozen.
Wie zal die liefde uitspreken?
't Is een liefde zonder peil,
O, diepte der liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Heere!
.,Want nauwelijks zal iemand voor een rechtvaardige sterven; want voor de goede zal mogelijk iemand ook bestaan te sterven. Maar God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, toen wij nog zondaars waren V'
Dat is het aanbiddelijke wonder van Golgotha.
In Christus' kruisdood zien we Gods liefde op 't heerlijkst getoond.
Een liefde, zo wonderbaar groot!
II.
Maar - en dat maakt die liefde Gods nóg heerlijker - 't is óók zulk een dringend lókkende liefde.
Dat zien we nog in de tweede plaats.
Want wat stáát er eigenlijk in onze tekst?
Er staat: „Maar God bevéstigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is toen wij nog zondaars waren." God bevestigt Zijn liefde jegens ons.
Wat bedoelt Paulus daarmee?
Wel, daar bedoelt hij mee: God laat Zijn liefde aan ons zien.
In de Nieuwe Vertaling lezen wij dan ook: „God bewijst Zijn liefde jegens ons."
En zo is het ook.
Het sterven van Christus aan het kruis, dát is het bewijs van Gods grote zondaarsliefde.
Die liefde, die God van eeuwigheid in Zijn hart jegens zondaren koesterde, heeft Hij zichtbaar getoond, duidelijk bewezen, toen Hij Zijn eniggeboren Zoon in de wereld zond. En op 't allerheerlijkst heeft God Zijn liefde getoond, toen Hij Zijn lieve Zoon strafte met de bittere en smadelijke dood aan het kruis.
Dát was het allergrootste en allerheerlijkste bewijs van Gods oneindige zondaarsliefde.
Paulus zegt het hier in onze tekst : God bevestigt, dat wil zeggen: God bewijst Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, toen wij nog zondaars waren.
Maar... betekent het niet nog iets meer, dat woord ,,bevestigen"? Houdt het niet nog iets méér in, dan alleen maar, dat God Zijn liefde in Christus' kruisdood heeft bewézen?
Ja, inderdaad, dat woord „bevestigen" in onze tekst is nog veel rijker van inhoud.
Lees de kanttekening van onze Statenvertalers er maar eens op na bij deze tekst, en dan kunt ge het zien: dat woord „bevestigen" kan óók vertaald worden door : recommanderen of aanbevelen of aanprijzen.
O, en nu wordt het zo heerlijk!
Want nu zegt Paulus dus in onze tekst: „Maar God prijst Zijn liefde jegens ons aan, dat Christus voor ons gestorven is, toen wij nog zondaars waren."
Aanprijzen, wat is dat? Wie doet dat?
Dat doet bijvoorbeeld een koopman op de markt, Die prijst zijn koopwaar aan bij het publiek.
Waarom?
Om het publiek begerig te maken , om de mensen te bewegen, dat ze kopen zullen.
Ja, dat is een mooi voorbeeld.
Breng dit nu eerbiedig over op God.
God prijst Zijn liefde aan bij de mensen.
Waarom doet Hij dat?
Om de mensen begerig te maken naar Zijn liefde; om ze er toe te bewegen, dat ze die liefde zullen zóeken; dat ze zich aan die liefde gewónnen geven.
O, ziet dat, geliefden : Christus' kruisdood, dat is een aanprijzing van Gods zondaarsliefde, die u dringend lókt!
Hebt gij er wel op gelet, dat Paulus in onze tekst spreekt in de tegenwoordige tijd?
Hij zegt: God bevestigt Zijn liefde. God bewijst Zijn liefde. God prijst Zijn liefde aan, dat Christus voor ons gestorven is, toen wij nog zondaars waren.
Maar dat sterven van Christus behoorde toch al tot het verleden, toen Paulus deze brief schreef? 't Was nog wel niet zo lang geleden, misschien een vijf en twintig jaar ongeveer, maar 't was toch al verleden tijd.
En tóch spreekt Paulus hier niét in de verleden tijd, maar in de tegenwoordige tijd, als hij zegt: „Maar God bevestigt Zijn liefde jegens ons."
God doet het dus ook nu nog!
Hij deed het ééns op Golgotha.
Maar Hij doet het nu óók nog!
God prijst Zijn liefde aan, ook bij óns, gemeente, door de prediking van het evangelie des kruises!
En ook op deze Goede-Vrijdag-avond doet God dat.
God Zélf spreekt tot ons door het H. Evangelie.
Hij wijst ons op het kruis van Christus.
Op Zijn grote liefde!
Maar...... nu moogt gij dat niét voor kennisgeving aannemen en naast u neerleggen.
Neen, maar zeg eens, mijn hoorder of hoorderes, heeft die liefde Gods al zó uw hart ingenomen, dat ge, met berouw over uw zonden, aan de voet van het kruis hebt leren knielen en smeken om vergeving en genade ? Weet ge het: zo lief heeft God mij gehad, dat Christus voor mij, zondaar, gestorven is?
Is die liefde Gods u meer waard dan alle andere liefde? Helaas, dat is het vreselijke van ons zondaar-zijn: wij veráchten Gods liefde.
De gekruisigde Christus is voor de Joden een ergernis en voor de Grieken een dwaasheid,
Zo was het vroeger.
Zo is het nu nóg.
Wat geven wij om Gods liefde ? Wij maken ons veel drukker om de liefde van een méns. Als we die maar hebben! Maar de liefde van God, wie zoekt daarnaar?
Laat God Zijn liefde maar aanprijzen! Laat Hij dringen en lokken door de roepstem van het evangelie. Láát Christus op Golgotha voor zondaren gestorven zijn!
Maar...... het laat ons kóud!
Zo is het met ons gesteld.
O zeker, als het zo aandoenlijk wordt voorgesteld, dat onnoemelijk zware lijden van Christus aan het kruis, als ge dat ziet afgebeeld. of uitgebeeld, of als ge het hoort bezingen in ontroerende klanken, dan kunnen er wel eens tranen in uw ogen komen, dan kan uw gemoed wel eens vol schieten.
Net als bij de vrouwen van Jeruzalem, toen ze zagen, hoe Jezus werd weggeleid naar Golgotha, gebogen onder het zware kruis. Zij wéénden over Jezus.
Maar wat zei Jezus toen tot die wenende vrouwen ? Hij sprak: „Gij dochters van Jeruzalem, weent niet over Mij, maar weent over uzelf en over uw kinderen!"
Ja, dát is het, wat wij op Golgotha moeten doen : wenen, niét over Jezus, maar over onszelf, omdat wij zo gezondigd hebben. Hebt ge zo al leren wenen over uzelf, geliefden?
Of - geef uzelf daarvan eerlijk rekenschap - staat ge nog onverschillig tegenover het kruis van Christus, en onverschillig tegenover de grote liefde Gods, in Christus'- sterven getoond en aangeprezen?
Is het met u misschien ook nog zo gesteld, als met die dichter, die zong:
Eens was ik een vreemd'ling voor God en mijn hart.
Ik kende geen schuld en gevoelde geen smart.
Ik vroeg niet : mijn ziele, doorziet gij uw lot,
Hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God?
Al sprak daar een stem uit de heilige blaán
Van 't Lam, met de zonden der wereld belaán,
Ik zocht bij de kruispaal geen veilige wijk,
'k Stond blind en van verre, in mijzelve zo rijk!
Ik deed als Jeruzalem's dochters weleer :
Ik weend' om de pijn van mijn lijdende Heer,
En dacht er niet aan, dat ik zelf, door mijn schuld,
Zijn kroon had gevlochten, Zijn beker gevuld!
Neen, daar denken wij ook niet aan: „ik deed, door mijne zonden, Hem al die jammeren aan."
Maar is het dan tevergeefs, dat God. Zijn liefde aanprijst? Zullen we dan maar ophouden het evangelie van de gekruisigde Christus nog langer in de wereld te prediken?
Neen, dat zij verre! Want het is niet tevergeefs, om Gods liefde bij de mensen aan te prijzen.
t Is nooit tevergeefs.
t Is ook vanavond niet tevergeefs.
t Werkt altijd iets uit: óf tot voordeel óf tot oordeel!
Maar bovendien - en Paulus wist dat immers uit éigen ervaring -,Gods liefde houdt niet op bij Golgotha.
Neen, die liefde Gods is zo machtig en krachtig. Die liefde Gods werkt dóór, tot op déze dag; en die liefde Gods dringt door, tot in de hardste harten.
Want 't is niet alleen door Zijn Wóórd, door het Woord des. evangelies, dat God Zijn liefde aanprijst, maar Hij doet het door Zijn Woord en Géést!
Het is de H. Geest, Die het zondaarshart opent voor het Woord; Die het Woord tóepast aan het hart van degenen, die het horen. En dan, dan overwint de liefde Gods al onze tegenstand.
Dát is toch het dóel van Gods grote zondaarsliefde : ellendige zondaren záligmaken; dóde zondaren lévend maken!
En Gods liefde zal haar doel niét missen.
Neen, op Zijn tijd, de tijd van Zijn welbehagen, grijpt Zijn liefde de zondaren aan, om ze nooit, nooit meer los te laten!
Dan stort Hij Zijn liefde uit in hun hart, door de H. Geest, Die hun gegeven wordt.
Ja, dat wisten die gelovigen in Rome wel, wat dat betekent. Zij hadden het zelf ondervonden!
Daarom schrijft Paulus ook in het,vijfde vers: „En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door de H. Geest, Die ons gegeven is!"
Wordt die liefde in ons hart uitgestort door de H. Geest, dan wordt ons boze en weerspannige hart veranderd en vernieuwd.
Dan wordt dat harde hart vermurwd en vertederd voor God.
Het wordt door schuldbesef getroffen en verslagen. En de bede stijgt op uit dat verbroken en verslagen hart : „Gena, o God, gena!"
Dan is het niet langer rieer een wenen om de pijn van de Zaligmaker, maar dan wordt er een ander wenen geboren, een wenen over onszelf, omdat we God door onze zonden vertoornd hebben.
Dan gaat het ons, zoals die dichter vérder zong
Maar...... toen mij Gods Geest aan mijzelf had ontdekt,
Toen werd in mijn ziele de vreze gewekt;
Toen voeld' ik, wat eisen Gods heiligheid deed,
Daar werd al mijn deugd een wegwerpelijk kleed!
Maar...... die liefde Gods, aan het kruis bewezen en door de H. Geest uitgestort in het hart, werkt dóór. Door de verkondiging van het evangelie en ook door het onderzoeken van Gods Woord prijst de H. Geest die liefde Gods zó aan in het hart van, de zondaar, dat die zondaar er door gelokt wordt, er zo heilbegerig naar gaat verlángen; ja, dat hij 't niet laten kan om zich aan die liefde Gods over te geven. Dan móet hij het geloven, niet van buiten af gedwongen, maar van binnen uit daartoe gedrongen: het is niet alleen voor anderen, maar ook voor mij!
Want 't is immers een liefde Gods jegens zondaren!
God prijst Zijn liefde jegens ons aan, zegt Paulus, dat Christus voor ons gestorven is, toen wij nog zondaars waren.
Nog zóndaars!
O, als de H. Geest onze ogen daarvoor opent, dan kunnen en mogen en willen we niet meer van verre blijven staan. Want wij gevoelen dan in ons hart de trékking van die liefde Gods, die dringt en lokt, zo krachtig, zo machtig. En tegelijk zo liefelijk en teer.
En zie, daar wordt het woord vervuld, dat geschreven is van de Middelaar Gods en der mensen: „Want die Mij vindt, vindt het leven, en trekt een welgevallen van de Heere."
Dan wordt het beleving :
Toen vluchtte ik tot Jezus, Hij heeft mij gered,
Hij heeft mij verlost van het vonnis der wet.
Mijn heil en mijn vrede en mijn leven werd Hij,
Ik boog me en 'k geloofde, en...... mijn God sprak mij vrij.
Zalige ervaring !
Zie, dan begint het rijke, volle werkelijkheid voor ons te worden; „Klaar God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, toen wij nog zondaars waren."
Dan is die liefde Gods bevestigd in ons hart, door Woord en Geest.
Dan is Jezus Christus, en Die gekruisigd, ons zo dierbaar geworden.
En met het oog op Hem geslagen zingen wij dan de psalm, die spreekt van volkomen verzoening en van Gods vrije verkiezende liefde:
Een stroom van ongerechtigheden
Had d' overhand op mij.
Maar ons weerspannig overtreden
Verzoent en zuivert Gij.
Welzalig, die Gij hebt verkoren,
Die G' uit al 't aards gedruis
Doet naad'ren en Uw heilsteen horen,
Ja, wonen in Uw huis ! Ps. 65 : 2.
Is 't nu geen goede dag, geliefden, die goede Vrijdag?
Zijn ze niet lieflijk, de voeten dergenen, die op deze dag het goede boodschappen, dit goede:
„Maar God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, toen wij nog zondaars waren?"
Wij zijn vanavond met ons gedachten op Golgotha.
En het is goed, om daar te zijn.
Want Golgotha is de plaats, waar God Zijn liefde op 't heerlijkst heeft getoond in Christus' kruisdood!
Liefde tot zondaren.
Liefde door récht!
Ja, want omdat Gods recht om voldoening riep, daarom is het, dat Gods eigen lieve Zoon Zichzelf aan het kruis in de dood heeft gegeven.
Omdat, zoals onze catechismus zegt, omdat, vanwege de gerechtigheid en de waarheid Gods, niet anders voor onze zonden kon betaald worden dan door de dood van Gods Zoon.
Maar die betaling is nu geschied.
Dat rantsoen is opgebracht.
Zonder mankeren.
O, dat is Gods liefde!
Zijn onbegrepen zondaarsliefde.
En die liefde prijst God nu bij ons aan.
Ook heden weer, gemeente, op deze Goede Vrijdag.
't Is Gods liefde, die u heden dringend lokt, die u vriendelijk nodigt.
Opdat ge toch behouden zoudt worden voor eeuwig.
Opdat ge toch niet langer uw hart aan de duivel zoudt geven. Opdat ge toch niet langer onverschillig zoudt blijven.
Opdat ge toch eindelijk eens mocht gaan wenen over uzelf en bedenken, wat tot uw vrede dient.
Hoort gij niet die roepstem, die lokstem van Gods liefde: ,,Verhard u niet, neem Mijn gena ootmoedig aan?"
Zie toch op Golgotha de gekruisigde Christus.
Zó groot is Gods toorn tegen de zonde, dat Hij die aan Zijn lieve Zoon met de bittere en smadelijke dood des kruises gestraft heeft.
Maar zie tegelijkertijd: zó groot is Gods liefde tot goddelozen en zondaren, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon niet gespaard heeft, maar Hem overgegeven heeft tot in de dood aan het kruis, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet zou verderven, maar het eeuwige leven hebben!
Zie toch, nu kunnen wij, zondaren, de wel-verdiende straf ontgaan en wederom tot genade komen!
Maar laat het dan heden zijn, in de dag der zaligheid, nu de lokstem van Gods liefde nog tot u komt; nu het evangelie u nog gepredikt wordt als een boodschap uit de hemel :
„Maar God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, toen wij nog zondaars waren."
Wat een troost voor zondaren!
Voor u, die het hebt leren verstaan, en steeds méér leert verstaan, wat het zeggen wil: zondaar te zijn. Zondaar, van binnen en van buiten. Zondaar, van uw jeugd af aan. Zondaar, ook na ontvangen genade. Ach, ja, wat doet de zonde dan pijn. Maar toch, het is niet anders, ge moet het met Paulus erkennen : het goede, dat ik wil, dat doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. Zeker, dat is geen oorzaak van vreugde, maar van droefheid.
Maar wat een troost is dat nu: dat Christus voor ons gestorven is, toen. wij nog zondaars waren!
Wel, mijn broeder of zuster, wat zegt ge nu? Zijt ge ongetroost op deze Goede Vrijdag? Is het zo donker in uw hart, en zijt ge zonder blijdschap?
Ja, zo kan het zijn. Misschien zucht ge wel: „Met mij is het helemaal niet goed. Zo zondig en zo slecht, als ik mij gevoel; zo dood en koud als mijn hart is voor God." Zodat ge 't onmogelijk kunt geloven, dat gij bekeerd en wedergeboren zijt. Zodat ge die gedachte maar liefst zo ver mogelijk van u afzet : dat God u zou liefhebben. Zodat ge 't niet durft aanvaarden, dat de Heere Jezus Christus voor u gestorven is, voor zo'n ellendig mens!
En als een ander u wil troosten, dan zegt ge: „Ach ja, ge moest maar eens weten, hoe het met mij gesteld is. Ik kan het u niet zeggen, hoe erg het is!"
Ja zeker, zegt Paulus, maar bekommerde broeder of zuster, God de Heere wist het al lang van u! Hij wist het, al eerder en beter dan gij, hoe slecht en verdorven gij zijt, en dat er van u geen verwachting is.
Maar zó had Hij u lief : als zondaar!
Zo, en niet anders.
Denk toch niet, dat God u zou liefhebben, omdat er iets in u was, dat Hem kon behagen of dat Zijn liefde jegens u kon gaande maken.
Neen, er was niets in u. Niets dan zonde en schuld en vijandschap.
Maar Hij had u lief uit louter welbehagen, alleen om Zichzelfs wil.
Hij had u lief als zondaar, als kwaaddoener, als Zijn vijand. En nu valt gij uzelf zo tegen, maar, gij kunt de Heere nooit tegenvallen.
Hij wist het allemaal al van u: al die zonde en verdorvenheid en hardheid en liefdeloosheid.
Maar toch had Hij u lief; als zondaar, niet als rechtvaardige; ook niet als gelovige of bekeerde, maar als zondaar.
Paulus was ook een zondaar. Hij noemt zichzelf de voornaamste van de zondaars. Hij was een vervolger en een Godslasteraar. En hij bleef, in zichzelf, een ellendig mens.
Maar zó had God hem lief.
Toen Paulus nog een onbekeerde zondaar was, had God hem al lief.
Hij zegt het zelf : „Maar God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, toen wij nog zondaars waren."
O, maar dan moogt gij niet...... twijfelen aan Gods liefde jegens u, omdat gij uzelf nu als zulk een groot zondaar leert kennen.
Neen, hoe meer ge dát leert beseffen, dat gij een zondaar zijt, des te meer reden hebt gij ook, om Gods liefde te bewonderen, en om u te verblijden in die liefde Gods, die immers juist tot zondaren uitgaat; die zondaren dringend lokt.
Gelooft ge dat niet?
Of zegt ge : „Ja maar, ik kan 't mijzelf toch niet geven?"
Neen, maar dat zégt Paulus nu juist ook in onze tekst : dat Gód het u geeft.
Hij zegt : „Maar Gód bevestigt Zijn liefde jegens ons."
En dat houdt ook dit in : dat God Zijn liefde in uw hart uitstort,
door de H. Geest; dat Hij u doet geloven; dat Hij in u werkt het
willen en het werken, naar Zijn welbehagen.
Die liefde Gods, denk daar toch niét te klein van. Want zij is onoverwinnelijk en alles-doordringend.
Neen, gij zult niet van druk verkwijnen.
Want, zegt Jesaja, „door Zin liefde en door Zijn genade heeft Hij hen verlost."
En wat volgt er dan ?
„En Hij nam hen op en droeg hen, al de dagen vanouds." En zo is het nu nóg.
Die liefde Gods, kind des Heeren, waardoor Hij u heeft verlost, die liefde draagt u, al de dagen......
Die liefde Gods, die Hij aan 't kruis betoond heeft, daarin blijft Hij eeuwig Dezelfde, daarin blijft Hij eeuwig aan Zijn volk verbonden.
Die liefde vergaat nimmermeer.
Die liefde voert u binnen in 't eeuwig, zalig leven.
Want de hitte van Gods gramschap is geblust.
En daarom is het zo goed : als ik in gedachten sta bij het kruis van Golgotha.
Als ik daar sta als zondaar.
En ik hoor dan dat evangelie van Gods liefde: dat Christus voor ons gestorven is, toen wij nog zondaars waren!
En ik zink in aanbidding neer, om het uit te roepen: „O God, is Uw liefde zo groot, dat Gij dit hebt willen doen, en dat voor zondaren, voor zulk een, als ik ben !"
Dan is het waarlijk een goede Vrijdag.
O, het is vredig en stil op Golgotha.
De stormwind van Gods verbolgenheid is uitgewoed. En ná de stormwind: het suizen van de zachte stilte.
En daarin is de Heere ; God, Die Liefde is ; Liefde, in Christus, voor zondaren.
Echter, het wordt tijd om weer huiswaarts te gaan.
Maar nóg klinkt het in onze oren, die goede, blijde boodschap: „Maar God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, toen wij nog zondaars waren!"
Hoopt op dat woord, gij vromen, gij zondaren!
En zegge uw ziel „amen" op dat woord,
ja, amen, dat is waar en zeker: Zijn liefde is zeer groot! Komt, keren wij dan terug van Golgotha, maar niet, zoals die scharen, slaande op onze borst.
Neen, maar 't vrome volk, dat Gods liefde op Golgotha heeft gezien en gesmaakt, keert van de kruisheuvel terug in God verheugd, en huppelend van zielevreugd, met het lied in het hart en op de lippen (en zalig, al wie meezingt, met hart en mond)
Nu ken ik die waarheid, zo diep als gewis,
Dat Christus alleen mijn gerechtigheid is!
Nu tart ik de dood, nu verwin ik het graf,
Nu neemt mij geen satan de zegekroon af!
Nu reis ik getroost, onder 't heiligend kruis,
Naar 't erfgoed hier boven, in 't vaderlijk huis.
Mijn Jezus geleidt mij door d' aardse woestijn.
„Gestorven voor mij", zal mijn zwanenzang zijn!
Amen.
April 1952