Hebreeën 6:19-20 'Welke wij hebben als een anker der ziel' ds. H. van Leeuwen

Het anker der hoop van de wachtende kerk!

Predikatie door Ds. H. VAN LEEUWEN.

Ps. 27:7

Schriftlezing: Handel. 1 : 4 en 5 „ 1 : 12~14 Hebr. 6 : 11-20

Ps. 119 25

Ps. 130:3,4

Ps. 89 : 7

Avondzang : 7

.....maar verwachten de Belofte des Vaders, die Gij (zeide Hij) van Mij gehoord hebt."

Hand. 1 : 4b:

„welke wij hebben als een anker der ziel, 't welk zeker en vast is, en ingaat in het binnenste des voorhangsels, waar de Voorloper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus, naar de ordening Melchizedeks een Hogepriester geworden Zijnde in der eeuwigheid."

Hebr. 6: 19, 20.

Wij overdenken op deze Rustdag, die als de zogenaamde ,,Wees-Zondag- is aangemerkt, dat de discipelen met de kleine schare in de opperzaal te Jeruzalem waren biddende en smekende om de vervulling van de belofte des Vaders, namelijk de zending van de Trooster, de Heilige Geest.

Zij waren nu gescheiden van hun opgevaren Heere, wat Zijn lichamelijke tegenwoordigheid betrof.

Terwijl Hij nu boven de wolk was, bleven zij achter, beneden de wolk, op deze aarde vol zonde en ellende, moeite en strijd.

Was daarom dan Zijn heengaan naar de hemel niet een wezenlijk verlies voor hen?

Zouden we niet moeten spreken van een ,,verlating"?

Neen toch! Zijn heengaan was geen verlies, doch enkel winst.

Had Hij hen Zijn rijke belofte niet nagelaten: „En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld"!

En was die Belofte des Vaders niet vol van troost?

Keerden zij niet weder van de Olijfberg met blijdschap?

Om de vervulling van die Belofte was de wachtende Kerk te Jeruzalem biddende en smekende.

Nu is echter wel op de Pinksterdag die belofte vervuld. De Trooster is gekomen. Dit feit kan niet herhaald worden. Maar de volle inhoud van de Belofte des Vaders omvat toch ook de vergadering, bewaring, onderhouding en toebereiding van de Kerk.

Want in en door de Heilige Geest zet Christus Zijn Middelaars-werk voort, wat de TOEPASSING Zijner verworven weldaden aangaat..

En om diè nadere vervulling zal de Kerk nu ook moeten blijven smeken! Hoe nodig is de krachtige werking van Gods Geest in deze dagen van afval en verslapping, van verdeeldheid en twist!

Dit geldt ook Gods kind persoonlijk.

De apostel schrijft in Rom. 8 : 24: „Want wij zijn in hope zalig geworden." En even verder: „Maar indien wij hopen, hetgeen wij niet zien, zo verwachten wij het met lijdzaamheid."

Dit verwachten gaat niet zonder strijd. Wat is er nog veel onvolkomenheid en zonde.

Bij de wachtende Kerk te Jeruzalem was er nog een LEDIGE plaats. En die ledige plaats herinnerde aan een ontzaggelijk feit : Judas was uitgevallen uit hun kring en was heengegaan naar zijn eigen plaats, zoals er staat. En daarom moest voor zijn bediening een ander worden gesteld!

En wie waren de discipelen in zichzelf, nu hen zulk een gewicht-volle zending wachtte!

Maar dit is nu de troost en de sterkte voor Gods Sion : Christus heeft Zijn Beloften nagelaten. En in die beloften ligt de vaste waarborg voor haar eeuwige zaligheid!

Daarom is de levende hoop op de vervulling van de beloften geen ijdele hoop, doch een vaste en zekere hoop, die niet zal beschamen, gelijk in de tekst zo duidelijk uitkomt.

Worde die levende hoop ons deel, wanneer wij nog „zonder God in de wereld" zijn en zonder hoop voor de toekomst!

Daartoe zegene de Heere Zijn Woord in deze ure! Wij willen gaan luisteren naar de rijke betekenis van

HET ANKER DER HOOP VAN DE WACHTENDE KERK!

en bezien :

ten eerste :      de waarde van dit anker; ten tweede : de grond voor dit anker;

ten derde :      het uitzicht bij dit anker.

Laat ons eerst daarvan zingen : Ps. 130 : 3 en 4.

I. de waarde van het anker der hoop.

Zo was dan de wachtende Kerk te Jeruzalem biddende en smekende om de vervulling van de belofte des Vaders.

Zij had dus een rijke pleitgrond in die Belofte, gelijk die ligt in al Gods beloften voor Zijn kerk.

De schrijver van de Hebreër-brief wijst ook kernachtig op de beloften Gods, met name in ons teksthoofdstuk.

Hij schrijft in vers 18: „opdat wij door twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is, dat God liege, een sterke vertroosting zouden hebben."

En met die twee onveranderlijke dingen bedoelt hij: de belofte en de eed, waarmede God de belofte bekrachtigde.

Als voorbeeld noemt hij de belofte, die God aan Abraham deed, waarbij God zwoer bij Zichzelf (vers 13 en 14),

En de eed, zo schrijft hij verder, is tot bevestiging en de erfgenamen een einde van alle tegenspreking.

Abraham heeft met lankmoedigheid de vervulling van 's Heeren belofte verwacht en hij heeft de belofte verkregen. Vooral na de overgave van Izaak op het altaar, toen Izaak gespaard werd en als uit de dood aan Abraham wedergegeven werd.

De Hebreën worden nu door de schrijver opgewekt om met dezelfde lijdzaamheid op de vervulling van Gods beloften te wachten. Zij moeten blijven hopen, bij alle tegenstand, in alle verdrukking.

Wat toch was het geval ?

Er was verslapping in de hoop gekomen. Zij waren „traag om te horen." Zij moesten weer in de eerste beginselen onderwezen worden. Zij hadden van node weer met de melk gevoed te worden inplaats van met de vaste spijs. Ja, het gevaar dreigde van een totale geestelijke inzinking.

Er waren er zelfs afgevallen ; het waren zij, die slechts een algemene verlichting des Geestes hadden, algemene gaven, die het goede Woord Gods gesmaakt hadden, d.w.z, het voor in de mond met het uiterste van hun tong geproefd hadden, maar het toen uitgespuwd hebben. Zij zijn „er naast" gevallen, want ze waren er nooit bij geweest. En we denken onwillekeurig hierbij aan de ledige plaats van Judas in de opperzaal te Jeruzalem.

De schrijver wil zeggen tot de gelovigen : zó is het gelukkig niet met u. Wij verzekeren ons aangaande u betere dingen en met de zaligheid gevoegd. Die betere dingen zijn de ware vruchten des geloofs, het delen in de bijzondere genade.

Maar, het was nu zaak : dat zij niet zouden verachteren in die genade, niet verslappen in de hoop, maar navolgers zouden zijn van degenen, die door geloof en lankmoedigheid de beloften beërfd hebben; met dezelfde ijver, tot het einde toe!

En waar de ijver toeneemt, zal de hoop levendig zijn. Daarom staat er in vers 18 : „Om de  voorgestelde hoop vast te houden." Deze voorgestelde hoop is dàt voorrecht en diè geschonken wel-

daad aan de gelovigen, waarbij zij leven in een vaste verwachting             aangaande het heil, dat hun toegezegd is in de Beloften Gods!

Die inhoud der hoop, dàt heil in Christus, is hun zo rijk voorgesteld. Ja, ook weer bij vernieuwing in deze brief.

Het gaat hier dus over de LEVENDE hoop, die in de wedergeboorte gewekt wordt, met het oprechte geloof.

In het verband van de tekst is sprake van een „toevluchtnemen" om de voorgestelde hoop vast te houden.

Dit wijst ook op Israëls ceremoniële dienst. Iemand, die zonder opzet een doodslag begaan had, mocht naar het altaar vluchten en de hoornen van dat altaar aangrijpen. Alsdan :   was hij vrij van de bloedwraak, gelijk dit ook het geval was met het vluchten naar de vrijstad. Zijn hoop was dus gevestigd op die hoornen of op de vrijstad.

De hoop is zeer nauw verbonden aan het geloof. Het geloof aanvaardt, gelooft de beloften ; de hoop verwacht, dat God ze zal vervullen. De hoop richt zich op de toekomst. Geloof is eerst. „Het geloof is een vaste grond der dingen, die men hoopt."

„De hoop is een verwachting der dingen, die wij in 't geloof hebben", zo zegt Hieronymus.

Deze levende hoop is van zulk een onschatbare waarde. Het is in het gewone dagelijkse leven al zo, dat een mens zonder hoop niet kan leven. Hoeveel te meer geldt dit van het geestelijke leven.

De hoop is noodzakelijk, evenals een anker voor een schip. Wat is een schip zonder anker ? Het schip, waarop Paulus zich bevond, had wel vier ankers. Zonder anker zal het schip zeker op de rotsen te pletter slaan!

Op het anker ligt het schip vast. Ondanks de ruwe stormen zal het schip niet afdrijven, althans wanneer het anker een betrouwbaar anker is.

Zo houdt de levende, de voorgestelde hoop het levensscheepje van Gods kind op de goede plaats. En al slingert het wel heen en weer, het anker der hoop doet het toch op die goede plaats blijven!

Wat kan het stormen in het leven van Gods kind. De tegenspoeden des levens kunnen zo benauwen. Het kruis zo zwaar drukken. De bestrijdingen zo bang maken en moedeloos.

Job, David, Asaf, Paulus, ze waren er niet vreemd van. Hoe kunnen de gedachten aan de dood verschrikken. Ge kent die passage uit de „christenreize" wel, waar Christen de rivier des doods door moet gaan en hij allerlei vreselijke gedropten om zich heen ziet. Ja, toen begon hij te zinken.

Maar wat deed christen weer moed scheppen ? Het was hopende, die hem het hoofd boven water hield!

Welnu, zo versterkt de hoop de christen, die benauwd en verdrukt wordt, ja, die zo kan verzinken in moedeloosheid en verslapping.

Maar, hoè wordt de hoop verlevendigd?

Wel, wanneer die christen weer mag leren afzien van al de bezwaren en van zichzelf en kracht mag putten uit 's Heeren beloften en toezeggingen. „Want Uwe toezegging heeft mij levend gemaakt", d.w.z. ,,heeft mij verlevendigd", zo getuigt David in Ps. 119 : 50.

Bunyan merkt zo schoon op : „De hoop haalt de beloften weer uit haar boezem."

Zie en daarom was het de bedoeling van de schrijver van de Hebreër-brief, de moedeloze gelovigen op te wekken, door hen te wijzen op die kostelijke inhoud der voorgestelde hoop, de rijke, vaste beloften Gods en zo die hoop vast te houden!

Die beloften Gods zijn vast en zeker!

Daarom ook de hoop. Ze zal niet beschamen.

Het schip moet ook een „vast en zeker" anker hebben. Volkomen betrouwbaar moet het zijn. Want het mag niet langs de grond beenschuiven, het mag niet breken.

Ach, de „beoefening" van de hoop is niet altijd even vast. Dat bleek wel bij de Hebreën en nog bij Gods kinderen.

Maar de INHOUD van de hoop is wèl vast, betrouwbaar. Wanneer nu de hoop verlevendigd wordt in de christen, naar mate het geloof weer recht functionneert, en doet vastklemmen aan de beloften Gods, zal de hoop zich ook geheel en al verlaten op die beloften, die in Christus ja en amen zijn. De hoop zal het schip niet van zijn plaats doen wegdrijven, zo merkten we reeds op, hoe 't schip ook nog heen en weer slingert.

Kent Gods kind zich zwak in zichzelf...... de Heere belooft het Zijn kracht en steun: „Ik zal u ondersteunen met de rechterhand Mijner Gerechtigheid."

Gevoelt het zich schuldig, Hij is getrouw en vergeeft menigvuldiglijk: „Indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus de Rechtvaardige. En Hij is een verzoening voor onze zonden." (I Joh. 2 : 1).

Zucht het onder de scherpe doorn in het vlees, Hij bemoedigt: „Mijne genade is u genoeg en Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht.-

Vreest de ziel door al de bestrijdingen, Zijn Woord en toezeggingen verzekeren haar, dat Hij Zijn werk zal voleinden!

„'t Is trouw, al wat Hij ooit beval; Het staat op recht en waarheid pal, Als op onwrikb're steunpilaren."

Is er vaster hoop denkbaar, als die van de ware christen? Berusten  de beloften niet op 's Heeren eed? Hebben de discipelen, in de opperzaal vergaderd, tevergeefs op de vervulling van de belofte gewacht ?

Wat al onvastheid en onzekerheid is er in deze wereld, en in het leven van de mens, die de levende hoop nog mist ! Niets is onzekerder dan dit leven. Wat we vandaag mogen bezitten, kunnen we

morgen kwijt zijn. En wat is de verwachting van de toekomst voor hen, die nog zonder God in de wereld zijn?

Zeker, de mens moge dromen van een gouden toekomst, van een heilstaat op aarde, die er desnoods met geweld zal komen, hij zal diep teleurgesteld uitkomen!

Men moge hoop koesteren door de redenering : och, ik heb trouw             mijn plichten gedaan of : ik ben toch een bondeling, ik neem de be       loften aan, zodat ik mij ook onder de gelovigen mag rekenen, zulk een hoop is een ijdele, waarmede men ook omkomt, indien het niet eens is geworden „buiten hoop" met zichzelf.

Ontdekke Gods Geest u aan dit zelfbedrog, opdat ge uw Ingebeelde hoop moogt verliezen en leert vragen naar die vaste en zekere hoop, welke aan „hopelozen" in zichzelf wordt geschonken, die de eeuwigheid niet kunnen tegemoet reizen met het bouwen op een traan of een tekst, waarbij de ware ootmoed ontbreekt.

Laat uw anker der hoop eens nakijken en keuren bij de hemelse smidse, eer het te laat is ! Zo het niet van goddelijk maaksel is ge kunt dan nog bekomen een deugdelijk anker, een anker, dat vast en

zeker is.

O, dat ge heilig jaloers mocht worden op hen, die de ,,voorgestelde" hoop als een vaste en zekere hoop mogen bezitten en daarvan mogen zingen.:

„Ik Heer, die al mijn blijdschap in U vindt,

hoop op Uw heil met al Uw gunstgenoten."

Een schip moet niet alleen een vast en zeker anker bezitten, er moet ook een hechte, vaste ANKER     G R 0 N D zijn, wanneer het anker uitgeworpen wordt! In „drijfzand" zal het anker zich niet vast kunnen zuigen.

Welnu, zo moet er ook voor de christen een goede anker-grond zijn, om het anker zijner hoop uit te werpen. Is die grond er ? Zeer zeker. Daarom willen we nu gaan luisteren naar:

II.        de GROND voor het anker der hoop!

Wordt het anker van een schip uitgeworpen in de diepte – de grond voor het anker der hoop moeten we omhoog zoeken! in de hemel!

We lezen in onze tekst: „en ingaat in het binnenste des Voorhangels, waar de Voorloper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus."

De grond voor het anker der hoop ligt dus...... achter het Voorhangsel!

Zoals in de Hebreër-brief telkens de christenen uit de Joden werden gewezen op de schaduwdienst van liet Oude Verbond, leidt de schrijver van deze brief zijn lezers weer naar het Oude Testament en wel naar de tabernakel of tempel, naar het Heilige der Heilige!

Eenmaal per jaar, op de grote verzoendag, ging de Hogepriester in het Heilige der Heilige, om verzoening te doen voor zichzelf en voor het volk. Plechtig werd dan door hem het zware voorhangsel, dat het Heilige van het Heilige der heilige scheidde, opzij geschoven. Maar onmiddellijk viel het achter hem weer dicht, opdat geen gewone priester, in het heilige bezig zijnde, naar binnen zou zien.

Hoe rijk was de bediening van de Hogepriester. Daar in het binnenste heiligdom sprengde hij het bloed van de geslachte bok met de vinger op het naar het Oosten gericht deel van het verzoendeksel en daarna zevenvoudig op de voorzijde van het gouden verzoendeksel, terwijl hij was gehuld als in een nevel van wierook!

Sprak hier ook niet alles van vastigheid en zekerheid aangaande s Heeren beloften!

Dit alles is vervuld; want Christus is ingegaan in het binnenste des Voorhangsels met Zijn eigen bloed.

Onvermoeid is Hij achter het voorhangsel, in de Troon des Vaders, werkzaam voor Zijn Kerk in Sion.

Dáár is Hij pleitend voor een schuldig volk, de Vader wijzend op Zijn bloed en eisend de zaligheid der Zijnen!

Vandáár uit zegent Hij Zijn volk met de hemelse gaven.

Vandáár uit voert Hij de strijd van Zijn Kerk op aarde.

Moest de O. T. hogepriester na zijn bediening op de grote verzoendag zijn hogepriesterlijke kleed afleggen, Christus behoeft dit nooit te doen.

Want Hij is de EEUWIGE Hogepriester, naar de ordening van Melchizedek!

Ge weet, dat Melchizedek „zonder geslachtsrekening" was, ,,zonder vader", „zonder moeder" volgens hoofdstuk 7. Deze zonderlinge uitdrukking betekent, dat Melchizedek een alleen-staand priester was, zonder voorgangers, zonder opvolgers in zijn bediening.

Zijn priesterschap vertegenwoordigde als 't ware het OORSPRONKELIJKE priesterschap van Adam.

En dát priesterschap is door Christus hersteld, als een ééuwig priesterschap.

Het Levitisch priesterschap was een „tijdelijk", schaduwachtig priesterschap, dat de verzoening zelf niet kon aanbrengen.

Maar Christus' Hogepriesterschap is volmaakt en riëel, d.w.z. is volle werkelijkheid. „Met éne offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt, degenen die geheiligd worden."

Zijn bloed reinigt van alle zonden!

In Hèm is ook dèze belofte ,,ja en amen": „Al waren'. uwe zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; als waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol!"

O, zijn hier in ons midden van die schuldigen, onreinen, die geen penning meer hebben om te betalen; die hun levensschip zien bedreigd door de golven van hun schuld: och, dat ge het anker der hoop eens mocht uitwerpen in die onwankelbare vaste grond des geloofs en ge u eens geheel mocht verlaten op Hèm, door Wiens striemen u genezing geworden is!

Het voorhangsel is gescheurd. Het heiligdom des hemels is open! De Heere doe dit u zien met een oog des geloofs!

Gij, die worstelt om die grond der hope te mogen vinden, doch bij wien het zo donker blijft: mogelijk zoekt ge nog houvast aan enige kenmerken van genade. Maar...... ge kunt er misschien niet één meer vinden! En daarom vreest ge, dat het verkeerd met u gaat, dat ge alles mist, ja, dat er geen hoop meer overblijft!

Wel, dat is geen vreemde zaak. Want mogelijk leert de Heere u zo, alle gronden in uw bevindingen te verliezen om de grond uwer zaligheid alleen in Hèm te vinden, Die de pers alleen heeft getreden en Die een al-vervullende Gerechtigheid heeft aangebracht!

Juist, zo hoor ik al iemand opmerken: terecht! Weg met die kenmerken en bevindingen! Al te maal ziekelijke dingen. We hebben aan het Woord Gods genoeg!

Wacht even, mijn vriend of vriendin!

Zó is het niet!

Er zal niemand in de hemel komen zonder ware bevinding, door Gods Geest gewerkt, naar Zijn Woord!

O zeker, er wordt helaas wel veel als bevinding aangediend, wat de toets van Gods Woord niet kan doorstaan. Ontdekking is hier ook zeer nodig.

Maar daarom mogen wij niet de ware mystiek verwerpen. Zonder oprechte boete-tranen, zonder ware zielsontlediging, zonder hartelijke afkeer van de zonde en de wereldse begeerlijkheden, zonder innige lust en liefde tot het pad van 's Heeren geboden, zal niemand het Koninkrijk Gods beërven!

Denk aan de tollenaar in de gelijkenis.

De bevinding, welke Gods Geest werkt, is als VRUCHT des geloofs onmisbaar voor de eeuwigheid!

Maar de grond der zaligheid ligt niet in de bevinding als zodanig, doch alleen in Christus en Zijn heil. En dit leert de Heere Zijn volk in de weg der ontlediging en ontgronding.

Juist zo moet de grond, die in Christus en Zijn werk ligt, ook de grond PERSOONLIJK voor ieder worden!

Welk een vastigheid wordt dan gekend bij het uitwerpen van het ziele-anker in die grond des behouds.

Die vastheid en zekerheid in Christus vinden wij hier in de Hebreër-brief wel duidelijk en schoon beschreven, met name in onze tekst en in heel het rijke verband van de tekst met dit hoofdstuk. Die vastheid worde ontdekt aan vrezende harten!

Wie zo het anker der hoop mag uitwerpen, zal niet beschaamd uitkomen. Die kan op dien Hogepriester rekenen. Want Hij getuigt Zelf : „En die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen."

Hoeveel levensschepen zijn echter vergaan, die gèèn betrouwbaar anker hadden en die gèèn hechte grond hebben gezocht! Drijfzand is niet houdbaar.

O geliefden, laten wij ons allen onderzoeken ten deze!

Gronden wij onze hoop op de hemel op uiterlijke dingen; op een belijdenis zonder het kennen van de ootmoed en. de oprechte keuze des nieuwen levens met verzaking van de wereld en hare begeerlijkheden; op een deugdzaam leven, zonder „de deugd" van boetvaardigheid over de zonde ; op één of meer tijdelijke uitreddingen of gebedsverhoringen, zonder dat deze tot bekering leidden ; op indrukken aangaande dood en eeuwigheid, zonder nadere blijken van God's barmhartigheid en liefde, o, dan zal onze hoop ijdel blijken te zijn ; dan zal ons levensschip stranden!

Ook als wij slechts een verstandelijke kennis van God's waarheid bezitten, doch de praktijk der vreze Gods missen.

Zeker, kennis en vreze des Heeren mogen geen tegenstelling vormen, maar ze kunnen wel als een tegenstelling bevonden worden, wanneer namelijk die kennis berust op een dosis wetenschap zonder Godsvrucht. Is de verstandelijke kennis dan te verwerpen ? Volstrekt niet! Zeer noodzakelijk is echter ook, vooral in onze tijd van vervlakking, dat wij en onze kinderen onderwezen worden in de vaste waarheden van God's Getuigenis, zullen wij niet vervreemden van dezelve!

Het is zelfs zó, wanneer iemand op oudere leeftijd op de weg des levens wordt gebracht terwijl hij in zijn jongere dagen dit onderwijs verwaarloosd heeft, dat hij daarvan zeer veel berouw zal hebben.

Wij mogen echter van het verstandelijk weten geen grond voor de eeuwigheid maken.

God's Geest doet dit verstaan, wanneer wij arm zondaar voor God mogen worden.

Hoe noodzakelijk en profijtelijk is het, alle gronden te verliezen, welke „drijfzand" blijken te zijn! Zó zal Christus als de enige grond der zaligheid gekend en verheerlijkt worden.

Ook na ontvangen genade moet er nog zoveel afgebroken worden, opdat Christus meer en meer gekend worde, door het geloof; ja, opdat zó de hoop al vaster worde op Hem, Die achter het voorhangsel is binnengegaan.

Daarom : „Keert gijlieden weder tot de sterkte, gij gebondenen, die daar hoopt", zo wekte toen de profeet Zacharia de wedergekeerden uit Babel op, om bemoedigd voort te gaan.

En de schrijver van de Hebreër-brief spoort zijn lezers niet minder bemoedigend aan, om de voorgestelde hoop vast te houden. Hij doet dit ook zo treffend in het 10e hoofdstuk :

„Dewijl wij hebben een grote Priester over het Huis Gods, zo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, onze harten gereinigd zijnde van het kwade geweten, en het lichaam gewassen zijnde met rein water: Laat ons de onwankelbare belijdenis der, hoop vasthouden ; want Die het beloofd heeft, is getrouw!"

Wanneer zó de hoop verlevendigd mag worden bij de worstelende pelgrims, zal het bekende, doch schone lied van Psalm 89 weerklank vinden in hun ziel:

„Hoe zalig is het volk, dat naar Uw klanken hoort,

Zij wand'len Heer' in 't licht van 't Godd'lijk Aanschijn voort."

Komt, zingen we dit thans......

Wij zijn gekomen aan onze derde gedachte.

III. Het uitzicht bij het anker.

Wanneer een schip voor anker ligt bij stormweer, zal het gevrijwaard zijn voor schipbreuk, althans wanneer het anker houdt en de grond vast is.

Maar het schip is daarmede nog niet in de haven van bestemming. En die haven moet het ook bereiken.

Zo is het ook met het levensscheepke van Gods kind. In de vaste hoop delend en die beoefenend, zal het te midden van de gevaren niet omkomen. De Heere zal de hoop der ellendigen nooit beschamen. Dit mogen ze rijkelijk ondervinden.

Doch de gelovigen zijn nog niet thuis. Hun levensschip bevindt zich nog op de baren van dit benedenrond.

Toch zal het eenmaal de veilige haven hierboven binnenzeilen! Ook daarvoor heeft het een vaste waarborg, een schoon uitzicht! Onze tekst wijst op dit uitzicht. Maar de schrijver van deze.brief

gebruikt nu een ander beeld, om dit duidelijk te maken, het beeld

namelijk van de VOORLOPER!

Ook dit beeld is voor de Joden~christenen, aan wie hij schrijft, zeer wel bekend.

Een voorloper was iemand, die reizigers langs een gevaarvolle weg vóórging, aangezien hij met deze gevaren volkomen bekend was.

Ook was er wel van een voorloper sprake bij de voorhoede van een leger.

Maar deze beeldspraak heeft toch vooral betrekking op de zogenaamde „HERAUT", die vóór de Vorst heenging om. de weg te bereiden. Zo is Johannes de Doper ons bekend als de Voorloper of Wegbereider van Christus.

Hier wordt nu Christus zelf als een Voorloper aangemerkt. Hij heeft de weg naar de hemel voor Zijn volk gebaand. Daartoe moest Hij eerst nederdalen op deze aarde, waar de vloek en de dood heerste.

„Nu dit: Hij is opgevaren, wat is het, dan dat Hij ook eerst is nedergedaald in de benedenste delen der aarde ?", zo schrijft de apostel in Efeze 4 : 9.

Door de zonde hebben wij de hemel gesloten. Niemand kan dezelve openen en tot God opklimmen, of hij moet langs de Cherubijnen, die met het uitgetogen lemmet de weg naar de „boom des levens" weleer bewaarden! Maar wie zal ongedeerd het zwaard der Cherubijnen, het zwaard van God's gerechtigheid passeren? Aan deze gerechtigheid Gods moet eerst genoeggedaan worden! God doet van Zijn recht geen afstand!

Maar, „o diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennisse Gods!" - CHRISTUS is langs de Cherubijnen gegaan. Hij is onder het wraakzwaard van God's Gerechtigheid gekomen en er door getroffen, in de diepten van Zijn bitter lijden! Zó is door Hem het RECHT God's gehandhaafd en voldaan.

En daarom is ook de hemel-deur rechtens voor Hem ontsloten als Borg en in Hem voor al de Zijnen!

Daarom kon de kerk zingen:

„Verhoogt o poorten, nu de boog;

Rijst eeuw'ge deuren, rijst omhoog;

Opdat de Koning in moog' rijden."

Ja, in Hem is zelfs heel Zijn levende Kerk al mede gezet in de hemel, zo verklaart de apostel in Efeze 2. Zij heeft haar vlees daar tot een zeker pand. Want Christus is het Hoofd der gemeente. In Hem ligt gewaarborgd, dat ook aI de Zijnen als Zijn lidmaten daar eens zullen komen ! Dit heeft Hij Zelf beloofd :

„En Ik, zo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal ze allen tot Mij trekken."

Hun „burgerrecht", d.i. hun „domicilie", ligt in de hemel. Daar ligt ook hun anker!

Daarom moeten zij ook zoeken de dingen, die Boven zijn en niet, die op de aarde zijn!

En nu heeft Hij Zijn Geest gezonden tot een „tegenpand", zo zegt de Heidelbergse Catechismus het in Zondag 18, opdat zij door diens kracht de dingen, die daarboven zijn, zullen zoeken!

Door dien Geest en door Zijn Woord trekt Hij hen tot Zijn gemeenschap.

Dit was juist de inhoudrijke verwachting van de biddende kerk in de opperzaal. Dit alles lag opgesloten in de belofte van de zending van de TROOSTER.

En nu is wel, gelijk we in het begin opmerkten, in dien zin die belofte vervuld, dat de Heilige Geest uitgestort is; maar de VOLLE verwezenlijking van de vervulling, wat het WERK van de Trooster betreft, wacht nog.

„Die zal Mij verheerlijken", zei Jezus.

Want het is de Heilige Geest, Die al de lidmaten van Christus vergaderen en toebereiden zal als de Bruid van Christus !

Hij bearbeidt tot die levende hoop.

Hij legt de geloofs- en liefde-band tussen hen en Christus, bij de levendmaking. Die band is de ankerketting of hèt ankertouw.

Hij onderhoudt het leven der genade ; Hij troost en leidt de kerk door Zijn licht en kracht.

„Want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen", sprak Christus tot Zijn discipelen.

Zo laat de Heilige Geest het leven des geloofs in de lidmaten van Christus functionneren.

Zo bereidt de Geest Jezus' bruidkerk toe, opdat zij eens als een Bruid zonder vlek of rimpel, in de heerlijkheid van haar Bruidegom zal delen en de volle zaligheid zal genieten!

De Voorloper is ingegaan ! Om de plaats voor de Zijnen te bereiden.

Eenmaal zal ook Zijn Gemeente ingaan!

Hij heeft de weg gebaand en langs die weg leidt Hij haar tot de eeuwige Bruiloft!

Het is Christus, Die Zijn volk door Woord en Geest trekt. Want dat volk is nog op deze aarde, in 't strijdperk.

Wel zijn de vijanden der kerk overwonnen:

„Gij voer ten hemel op, vol eer ;

De kerker werd Uw buit, o Heer'

Gij zaagt Uw strijd bekronen !"

Maar die vijanden kunnen onder de toelating des Heeren nog zeer benauwen en verdrukken.

Kan de duivel Gods kind niet meer uit de hemel houden, hij zal wel al het mogelijke blijven doen, de hemel uit het hart te houden!

Ook de „wereld- en „eigen vlees" laten hun invloed gelden op het Sion Gods!

De verscheurdheid van Gods Kerk is daarvan wel het allerdroevigst bewijs. Maar die kerk mag niet achter dit feit wegschuilen. Zij is zèlf de oorzaak hiervan. En zij zal de kastijdende hand van haar Koning moeten gevoelen.

Ook persoonlijk kan Gods kind onder de aanslagen van de vijand zuchten. Het verlangen kan wel eens sterk zijn, om van de zonde eens volkomen bevrijd te worden en de Heere volmaakt te prijzen en te dienen. Want het beginsel der eeuwige vreugde is toch in het hart gelegd van degenen, die God vrezen!

Maar 't kan wel eens zó donker worden of zijn, dat ze uitroepen: „ik zal nog een der dagen door de hand van Saul omkomen." Dan vrezen zij, of er wel ooit een rechte band met de Heere gelegd is. Geen wonder. Bij stormweer ziet men de anker-ketting niet, alleen bij stil weer, als de zee zo helder en vlak kan, zijn.

Zien ze op zichzelf, dan moeten ze belijden : „In ons is geen kracht tegen zulk een grote menigte !"

Maar ook geen kracht, om weer in de oprechte gestalte tot Hem te gaan. Daarom bad de bruid in het Hooglied: „Trek mij, wij zullen U nalopen."

En wanneer zij die trekkende liefde weer mag ondervinden, wordt alles zo geheel anders. Het harde hart wordt weer verbroken, de genegenheden opgewekt, de hoop verlevendigd.

Inblikkende door het gescheurde voorhangsel, mogen zij dan zien in het geopende heiligdom, hoe Christus daar bezig is aan de rechterhand des Vaders in Zijn heerlijke Bediening als die grote Profeet, Priester en Koning!

Als Profeet om hen te onderwijzen; als Hogepriester om voor hen te pleiten en te bidden, ja om hen te zegenen; en als Koning om hen te regeren.

Hij is de VOORLOPER! Hij zal niet rusten voor en aleer heel Zijn bruidkerk thuis zal zijn 1

Welk een vastigheid heeft de HOOP, maar ook: welk een UITZICHT!

Is dit geen „sterke vertroosting" voor de Kerk?

Vergelijk dit uitzicht nu eens met het uitzicht, dat voor de wereld geldt en voor de mens zonder genade!

Wanneer de mens van beneden aan 't eind is, moet hij alles loslaten, waarop hij zijn hoop gebouwd heeft.......Wanneer Gods kind aan 't eind van de loopbaan is, wacht het de kroon der overwinning of om bij het beeld van het schip en het anker te blijven: wiens levensschip misschien wel vele goede dingen heeft, doch geen deugdelijk anker bezit, zal zeker vergaan .......maar het levensschip van de begenadigde zondaar zal zeker binnenkomen. Al moge de boot nog zo gebeukt worden door de orkanen, geen nood! Want zijn anker is vast en zeker, als het eigen werk van de Heilige Geest ; en de anker-grond zo hecht!

„Bergen zullen wijken, en heuvelen wankelen, maar Mijne goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere, uw Verlosser!"

Wij hoorden eens van een Godvrezend meisje, dat op sterven lag, maar dat ook het anker der hoop mocht bezitten. „Moeder", zei ze (met de hemelse glans op haar aangezicht), „wanneer uw kind er aanstonds niet meer is, zult ge dan niet om mij wenen ? Want dan mag u zeker weten, dat uw kind de eeuwige haven is binnengezeild!"

Is dat geen rijk sterven?

Het komt er nu maar op aan, geliefden, hoe 't met ónze levens- boot is! Of wij ook zulk een vast en zeker anker mogen bezitten en zulk een kostelijk uitzicht!

We kunnen toegerust zijn met een schat van kennis aangaande God en Zijn Woord en wegen. Maar wanneer zulks alleen slechts is een verstandelijk, historisch weten, zonder dat ooit ons hárt verbroken is, zullen we zeker omkomen.

De apostel zegt in I Kor. 13 : „Al ware het, dat ik al de gave der profetie had, en wist al de verborgenheden en al de wetenschap, en al ware het, dat ik al het geloof had, zodat ik bergen verzette, ......en de liefde niet had, zo ware ik niets !"

We kunnen ook een voorbeeldige ijver betonen in de dingen van Gods Koninkrijk, maar wanneer we ook hierbij het verbroken hart missen, d.i. geen arm zondaar voor God zijn geworden, zullen we met al die ijver zeker bedrogen uitkomen.

„Al ware het, dat ik al mijn goederen tot onderhoud van de armen uitdeelde, en al ware het dat ik mijn lichaam overgaf, opdat ik verbrand zoude worden, en had de liefde niet, zo zoude het mij geen nuttigheid geven !"

Moeten we dan niet ijveren voor de belangen van God's Koninkrijk ? Ongetwijfeld! Wat is er metterdaad een lauwheid en laksheid in onze dagen te constateren ! Maar, we moeten onderzoeken waar die ijver uit voortvloeit. Nodig is diè ijver, welke opbloeit uit een hart, dat door de liefde God's vertederd is en ingewonnen is voor de Heere en Zijn dienst ; dat zich diep ongelukkig leert kennen buiten de Heere en Zijn heil, diep onwaardig, arm en schuldig; een hart, dat zijn hoogste vermaak vindt in de weg van God's inzettingen, met radicaal afzweren van de duivel, de wereld en hare begeerlijkheden, ook al dienen zich deze begeerlijkheden aan met een „christelijk" vernis!

Deze dingen moeten ons open en eerlijk naar eis van God's Woord worden voorgehouden en wij moeten ons van de vermaningen, waarschuwingen en nodigingen van dat Woord niet afkeren, doch er naar luisteren. 't Zou tot ons eeuwig behoud kunnen leiden! Want het gaat toch om onze EEUWIGE belangen, om 't verkrijgen van zulk een VASTE HOOP en VURIGE LIEFDE. om zulk een vertroostend UITZICHT te ontvangen.

En dat wil de Heere nog schenken. Hij komt tot ons als zondaren, die Hij vriendelijk nodigt en bidt: Laat u met God verzoenen! Welmenend is Zijn aanbod.

O, leef daar toch niet overheen, jongeren en ouderen!

Zonder deze genade, is onze hoop als een spinneweb, als een zeepbel.

O, zoek toch de „levende" hoop te verkrijgen. Dàt anker is nog te bekomen bij de hemelse smidse, om niet, uit genade !

Waarbij zal ik weten, zo vraagt iemand, of ik de levende hoop bezit ?

Er staat in het verband van onze tekst : „wij namelijk, die de TOEVLUCHT genomen hebben om de voorgestelde hoop vast te houden."

We hebben gehoord, waar dit „toevlucht nemen" op zinspeelt, namelijk op het grijpen van de hoornen van het altaar, door iemand, die niet moedwillig een doodslag begaan had, en zo door dit aangrijpen van die hoornen gevrijwaard was voor de bloedwraak.

Welnu, kent gij het „toevlucht nemen" tot de Heere met al uw zonden en ellende ?

Al zijn we door God's goedheid geen doodslager met de daad, we leren ons door ontdekkend licht in de spiegel van de wet wel als „doodslagers" kennen. Wie is er, die geen nijd of afgunst heeft in het hart ? En de haat is de wortel van alle doodslag!

Neen, we komen er heus niet zo „best" van af, als we door God's Geest „doorgelicht" worden!

Maar, dat wordt nu het grote, onbegrijpelijke wonder, dat God in zulken Zich wil verheerlijken! Dat Hij aan zulken wil openbaren Zijn grote barmhartigheid en genade. Dat er in dièn volkomen en eeuwigen Hogepriester zulk een kracht ter reiniging en heiliging is voor doodschuldige zondaren.

„En een iegelijk, die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zich-zelven, gelijk Hij rein is." (1 Joh. 3 : 3) .

Ja, dàn worde ook zulk een toevluchtnemende opgewekt, om de „voorgestelde hoop" vast te houden.

„En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, Die ons is gegeven." (Rom. 5 : 5).......Want de VOORLOPER is ingegaan!

De Heilige Geest is uitgestort, door Wien Christus werkt!

Over een week hopen we, als de Heere ons allen spaart, dit feit te herdenken.

Nu denken wij aan die wachtende Kerk te Jeruzalem.

We zijn gewezen op de WAARDE van 't anker der hoop, op de hechte GROND voor dit anker, maar ook op 't heerlijke UITZICHT bij het anker, dat de VOORLOPER, Jezus Christus, Zijn wachtende Kerk geeft in dit strijdperk, op de levenszee!

Leeft de Kerk nu uit die rijke verwachting van de hoop? Openbaart zij zich als wachtende Kerk op de uiteindelijke verwezenlijking van de vervulling dier hoop straks met de verloste ziel, maar ook met het VERHEERLIJKTE lichaam de Drieënige God en 't Lam te prijzen ?

Ja, de Heilige Geest is uitgestort ; maar zou er niet dringende behoefte zijn, te smeken om de KRACHTIGE werking van die Geest ?

Opdat zondaren tot die levende hoop worden wedergeboren ; opdat zij, die aanvankelijk de toevlucht genomen hebben om die voorgestelde hoop vast te houden, tot de doorbraak des geloofs bearbeid worden en die vastheid en sterkte van het anker der hoop meer en meer leren kennen en leren leven, uit die vaste GROND van Christus' werk!

Dat uw ziel, heilbegerigen, smekende, worstelende moge zijn om de kracht van die Geest!

Ja, dat wij samen mochten roepen om die heilrijke openbaring des Geestes met ootmoedige belijdenis, dat wij Hem bedroefd, tegengestaan hebben met onze wereldgelijkvormigheid, met onze afgoden, met ons vasthouden aan onze eigengerechtigheid en zovele zonden, kerkelijke-, ambtelijke en persoonlijke zonden!

Ontwaak Noordenwind, en kom gij Zuidenwind;

Doorwaai de hof van uw kerk, de hof van ons gezin,

de hof van ons hart Opdat de specerijen uitvloeien !

Amen.

Mei 1954