De bekering van de stokbewaarder
Predikatie door Ds. A. GRUPPEN.
Ps. 68 : 3
Lezen: Hand. 16 : 16~34
Ps. 32:4,5
Ps. 30 : 2
Ps. 142:7
......en hij nam hen tot zich in dezelfde ure 'des nachts, en wies hen van de striemen; en hij werd terstond gedoopt, en al de zijnen. En hij bracht hen in zijn huis en zette hun de tafel voor, en verheugde zich, dat hij met al zijn huis aan God gelovig geworden was.
Handel. 16 : 22-34.
Bekeringsgeschiedenissen lezen, van personen, buiten de Heilige Schrift om, is voor zeer velen geliefkoosde lectuur.
Zodra deze, op de een of andere wijze aangeboden wordt, is de markt spoedig leeg. De een wordt na de ander beoordeeld, en op de tel af weet men welke de beste is. 't Is soms vermaaklijk, hoe eenvoudige lieden, de inhoud van het gelezene, vaak weten weer te geven. 't Jammerlijke van dit alles is, dat vele lezers met dergelijke lectuur zich zelf reeds te vreden stellen.
Gaarne zweren ze bij dien schrijver, die 't marmerkoude hart 't meest boeide. Overigens, hebben ze geen belang bij enig ander boek, zelfs niet bij de Heilige Schrift.
Men gaat, na lezing van opgemelde lectuur, graag eigen zielestand vergelijken, met die van de vrome schrijver.
Telkens blijkt dan weer, tot ontnuchtering van de ernstige lezer, dat de begaafde scribent toch niet zo boos, niet zó verderfvol is, als zij zich soms gevoelen.
Vandaar dat na lezing van dergelijke lectuur, nu ja er tussen hun zielestand, vergeleken met die van de eerwaarde schrijver, wel enige overeenkomst geconstateerd werd, doch ook dikwerf 'n enorm verschil is.
Niet zelden maakt zich botte moedeloosheid van hun arme ziele meester, die wanneer de goede God 't niet verhoedt, vroeg of laat, tot totale onverschilligheid leidt.
Dat is heel vaak 't gevolg, van 't bij voorkeur lezen van bekeringsgeschiedenissen, buiten de Heilige Schrift om.
Wie echter Gods Woord ten dezen wel eens ernstig geraadpleegd heeft, hoeft heus nooit ontmoedigd te worden.
Daarin worden ons ook tal van dergelijke bekeringsfeiten medegedeeld. Na lezing er van mag elke zondaar, hoe zwart ook voor eigen besef, hoe innerlijk boos, van nature dan ook, althoos de blijde
gedachte koesteren, nu is er voor mij ook nog 'n goede kans.
We hebben ons voorgesteld u in dit uur, in korte trekken, zulk 'n bekeringsgeval nader te verklaren.
Het is die van de bekende stokbewaarder.
Wij letten ten
le. Op de tijd van zin bekering;
2e. Op de diepgang van zijn bekering;
3e. Op de vrucht van zijn bekering.
I. Op de tijd van zijn bekering.
De bekering van de stokbewaarder, gem., doet ons des Heeren wijze wegen, met de zondaar in stille aanbidding huldigen. De vraag rijst aanstonds in ons gemoed op wanneer vond deze bekering plaats ?
Er zijn zoveel bekeerden, die de tijd van hun toebrenging niet kunnen aangeven. Ze zijn daarom wel eens ongerust omtrent hun eeuwig lot. Vooral dàn wordt dit gevoeld, wanneer anderen in hun eenvoudigheid, de tijd weten aan te duiden, dat de hand des Heeren hun te sterk werd.
Zij menen veelal dat 'n bekeerde, de tijd, datum en uur, moet kunnen zeggen van hun toebrenging tot de Bruid des Heeren.
Men beroept zich dan heel graag op de stokbewaarder, die, volgens hun mening, dit ook heeft kunnen doen.
Toch is deze gedachte hoe eerlijk ook gemeend niet steekhoudend. Wie er ietwat thuis is in de Heilige Schrift, zal 't althoos opgevallen zijn, dat men in vergelijking met 't overgrote deel, maar
heel zelden leest van krachtdadige bekeringen. Ge kunt ze, om zo te spreken, haast tellen.
Maar van de massa - zo mogen we toch wel spreken onder 't oude Verbond -? wordt ons met geen woord gerept, wanneer ze uit de duisternis, overgingen tot Gods wonderbaar licht.
Waar leest ge, om nu slechts 'n paar personen te noemen, van de toebrenging van Izak ? Van de bekering van Mozes ? Eveneens van die van z'n broeder Aaron ?
En ga zo 't ganse gewijde Blad maar na-speuren, ge zult dan heel spoedig merken, dat van vele bijbelheiligen, ons niets wordt gemeld, van de tijd van hun overgang uit de dood, tot, in beginsel, in dien van 't eeuwige leven. Des Heeren schone werk geschiedt meestal in de stilte.
Dan, is er geen enkele toebrenging, uit de stad des verderfs tot de stad Sion, gelijk. Hoeveel onderlinge overeenkomst er ook moge wezen, de weg waarlangs de goede God Zijn toegebrachten leidt, is althoos verschillend.
En daarin nu ontwaart ge de grootheid van uw God.
Hij alleen is wonderlijk van raad: Hij is groot van daad.
Dat blijkt ook zo glansrijk schoon, in de toebrenging van de meer genoemde stokbewaarder.
' De man had 'n beste betrekking in de bekende stad Filippi. 't Is waar, men vroeg toen ter tijd speciale figuren voor dit ambt. Elkeen kon dit zo maar niet waarnemen.
Wie echter voor deze functie in aanmerking kwam, had wat men heden ten dage noemt, 'n rijksbetrekking. Welnu, deze begeerlijke post, was deze man te beurt gevallen. Gelet op z'n houding — voor zover wij hem dan kennen - was hij de rechte man op de juiste plaats.
Europa lag, tot dusverre, in de duisternis van 't stikdonkere heidendom. Ook dààr moest de heerlijke boodschap van de redding, uit de geestelijke pikdonkere duisternis, verkondigd worden.
Daartoe had de overwinnende Paas-Vorst er 'n tweetal van Zijn willige gezanten heengezonden. De grote heiden-apostel, Paulus was met z'n mede-arbeider, Silas dit terrein op 'n bijzondere wijze aangewezen.
De bijzondere vingerwijziging, naar dit zendingsterrein, zou de Apostel Paulus kunnen doen vermoeden, dat de arme heidenen hem met graagte zouden ontvangen.
Dit werd echter aanvankelijk 'n geduchte tegenvaller.
Is 't schier niet altijd zo met de arbeid in 't Koninkrijk Gods ? Achteraf bezien, geschiedt dit hierom opdat niet wij de eer zouden oogsten, maar de Heere alleen, die dat toch zo eeuwig waardig is.
Zo nu ging 't ook de Apostel Paulus en zijn ijverige medegezel, op hun tweede zendingsreis.
Hun overtocht van Klein-Azië naar ons aloud werelddeel, was het reddend sein voor Lydia, de purperverkoopster, die blijkbaar haar herkomst had in Thyatira.
Zij was de eerste - voor zover ons bekend - in Europa, die haar heil in Jezus alleen vond.
Dat was verlies voor 't rijk der duisternis. En dat behaagde de vorst der duisternis allerminst. Vandaar dat hij, op zijn beurt, alles op haren en snaren zette, om de gezanten van zijn oervijand, Jezus 't hier onmoóglijk te maken. En, 't scheen hem aanvankelijk ook te gelukken. Want, wanneer 't de Godsgezanten in Filippi moeilijk werd gemaakt, door 'n dienstmaagd die niet meer of minder, dan 'n willoze slavin van satan was, gebood de Apostel Paulus dat ze van de waarzeggende geest verlost zou worden. Direct, na des Apostels bevel, had de willoze slavin afgedaan. Maàr, inplaats van dat de Apostelen nu rustig hun koninklijk werk zouden kunnen voortzetten, werden ze voor de Overheid gedaagd. En 't viel te verwachten, ze werden in hun vrijheid, als joden, beknot en ten slotte in de gevangenis geworpen.
Van te voren had men hun 'n pak slaag gegeven, bovendien de bekende geselstraf doen ondergaan.
En zo nu waren de moedige zendelingen in 't vunzig hol geworpen. Dat was heel anders dan 't rijke evangelie prediken ; heel anders, dan gevangenen van satan, vrijheid uit te roepen. Nu waren ze zelf gevangenen geworden. En wel zo gevangenen, dat aan 'n moôglijke vlucht niet viel te denken.
De gevangenenbewaarder had n.l, opdracht ontvangen, om hun voeten in 'n stok te verzekeren, waarom hij ook stokbewaarder wordt genoemd. Die stok, beter is gezegd dat blok, was met het halsijzer dat de nek omsloot, en het juk, 'n gewoon instrument om de gevangenen in verzekerde bewaring te houden.
Echter, trots de bloedige geseling en de vele slagen, die hun toegediend waren, baden Paulus en Silas tot God en zongen, Gode lofzangen, in 't holst van de nacht, in de donkere kerker.
Dat zingen nu was niet maar 'n zacht neuriën zoals wij dat hier te lande ook wel kennen ?
Neen, ze hebben in weerwil van de vreeslijke pijnen, tengevolge van de wrede mishandeling, luidkeels gezongen, in de duistere nacht. Zo luidt dat zelfs de medegevangenen naar hen luisterden.
't Was óók zendingswerk, al was 't dan in 't nachtelijk uur.
Wie er echter door dit werk getroffen en wellicht ontroerd mocht worden, de gevangenbewaarder niet. Zeg nu niet dat dit direct onmogelijk was. De man wien 't oppassen en verzorgen van de gevangenen bevolen was, sliep oudtijds boven de gevangencel.
Hoe nabij hij echter ook moge geweest zijn, bij de hem toebetrouwde gevangenen, hij bleef ongevoelig voor 't heerlijk lofgezang, Toch zou hij wakker moeten worden. 't Was juist om hem begonnen. Niet dat dit de zingende Apostelen direct bedoelden, maar de God, van deze vrolijke zangers, wilde 't.
En daarom, wanneer 't zingend stemgeluid van Zijn verheugde gezanten z'n slapend oor en hart niet kan bereiken, dan zal hun Zender hem Zijn stem doen horen. Die stem, waarvan oudtijds de schoon begaafde dichter zong: 's Heeren stem, op 't hoogst geducht, rolt en klatert door de lucht. 's Heeren stem verbaast natuur : houwt uit bergen vlammend vuur.
Welnu wanneer Hij nu Zijn stem zal doen horen, dan zal de zoet slapende stokbewaarder oók wel ontwaken.
Plotseling werden de fundamenten van de hechte strafgevangenis bewogen; de welverzekerde deuren knarsten uit de ijzeren sloten; en wat 't schoonste was, de banden van alle gevangenen werden los. Wat was er geschied? Wel, de onzichtbare hand des Almachtigen, had maar even Zijn aardrijk aangeraakt. 'n Aardbeving had de sterk slapende stokbewaarder uit z'n vaste roes doen ontwaken.
Wat is er toch 'n verschil in 't beluisteren van des Heeren stem. De één is zó maar wakker, hij staat op uit z'n zachte roes en is tot des Heeren dienst bereid. Bij de stokbewaarder moest eerst hemel en aarde in beweging komen eer hij luisterde naar de stem van zijn volheerlijke Schepper.
Wat doet de Heere toch 'n moeite, gem., om menselijk gesproken, ‘n verloren slapend zondaar wakker te roepen, en aan Zich te verbinden.
Wij zien dit met de toebrenging van de stokbewaarder. Welke tijd was dat nu ? De tijd van Gods Welbehagen - openbaring, aan Europa.
Voor zover ons bekend, is hij de eerste Europeaan geweest, die eeuwig burger werd in 't Koninkrijk Gods.
Zeker, de bekende Lydia werd oók wel door de Heere uit satans klauw gewrongen, te Filippi, maar ze was geen Europese; ze kwam uit Thyatira 'n stad in Klein-Azië.
De stokbewaarder was, voor zover we weten, de eerste in ons aloud werelddeel.
De hoeveelste zijn wij, gem., gij en ik ?
Of zijn we misschien nog geen burger in 't Koninkrijk Gods? Ja uiterlijk wel, o zeker dan dragen we 't merk- en veldteken van de Koning der koningen, en de Heer der heren. Maar dat is niet genoegzaam om weldra God te ontmoeten ? Dat kan straks, hoogstens, tegen ons getuigen.
Wanneer we de betekenende zaak van onze Doop nog niet hebben doorleefd, dan mogen we bondskinderen worden genoemd, metterdaad zijn we dan nog ellendige slaven, van de vorst der duisternis.
Ik bid u, leer burger worden in 't Koninkrijk Gods.
De Heere heeft zeer veel arbeid doen verrichten, om ook u bekend te maken met Zijn Welbehagen in arme en verloren zondaren. Eeuw in eeuw uit heeft Hij Zijn Woord in ons werelddeel doen verkondigen, totdat 't ook ons bereikte. Versmaad 't nu niet. Leer ‘t zien; leer 't beleven ; leer er u in beroemen. Hoe dit moóglijk is, vraagt ge ? 't Is alleen moóglijk, door op de roepstem van „bekering" die telkens weer tot u komt, u zelf op uw knieën aan Hem over te geven.
Leer 't, onherboren zondaar, leer 't eer 't voor eeuwig te laat is. Heil, 't volk dat Gods tijd van eigen bekering, gelovig bewust, kent. Op Zijn tijd kwam Hij ook u, m'n herboren br. en zuster, Zijn Welbehagen, in 'n verloren Adamskind te openbaren. Gij hebt daar geen moeite, of enige zorg aan besteed. De Heere echter wel. Hij bleef u maar nawandelen; Hij bleef Zich aan u opdringen; Hij liet u telkens en telkens weer waarschuwen; Hij vermaarde u; Hij riep u. En toen, op Zijn roepstem werd ge wakker.
Ge ontwaakt uit uw doodslaap. En toen zaagt ge de absolute verlorenheid van uw arme ziel; ja, van uw ganse persoon. O, vreeslijk nietwaar, dat ge voorheen zo gerust, zo welgemoed vaak, kondet leven.
Nu, nu u de ogen open zijn gegaan, voor uw heilloze toestand, nu ziet ge, ietwat Gods Welbehagen, ook in u dood-doemschuldige zondaar.
Maar daarbij blijft 't nu niet. Dat Welbehagen Gods geopenbaard in Zijn ondoorgrondelijke zondaarsliefde, wordt voor ons geloofsbesef steeds heerlijker.
Zo was 't ook bij de stokbewaarder.
En dit wijst ons :
II. Op de diepgang van zijn bekering.
Hemel- en aardbeweging kwam er - om zo te spreken - aan te pas, om de stokbewaarder uit z'n doodslaap wakker te schudden. Ja uit z'n doodslaap. Wie alleen denkt, dat deze plichtgetrouwe man, slechts uit z'n natuurlijke slaap werd wakker geschud, die tast niet diep genoeg. Dat blijkt al aanstonds in z'n uitroep tot de gevangenen. Wanneer hij door de Apostel Paulus gerust gesteld is t.a.v. de gevangenen, werpt hij zich na 't geëiste licht, aan de voeten van de Apostelen, met de vraag : Heeren, wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?
Hij vraagt, na de genoten slaap, niet om spijs of drank of iets dergelijks ? Neen, hij is radeloos en reddeloos, voor eigen besef, en daarom vraagt hij om behoudenis. Hij was verloren, voor eigen besef.
Voorheen heeft hij de Apostelen in 't vunzig hol geworpen en hun voeten hecht verzekerd, in 't daartoe bestemde blok.
Nu ziet hij, zelf gevangene te zijn. Gevangene, niet van de stedelijke Overheid, zoals de Apostelen tot dusverre. Neen, hij weet zich in de macht des satans. Hij bevindt zich, gelovig bewust, in de kerker des doods. Hij is rampzalig voor z'n eigen besef. Het is nu daarom dat hij, aan de reeds bevrijdde Apostelen, vraagt : Heren! wat moet ik doen om zalig, om behouden, te worden ?
Wat 'n heerlijke vraag, gem., van deze verlegen zondaarslippen. Allereerst getuigt deze vraag van heilige eerbied voor de gezanten Gods, Paulus en Silas. 'n Avond te voren waren 't voor hem 'n paar onhebbelijke joden, die als gemene misdadigers, in 't donkere hol moesten boeten, voor 't gepleegde misdrijf. Wie weet, wellicht heeft hij zich ook wel geleend om hen de harde stokslagen, en de wrede geseling, toe te dienen.
In elk geval waren de beide zendelingen voor de stokbewaarder minderwaardige personen.
Nu echter, nu hem de ogen, in beginsel, zijn open gegaan, voor zijn rampzaálge toestand, nu zijn de beide Godsgezanten „heren" voor hem geworden.
t Is 'n heerlijk blijk, van verlichte ogen des verstande, bij deze verslagene van geest.
Immers wanneer Gods Geest ons, onze blinde zielsogen opent, dan leren we bij geesteslicht, een en ander, in beginsel, op de juiste wijze schatten.
Allereerst, diep ontzag voor de heilige en rechtvaardige God.
O, wat buigt de overtuigde ziele deemoedig voor Hem neer in 't uur der minne. Die ze, met de stokbewaarder, voorheen niet kende, en toch onbewust haatte, wordt op dat onvergeetlijk moment 'n ootmoedig huldiger van de ongeziene God.
Als van zelf koestert ze heilige eerbied voor alles wat des Heeren is. Heilige eerbied voor Zijn dierbaar Woord; hoge achting voor des Heeren volk, inzonderheid voor Zijn gezanten.
Dan, eerbied voor Zijn dag; eerbied voor Zijn sacramenten, eerbied voor alle werk in 't Koninkrijk Gods.
't Is echter niet alleen kinderlijke eerbied, die de geredde ziele koestert, veel meer nog is 't intense liefde, die haar beheerst.
Liefde, die door des Heeren Geest in 't dart uitgestort is, dies 't schoonste doet denken van alles, wat des Heeren is.
Maar - en dit moet althoos goed onderkend worden - 't is diep gevoelde liefde, uit wederliefde.
Van de Heere gaat allereerst deze liefde uit. Het schone woord van de Apostel der liefde, blijft daarom de ongerepte belijdenis van elke toegebrachte ziele, wanneer hij ons voorzegt: ,,Wij hebben Hem lief omdat Hij ons het eerst heeft liefgehad."
Zo nu was 't ook bij de stokbewaarder.
Lief, hartelijk lief, heeft hij de Joden-zendelingen gekregen, die hij voor enkele uren terug, nog stevig met beide voeten in 't blok verzekerde.
Graag wil hij nu leerling van hun zijn.
Vandaar de vraag: „Heeren, wat moet ik doen om behouden, om zalig te worden ?"
Deze stokbewaarder zag niet alleen dat hij in de banden des doods lag, neen hij ervoer nog onzegbaar veel meer. O zeker 't was erg, heel erg, wat hij in enkele ogenblikken doorleefde. Het ergste echter van alles was voor de verslagen man, dat hij zelf aanleidende oorzaak is van deze bittere ervaring.
Hij had immers, 'n eeuwig te verheerlijkend God gesmaad ?
Een dankens- en dienenswaardig Ontfermer, op 't hoogst beledigd ? Met 't oog des geloofs ziet hij, vanaf zijn prille jeugd, zwaar gezondigd te hebben tegen 'n heilig en rechtvaardig God.
't Is alles schuld wat z'n somber zielsoog gadeslaat. Alles, ja alles, getuigt tegen hem.
Bovendien heeft hij des Heeren knechten grof mishandeld.
Mannen, die de heilrijkste boodschap luide verkondigden, heeft hij in de donkere kerker geworpen. Hij heeft hen van hun vrijheid beroofd ; hen in 't blok gekluisterd. Deze heerlijke, eerbiedwaardige mannen, zijn door hem voorheen met misdadigers gelijk gesteld. O, hij ziet 't, hij doorleeft 't, schuldig, diep schuldig te zijn, voor de eeuwige en rechtvaardige God.
Zijn gerechte toorn heeft hij zich waardig gemaakt.
De vergelding, van diens heilige wet, zich op de hals gehaald. Straf, zware straf, eeuwige straf, welverdiende straf, heeft hij zich zelf berokkend. O, 't bittere zelfverwijt vliegt hem in 't strakke gelaat, Hij weet zich door en door rampzalig ; diep ongelukkig; heilloos, voor tijd en eeuwigheid.
Het is daarom dat hij vraagt: Heren, wat moet ik doen opdat ik zalig worde ?
Deze stokbewaarder was bij heel zijn rampzaligheidsgevoel, toch ook weer 'n gelukkig man.
De Heere zorgde wonderbaarlijk voor hem.
Wanneer deze man in doodse verlegenheid verkeert is 't levens- heil nabij hem. Waarlijk 't oude bekende lied werd aan hem bevestigd :
God zorgt, als 't, leed genaakt,
Dat hij niet gans ter neder stort.
Dat hem geen been gebroken wordt,
't Is God, die hem bewaard.
Dat ervoer ook de gans verslagen stokbewaarder.
Als hij, in z'n rampzaligheidsgevoel, vraagt wat te moeten doen, dan is de Heere nabij.
Nabij, in Zijn trouwe gezanten. Nauwlijks is de vraag z'n bevende lippen ontvloden, of de Apostelen staan gereed hem van antwoord te dienen.
Geloof - zo zeggen ze - geloof in de Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden, gij en uw huis.
Dat was het medicijn voor deze verbrijzelde ziel.
't Was helend en sterkend voor de smekende stokbewaarder. 't Paste precies bij de gebrokene van hart.
Geloof in de Heere Jezus Christus. 'n Heerlijk, 'n heilvol antwoord. Zat de radeloze man in deemoed neder, niet te weten wat hij moest doen, de heerlijke weg werd hem gewezen.
De weg des geloofs. Niets meer, maar ook niets minder.
Geloof in de Heere. Ach, tot dusverre kende hij de Heere niet. Geheel en al was Hij 'n vreemde voor hem.
Zijn verworven Geest, heeft innerlijk alles bij hem stukgeslagen. Alles, waarop hij voorheen bouwde, is weggeslagen; en eveneens is dat, waarop hij tot dusverre vertrouwde, weggevaagd. Geen enkel steunvlak is hem bij gebleven. Hij is radeloos en reddeloos.
't Geloof, in de Heere Jezus Christus is reddend voor Hem.
Want die Heere zegevierde over alles wat onheilspellend is; Hij geeft tevens wat herstellend is. Hij is Heere over leven en dood. Over alles. 't Sterkste, is Hem niet te sterk om 't te verbreken, en 't zwakke nooit te zwak om 't op te richten
Hij is 'n almachtig Heere. Gelukkig, de zondaar die gelovig bewust in Zijn handen valt.
Neen, Hij tiranniseert niet wat Hij toch rechtvaardig kon doen; Hij knevelt niet wat toch Zijn volmaakte recht is. Hij verwijt zelfs niet eens, wat toch ten zeerste kon worden verwacht. Inplaats van van dat te doen.
Heelt Hij gebrokenen van harte,
Hij verbindt ze in hunne smarte,
Die in hun zonden en ellenden,
Tot Hem zich ter genezing wenden.
Deze Heere. is Jezus, de Redder van de welverdiende dood; de Verlosser van alle misdaden. Juist daarom is Hij zo passend bij dien gans ontdane, geheel uitgeschudde, stokbewaarder - Hij heet óók Christus, dat is Gezalfde.
Hij zalft, de totaal ontdekte man, met Zijn geestesgaven. Door Zijn verworven Geest, past Hij Zijn Koninklijke gerechtigheid toe aan 't God missende hart.
Nu leefde de diep ontstelde man, zij 't dan genadiglijk.
Doordat hij nu genadiglijk leefde kon hij roepen om hulp, in z'n deernisvolle toestand ; bidden, wat moet ik doen om zalig te worden ? Dat niet alleen ? Neen, nu zijn, zijn voorheen vijanden, z'n lieve, achtingsvolle leraren geworden. Hij heeft ze innig lief, ja eeuwig lief. Met tedere liefdebanden weet hij zich gelovig aan hen verbonden.
De ontredderde stokbewaarder heeft 'n heerlijke Heere ontmoet, in beginsel. Genadiglijk bedeelde Hij hem ook met Zijn Koninklijke kracht. Want, nog eens, Christus deed de verslagen man, door Zijn genadekracht, over al wat vreeslijk is, zegevieren. O, te midden van z'n diepe ellende wist hij zich toch onzegbaar gelukkig.
Eeuwig gelukkig, in de Heer der heren,
En niet alleen, de Vader van 't gezin ? Blijkbaar zijn ze allen, ouders en kinderen, de zwarte Vorst der duisternis ontrukt en van meet aan onderdanen geworden van dien Heere, die de Apostelen hun verkondigden.
Lukas zegt ons zo treffend schoon: „En zij spraken tot hem het woord des Heerent en tot allen, die in zijn huis waren." De gekluisterde Godsgezanten, van voor 'n ogenblik, vonden nu opene oren en ontslotene harten voor 't heerlijk evangelie-woord, in 't gezin van deze gevangenbewaarder.
En allen waren van de knellende boeien bevrijd ; de stokbewaarder van de geestelijke en de Apostelen van de stoffelijke. Samen mochten ze zich in de geestelijke vrijheid verheugen, die alleen gekend wordt door des Heeren Geest. Hoe ver was nu de diepgang der bekering van de stokbewaarder ? Uit de geestelijke dood kwam hij op ; in beginsel, was hij van 'n arme zonde-slaaf, 'n gelukkig burger geworden, in 't Koninkrijk Gods.
't Schone vers, van de welbekende dichter, zal hij ongetwijfeld voortaan gezongen hebben, als deze jubelt:
Mijn God, Gij hebt mij, op mijn klacht
Genezen, en m'n smart verzacht.
Gij hebt mijn ziel, door angst beroerd,
Als uit het graf weer opgevoerd;
Gij hebt 't leven mij geschonken;
Ik ben niet in de kuil gezonken.
Ps. 30 : 2.
En nu de hand op 't hart, gem., kennen wij ook 'n bekering uit de dood ten leven ? Er zijn zo velerlei bekeringen, die achteraf blijken toch niet echt te zijn geweest. Denk alleen maar, om er slechts 'n paar te noemen, aan Ananias en Saffira ; aan Simon, de tovenaar, en aan Demas. 't Schenen aanvankelijk wel herborenen te wezen. Helaas, voor hen, ze gaven blijk 't niet te zijn.
Misschien zegt iemand, ja 'n bekering als van de stokbewaarder ken ik niet. Graag zou ik er zulk een doorleefd hebben. Dan zou ik, dunkt me, wat beter overtuigd zijn van de echtheid mijner bekering.
Ik word nu nog zo vaak bestreden. Daarom maak ik me bezorgd ten aanzien van m'n eeuwige toekomst. Althoos vrees ik nog, dat m'n zonde-berouw niet groot genoeg is ; dat m'n zonde-smart niet diep genoeg is.
Wanneer ik me dan vergelijk met de bekering van de stokbewaarder, och dan zakt me de moed in de schoenen.
Ik kan me volkomen voorstellen dat er zulke zielen zijn. 'n Mens houdt nu eenmaal van grote, opzienbarende dingen, ook van zogenaamde krachtdadige bekeringen.
Toch moet ik dan even opmerken, dat 't uiterlijk waarnemen van iemands krachtdadige bekering, feitelijk iets bijkomstigs is. 't Gaat er niet om wat er zoal aan de buitenkant geschied ? Neen, onze ouden zeiden immers heel vaak, dat er ook 'n bekering is van de zonde tot de dood ?
'n Bekering, die enkel alleen de buitenkant van 't leven raakt, zegt nog niets. Innerlijk, moet er iets met ons plaats vinden ; innerlijk, iets met ons gebeuren. Ik weet wel, dat met dit gezegde vandaag dikwerf heimelijk gespot wordt, maar dit verandert aan 't feit op zich zelf niets.
Wij moeten - om 't nu maar eens heel kort te zeggen - van dood, levend worden. En nu staat 't zó, dat ervaart elke levend gemaakte ziel. Niemand uitgezonderd.
Maar de toeleidende wegen, 't bijkomstige, zijn zeer, neen alle verschillende. Geen enkele weg is er gelijk aan de andere.
Let, om nu maar even 'n vergelijking te nemen, op de toebrenging van Lydia met die van de stokbewaarder.
Lydia liet 't ganse feit van haar bekering aan 't oordeel van de Apostelen over. Bij deze eerste toegebrachte, in ons aloud werelddeel, geschiedt om zo te spreken, alles heel kalm. En bij de stokbewaarder schudt de gevangenis, inclusief z'n woning, op haar fundamenten.
Maar beide hebben kunnen getuigen van dood levend te zijn geworden. Juist, in die veel en velerlei schakeringen, op de weg van de stad des verderfs naar de stad Sion, straalt u de luisterrijke majesteit toe van de glorievolle Heere.
En die grootheid des Almachtigen Vaders, is groot bij de getrokkene in alle stilte, en evenzeer bij 'n opzienbarende krachtdadig, toegebrachte ziel.
Van dood levend te worden, dat is 't kardinale feit in de toe- S brenging des zondaars tot de gem. des Heeren.
Dit nu kent elke door de Heere gearresteerde zondaar.
Dat is juist de diepgang in de bekering. Wie dat nu kent, weet zich 'n verderfvol monster voor God. Deswege in zich zelf voor eeuwig verloren. Het is daarom dat zulke zielen de toevlucht tot de Heere nemen. 'n Andere weg blijft hun niet open. 't Smart hen, tegen 'n liefderijk God te hebben gezondigd. En nog zijn ze, helaas! helaas ! tot alle boosheid geneigd. Vandaar dat ze zich hulploos voor de Heere in 't stof nederwerpen, Hem smekend aanroepen om Zijn onmisbare behoeding en bewaring. Ze kunnen niet zonder Zijn bescherming. Zo dikwerf missen ze Zijn gevoelige nabijheid.
Zeker, 't is wegens eigen zonde en daarom weer tot 'n blijvende smart. Ze belijden 't bij beurte, zich 't Godsgemis voor eeuwig waardig gemaakt te hebben. Echter, uit loutere genade weten ze zich, in beginsel, met de stokbewaarder, getrokkenen des Heeren.
Hoe verderfvol zich de toegebrachte ziel ook moge weten, hoe ze
zich de eeuwige verlatenheid Gods ook waardig keurt, hoe donker, 't soms voor 't geloofsoog moge wezen, trotsdien ligt er in 't diepst der ziel 'n liefdes-element tot God, die elke andere verre te boven gaat. Het is des Heeren Geest die door elk lijden en smart, door alle verdrukking en ellende, toch doet zingen: In God is al m'n heil, m'n eer, Mijn sterke Rots m'n tegenweer; God is m'n toevlucht in 't lijden. Hoe klein en gering, voor eigen besef, nu dit heilsbezit ook moge wezen, vroeg of laat komt dit, uit wederliefde tot de Heere, in daden openbaar. Zo nu was 't ook bij de herboren stokbewaarder.
Dit wijst ons in de
III. plaats op de vrucht van zijn bekering.
Lukas zegt ons verder: En hij nam hen tot zich in dezelfde ure des nachts, en wies hen van de striemen; en hij werd terstond gedoopt, en al de zijnen. En hij bracht hen in zijn huis, en zette hun de tafel voor, en verheugde zich, dat hij met al zijn huis aan God gelovig geworden was.
Al 't levende, al 't bezielde wordt aan z'n vrucht bekend.
Dit geldt ook van de bekering des zondaars. Nu zijn er heel wat zogenaamde bekeringen, waarvoor ge, zeer bedenkelijk, de schouders ophaalt. Men voelt 't, als bij ingeving aan, er hapert iets. 't Is de reine liefde die er faalt.
De waarachtige bekering gaat niet over 'n bepaald deel van 'n mens. Neen, z'n ganse persoonlijkheid is er in betrokken. Zijn ganse wezen is er mee gemoeid. Niet dat 'n getrokkene uit de eeuwige dood, in beginsel, nu direct 'n volmaakt rechtvaardige is. Neen, precies 't omgekeerde is nu 't geval. De ontrukte ziele, aan de wrede kaken des doods, ziet nu pas - met 't oog des geloofs - haar grove zondeschuld voor 't aangezicht Gods.
Ze ziet, dat ze door Vaderlijke ontferming aan de eeuwige dood in beginsel - ontkomen is. Van de welverdiende doem is ze genadiglijk verschoond ; aan de zonde-slavendienst - aanvankelijk - ontdekt ; in 't kort, ze is overgegaan uit 't rijk des satans in t Koninkrijk van Gods eeuwige liefde.
Nu spreekt 't, als van zelf, dat zulk 'n voorwerp van des Heeren gadeloze liefde, op zijn beurt weer niet anders dan liefde kan openbaren.
Daarin komt juist de echtheid van de bekering naar buiten openbaar.
Dat zien we, glansrijk schoon, bij de stokbewaarder.
Wat spreidde deze gewezen heiden, na z'n toebrenging, tot de Bruid des Heeren, 'n opzienbarende liefde ten toon.
't Sprankelend liefdevuur straalt u toe uit al zijn liefdesdaden. Allereerst toonde hij oprechte liefde tot de' zo zeer gehaatte Joden van voorheen. En geen wonder ook. 't Lag alles zeer voor de hand. Zij waren immers 't middel in Gods hand geweest om hem tot de Zaligmaker te leiden ? De predikende Apostelen waren nu zijn geestelijke broeders geworden in de Heere Jezus Christus. Met tere liefdebanden wist hij zich aan hen verbonden. Zou hij nu niet alles voor hen doen wat tot hun welzijn kon strekken? Gewis, innige liefde dwong hem daartoe. Innerlijk medelijden greep hem aan, wanneer hij lette op hun bebloedde ruggen en op de toegebrachte blauwe geselstriemen. Zorgvol, nam hij de lijdende Godsgezanten tot zich, om de smartelijke pijn te lenigen. Hij wies hen - zegt ons Lukas - van de striemen. Dit schone barmhartigheidswerk lag hem nu beter, dan zoals voorheen, hen te kluisteren in de stok. De stokbewaarder openbaarde van meet aan 't beeld van z'n nieuwe Heer en Meester. 't Barmhartigheidswerk is althoos 'n schone vrucht van innerlijke levensvernieuwing, gem. 't Is 'n sierend bewijs, vrijwillig onderdaan te zijn van de barmhartige Hogepriester, Christus Jezus. Diens liefdeshart brandt althoos van heilig liefdevuur tot al wat lijdend en hulpbehoevend is.
Vandaar dat Zijn geheiligde discipelen, Zijn heerlijk beeld - hoe zwak dan ook — alom openbaren.
En hij werd terstond gedoopt en al de zijnen.
De vreze Gods in 't -van nature - verloren zondaarshart, komt nooit eenzijdig tot uiting. Dat blijkt, heerlijk schoon, in de toegebrachte stokbewaarder. Alles, wat van de Heere is, bewees hij, metterdaad, lief te hebben.
Deswege begeerde hij de heilige Doop voor zich en voor de zijnen.
't Is 't welbekende sacrament van de inlijving in de kerk des Heeren. Deze verslagen stokbewaarder is - dank zij des Heeren genade - één geworden met de Bruid des Heeren.
De door hem ontvangen doop was er voortaan voor hem `t zichtbaar bewijs van. En niet alleen voor hem, mede voor zijn ganse gezin. De hemelse Bruidegom had van toen aan tot nu toe, Zijn Bondsvolk in ons oud werelddeel geplant, onder 't verblinde heidendom. De stokbewaarder aan de spits.
Hij deed de trouwe Godsgezanten de vunzige kerker verwisselen met z'n eigen woonkamer; inplaats van 't gevangenbrood toe te reiken, richtte hij de huiselijke dis voor hen aan.
De heerlijkste vruchten van de waarachtige bekering zijn bij deze gewezen heiden in tal van feiten openbaar geworden.
De hemelblijdschap straalde bij dit alles zijn gelukkige ziel.
Is dit gem., geen schone bekeringsgeschiedenis ? Hoe vaker ge deze leest des te schoner wordt ze voor uw lezend oog. Hier is nu eens niets bij van de eigengerechtige vrome mens. Gods Geest heeft deze aan ons doorgegeven.
En 't is 'n bemoedigende voor de grootste der zondaren.
De Heere maakte van 'n leeuw 'n lam; van 'n ruwe geweldenaar n kind; van 'n sterke in zichzelf 'n zwakke voor God.
Deze bekeringsgeschiedenis leert ons dat er niemand te slecht, te ondeugend voor de Heere is. Val nu dien God te voet, onbekeerde belijder van des Heeren naam, opdat ook uw ontvangen Doop u troostend zij. Wee, wanneer ge met uw gedoopte gelaat, onherboren voor de Heere moet verschijnen. Uw Doop is 't heerlijkst bewijs dat de Heere Zich met u in nauwere verbinding wil stellen. Haast u, om uws levens wil. 't Bekommerd hart zegt wellicht, ja ziet u, zulk 'n weg, als die van de stokbewaarder, die wenste ik nu zo graag. Dan zou ik, dunkt me, nooit meer twijfelen. Ge begaat 'n fout, m'n beste lezer. Ge legt op 't uitzonderlijke nadruk.
Aan de vrucht wordt de boom gekend. Is die van de stokbewaarder de uwe? Liefde, hartelijke liefde, tot alles wat des Heeren is? En tevens tot die van uwe naaste? Dat zijn blijken van de werking van des Heeren Geest in 't diepst der ziel.
Zalig, wie ze genadiglijk moet en mag openbaren.
Met de beweldadigde stokbewaarder zijt ge innerlijk verheugd. ‘t Is 'n verheuging, die blijft tot in der eeuwigheid, maar uit loutere genade alleen.
Amen.
Juni 1952