Handelingen 5:14 'Menigten die geloofden, beide van mannen en vrouwen' ds. J. van Doorn

Het doorgaand werk des Heeren.

Predikatie door Ds. J. VAN DOORN.

Ps. 145: 4

Lezen: Hand: 5 : 1~16
Ps. 68 : 5, 13
Ps. 45 : 1 Ps. 52 : 7

„En daar werden er meer en meer toegedaan die de Heere geloofden, menigten beide van mannen en van vrouwen.
Handelingen 5 : 14.

Wat was het een heerlijke groei- en bloeitijd in de Kerk met èn kort nà de Pinksterdag. Het goddelijk wonder van Pinksteren, had rijke uitwerking in de Kerk van Christus. De Heilige Geest was uitgestort, inkomen wonen in de Kerk. Waar de Geest in komt, openbaart zich heerlijk het leven. Het geestelijk leven was in de lentetijd. Neen, het was geen ontwaken van sluimerend leven. Doch, dode zondaren werden levend. Het was een verlustiging te zien, hoe 't jonge leven der genade zich openbaarde in èn bij de toegebrachten tot de Heere. Er was zelfs snelle opwas, van bloesem tot vrucht, in de kennis en de genade van de Heere Jezus Christus. Om jaloers te worden voor een heilbegerige ziel in onze tijd, die zoveel jaren een tobber blijft in het genade-leven, voor zich zelf niet tot zekerheid komt. Die vaak met duizend vreze, tegen één hope is vervuld, of het tussen God èn haar wèl ooit in orde zal komen. Die soms vurig smeekt onder tranen : „Och dierbare Geest mocht Gij mij tot de zekerheid der verzoening met God in Christus leiden."
Hoe heerlijk kwamen de rijpe vruchten van Gode verheerlijkend leven bij de discipelen openbaar, daar zij nu de verzoening met God in Christus kenden. Hoe heerlijk was hen het licht, over het verlossingswerk in Christus opgegaan, met toeëigening voor zich zelf.
Het vruchtbaar werk van de Heilige Geest werd gezien, zoals deze doorwerkt in het hart, tot groei in het leven der genade. Hoe kan een kind des Heeren, of Dienstknecht Gods, met heimwee denken aan, peinzen over deze rijke bloeitijd der Kerk.
Gij vraagt u soms af, doet het Woord der Prediking nog wel nut ? Past de Heilige Geest het nog wel toe aan de harten tot levendmaking en onderwijs? Wat dor en mat is de Kerk! Wat ingezonken het geestelijk , leven! Wat weinig frisheid des geestelijke levens ligt er op hen, die genade kennen. Ja, alle uiterlijke uitbouw is altijd nog geen innerlijke groei en bloei uit de Geest. Als wij de Kerk nu vergelijken met èn kort nà de Pinksterdag, moet hier dan de verzuchting niet oprijzen, om opleving uit de verdorring onzer dagen ? Wèl scheuring op scheuring! Doch, waar is de natte zaaitijd? Waar wordt de waarachtige groei des geestelijken levens bespeurd ? De wereld dringt al meer de Kerk in, onder jong en oud. Men leeft aan de oppervlakte. Het is, alsof de Heilige Geest niet meer diep ontdekkend werkt. Velen willen daar niet meer van weten. Doch, ontdekking des Geestes is nodig, opdat zo de bedding worde gegraven, om met Christus en Zijn heil vervuld te worden. Die Geest werkt tweeledig, ontdekkend èn vervullend. De Kerk in de lentetijd leefde in gemeenschap met de levensbron, die opwelt uit de diepte van Gods eeuwig liefdeswelbehagen. Bezongen werd het grote heil, door Christus verworven en aangebracht, dat door de uitgestorten Geest werd toegepast aan zondaarsharten.
Zo hebben wij hier in onze tekst een rijk bericht van de voortgang van het Evangelie na Pinksteren. En dit, ondanks het ontzettend oordeel, waardoor de twee geveinsden, Ananias en Saffira zijn vrouw, getroffen waren. Daardoor waren velen met schrik vervuld. Toch breidde de gemeente zich uit onder de leiding der Apostelen door het rijke, en dierbare werk des Geestes. Neen, de leugengeest des duivels kon het werk des Geestes niet tegenhouden. Als God werkt, wie zal het dan keren ? Ook de duivel, met al zijn hellemacht, niet. Ook zij, die wërden bekeerd tot de enige Herder der zielen, werden vervuld met de Heilige Geest. De rijkdom van de Heere Christus werd gekend als een onwaardeerbare schat.
Komt wij spreken tot u over :
HET DOORGAAND WERK DES HEEREN IN ZIJN KERK NA PINKSTEREN.
Wij zien dit:
I. Liefelijk gekenschetst;
II. In zijn voorwerpen verheerlijkt;
III. In zijn geheel enig karakter getekend.
Zingen Ps. 68 : 5, 13
I.
In de Pinkstergemeente werkte , de verhoogde en verheerlijkte Koning der Kerk door de Heilige Geest, zeer rijk èn krachtig! De tempelstroom, in Ezechiël getekend, brak door.
Niet alleen, dat Hij vele krachtdadig in het hart greep, van dood levend maakte; die hun ongeluk in hun schuld en zonde, hun Godsgemis voor Hem uitweenden. Dat ook! Dezen konden later getuigen, wáár èn wanneer de Heere hen te sterk was geworden. Zij mochten heerlijk groeien en bloeien in de genade. De Heere deed grote dingen! Of is het niet groot, als zondaren worden bekeerd, weer in rechte verhouding tot God worden gesteld ? Het woord van Jesaja werd vervuld : „Als Zijn ziel zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien : Hij zal de dagen verlengen en het welbehagen des Heeren zal door Zijn hand gelukkiglijk voortgaan." Het welbehagen Gods opent zich, nu Christus na lijden en dood verheerlijkt is aan des Vaders rechterhand. God heeft in Christus een weg, waarin Hij Zijn eeuwige zondaarsliefde kan openbaren. De belemmering is in Christus' offerwerk doorgebroken. God is zó vol leven, dat het nu uitbruist, nu Christus is verheerlijkt èn de Heilige Geest is uitgestort.
Reeds op Pinksteren werden de vruchten daarvan rijk gezien. Omtrent 3000 zielen werden op één dag toegebracht. Welk een rijke vangst had Petrus, als visser der mensen, met deze uitworp van het net des Evangelies. De Heilige Geest werkte een krachtdadig werk in hen, dat geen duivel er ooit meer uithaalt. Heerlijk werd de Kerk vermenigvuldigd, wat rijk bloeide zij op! Doch de Prediker is slechts instrument, die de Heere gebruiken wil. Doch de Geest is het, die levend maakt, en heilbegerig naar God en Christus, naar de genade Gods in Christus. De Geest is het, die Christus dierbaar en onmisbaar maakt, die Hem eigent in het geloof. Scheen het, dat de Messias onnuttelijk Zijn kracht verteerd had. Had de Profeet niet geklaagd : „Wie heeft onze Prediking geloofd en aan wien is de arm des Heeren geopenbaard ?" Nu wordt vervuld dat des Heeren knecht, Jezus Christus, de Rechtvaardige door Zijn kennis velen zal rechtvaardig maken. God vergadert de verkorenen door Hem, die Hij zich gemijnd heeft in de eeuwigheid, en die Hij gaf aan de Zoon om te behouden. De Geest, die uitgestort was, woont in de Kerk. Hij oefende rijke bediening, zodat velen kwamen tot het waarachtig geloof in de Zaligmaker. De gemeente nam snel toe in aantal levende leden. Wel wordt hier geen getal genoemd. In hoofdstuk 4 vers 4 wordt een getal mannen genoemd van omtrent vijfduizend.
De tekst zegt : „En daar werden er meer èn meer toegedaan die de Heere geloofden." Dagelijks werd het rijk des satans afbreuk gedaan: en hadden de engelen in, de hemel stof tot blijdschap over het toebrengen! Ja, was. God Drieënig verblijd! De levende kinderen Gods waren er over verblijd. En zij, die zelf werden toegedaan, tóch zeker ook 1 Zeker, bij de eerste ontdekking zullen zij zich eerst diep ongelukkig gevoeld hebben. Doch, de ziel wordt met blijdschap vervuld, zo zij geloven mag een gekende èn beminde des Heeren te zijn. Zij werden toegedaan, saám gevoegd, met Hem, met Zijn mystiek lichaam. Zij deden het zelf dus niet. Doch daarover straks nog meer !
„De Heere gaf rijke juichenstof, om Zijn wonderen en Zijn lof met hart en mond te melden." Gewis, de Heere houdt Zijn woord „dat Hij van Zijn Geest zou uitstorten op alle vlees." Zo werden de eerste tijd nà Pinksteren velen geroepen uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht. Neen, wel was de groei niet meer zó groot als op de Pinksterdag zelf. Doch, Gods werk gaat door, al gaat het nu meer geleidelijk. Het kan dus voor u ook nog, die dit leest, of hoort lezen, die nog onbekeerd zijt, ja zelfs al oud zijt. Het is nóg de welaangename tijd, zolang gij leeft. Smeek Hem om de dierbare werking des Geestes.
Zij, die toegedaan werden, werden een onderscheiden volk van de wereld èn het vorm-Christendom. De Heere trekt de scheidslijn! Hoewel men hier nog in de wereld verkeert, kan men tóch niet meer met de wereld meeleven. Die door Gods Geest zaligmakend worden bearbeid, krijgen andere levensuitgangen, andere levensbehoeften. Het leven in de zonde en wereld, wordt een scheidsbrief gegeven. Zij hebben ook niet meer genoeg aan de uiterlijke vorm, eigen gemaakte en eigenwillige godsdienst.
Echter zij, die toegedaan werden, stonden niet als eenlingen op zich zelf, los naast elkander, doch werden heerlijk saám verbonden. Zeker, nooit mag vergeten, dat ieder persoonlijk moet worden toegedaan. Dit ligt hier in de tekst ook duidelijk verklaard. Het geloof van een ander, de genade van Vader of Moeder, baat mij niet. Genade is geen erfgoed, wel de zonde! Toch komt in het ,,toedoen" de gemeenschap van het lichaam van Christus tot stand, en bloeit de gemeenschap der heiligen op. Het wordt één volk, nauw saám verbonden, met een geestelijke gemeenschap. Deze gemeenschap wortelt in hun Hoofd Christus, in wien zij één zijn, door de werking des Geestes in het geloof.
Doch elk werd afzonderlijk levend gemaakt door Geest en Woord. En dat leven Gods verbindt hen tot één geestelijke familie! De Geest en Zijn werking in hen, is het geheim van die eenheidsband. Uit één bloede het ganse menselijk geslacht. Zo is uit één Geest de ganse levende Kerk herboren. De Heere gaat voort won- deren te doen. Tegenwoordig willen velen daar niet meer van weten. Zelfs Predikers. zeggen, dat er geen wonder Gods meer aan de mens behoeft te gebeuren. Als je geboren bent uit Christenouders, op de erve des Verbonds, is het klaar. Doch, dit is droeve zelfmisleiding. Is het geen groot wonder dat Hij dode zondaren roept uit hun vervreemding van God, van dood levend maakt door Geest èn Woord ? Hier is niet slechts een uitwendige roeping nodig alleen door het Woord. Maar een inwendige door Geest èn Woord. De Geest werkt niet zonder het Woord.
De mens is van nature geestelijk dood, ook al leeft hij op de erve des Verbonds. Dan zijn wij vijanden van God èn Zijn Christus. Wij zijn in zonde ontvangen en ongerechtigheid geboren. Vergeet niet ! Het waren bondelingen, die hier werden toegedaan. In het verbond is nog niet van het verbond. Dit „toegedaan worden", zegt toch, dat zij er buiten stonden. Wààr buiten ? Wel buiten God èn het genadeleven! Als hij er niet buiten stond, niet buiten lag, behoefde hij toch niet „toegedaan" te worden! Oók de verkorenen liggen van nature dood in de zonden en misdaden, vervreemd van het leven Gods, in hun aangeboren vijandschap, onwil en onmacht. Daar brengen. zij zelf geen verandering in! Daar hebben zij, in onbekeerde staat, ook geen smart en geen last van. Doch, nu maakt Geesteswerk van vijanden vrienden, van haters liefhebbers des Heeren. Dit mag u troosten, u, die u zelf in uw vijandschap leert kennen en denkt, dat gij nooit toegedaan kunt worden.
Neen, wij zijn nooit te slecht, wel vaak veel te goed èn te braaf in eigen oog voor de Heere. Neen, bij God is geen aanzien des persoons. Hij werkt een vrij werk. Waar genade valt, valt ze vrij. Hier kan nooit anders geroemd dan in vrije genade alleen. Het is vrije gunst, die eeuwig Hem bewoog. De Geestes wind blaast waarheen Hij wil. En als Hij wil, wie zal het dan keren? Hij overreedt stadmensziel en neemt deze vesting met Zijn genade én liefde in.
Zo zijn wij genaderd tot onze 2e gedachte en gaan letten : „Op de voorwerpen, waarin Christus door Zijn Geest Zijn genadewerk verheerlijkt."
II.
De tekst spreekt van „een menigten" dit zegt nog al wat!, „beide van mannen en van vrouuwen." Neen, de Heere is niet nauw van ingewanden aangaande Zijn barmhartigheid en genade. Daar denken wij kleine mensen, wel eens veel te bekrompen over. Wij denken soms, dat het maar één enkeling is, die zalig wordt. Doch, denk dan eens aan de zeven duizend van Elia's tod, terwijl hij dacht dat hij óók maar alleen was overgebleven.
Er is aan Gods zijde, al is het aan onze zijde van ons zelf, een nauwelijks zalig worden, een ruime kans van zalig worden. Naar de betekenis van de grondtekst wil het zeggen: „een ganse schare van mannen en van vrouwen." Salomo zegt (Spreuken 14 : 28) „In de menigte des volks is des Konings heerlijkheid." Zeker, vergeleken bij het getal dat verloren gaat, is het nog een kleine schare.
Toch is Christus geen Koning zonder onderdanen. Hij heeft Zijn offerwerk niet te vergeefs gebracht. Hij heeft een schare, die in Zijn heil delen zal voor eeuwig. Zeker, dit zijn alleen de uitver-
korenen. Niemand meer, doch ook niet één minder. Die kunnen niet in hun doodstaal, hun gescheidenheid van God blijven, waarin zij liggen door eigen schuld. Eeuwig wonder, het voorwerp van Gods eeuwige liefde te zijn, daar de eeuwige dood, vloek en doem en toorn Gods, rechtvaardig was verdiend. Wie zal er ooit over uitgewonderd komen? Daar is de eeuwigheid voor nodig.
Er wordt hier goede nota van genomen, daar valt zelfs nadruk op, dat er zowel vrouwen als mannen werden bekeerd. De vrouw is wel het eerst in overtreding geweest. Doch, óók de vrouw deelt mede in de zaligheid. Heeft Eva Adam verleid, Maria was de gezegende maagd, uit wien de Christus geboren is naar het vlees. In Christus is nóch man nóch vrouw. Er werden onder de vrouwen zelfs zeer godvruchtige gevonden, zowel vóór Jezus' komst in het vlees, als daarna. Denk aan de godvruchtige vrouwen die Hem dienden van hun goederen. Hij doet ook de vrouw delen in Zijn heil. Hoe spaarzamelijk zijn soms ouderlingen in de gemeente onder de mannen te vinden. Dat zullen toch mannen moeten zijn, door de Heere onderwezen. Hoe zullen zij anderen anders leiding geven,
indien zij zelf niet thuis zijn in de heilgeheimen. Als een keuze gedaan mocht worden onder de vrouwen, zou het soms nog beter gaan.
Doch wat rijk! Hij roept nóg tot de gemeenschap Zijns Zoons, door Zijn Geest, zonder aanziens des persoons, onder mannen en vrouwen.
Des Heeren hand is niet verkort, Zijn arm heeft nóg groot vermogen. Zeker, als wij nu rondom ons zien in de Kerk, wordt vaak de klacht beluisterd: „Wij bespeuren in onze tijd zo weinig van
toebrenging." Het is, of het Woord uit Ps. 87, niet meer vervuld wordt: „En van Sion zal gezegd worden: Die en die is daarin geboren, en de Allerhoogste zelf zal ze bevestigen." Hoe anders is
het heden dan. toen! De Heere roept er ons ook altijd niet bij, als Hij het wonderwerk der genade in een mens verricht. Allen worden ook niet zo plotseling stilgezet. Al horen wij niet zoveel van plotselinge stilzetting. Des Heeren Geest werkt nóg wel in stilte hier ,en daar, al zijn het geen Pinksterkinderen, waarin het zo krachtig openbaar komt, dat de Geest hen heeft levend gemaakt.
Dat zij niet zo snel opgroeien in de kennis en de genade van de Heere Jezus Christus. Waar Hij nog leven wekt, blijven vele in de eerste beginselen staan, er is zo weinig geestelijke wasdom. Men blijft in het onzekere voor zich zelf voorttobben. Dit is geen best teken. Naar de tijd, dat zij al op de weg des levens zijn, moesten zij al vaste spijze nodig hebben. Doch, zij moeten nog met melk gevoed worden. Vaak hoort gij de verzuchting: „had ik eens wat meer licht en zekerheid." Hier mag wel geweend over de dorheid en onvruchtbaarheid. Het bevel des Heeren luidt toch: „Wast op in de kennis en de genade van de Heere Jezus Christus."
In-droef is ook, dat velen menen, de bekering niet nodig te hebben, denken dat zij bekeerd zijn, althans wedergeboren zijn. Doch, waar de Heere niets vanaf weet. Zij wiegen zichzelf in slaap met het: ,,Wij zijn Abraham's zaad." „Wij zijn kinderen des Verbonds." En intussen kan er alles met de wereld mee door. Doch, wee de gerusten te Sion. Al leven wij op de erve des Verbonds, daarom moeten wij even goed persoonlijk toegebracht, onderwerpelijk de Verbonds-zegen deelachtig gemaakt worden. Zo niet, dan zal de Verbonds-vloek ons treffen. Het zal zo vreselijk zijn, naar des Heeren Woord: „Als kinderen des Koninkrijks buiten geworpen te worden." Hier werden ook mensen toegedaan, die in het verbond waren begrepen. Die hebben geleerd, door Geestes onderwijs, dat dit alles nog te kort is voor de eeuwigheid. Zij hadden van zichzelf geen genade-leven, nóch waarachtig zaligmakend geloof.
Denk daar wel aan, tot uw waarschuwing, gij die nu rustig voortleeft, alleen bouwend op uw: „In het verbond geboren zijn", dat de Heilige Geest door het Woord werkt.
Weer anderen leven rustig voort, die zich trachten te dekken achter hun geestelijke „onmacht". Over hun onwil hebben zij het niet. „De mens is onmachtig", zeggen zij. En zeker, dit is volkomen waar! Doch hoe zeg ik dit, in smart, als mijn eigen schuld ? Of beschuldig ik heimelijk daarin God, uit de vijandschap van mijn hart? Velen verwerpen Zijn Woord, waarin Hij krachtig met de eis der bekering aandringt. Die eis wil men niets van weten, in plaats dat men leert bidden: „Heere geef Gij mij wat Gij van mij eist." Zij hebben er geen last van, dat zij er buiten liggen, buiten Hem en Zijn genade-heil in Christus leven. Zij liggen vast te ronken in hun droesem, slapende hun slaap des doods. Vreselijk als zo wordt voortgeleefd, straks zo het leven eindigt in de eeuwigheid. Dan zullen zij hun onmacht niet langer, als dekmantel, kunnen gebruiken, zo zij met een heilig en rechtvaardig God te doen krijgen. Die onmacht, die vaak stuivertje wisselt met de onwil, zal tot schuld moeten worden. Wij moeten leren, dat wij door eigen schuld, niet slechts straks verloren gaan, doch reeds verloren liggen.
Gij, die daar i iets van leert, en denken mocht, dat er voor u geen genade is, schep dan moed, als hier gezegd wordt: „Dat een menigten beide van mannen en vrouwen werden toegedaan, die. de Heere geloofden." Gods raad wordt volvoerd. Zijn werk moet, ja zal doorgaan tot de laatste uitverkorenen is toegedaan. Ja, alle uit verkorenen moeten èn zullen door Christus rondom Zijn liefdevolle Middelaarshart verzameld worden. Als dat geschied is, komt Hij op de wolken des hemels, om te oordelen de levenden en de doden. Dus, dat de wereld nu nóg staat, Christus nóg niet verschenen is, is een bewijs, dat alle uitverkorenen nog niet zijn toegedaan.
Hij zal er niet één vergeten of overslaan. „Zal ik nu daar wel bij behoren ?", vragen er misschien verschillenden zuchtend. Doch, dan moet gij niet beginnen met te vragen : Ben ik wel een uitverkorenen? Dat is bij God wel het eerste. Doch Hij begint met u, door u de weg des heils te laten verkondigen. Later komt Gods volk pas achter het geheim, dat zij uitverkoren zijn. Het is van Godszijde welgemeend, dat Hij u roept tot bekering. Dat behoort óók tot Zijn Raadsbesluit, dat Hij u het Woord laat Prediken. Daar moogt gij Hem op pleiten. Wèl zal dat Woord u alleen nut doen tot zaligheid, zo de Heilige Geest het toepast, het met geloof gemengd is. Ja, die Geest kan èn wil het geloof werken in het hart door het Woord. Daar moogt gij Hem ook om bidden.
Het doel van de bediening des Geestes is, als Hij het uit Christus neemt en zondaren toepast, dat God weer een volk zal hebben, dat Hem vrijwillig liefheeft, dient en verheerlijkt. De grote Hogepriester Christus is zelf in dit alles biddend werkzaam in de hemel, als Bedienaar van het hemels heiligdom. Hij bidt zelf aan des Vaders Rechterhand, om de toebrenging der uitverkorenen. Ook de Pinkstergemeente bad daarom. Dat kan toch niemand nalaten, die zelf genade kent? Volk des Heeren. hebt gij er veel werk mee? Zo ja ? Dan hebt gij zalige bezigheid ! Dan geniet gij zelf de eerste vrucht, als gij in het levendig gebed aan Zijn troon gebonden ligt. Ja, moge ook nu de levende Kerk, als vrucht van Christus' Voorbidding in de hemel, met een brandend hart tot de verheerlijkte Koning bidden in èn door de bediening des Geestes, of Hij Zijn genade in zondaren wil verheerlijken? Wie hier, wordt er nog wel eens toe verwaardigd? O, wat een zalig werk! Begenadigden! Dan denkt gij natuurlijk het eerst aan uw gezin, uw kinderen èn familie? Ja, als de Heere je het op uw hart bindt, zal het niet vruchteloos zijn. Als Hij geeft te bidden voor een zaak, geeft Hij deze ook, al is het altijd op Zijn tijd, al zou je het soms zelf hier niet eens meer beleven. Ja, hier niet alleen gedacht aan gezin èn familie. Doch de kring uitgebreid, Gij, die zelf genade kent, zijt toch verblijd, als Hij ook anderen toedoet? De Heere doet nog mannen èn vrouwen toe, die Hem geloven. En heerlijk is, dat hier geen leeftijdsgrens wordt genoemd.
Zalig, die door Hem wordt toegedaan. Een groot voorrecht als het reeds jong geschiedt. Wij zien dit in de 3e plaats: „In zijn geheel enig karakter getekend."
III.
Let er goed op! Zij deden zich zelf niet toe. Zij werden toegedaan. Wat wordt daarin het vrije, geheel eenzijdige werk des Heeren verheerlijkt. Zij werden toegedaan door toebrenging. Zij werden er bij gezet, zoals ook vertaald kan worden. Hier is een daad van de verheerlijkte Christus door Zijn Geest. Hij doet toe, zet bij Dat is Zijn kroonrecht. Doch Hij doet dit middelijk door de Prediking des Woords, door Geestes toepassing aan het hart.
De verzoening met God, de gerechtigheid en het oordeel werden verkondigd; leven en dood, als van Degenen die bekering geeft en vergeving der zonde. Zij waren dus zelf lijdelijk in de eerste daad van levendmaking. In zijn geestelijke doodstaat liggende, vraagt hij niet naar God in waarheid. Doch heerlijk, als de Heere ons hebben moet, als voorwerp van Zijne genade. Wij er het zalig onderwerp van worden, door Geestes bearbeiding in het genade-Verbond. Al weerstreeft en verzet die mens zich dan nog zo sterk. Zo de genade des Geestes in het binnenste van ons wezen ingrijpt, dan worden wij neergeworpen aan Zijn voeten. Daar Hij leven werkt in de dood, wordt de schreeuw des levens gehoord, in de schuldbelijdenis en het gebed om genade. Christus, de Kurios, heeft zeggenschap over het hart der mensen. Hij legt door Zijn Geest, beslag op het hart. Het is gedaan met zijn leven van voorheen in de zonden. Hier is reeds saàmwerking der Drie Goddelijke Personen, als een zondaar wordt gearresteerd; al verstaat die zondaar dit zelf nog niet. Dit ieder naar eigen orde in het Goddelijk wezen, naar de aard en de bedeling van het verbond der genade.
Het zijn de verkorenen des Vaders, die moeten worden toegebracht. De Christus gaf er Zijn bloed en leven voor. De Heilige Geest wederbaart en maakt levend. Die maakt met God, als Rechter bekend, tegen Wien gezondigd is. Immers, de kinderlijke betrekking is door de val verbroken. Als de zondaar met God krijgt te doen, treedt Christus al bedekt tussen, opdat zulk een niet verteerd wordt door Gods heiligheid.
Ja, waar de Heilige Geest zaligmakend werkt in het hart, gaan wij eerst leren, dat wij buiten God en Zijn heil staan. Hij mist God Dat wordt de schreeuw van zijn ziel! Daar heeft hij vóórdien nooit recht bij stilgestaan. Dat had hij nog nooit recht gezien. Daar was hij in zijn geestelijke doodstaat blind voor. Daar had hij ook geen last van, dat hij buiten. God en, buiten zijn volk leefde. Eerlijk gezegd, hij leefde afkerig van God en zijn ware volk. Doch de Geest verlicht zijn verduisterd verstand en oog. Nu krijgt hij de zaken in eeuwigheidslicht te zien .Hij wordt een ongelukkig mens in zich zelf: „Ik lig er buiten, verloren", roept hij uit. Oprechte zondekennis, geheiligd schuldbesef wordt geboren, al is het eerst meer met zijn dadeljke zonden, en nog niet zo met zijn bedorven hart. Dat komt later meer! Hij leert zijn zonden in boetvaardigheid belijden, als een boeteling op genade pleiten, al heeft hij ook nog geen recht oog er voor, in welke weg God genade aan hem verheerlijken kan èn zal.
Het hart wordt verbroken uit èn door de liefdesontdekking des Geestes, uit Wet en Woord. Daar wordt al zaligheid in gesmaakt, als hij uit een verbroken hart in droefheid naar God leert wenen: Ja, die zoete tranen gaan vloeien uit de vertedering en vernedering des Geestes. In zijn zelfgenoegzaamheid kan hij niet meer voort- leven. Bij de doorwerking des Geestes, leert hij in beginsel het leven uit eigen hand verliezen, om genade smeken, naar verzoening met God dorsten. Wat wordt het dan bang, als hij direct geen opening krijgt. Dan roept hij het uit: „waar berg ik mij ?" daar God hem Zijn heilig recht doet beleven, het zondige der zonde doet verstaan. En toch kan hij niet nalaten, de Heere als een boeteling toe te vallen. Want, als God hem geen genade bewijst, is het verloren voor eeuwig.
Zó grijpt Christus, de Kurios, de Heere, de zondaar aan! Zó werkt de Heilige Geest! Zó deed Hij toen, zó doet Hij nóg ! Hij wederbaart, ontdekt aan eigen verlorenheid, aan het liggen buiten God door eigen schuld. Hoe wordt hier in onze tijd over heen geleefd! Men bouwt op „het zijn in het oerbond-, door geboorte uit Christen-ouders, terwijl men nooit geleerd heeft, dat men buiten God verloren ligt. Och daar wil het vlees niet aan. Dat gelooft liever, dat je er al bij behoort, als je in het verbond geboren bent. Och de beleving uit het werk des Geestes, haat men. Doch, dit is een gevaarlijk pad, dat tot zelf bedrog èn ondergang leidt. Het einde is een weg des doods en niet des levens. Hier wordt duidelijk geleerd, dat zij de Heere geloofden, door het geloof, gewerkt door de Heilige Geest in het hart, door de verkondiging des Evangelies. Hij plant bij de wedergeboorte het geloof in. De Heilige Geest werkt niet alleen het geloof, doch doet het ook beoefenen. Er staat: „Die de Heere geloofden". Zij geloofden met het hart en beleden met de mond, dat de Heere is, die Hij is, dat God rechtvaardig en heilig is, doch ook groot van goedertierenheid. Zij geloven wat de Heere spreekt van Zichzelf en van de mens in Zijn Woord. Hij gelooft dat het waar is, dat hij van nature verloren, verdoemelijk voor God ligt. Daarin vielen ook zij God toe. Zij geloofden dat zij rechteloos in zichzelf waren op genade. Hoe zal ik dit ooit anders aanvaarden en omhelzen, dan in het geloof, gewerkt door de Heilige Geest! Daar wordt ook, door de bearbeiding des Geestes, een betrekking geboren op, liefde tot de Heere in het hart, alsmede op Zijn volk. Ja, zij geloven ook, dat de Heere een volk heeft, dat Hem dient en verheerlijkt, en straks met Hem in eeuwige zaligheid leven zal. Wat wordt dat volk, door zulk een ontdekte ziel, gelukkig geacht. Met jaloersheid wordt er op neer gezien. Doch, zichzelf er bij rekenen, neen, dat durven zij vaak nog niet.
Zij staan er voor hun waarneming nog buiten. Zullen zij nog ooit toegedaan worden èn hoe? Zij gaan leren, dat zij het zelf niet kunnen. Zij hebben wel eens goedertieren-gedachten van de Heere. De waarheid Gods valt wel eens voor hun hart open. En de, Heere opent hun hart voor de Waarheid. Daar vallen zij met hun ganse hart bij, ook als dat Woord hen veroordeelt. Ja, als zij het soms eerst zo goed wisten, nu worden zij mensen, die het niet meer weten, grote dwazen, die onderwijs des Heeren nodig hebben. Zij gaan leren, dat zij van de Heere geleerd moeten worden. Zij gaan Hem om onderwijs bidden. „theere leer mij! Maak mij Unie wegen door Uw Woord en Geest bekend." Psalm 25 : 2 wordt hen zo dierbaar! Zij geloven de Heere! Die leren zij als de Waarachtige kennen, die niet liegt. Maar ach, zij wantrouwen zichzelf óf het hij hen wèl oprecht is? Of het wel zaligmakend werk des Geestes is? O, konden zij dat eens recht geloven?
Ja, die de Heere gaat geloven, leert zichzelf opgeven, daar de Heilige Geest eigen kunnen èn willen gaat afbreken. En toch leren zij óók geloven, dat God genadig is èn groot van goedertieren held. Zij krijgen crediet op de Heere! Was dit niet waar, zij zouden van Hem afvluchten, en kwamen alzo tot wanhoop. Doch, nu vallen zij Hem toe in zelf-veroordeling, smekende èn hopende op Zijn genade. Want het geloof heeft ook het vertrouwen tot kenmerk. Het is niet alleen een kennen of weten èn toestemmen, maar ook een hartelijk vertrouwen. Zij begeren de Heere in de armen te vallen. Liever aan Zijn voeten sterven, dat langer van Hem wegvluchten.
Zo schittert hier reeds heerlijk het werk des Geestes in het hart. Geesteswerk gaat niet buiten ons om. Die werkt het in ons uit! Het geloof is een zien van eigen verloren doemstaat, van Gods recht- vaardigheid en heiligheid. Ja, het heeft twee ogen, één naar binnen en één naar buiten. Het leert ons op ons zelf zien, doch ook van ons zelf af zien op de Heere. Het leert zichzelf veroordelen, doch ook hopen op des Heeren genade en heil in Christus geopenbaard. Christus verlicht door Zijn Geest het oog des geloofs ook voor Hem Zelf, in Zijn Persoon, dierbaarheid, gepastheid en noodzakelijkheid. Zo krijgen zij bevindelijk kennis van Hem, daar Hij ze als de grote Profeet zelf onderwijst, hoe Hij de Verbondsmiddelaar is, hoe in Hem de verbondsweldaden te verkrijgen zijn. Zij kregen te zien èn te geloven, dat Christus, door hen gekruist, de Beloofde aan de Vaderen was.
Wat wordt Hij juist nu in Zijn bloed dierbaar! Wat heerlijk moed en vertrouwen geeft dit in de ziel, als het oog des geloofs voor Hem geopend wordt! Al bezitten zij Hem daar nog niet mee! Ja, al kunnen zij zichzelf ook weer diep ongelukkig gevoelen in het gemis. Perst de vraag in hun hart: „Hoe krijg ik Hem ooit tot mijn bezit?" De Heilige Geest leert ze toch door het geloof tot Hem vluchten, om door Hem gered te worden. Ook hierin worden zij liefelijk onderwezen. Zij geloofden dat Hij hen redden kon! Doch nu soms de twijfel: „Zou. Hij het óók willen doen ?" Ja toch! Die toegedaan worden, kunnen niet in gescheidenheid van Hem blijven. Hoe meer Hij door Zijn Profetische Geest onderwijst, hoe meer heil de ziel in Hem ziet door het geloof. Met heimwee wordt soms verlangd, Hem in toeëigening te mogen omhelzen, waar zij leren geloven, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, gegeven tot een Borg voor schuldigen. O, als Hij zo heerlijk en beminnelijk gemaakt wordt vóór het oog der ziel, het geloof omhelst, gaat de ziel zingen uit Ps. 45 : 1.
Zo gaat niet alleen des Heeren werk door in de vermeerdering der Kerk, doch ook, door in het hart het genade-leven te doen groeien. Lagen zij bedolven in de golven van hun ongerechtigheën. Zij worden door de Geest ingeleid. in de heilgeheimen der genade. De Heilige Geest verenigt hen door het geloof met Christus. Ja, vallen zij er eerst met zichzelf goed buiten. Leren zij dat zij buiten God verloren liggen. Nu komt Hij hun voeten op een Rots te stellen. Hij bekleedt ze met de klederen des heils en de mantel der gerechtigheid. Zo komen zij tot'de zekerheid, dat zij toegedaan zijn, gereinigd zijnde door Zijn Geest in Zijn bloed. Dan gaan zij bewust in het verbond over en worden in de Verbondsmiddelaar met God verzoend. Zo voegt Christus hen Zich toe, door de Geest, èn zo de Vader. Hij brengt door énen Geest, de gegevenen des Vaders weer tot de Vader! Nooit ander toegang tot de Vader dan door Hem. Zo vindt de ziel rust aan het harte Gods des Vaders in het volbrachte werk van Christus. Zo werkt Hij dus door wat Hij begon in het hart.
Wat rijk, vrede met God te smaken in Christus, en de Geest te kennen als inwoner des harten, Die de rijkdom der genade in het hart indroeg, als een dierbare schat. De vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, te smaken in het hart, in Christus door de Heilige Geest, is een weldaad, die niet onder woorden is te brengen.
Zalig het te weten, te beleven in geloofswetenschap, dat de zaak tussen God en de ziel weer vereffend is, in het proeven en smaken van de Vaderlijke vrede in het hart. 0, wat rijk God weer onder de ogen te kunnen zien. De schuld is uitgedelgd. Er niets is, dat meer scheiding maakt, En dat God nu Zelf in Christus heeft in orde gemaakt, dit uitgewerkt en toegepast heeft, door de Heilige Geest. Wat kan de ziel in de ontdekking, als de Heere haar gans gaat afbreken en ontgronden, er met heimwee naar verlangen, met God verzoend te worden, weer een thuiskomst aan Zijn hart te mogen ontvangen. Neen, dan kan zij niet rusten voor zij zich weer aan Zijn Vaderlijke boezem weet gelegd.
Die nu toegedaan is, de Heere gelooft, in Christus met God is verzoend, zo in Hem door het geloof voor God mag verkeren, in kinderlijke gemeenschap, dan zal zich het leven des geloofs in zijn heerlijke vruchten openbaren in oprechte vreze des harten. Die de Heere aanhangt is één geest met Hem. De harten en zinnen worden bewaard in Christus door de vrede Gods. Heerlijk, hunne voeten zijn gezet op de weg des vredes. Dit is nu enkel genade des Heeren. Daar is niets van hen zelf bij. Wel is het bevindelijk in hun hart uitgewerkt.
Kent gij nu ook iets van deze zaken, jong en oud ? Want, allen hebben wij hier belang bij: Het geldt ons eeuwig heil. Zelf-onderzoek is daarom hier weer geboden! Want, wij kunnen schijnbaar zeer nabij zijn, dat wij tóch nog verre zijn! Ja, wie wordt hier door het voorbeeld van Ananias en Saffira niet uitgelokt tot nauw-zelfonderzoek ? Dezen hadden zich ook als Pinkster-kinderen ingedrongen en aangediend aan de Gemeente. Doch het waren leugenaars tegen de Heilige Geest. En — welk een schrikkelijk oordeel trof hen! Mensen, onszelf kunnen wij bedriegen, maar de Heere niet. ,
Keren wij daarom, jongeren en ouderen, tot ons zelf in met de vraag, of wij óók persoonlijk reeds zijn toegedaan ? Al kunt gij dan het, uur van wedergeboorte niet aangeven, dat is niet zo erg. Het komt op het leven aan ! Heeft de daad der levendmaking plaats gehad ? Dit komt in de vruchten openbaar. De geslachten worden hier wel aangegeven, mannen èn vrouwen. Doch geen leeftijden. De Heere wil op elke leeftijd nog toedoen. Hoewel de meesten in de jeugd worden toegedaan. De jonge jaren, de kracht van het leven, is de schoonste tijd. Heerlijk als de bloem des levens reed aan de Heere is gewijd. Jongeren, die dit hoort lezen, is het reeds uw deel? Doch, al zijt gij reeds oud, zolang gij leeft, kan het nog ! O, als gij oud zijt en nog onbekeerd, smeek de Heere of Hij u nog bekeren wil.
Het is niet genoeg, dat wij toegedaan worden als leden der gemeente in èn met een belijdenis van louter historisch geloof. Dan zijn wij wel in, doch niet van de Kerk. Het is de duivel om het even, hoe gij verloren gaat, vroom in eigen oog, of bruut goddeloos. Hij zet, als engel des lichts, velen op droggronden vast. Alleen, die de Heere Zelf toedoet, zijn waarlijk geroepen heiligen en worden zeker
zalig. Gij hebt u zelf kunnen toetsen aan de Heilige Schrift. Hebt gij kennis aan de zaken heden ontvouwd in de bevindeljke weg? Daart komt het op aan! De levende Kerk is een praktisch Christendom.
Of nu een ander al toegedaan wordt en ik niet, dan ga ik voor eeuwig verloren! Vraag daarom u zelf allereerst af : „Hoe staat het met mij voor de eeuwigheid ?" Hoe is mijn verhouding tot de Heere, tegenover Christus ? Heb ik deel aan het zaligmakend werk des Geestes ? Hebt gij geestes-ogen gekregen ? Weet gij ook reeds één ding: „dat gij blind waardt en nu ziet ?" Hebt gij u zelf al buiten God verloren zien liggen, vertreden op de vlakte des velds in uw bloed ? Kent gij u zelf als een vijand tegenover God en Christus ? Gelooft gij de Heere ? Misschien gelooft gij wel, met een historisch geloof,al wat Hij in Zijn Woord geopenbaard heeft? Doch, dit kan nog, zonder de Heere te geloven! Gelooft gij dat God is, èn dat gij een doemwaardig schepsel zijt ? Gelooft gij dat Jezus de Heere is ? „Noemt gij Hem daarom uw Heere, omdat Hij ook u met lichaam en. ziele van alle uwe zonden, niet met goud of zilver, maar met Zijn dierbaar bloed gekocht, en van alle heerschappij des duivels verlost heeft, en u alzo zich tot een eigendom gemaakt?" Wie gelooft met het hart, dat God is, en hij zelf een doemwaardig schepsel, veroordeelt zichzelf, geeft zich zelf op, en valt God toe! Die kan in zijn vijandschap niet meer leven. Ja, de eis der bekering, aangedrongen èn opgebonden door de Heilige Geest, werkt in ons een afstand doen van ons zelf, van de dienst der zonde en wereld, en een roepen tot God om genade. Die valt de God des Rechts toe, in zelfveroordeling. Die gaat het om God, daar hij leert, dat hij Hem mist. Waar de Heere zo werkt, wie zal het keren ?
Die Geest werkt tweeledig, ontdekkend, ontledigend, doch ook onderwijzend, vertroostend en opbouwend. Die komt Hij zoete geheimen te leren uit het Woord, als Hij het hart voor het Woord opent, het Woord voor het hart. Heerlijke genade-school, waar zaken geleerd worden, die nergens elders te leren zijn.
Die Geest leert de beloften Gods omhelzen en persoonlijk het verbond inwilligen door het geloof. Verloren gegaan in zichzelf door de zaligmakende ontdekking en bearbeiding des Geestes, worden zij uit èn door genade in Christus de Kurios, de Heere, gered. Die Geest overreedt zó volkomen, dat de ziel zich gewonnen geeft. De Heerei Zij worden Zijn eigendom!
„Dat is de enige troost, beide in leven en sterven." O heerlijk, niet meer zichzelf toe te behoren! Doch de Heere, de Kurios! Die nog zichzelf toebehoort, is nóg diep ongelukkig! Doch, die door genade eens Andere is geworden, Hem toebehoort, wordt zeker zalig, ja is al in hope zalig! Daarin ligt het heerlijk bewijs, dat wij de Heere zijn toegedaan. Dat moet ook openbaar komen in een godzalige levenswandel. „Die de naam van Christus noemt sta af van ongerechtigheid." Dan zal hij juist ook de Heere de ere geven, nu èn in alle eeuwigheid. „Ik lag er in mij zelf geheel buiten, doch de Heere zette mij uit genade er in, om het eeuwig welbehagen."
Moge Hij er ook nu nog velen toedoen! Moge de Kerk ook nu bidden door de Geest; als vrucht van Christus' voorbidding, om de uitbreiding der Kerk:
,,Uw Koninkrijk koom' toch, o Heer!
Ai, werp de troon des satans neer;
Regeer ons door Uw Geest en Woord;
Uw lof word' eens alom gehoord,
En d' aarde met Uw vrees vervuld,
Totdat G' Uw rijk volmaken zult."
Als de Heere toedoet; zijt gij al toegedaan ? - dan is er blijdschap in de gemeente. Dan is er ook blijdschap bij de engelen. Doch, ook in het harte Gods zelf. Ja, de Drieénige God is grotelijks verblijd over één zondaar, die zich bekeerd. Dan heeft God ons weer terug en wij Hem weer! Hij doe er nog velen toe! Ja, Zijn werk gaat door, dat kan niemand keren, geen duivel, wereld en zonde, ook de vijandschap van ons hart niet. Hij wordt verheerlijkt in het zaligen van zondaren. Hun zaligheid is Zijn eer!
En Zijn eer hun zaligheid! Zalig, die aan trekken, om God, hun Koning, t' eren.
Zult gij er óók bij zijn ?
Amen.

Juni 1954