De Hemelvaart van Jezus Christus.
Predikatie door Ds. K. BOKHORST.
Ps. 150 : 1
Lezen: Efeze 4 : 1 - 16
Ps. 68 : 9
Ps. 47 : 1 en 3
Ps. 73 : 17
Ps. 48 : 6
150: 1
Die nedergedaald is, is dezelfde ook, die opgevaren is ver boven alle de hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zoude.
Efeze 4:10.
Sursum corda : de harten naar boven. Met deze woorden begroette men elkander in vroeger tijden wel op een hemelvaartsdag. De harten naar boven, dit mag wel een gepaste groet heten. Wij zijn toch uit de aarde aards en hebben gedurig een opwekking nodig om te bedenken de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods.
Ook thans mag deze opwekking wel doorgegeven. Het valt niet te ontkennen, dat het leven maar al te veel ingesteld is op de dingen die beneden zijn. Wat zullen wij eten en wat zullen wij drinken en hoe zullen wij zoveel mogelijk genieten van dit leven, speciaal ook van een vrije dag, zoals hemelvaart ons brengt ?
Edoch, hier beneden is niet te vinden, het ware leven dat ons innerlijk bevredigen kan en ons recht gemoedigd de toekomst tegen doet reizen. Doornen en distelen, moeite en verdriet en wat nog erger is, zonde en zorg drukken onze schouders naar beneden en kunnen de weedom in het hart brengen, ook wanneer er mogelijk een glimlach op het gelaat is. Daarom de harten naar boven. De zin uit het Avondmaalsformulier mag op een hemelvaartsdag wel bijzondere klank hebben: laat ons onze harten opwaarts in de hemel verheffen waar Jezus Christus is, onze Voorspraak, ter rechterhand zijns hemelsen Vaders.
Helaas, dat het zo moeilijk in praktijk is te brengen: Als ik opwaarts wil gaan, trekt schier alles mij naar beneden. Als ik op de wiekslag van geloof en gebed omhoog wil vliegen gelijk een vogel, drukt het lichaam der zonde en des doods mij in het stof en in de zonde. Ik ellendig mens, wie brengt mij naar omhoog ? Wie kan de banden breken en in vrijheid en blijheid God doen prijzen?
Is het niet Jezus Christus, die zelf in het stof gekropen heeft als een worm en geen man, maar die ook opgevaren is verre boven alle hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zoude ?
Op dien Zaligmaker van zondaren mag ook deze dag bizonder gewezen worden. Denken wij aan Hem met het gebed in de ziel: trek mij, wij zullen U nalopen en wil het nog eens hemelvaartsfeest maken door de bediening des Geestes.
Dat wij daartoe ook met aandacht luisteren naar het Woord van God, dat ons uit de brief, eens geschreven door Paulus aan de gemeente van Efeze, voorgehouden wordt. Het feit van Jezus' hemelvaart wordt daarin zo schoon belicht.
Dat woord wijst ons aan:
DE HEMELVAART VAN JEZUS CHRISTUS
en vermeldt ons :
le. de diepte waaruit Jezus opkwam;
2e. de hoogte waarheen Jezus opvoer;
3e. het heil, hetwelk Jezus uitwerkt.
Wanneer Paulus, onder de leiding en verlichting des Geestes in deze brief aan de Efeziërs melding maakt van de hemelvaart van de Middelaar Gods en des mensen, laat hij eerst een blik werpen in de diepte, waar de Heiland in afdaalde.
Van de verhoogde Middelaar wordt gezegd, dat Hij eerst is nedergedaald in de nederste delen der aarde.
Als wij dit lezen is het ons, als staan wij op de rand van een rotsblok en staren naar beneden in een donkere bodemloze afgrond. Of, wij kunnen ons denken op de trans van een hoge toren en ontwaren ver beneden ons een gewirwar van beweeg. Een huivering of angstige beklemming kan ons overvallen bij de blik naar beneden.
Zo ook is het om duizelig te worden, wanneer wij goed inleven met verlichte ogen des verstands, wat de Apostel hier neerschrijft. Die nedergedaald is, nedergedaald in de nederste delen der aarde.
Wij hebben dit woord niet alleen te nemen als aanduiding van plaats, maar meer nog als aanduiding van zijn diepe zelfvernedering. Van plaats, en dan denken wij er aan dat Jezus Christus, die heerlijkheid had eer de wereld was, die als Zoon des Vaders was spelende voor het aangezicht des Vaders en delende in de volle heerlijkheid van het Goddelijke wezen, als mens op deze om onzer zonde wil vervloekte aarde wilde komen, der broederen in alles gelijk, uitgenomen de zonde. Gelijk in moeite en verdriet, in pijn en smart, om zelfs te gaan in de donkerheid des doods en neergelegd te worden in het voor Hem bestemde graf. Gij legt mij in het stof des doods.
Maar bij dit alles hebben wij toch zeer bizonder te letten op de diepe vernedering, welke hierin het deel was van de Zoon des mensen. Het is zeer nodig aan dit feit, dat de Zaligmaker nedergedaald is, volle aandacht te schenken.
Dan komt in herinnering de wondere liefde des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes, dat de Zone Gods mens is geworden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet, opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zoude.
Wij herinneren ons hoe de Koning der Koningen, die met recht kon zeggen: door Mij regeren de vorsten, in dienstknechtsgestalte op aarde is verschenen.
Wij beluisteren daarin de stem des Heeren: Gij weet de genade van onze Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden.
Dat was vernedering, nederdaling.
Doch daar bleef het zelfs niet bij. Dieper boog de weg af voor de Zoon des Vaders. Door de diepte van het lijden, onder de toorn van een rechtvaardig God moest Hij gaan, tot Hij in Gethsemane de aarde deed kleuren met Zijn bloed, dat in ziele-angst uit de poriën werd geperst. Denken wij dit in, voor wij in gedachten. de Heiland straks volgen naar de plaats der verheerlijking, wat het zeggen wil, dat deze Borg en Zaligmaker in. Gethsemane ter aarde wordt neergeworpen. Zijn ziel geheel bedroefd tot de dood toe.
Nog dieper zal Hij afdalen, want in Gethsemane durft en kan Jezus nog de Vadernaam uitspreken. Maar als Hij even daarna aan het vloekhout des kruises hangt, besterft ook de Vadernaam op Zijn lippen en wordt het: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten. Niet meer mijn Vader, maar mijn God, die het vriendelijk licht van Zijn gunstrijk aangezicht verbergt.
Dan geeft de Borg de Geest en gaat in de dood. Ten diepste wordt doorleefd : Gij legt mij in het stof des doods!
Welk een vernedering. Hij die het geen roof behoefte te achten Gade evengelijk te zijn, heeft zichzelf vernietigd. De hemelse heerlijkheid afgelegd en de mensen gelijk geworden tot zelfs in het gaan in het graf.
Als wij dit bij Goddelijk licht voor de aandacht krijgen, zullen wij dan niet als duizelen bij zulk een diepte van zelfvernedering? Meer nog, dan wanneer wij van uit de hoogte neerzien in een donkere afgrond?
Onze huivering mag dan wel overgaan in bewondering en aanbidding vanwege de onuitsprekelijke genade en goedheid Gods.
Want voor wie wilde de Zoon zich aldus vernederen? Voor mensen, die niet anders gedaan hebben, dan God beledigen en vertoornen door hun zonde. Die ook elke dag hun schuld nog meerder maken.
Zouden wij ons niet verwonderen, wanneer b.v. een koning zich vernederde, op één lijn ging staan met de geringste en ellendigste van zijn onderdanen om die nog te redden van het verderf?
Zouden wij ons niet verwonderen, wanneer een vriend zich aanbood om in de plaats van zijn vriend te sterven ?
Toch was het dan nog maar een vriend voor zijn vriend, een mens voor zijn medemens.
Maar hier gaf zich de Zoon van God voor mensen, meer nog, hier gaf zich de Heilige voor onheiligen.
Onze bewondering en verwondering moge overgaan in aanbidding, heilige aanbidding, zodat wij in de geest als voor Hem neervallen met de roemtaal des harten: Gij, o Lam Gods, dat neder wilde dalen in de nederste delen der aarde, zijt waardig te ontvangen de lofzegging en aanbidding tot in eeuwigheid.
Het zou nog niet zulk een slechte zielsgestalte zijn op een hemelvaartsdag, te verkeren onder de diepe indruk van de grote vernedering welke de Heiland aanvaardde en doorleefd heeft eer Hij ging naar de plaats der verheerlijking en dat voor zondaren.
Het mag zalig genoemd worden te treuren over de zonde. De ware blijdschap zal toch steeds opkomen uit de rechte droefheid naar God, die een onberouwelijke bekering tot zaligheid werkt.
Het is mogelijk zich zelf wat op te winden en dan met veel beweeg de schoonste liederen uit te zingen. Nu valt van het zingen zelf niets dan goed te vertellen. Op een feest behoort ook een lied.
Gods Woord wekt dienaangaande ook op om samen te komen en de Heere te loven met psalmen, gezangen en geestelijke liederen. Daar komt maar al te weinig van.
Maar daarbij moeten wij ons toch niet door uiterlijk vertoon laten misleiden en denken, dat God met de woorden alleen genoegen neemt. God let in de eerste plaats op het hart. Gods offers zijn een verbroken hart en een verslagen geest. Uit dat verbroken hart kan dan opwellen het lied der dankzegging en aanbidding.
Dat God voor zulke mensen Zijn Zoon wilde geven en die Zoon de diepte van zelfvernedering wilde ingaan, dat kan het hart tot innige dank en blijdschap brengen.
De schrijver van de brief aan de Efeziërs kan ten voorbeeld gesteld. Deze Apostel wist wat het was, door schuldbesef getroffen en verslagen te zijn.
Alleen genade, vrije genade kon hem redden.
Maar toen die genade aan hem, die zich de grootste der zondaren voelde, was verheerlijkt en het Gode behaagde zijn zoon in Hem te openbaren, toen vloeide zijn mond ook over van Gods eer, gelijk een bron zich uit over de velden. Paulus vat het samen in de korte, doch zo veelzeggende uitdrukking: Gode zij dank voor zijn onuitsprekelijke gave. Jezus Christus was voor hem de gave Gods, die nederdalen wilde in de nederste delen der aarde, om hem de diepst gezonkene weer op te halen en zijn ziel van het verderf te redden.
Zo gevoelt hij zich ook gedrongen om daar van te getuigen en met blijdschap van die Zaligmaker te spreken en Hem te roemen. Om Hem te prijzen voor Zijn grote genade, en met oprechte dank aan de lezers voor te houden dat Jezus niet in de diepte bleef, maar ook opgevaren is verre boven alle hemelen om daar Zijn Middelaarswerk voort te zetten.
Daar hebben wij dan ook in de tweede plaats volgens onze tekst op deze hemelvaartsdag op te wijzen.
II. De hoogte waarheen Jezus opvoer.
Jezus Christus is nedergedaald tot in de nederste delen der aarde, maar is daar niet gebleven. Daar mogen wij elkander op deze dag nog aan herinneren. Jezus is niet in de vernedering geëindigd. Het ging daarbij niet als met die Moeder die haar kind in het water na sprong en toen met het kind onderging. De Moeder zag het kind in het water vallen, zij zag het kind zinken in de diepte der wateren. Om het kind te redden sprong ze haar lieveling na en greep het vast. Helaas het vermogen ontbrak haar het kind vast te houden en weer op het droge omhoog te brengen. En Moeder èn kind kwamen om in donkere diepte van de verdrinkingsdood.
Zo ging het met onze Redder uit geestelijke nood, niet. Gelukkig niet. Hij daalde wel af in de diepte, waarin gij en ik, wij allen tezamen verzonken lagen, maar Hij kwam ook weer op ter bepaalder tijd. Dat was nodig. Er zou van geen redding sprake kunnen zijn, als de Zaligmaker in de diepte der vernedering ware gebleven. Dan was het laatste woord nog aan de dood en de hel geweest.
Maar nu. Hij kwam op uit de nederste delen der aarde. Paasfeest ligt nog maar kort achter ons. Toen op die heerlijke Paasmorgen, na Zijn sterven aan het kruis, herrees de machtige Jacobs uit de donkere diepte des doods. Het duistere graf werd ontsloten en de Levensvorst kwam op.
Deze opstanding was de eerste schrede op de weg der verhoging. Op de opstanding volgt de hemelvaart. De hemelvaart moet volgen. Jezus wijst er zelf op in het gesprek met Maria Magdalena. Ik vare op tot Mijne Vader en uwe Vader. De hemel moet Hem ontvangen tot de tijden, die de Vader tevoren in Zijn eigene hand gesteld heeft.
Dezelfde Jezus, die nederkwam, is ook weer opgevaren. Het was niet een andere Heiland, niet een andere Borg. Neen. Zo lezen wij hier: die nedergedaald is, is ook dezelfde die opgevaren is. Dus evenzo, die opgevaren is, is ook dezelfde, die nedergedaald is. De hemelvaart is maar niet een schijnvertoning geweest. Is ook maar niet een visioen van de discipelen geweest. Neen en nogmaals neen! Het is alles werkelijkheid en feitelijkheid. Het is zelfs zo, dat aan Thomas de tekenen van de kruisdood konden worden getoond. De handen waren doorboord, de zijde vertoonde de opening
van de speerstoot. En bij de hemelvaart zagen Zijn discipelen hun Heiland en hoorden Zijn stem.
Dus geheel dezelfde.
Wel was er dit onderscheid, dat het lichaam van Christus een verheerlijkt lichaam was. Een sterfelijk lichaam had Hij, voor Hij in het graf ging, met een onsterfelijk lichaam stond Hij op om ter bestemder tijd ten hemel te gaan. Een geestelijk lichaam was het, d.w.z. een lichaam, dat geheel beheerst werd door de Geest.
Met dit geestelijke lichaam is Jezus op de veertigste dag na Zijn opstanding met Zijn discipelen naar de Olijfberg gegaan om van daar op te varen ver boven alle de hemelen volgens de bewoording van de Apostel Paulus.
Gij weet de geschiedenis. Jezus nam Zijn jongeren mee voor een laatste samenzijn. Op de berg aangekomen, gaat Hij eerst nog onderwijzen. De Heiland blijft de Leermeester, zolang Hij is bij Zijn discipelen.
Hij is en blijft ook nu nog de grote Leraar Zijner kerk, die ons de weg des levens bekend maakt.
Hij verordende Zijn discipelen te blijven binnen Jeruzalem, totdat zij zouden aangedaan zijn met kracht uit de hoogte. Hij vermaant nog altijd te gaan in de weg, welke Hij aanwijst. Gaande in geloofsgehoorzaamheid aan Zijn Woord en leiding zullen de zegeningen van het verheerlijkt Hoofd het deel worden van de leden van Zijn lichaam.
Dan, als Hij Zijn discipelen aldus hun roeping en verplichting heeft aangewezen en tevens vertroostte met de verzekering dat Hij altijd met hen zal wezen, werd Hij opgenomen daar zij het zagen en een wolk nam Hem weg van hun ogen.
Hij voer ten hemel op vol eer
De kerker werd zijn buit o Heer.
Hij is opgevaren verre boven al de hemelen. Dit wil begrijpelijk niet zeggen, dat Jezus nog boven de eigenlijke hemel is uitgegaan.
Wij moeten dergelijke uitdrukkingen niet al te letterlijk nemen.
Het gaat er hier slechts om een sterke indruk te geven van de grote verhoging welke het deel is geworden van de verheerlijkte Borg en Zaligmaker Jezus Christus.
Wilt, ge het letterlijk opnemen, dan zoudt ge hier nog denken kunnen aan de bekende onderscheiding, welke wel gemaakt wordt tussen wolkenhemel, sterrenhemel en hemel der hemelen. Zo spreekt Paulus ergens er over dat hij opgetrokken is geweest tot in de derde hemel. De Heere Jezus is dan opgevaren naar dien derde hemel, de hemel der hemelen.
Maar hoe ook opgevat, dit is duidelijk, dat deze uitdrukking 'bedoelt de hoge ereplaats aan te geven, welke de verhoogde Middelaar gegeven werd.
Verre boven de hemelen is de tegenstelling van de nederste delen der aarde. Welnu waar met de nederste delen der aarde, gewezen wordt op de diepte van ellende en lijden, waarin de Zoon des Vaders zich wilde geven, daar wordt met de woorden : verre boven de hemelen aangegeven de majesteit en glorie welke het deel werd van de Christus Gods.
Zo diep Hij werd vernederd, zo hoog werd Hij verheven.
Op deze dag gedenken wij, hoe de Zaligmaker verhoogd werd aan de rechterhand Gods des Vaders. God heeft Hem een naam gegeven boven alle naam in de hemel en op de aarde.
Stefanus heeft Hem eens gezien, staande aan de rechterhand Gods. Toen deze martelaar en getuige voor de zaak van Jezus Christus neerviel onder de dodende stenen, verhelderde de Heere zijn geloofsblik, zodat hij aanschouwde de glorie van zijn Heiland, die daar stond om Zijn verdrukte kerk bij te staan in alle leed en smart en ze ter bestemder tijd thuis te halen, waar geen vijand treffen kan en God alle tranen van de ogen af zal wissen.
O, wat zal het in Stefanus' ziel gewekt hebben een heimwee, een sterk verlangen om bij die Heiland te zijn, die daar als Koning triomfeerde, en om dan met dien Koning verheerlijkt te worden.
Moge het ook ons deel zijn op deze dag en ook bij wat ons in de toekomst nog wedervaren zal, opgeleid te worden tot die verhoogde Heiland en Zaligmaker die het zaligst lot, ver boven alle goón kan schenken.
Al is het dan niet in die mate en onder zulke omstandigheden, als het met Stefanus het geval was, als ons oog opgeheven mag worden en wij door het geloof, hetwelk toch een vaste grond der dingen is, die men hoopt, weten mogen, niet alleen dat de Heiland is opgevaren, maar ook dat Hij onze Heiland, mijn Heiland is, wel dan zullen ook wij verstaan, iets doorvoelen van de blijdschap, welke het deel is, van allen, die een gezicht kregen op Hem van wie Gods Woord verzekert: Die nedergedaald is, is Dezelfde ook, Die opgevaren is verre boven de hemelen.
Het is dezelfde Jezus in liefde, die het land doorging goed en goeddoende, die bedroefden troostte, die armen het evangelie verkondigde en zelfs doden deed herleven.
Het is dezelfde Jezus ook in genade, die het zeggen kan: Mijn zoon, Mijn dochter wees welgemoed, uw zonden zijn u vergeven. Dit laatste is wel het heerlijkste. Die zonden maken toch scheiding tussen God en de ziel, die zonden moeten weg, zullen wij eens zonder verschrikken voor Gods rechterstoel kunnen verschijnen. Die, zonden kunnen alleen weg door het plaatsbekledend werk van Jezus Christus, van wie de kerk mag belijden: gestorven voor onze zonden en opgewekt tot onze rechtvaardiging en die dat volk ten goede ging naar de rechterhand des hemelsen Vader en die ook voor hen bidt.
Dit is het ook, waar in de brief aan de Efeziërs zo met nadruk op gewezen wordt als het heerlijk doel, waartoe Jezus Christus opgevaren is, omschreven in deze woorden: opdat Hij alle dingen vervullen zoude. 'Dit is volgens onze derde gedachte :
III. Het heil, dat Jezus uitwerkt.
Alle dingen vervullen, dit kan bedoelen, dat Hij al de woorden Gods, al de beloften tot zaligheid gegeven tot heil van een in zichzelf arm en verloren volk, tot vervulling, tot werkelijkheid zal brengen.
Jezus Christus ging naar de hemel om de Vader voor te houden het volbrachte werk op aarde en dit voort te zetten in de hemel en van de Vader te vragen dat degenen voor wie Hij nederdaalde maar ook weer opgevaren is, ook eens zijn zullen waar Hij zelf is.
Hij ging heen om Zijn volk, dat hier op aarde gast en vreemdeling is, plaats te bereiden in het huis des Vaders met zijn vele woningen. Dat heeft Hij belooft en Hij vervult het. Er zal niet één woord onvervuld op de aarde vallen van al de goede woorden die Hij gesproken heeft, het zal al te maal komen. Jezus Christus is in de hemel opgenomen, opdat Hij alle dingen, dus ook de woorden Gods, waarop een kerk in druk leert hopen, vervullen zoude, en zij eens daarboven, verlost van zorg en pijn, zonden en schuld, God eeuwig loven zullen.
Maar dit niet alleen. Hij is ook in de hemel opdat Hij die kerk hier op aarde dadelijk en elk ogenblik Zijn Geest en Zijn gaven zal geven, zodat bij dit vers aangetekend kan worden: „dat Christus al de leden Zijner gemeente vervult, door Zijn Geest en gaven, waarop Hij in vers acht doelt." De verhoogde Heiland is Zijn kerk hier op aarde, ook voor hun aardse leven, ten goede in de hemel.
Hij is er als de profeet, die van uit de hemel door Zijn Woord en Geest Zijn kerk in haar geheel, maar ook elk levend lid, dat waarlijk uit Hem leert leven, in het bizonder onderwijst. Het onderwijs, dat Hij tot aan Zijn hemelvaart Zijn discipelen gaf, is niet beëindigd. Hij gaat altijd door met Zijn leer, vermaan, waarschuwing, inleiding en opleiding tot de God der waarheid.
Wij weten niet hoe wij onze weg zullen richten. Wat gaat onze weg vaak in raadselen en door duisternis heen. Schijnt onze weg soms niet hopeloos vast te lopen?
Jezus Christus in de hemel is de profeet. Als ge niet weet, her- of derwaarts te gaan, o pelgrim hier beneden, zie opwaarts naar de hemel, daar is de profeet, die u de rechte weg kan leren, en dan maar veel gevraagd. Leer mij o Heer de weg door U bepaald. Hij kan u van stap tot stap voortleiden, zodat ge niet alleen ziet hoe gij hebt te gaan, doch Hij kan tegelijk ook zo inwerken in uw ziel door Zijn Woord en Geest, dat ge ingewonnen wordt om met lijdzaamheid de loopbaan te lopen achter de overste Leidsman en Voleinder des geloofs aan. Dan is het: Gij hebt mij overreed en ik ben overreed geworden.
Hij is ook als de Hogepriester werkzaam in de hemel der heerlijkheid. Ook daartoe verhoogd, opdat Hij Zijn zegen over Zijn volk zou verspreiden. Zegenend ging Hij naar de hemel. Hij breidde Zijn handen uit over Zijn jongeren toen Hij hen voor een laatste samenzijn op aarde, op de Olijfberg rondom zich had vergaderd, en Zijn laatste bevelen had gegeven en hen getroost had met de belofte des Heiligen Geestes.
Profetie, belofte voor alle tijden en omstandigheden. Want zo is en blijft Hij. Als de zegenende Hogepriester is Hij werkzaam aan de rechterhand Gods. Hij heeft zichzelf als het ware Paaslam ten offer gegeven. Hij heeft daardoor de reinigmaking der zonden voor de uitverkorenen teweeggebracht en is daarna gezeten aan de rechterhand van de majesteit Gods om op grond van dit Borgwerk te bidden tot de Vader aller genade. Hij bidt daar, Hij pleit daar. Hij ging in met Zijn eigen bloed. Hij kan het de Vader voorhouden.
De aardse hogepriesters moesten eenmaal 's jaars ingaan met het bloed van stieren en bokken. Zonder dit bloed mochten ze, konden ze niet voor God verschijnen. Maar dit bloed zou geen betekenis hebben gehad, als het niet was heenwijzing naar het bloed der verzoening waarmee Christus is ingegaan in het binnenste heiligdom, ingegaan in de hoogste hemel voor het aangezicht des hogen Gods.
Hij bidt tot de Vader.
Gods meest begenadigde kinderen weten veelszins niet te bidden, gelijk het behoort. Zij kunnen de rechte woorden niet vinden. Zij kunnen, al zouden zij de woorden nog vinden, het hart maar niet mee krijgen in het bidden. Wij weten niet te bidden gelijk het behoort Er is niets, waarin onze zwakheid en ellende meer in uitkomt, dan juist in het gebed. O, dat harde, dat ongevoelige hart.
Maar dan: als ge niet bidden kunt, als ge geen behoefte gevoelt, geen drang ontwaart, misschien nog de vorm wel aanhoudt, maar toch uzelf aanklagen moet, omdat het zo koud is, zo harteloos en ongevoelig, o bedenk dat er een hogepriester naar de hemel is gegaan. Hij is eerst nedergedaald in onze ellende, is nu een hogepriester, die medelijden kan hebben met al onze zwakheden. Zijn gebed kan door God aangehoord worden. Meer nog, zal ook door God verhoord worden, want God heeft Hem de toezegging gedaan: eis van Mij en Ik zal U geven. Zulk een hogepriester betaamde ons, heilig, onnozel, onbesmet afgescheiden van de zondaren en hoger dan de hemelen geworden.
Opgevaren ten hemel opdat Hij alle dingen vervullen zoude.
Hij is er ook als de Koning, door wie God alle dingen regeert en bestuurt. Hem is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde. Die Koning zorgt voor Zijn volk. Hij leidt alles zelfs zo, dat Paulus op een andere plaats kon neerschrijven, dat degenen, die God liefhebben, alle dingen zullen medewerken ten goede.
Alle dingen, dus zowel de blijde als de droeve dingen. Zowel de voorspoed als de tegenspoed. Alle dingen zijn in Zijn hand en Hij doet met het heir des hemels en met de inwoneren der aarde naar Zijn vrijmachtig welbehagen. .
Hier op aarde zucht een onderdaan van Koning Jezus wel eens: Mijn weg is voor de Heere verborgen en mijn recht gaat aan mijn God voorbij. Het is menigmaal hemelvaartsfeest met een gedrukt gemoed, en met veel zorg in het hart, omdat de vrees bekruipt dat Satan en zonde nog eens de overhand zullen krijgen.
Echter dit is vergissing ; dit komt omdat het oog te veel naar beneden is gericht. Dit komt, omdat wij óf vooruit zien, óf achteruit zien, óf op zij zien en vergeten omhoog te zien. Als wij maar echt gelovig naar boven zagen, zouden wij het wel anders zeggen.
Zou de Heere niet gedenken de Zijnen, waar Hij Zijn leven voor heeft gegeven ? Dit moet toch wel! Dat wij dan ook op deze dag en in de toekomst omhoog zien naar de Koning in Wiens hand de Vader alle dingen heeft gesteld, en die opgevaren is verre boven alle hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zoude.
Feitelijk is er maar een zaak, die wij volstrekt nodig hebben en waar ons ganse wezen wel op gericht mocht wezen. Dat is: door het levende geloof in ware geestelijke gemeenschap te staan met deze verhoogde Middelaar Gods en der mensen. Als Hij onze profeet, onze priester, onze Koning is en wij daaruit mogen leven, wel dan kan toch niets ons deren ?
In onze geestelijke noden zal die verhoogde, die rijke zaligmaker dan wel voorzien. God heeft Hem de Geest gegeven niet met mate en die Geest wil Hij meedelen aan ieder die behoort bij Zijn kudde. Die Geest beloofde Hij Zijn discipelen voor Zijn Hemelvaart. Enkele dagen later op Pinksterfeest werd de belofte al vervuld. Wij hopen het te gedenken in de wetenschap dat die Geest zal blijven, dus niet weer teruggenomen wordt. Door de Geest kan het rapport gelegd tussen de verhoogde Heiland en Zijn behoeftig volk op aarde. Niemand kan zeggen Jezus de Heere te zijn, dan door die Geest. Maar waar die Geest inkomt daar neemt Hij het ook uit Christus en verkondigt het aan dat volk, dat ontledigd wordt, steeds armer gemaakt, om de zaligheid en het leven buiten zich in Jezus Christus te zoeken. Die Geest leidt in alle waarheid en dat doet de zaligheid genieten.
Ook zelfs in onze lichamelijke behoeften kan en wil de verhoogde Heiland ons ten zegen zijn. Door Hem kan de God aller genade ook in al onze nooddruft voorzien naar de rijkdom Zijner genade. Laat,
in de naam van Jezus Christus, al uw begeerten in bidden en smeken met dankzegging bekend worden bij God.
Wij mogen alles aan Hem voorleggen en hoe het ook moge tegenlopen. Gestadig op Zijn goedheid hopen.
Als wij het zo zien, en zo mogen wij het toch zien, dan moeten wij het wel toestemmen dat het zelfs nuttig is, dat Jezus van ons is heengegaan.
Bij oppervlakkig aanvoelen zouden wij geneigd kunnen zijn te denken, dat het verlies werd, toen Jezus van de aarde opgenomen werd en ten hemel voer. Het is zelfs wel gezegd: Och ware Jezus nog op aarde: aanstonds vloog ik naar Hem heen.
't Is enigermate te begrijpen: Bij de vele moeiten, bij de onnaspeurlijke raadselen, waarin wij mogelijk verward zitten, zouden wij alles met Jezus willen bespreken. In het gevoel van eenzaamheid en verlatenheid zouden wij mogelijk aan Zijn voeten willen zitten en bij Hem schuilen.
Maar dat al die benauwden van hart, al die eenzamen en verlatenen toch bedenken, dat Jezus in de hemel meer is dan Jezus op aarde. Hoewel Hij verre boven de hemelen is opgevaren, is Hij met Zijn Godheid, majesteit, genade en Geest altijd door op de aarde, opdat Hij bedroefden troosten, eenzamen toespreken zal door Zijn Geest en Woord, opdat Hij alle dingen vervullen zou, niet alleen in de hemel, maar ook op de aarde. Hij maakt het waar: Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Hij woont in de hoogte en in het verhevene en bij dien, die van een verbrijzelde en nederige Geest is.
Hij is in de hemel bij God om daar in orde te maken wat nodig is om eens een plaats in die heerlijkheid te kunnen ontvangen.
Hij is op aarde om Zijn discipelen van dag tot dag en in elke omstandigheid nabij te zijn en te verzorgen.
Gelukkig volk dat zo aan die Heiland mag denken, Hem zo door Goddelijke bearbeiding leert kennen en zich met een waar geloof zich aan Hem mag toevertrouwen. Die mag met de kerk van alle eeuwen aanheffen ook op deze hemelvaartsdag wat Asaf reeds zong volgens Psalm 73 : 13 :
Wien heb ik nevens U omhoog,
Zo zult Gij zijn voor mijn gemoed
Mijn Rots, mijn deel, mijn eeuwig goed.
Verre boven alle hemelen is Hij verheven, opdat Hij alle dingen vervullen zoude.
Op deze hemelvaartsdag roept het Woord van God ons op, om onze harten tot Hem op te heffen en in Hem ons heil, ons hoogst geluk te zoeken.
Helaas, dat deze stem zo weinig verstaan wordt. Vooreerst is er al de grote massa welke op deze dag geen ogenblik aan wat anders of hogers denkt dan aan plezier en aards genot. Dagen tevoren al toebereidselen gemaakt, niet voor geoorloofde genoegens, doch voor allerlei uitspatting en ongerechtigheid.
Feestdagen zijn heerlijke dagen, maar tevens gevaarlijke dagen. Dagen waarop de Heere met Zijn Woord en Geest werkt, maar ook de duivel bizonder werkzaam is, om de zielen te verleiden. Jongen en ouden, maar niet het minst de jeugd, tracht die Satan van het rechte spoor af te voeren en mee te lokken op de paden des verderfs.
God beware ons en onze jonge mensen voor de zonde die ons zo lichtelijk omringt, ook met name op een feestdag.
Dan nog, al blijven wij door Gods goedheid in algemene zin bij de koers en luisteren wij naar Gods stem en woord, daarmee zijn wij nog niet boven het stof uit. Wij zijn zo aards en aards gezind. Het is met alle krachtsinspanning ons niet mogelijk om onze gedachten in hogere richting te krijgen. Juist als wij er ons toe zetten is het vaak, alsof alles de tegenovergestelde kant uittrekt. Hoe kleeft mijn ziel aan 't stof, ai zie mijn nood. Als het dan nog maar waarlijk nood is. Het kan ook zo koud en ongevoelig geconstateerd worden. Evenwel, al is het onze nood en zouden wij het graag anders hebben, de werkelijkheid is toch maar niet anders.
Daarom is zo nodig het oog naar omhoog te heffen naar Hem, die opgevaren is verre boven alle hemelen en te vragen of Hij ons door Zijn Geest en genade op wil trekken tot Hem. Hij kan de banden aan de aarde, zelfs aan de zonde breken, en onze wandel in de hemel maken vanwaar wij dan onze Zaligmaker mogen verwachten.
Ook degenen, die eens uit deze tegenwoordige boze wereld werden getrokken en overgebracht in het Koninkrijk van Gods liefde, hebben nog steeds nodig door de verhoogde Heiland bediend te worden met de Geest der genade en der gebeden. Er moeten steeds nog tegenstanden overwonnen worden; het lichaam der zonde wil niet mee. Maar de verhoogde Heiland is machtig om ze tot zich te trekken, die hier het leven op aarde en in de dingen van de aarde niet vinden kunnen. Zo zullen zij door Gods kracht Hem dienen, voor Hem leven en betrachten de verplichting welke de Heere Zijn volk oplegt. Indien gij met Christus opgewekt zijt, zo bedenk de dingen die boven zijn, waar Christus is zittende aan de rechterhand Gods, en niet die op de aarde zijn.
Dit wil nu niet bepaald zeggen, dat wij ons met een boekje in een hoekje zullen terugtrekken. Neen, Paulus wijst een weg die uitnemender is. Hij bidt de Efeziërs toe en wekt er hen toe op in het begin van het hoofdstuk, dat zij wandelen mogen waardiglijk de roeping met welke zij geroepen zijn.
Wandelen, dat houdt in, voor ieders oor en oog zich bewegen. Leven in overeenstemming met de Goddelijke roeping. Leven als mensen, die hun burgerschap, hun staat, hun domicilie reeds in de hemel hebben, waarheen Jezus is heengegaan.
Daartoe is nodig in geestelijk contact te staan met de verhoogde Middelaar en Zaligmaker.
Alleen, als door een levend werkzaam geloof uit Hem de genade Gods ons toevloeit in zalige bediening des Geestes, zullen wij ook werkelijk uit Hem en voor Hem leven. De Heiland heeft dit wel verduidelijkt in het beeld van een wijnstok, welks ranken alleen vrucht kunnen geven als zij waarlijk echt en levend uit de stam worden bediend.
Een dode tak kan nog wel ogenschijnlijk aan de stam verbonden zijn. Er is ook een uiterlijke relatie. Maar er vloeien geen levenssappen uit de stam en die dode tak kan zo geen vruchten voort- brengen. Ge zoudt er nog een mooie vrucht aan vast kunnen binden, maar die is toch niet uit de stam geworden en gevoed. Het kan een prachtige siervrucht zijn, er zit echter geen leven in.
Hoeveel dode takken zullen er nu ook in de gemeente des Heeren zijn ? Mensen die er zich op zouden beroemen, dat ze toch niet los van de verhoogde Heiland staan. Die ook Hemelvaartsfeest vieren en luide zingen van Hem die opgevaren is tot in de hemel om alle dingen te vervullen. Echter er komt geen levende vrucht openbaar waardoor de band aan de aarde losser wordt en het hart steeds meer op Christus en Zijn plaatsbekledend borgwerk wordt ingesteld.
De levende takken evenwel leren steeds meer uit Jezus Christus leven. Zij gaan goed verstaan, dat zij van zichzelf niets hebben of zijn. Al maar armer en lediger leren zij de inhoud verstaan van het Woord: Uw vrucht wordt uit Mij gevonden. Niets uit hen en het al uit Hem, zo reizen zij naar het hemels Jeruzalem dat boven is.
Elk hemelvaartsfeest brengt hen een schrede dichter tot dit land, waar hun Hoofd en. Koning is, hun ten goede. Het verlangen komt wel eens op altijd bij Hem te zijn, verheven boven de strijd van dit leven of meer nog verlost van de zonde, altijd Hem te dienen naar de lust van hun hart. Eens zal dit vervuld worden, want die Koning heeft gezegd: Eens zal Ik hen alle tot Mij trekken en zij zullen zijn waar Ik ben.
Nog een weinig tijd geleden, en gebeden en gestreden en op Jezus Christus gesteund.
Daarbij de gedachte aan die zalige toekomst kan ook nog kracht geven om hier op aarde met lijdzaamheid de loopbaan te lopen achter de Overste Leidsman en Voleinder des geloofs Jezus Christus. Deze zelf heeft om de heerlijkheid Hem voorgesteld het kruis verdragen en de schande veracht. Dus onder al het lijden door stond de Zaligmaker de toekomstige heerlijkheid voor de geest. Het deed Hem het kruis verdragen, het lijden trotseren, de strijd ten einde toe strijden tot Hij kon zeggen: Het is volbracht, om zo door dood en graf en opstanding heen de plaats aan Gods rechterhand in te nemen.
Zo mag en kan ook de heerlijkheid, die wacht, Gods kinderen voor aandacht staan bij al de strijd en het lijden dat doorworsteld
moet worden.
Met lijdzaamheid lopen. Niet steunen op eigen kracht of wijsheid. Ook niet teveel naar de wereld zien en niet nijdig worden als de goddelozen voorspoed hebben en zelve elke morgen de kastijding moet gevoeld. De grote Leidsman is ook de wijze opvoeder, die wel weet hoe licht Zijn volgelingen de pennen weer te vast in de aarde slaan: Hij rukt ze er wel eens met een ruk weer uit. Laat Hem besturen, waken. 't Is wijsheid wat Hij doet. Wandel maar stillekens achter Hem aan, en vertrouw dat Hij, die in de hemel is, ook alle dingen vervullen zal die gij hier op aarde nodig hebt. Dan zal de verhoogde Zaligmaker het zo maken, dat ge u verwonderen moet en als eens de loopbaan is gelopen en de strijd volstreden, zal u de kroon des levens niet ontgaan.
Amen.
Mei 1954