WATEREN DES LEVENS
Predikatie over Johannes 7 : 37b
Door: Ds. E. VENEMA
Psalm 63:1
Wet des Heeren
Lezen Joh. 7:37-53
Psalm 42: 1 en 7
Psalm 119: 88
Psalm 84: 3
Eén van de meest bewogen ogenblikken uit het leven van koning David is wel geweest toen hij op één van zijn zwerftochten vlak bij de muren van zijn geboorteplaats gelegerd was. En ziedaar, als hij dan in het gezicht van Bethlehem nederligt, dan wordt zijn ziel tot in het diepst ontroerd. Dat is nu zijn stad, waar hij zo veel doorleefd heeft, de stad waar hij zelfs tot koning gezalfd is. En zie, nu mag hij als de gezalfde des Heeren niet in deze stad komen, omdat ze bezet is door de vijanden. Hoe pijnlijk moet dit voor hem geweest zijn. Het verwekt in zijn hart een intens verlangen; hij krijgt dorst naar het koele water uit Bethlehems bornput. Ja, zo groot wordt die begeerte, dat hij het vol heimwee uitroept: „Wie zal mij water te drinken geven uit Bethlehems bornput?"
En wat gebeurt? Nauwelijks heeft hij deze begeerte uitgesproken, of daar maken zich drie van zijn helden op om aan Davids verlangen te voldoen. En zonder dat David het weet, gaan ze in de stilte heen en breken door de stellingen van de vijand. Ja, met het gevaar van eigen leven komen ze bij de bornput van Bethlehem en putten het heerlijke, verfrissende water.
En straks keren ze terug bij hun koning, die nog steeds verlangt naar dat water. Maar als hij dan dat water ziet, en hoort wat dat gekost heeft om het te verkrijgen, dan wenst hij het niet meer te drinken. Hij giet het uit voor hun aangezicht, omdat het met het bloed van zijn lieve vrienden verworven is.
Dan liever versmachten van dorst, dan het bloed van zijn helden te drinken.
Wel geliefden, als dit dan zo groot is, hoe groot moet dat dan niet zijn, als ik door genade bepaald mag worden bij het water van Bethlehems Bornput? Bij de dierbare weldaden, die verworven zijn door de gezegende Heere Jezus Christus?
O geliefden, voor dat water is Hij doorgebroken door al de onmogelijkheden; daar heeft Hij strijd gevoerd met al de vijanden, die Gods kind belagen. En daar heeft Hij met de dure prijs van Zijn leven dat levende water betaald.
Zalig dan die mens, die nu met een David mag uitroepen in het heimwee des harten: „Wie zal mij water te drinken geven uit Bethiehems Bornput?" Ziedaar, Hij roept het zulke smachtende zielen toe: „Zo iemand dorst, die kome tot Mij. En die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen".
Welnu, geliefden, over dat levende water wensen we een ogenblik te mediteren.
Ge kunt daartoe onze tekst vinden in Johannes 7 : 37b: Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke.
Onze tekst bepaalt ons bij de volgende gedachte: Christus' nodiging tot de wateren des levens.
I. De dorst naar dat water;
II. de bron van dat water;
III. het drinken uit dat water.
I.
De dorst naar dat water.
Daar is niemand onder ons, die weet wat dorst is. Want al hebben we nog zo gesmacht naar water, er stonden ons vele middelen ten dienste om die ondragelijke dorst te lessen. Maar neem nu een oosterse karavaanreiziger, die dagen lang door de hete zandwoestijn trekt, zonder één droppel water. Nergens in de wijde omtrek is ook maar enige lafenis te verkrijgen. Zo ver zijn oog speurt, zo ver ziet hij niet anders dan een dorre vlakte, waar zelfs niet één struik ,gevonden wordt, die hem enige beschutting kan bieden tegen de felle middagzon. En hoe verder hij voortzwoegt door deze dorre wildernis, hoe onmogelijker het wordt. Want al heter wordt het zand onder zijn voeten en al ondragelijker wordt de kwellende dorst.
En straks klaagt hij het uit: Water, o wie zal mij een droppel water kunnen geven? Zo iemand zou alles over hebben voor één beker koud water. Hier denk ik een ogenblik met u aan de geschiedenis van Hagar, die met haar zoon door de woestijn zwerft. Als in gedachten ziet ge hen beiden gaan, terwijl Ismaël telkens weer zijn moeder vastgrijpt en bedelt om water. Hoe snijdt dat woord door haar tere moederziel, en tenslotte is ze radeloos van smart. Ze legt haar jongen onder een struik; zelf vlucht ze weg, omdat ze het niet langer kan verdragen. Ziet, geliefden, dat is pas dorst; als we daar op letten, dan hebben wij nog nooit dorst geleden.
Maar wilt ge nu in de allerdiepste zin van het woord weten wat dorst is? Ga dan een ogenblik mee naar de heuvel Golgotha, alwaar de Zoon van God tussen hemel en aarde het allerzwaarste van Zijn lijden doorworstelt. Dat is nu de Bornput van Bethlehem, uit Wiens zijde straks het levende water zal vloeien. En Hij versmacht van dorst.
O, wie zal dat dorstlijden van Hem kunnen peilen, terwijl al wat deze aarde voortbrengt het Zijne is. Ja, terwijl Hij doorgebroken is tot de Fontein van het water, daar mag Hij er Zelf niet van drinken.
Hoe dierbaar is Hij hier als de dorstende Borg en Middelaar, Die nu een dorstend volk oproept tot de levende wateren, die Hij Zelf verworven heeft. Hier past het woord, hetwelk Hij eenmaal tot de Samaritaanse vrouw gesproken heeft: „Indien gij de gave Gods kendet, en Wie Hij is, Die tot u zegt: Geef mij te drinken, zo zoudt ge van Hem hebben begeerd, en Hij zou u levend water gegeven hebben".
Inderdaad, geliefden, als we Hem enigermate zouden kennen, wat zouden we naar Hem dorsten!
En wat wil dat nu zeggen, als er in onze tekst sprake is van dorsten?
U begrijpt natuurlijk: hiermee wordt een geestelijke behoefte aangeduid. Dorst hebben, wil eigenlijk zeggen: gebrek hebben aan het allernoodzakelijkste. En wat is nu het allernoodzakelijkste in ons leven?
Ik lees in Gods Woord: „Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige en waarachtige God, en Jezus Christus, Die Gij gezonden hebt". Dat is noodzakelijker dan alles wat deze wereld biedt. Noodzakelijker zelfs dan eten en drinken. Maar weet ge wat nu zo erg is? In plaats dat we nu dorsten naar Hem, Die gezegd heeft: „Wie Mij vindt, die vindt het leven", daar dorsten wij van nature naar andere bronnen. Dat komt omdat we door onze diepe val de enige Bron zijn kwijt geraakt, en in plaats daarvan heeft een ieder onzer zich bakken uitgehouwen, die geen water kunnen bevatten.
Want een ieder onzer wordt gekweld door dorst, maar we zoeken het op een verkeerde wijze te lessen.
En dan gaat de één naar de bron der wereld en laaft zich aan de zonde, en een ander drinkt uit de bron der godsdienst en is daarmede tevreden.
Maar hoe meer we er nu uit drinken, hoe meer we gekweld worden door dorst. Het is er net mee als met een drenkeling, die zich vastklemt aan een vlot, waar hij tenslotte op voortgedreven wordt over de eindeloze vlakte der zee. Maar zie, straks wordt hij gekweld door dorst. En dan is dit het meest kwellende: Onder zich hoort hij het water klotsen tegen het vlot, en dat maakt hem tenslotte radeloos; daar is water, maar hij kan het niet drinken. En dan buigt hij zich straks voorover en hij zwelgt dat brakke water naar binnen, en hij drinkt net zo lang tot hij niet meer kan. En dan.... dan walgt hij dat zoute water weer uit en de dorst begint opnieuw, en nu nog erger dan voorheen.
Dat is nu mijn beeld geliefden, als ik mijn natuurstaat uitleef. Vreselijk, en als God me er niet voor bewaart, dan sterf ik straks met de wateren der zonde nog op mijn lippen. Mijn jonge mensen, laat me u waarschuwen. De zondewateren zijn toch zo verleidelijk. Maar het einde is zo erg. Denkt aan Simson, wat het hem gekost heeft! Weest gewaarschuwd, want het kost u straks meer. Als ik u bidden mag, waagt er uw kostelijke zielen toch niet aan. Hoort hoe Christus met de diepste bewegingen van Zijn tere Middelaarsziel u nodigt: „Waartoe weegt ge toch geld uit voor hetgeen niet verzadigen kan? Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke".
En zalig die mens, die nu iets mag leren van die ware dorst. O"' zeker, het zijn smartelijke uren, die er dan gekend worden; maar niettemin, het is zeer noodzakelijk om te leren.
Want zie, dan komt er in de eerste plaats iets in dat hart te liggen, hetwelk er nog nooit gevonden is.
Die mens krijgt een onuitsprekelijke begeerte naar God, Die hij eigenlijk niet kent. Hij wordt gewaar, dat hij God kwijt is. En wat dat betekent voor zulk een ontdekt mens, dat is onder geen woorden te brengen. Tot een God te roepen, Die zwijgt; te bidden tot Hem, en geen antwoord te ontvangen. O, dan kan dat verlangen zo groot worden, zodat die mens met David het uitsnikt: „Wie zal mij nu water te drinken geven uit Bethlehems Bornput?"
Ik denk hier aan David zelf, als hij ver van vader en moeder over de bergen voortzwerft en bovenal Gods gemeenschap komt te missen. Dan acht hij een ieder gelukkiger dan zichzelf. En dan vindt hij straks zijn beeld in dat hijgende hert, dat de jacht ontkomen is en dat daar nu dorstende staat boven het water, waar hij niet bij kan komen. En zoals nu dat hert schreeuwt naar water, zo schreit Davids ziel naar Gods gemeenschap.
En nu gaat het zulk een mens net eender als die woestijnreiziger, die gebrek aan water heeft. Hoe meer hij het mist, hoe meer waarde hij er in ziet. Welnu, geliefden, nooit heeft een mens meer in God gezien dan toen hij in het schreiende gemis zijn weg moest gaan.
Al heeft hij nooit van de deugden Gods gehoord, nochtans heeft hij zeer grote en liefelijke gedachten van de Heere. Hij acht een ieder mens gelukkig, die door de Heere bekeerd is. En hij zou er alles voor over hebben, als hij dat mocht weten: „Ik ben wel ellendig en nooddruftig, maar de Heere denkt aan mij".
Ja,ofschoon hij alles mist en nergens recht op heeft, kunt u zulk een mens in de nacht der ontdekking horen zingen:
Wie heb ik nevens U omhoog?
Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog
Op aarde nevens U toch lusten?
En de begeerte wordt al sterker als ge het hem hoort uitsnikken:
Zo zult Gij zijn voor mijn gemoed:
Mijn Rots, mijn Deel, mijn eeuwig Goed.
Ja wat zeg ik, al gevoelt hij zich het allerongelukkigste wezen hier op de aarde en al moet hij het erkennen, dat de Heere hem geen onrecht zou doen als Hij hem voor eeuwig zou voorbij gaan, nochtans mag hij met Job wel eens getuigen: „Al doodde mij de Heere, nochtans zal ik op Hem hopen". Zelfs al stoot de Heere hem bij ogenblikken af, als de Kananese vrouw blijft hij aanhouden: „Ja Heere, ik ben het waardig, dat U nooit meer naar mij omziet, maar de hondekens eten toch ook van de kruimkens, die daar onder de tafel vallen?"
Gelukkig dat volk, dat alzo de Heere achteraan mag kleven. Al gevoelen ze zich dan diep ongelukkig, toch zouden ze niet willen ruilen met het geluk van de wereld. Want ze weten, dat de wereld voorbij gaat met al haar begeerlijkheden, en dat één druppel water uit de Fontein des levens genoegzaam is voor tijd en eeuwigheid beide. En daarom blijven ze net zo lang wenen totdat de Heere verhoring schenkt.
Maar daar is meer. Straks dan komt er in het leven van dat volk een tijd, dat niet alleen meer dorsten naar God, maar ook naar Christus. Dan worden ze gewaar, dat ze niet alleen God missen, maar dat ze die dierbare Borg niet kennen.
En als Gods kind ooit ongelukkig geweest is, dan zeker in dat gemis; vooral dan als de schoonheid en de beminnelijkheid van die volzalige Middelaar gepredikt wordt. Dan is het alsof alles in het hart weent: Dat ik Hem toch moge kennen! Hoe kunnen ze dorsten naar Zijn gerechtigheid; daar achter te mogen schuilen met al die vuile zonden. Zeker, dan durven ze niet te ontkennen, dat er wel eens wat gebeurd is, maar dat ene, ziet u, dat missen ze! En daarom dorsten ze met de dichter van de oudheid:
Welzalig is de mens, die 't mag gebeuren,
Dat God naar recht hem niet wil schuldig keuren.
Weer een andere keer missen ze zo de vrede, die in Hem alleen te vinden is. En dan is het: „Mijn ziel, die naar de vrede haakt". O, wat een dorst als ze dan weten, dat Hij alleen de vrede is. Hoe begerig kunnen ze dan zijn om Hem te leren kennen, Die gezegd heeft: „Mijn vrede geef Ik u en Mijn vrede laat Ik u".
Ook kunnen er tijden komen, dat ze zo blind zijn. Dan kunnen ze zo hunkeren naar licht. En als ge dan goed luistert, kunt ge zo in de binnenkamer die verzuchting horen slaken: „Ach, dat ik klaar en onderscheiden zag". Of: Zend, Heer', Uw licht en waarheid neder, En breng mij, door die glans geleid, Tot Uw gewijde tente weder.
Zie, dan worden ze al meer gewaar, dat Hij het Licht der wereld is en dat er in Hem gans geen duisternis gevonden wordt. Hoe zalig is het dan om in dat Licht te mogen wandelen. Want immers in dat Licht alleen zien ze het Licht. Maar vooral vindt ge bij het volk des Heeren een dorst naar heiligmaking. Al kunnen ze het dan nooit verder brengen in dit leven dan de klacht van de apostel Paulus: „Ik ellendig mens! wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?" Toch ligt er op de diepste bodem van het hart een begeerte om zonder zonde te leven. O, wat zouden ze dat graag willen: nooit meer zonde te doen! Altijd te leven zoals de Heere dat wil. Of ze nu pas op de levensweg zijn, of dat ze reeds gevorderd zijn, hierin zijn ze allen gelijk.
II.
De bron van dat water.
Dat komt omdat ze dorstende gemaakt zijn door een Bron, waaruit alleen het allerzuiverste water voort kan vloeien.
,Het is die Bron, Die onze tekst aanwijst, de dierbare Christus, Die hier op het allervolmaaktst dorst naar de gemeenschap van Zijn volk.
Hoort hoe Hij het hier uitroept: „Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke".
Nu moet u weten, dat dit woord werd gesproken op een bijzonder ogenblik. Het was namelijk Loofhuttenfeest te Jeruzalem. Dan kon men dat volk van heinde en ver op zien trekken naar de gouden 'Godstad. En met welk een heilig verlangen kon dan een ware Israëliet de psalmen Davids zingen. Ja, hoe dichter men naderde tot de stad, hoe sterker dat verlangen werd om de Heere aldaar te ontmoeten. Op dat feest bleef men dan acht dagen in Jeruzalem; dan woonde men in hutten, die opgebouwd waren van takken en twijgen, waaraan soms allerlei vruchten werden gehangen. Dat dit alles symbolisch was, is duidelijk, nietwaar? Men wilde hiermee uitbeelden, dat het volk eenmaal in de woestijn in tenten gewoond had. Eén ding was er echter, dat men niet kon uitbeelden; namelijk het drinken uit de rotssteen. En daarom heeft men na de ballingschap aan het Loofhuttenfeest een andere plechtigheid toegevoegd, namelijk de waterplenging.
En daarheen wijst nu onze tekst. Na afloop van het zogenaamde morgenoffer daalde er een priester de tempelberg af, die op zijn schouder een gouden kruik droeg. Langzaam en onder doodse stilte schreed hij voort, totdat hij gekomen was bij de bron Siloah. Daar boog hij zich voorover en deed met de kostbare kruik het water hoog opspatten, om zo de kruik te vullen met het zilte nat. Vervolgens keerde hij langs dezelfde weg terug, alwaar het volk in ademloze stilte stond te wachten.
Maar als dan de priester vlak bij de tempel was gekomen, dan begon het volk ontroerend schoon te zingen:
Och Heer', geef thans Uw zegeningen,
Och Heer', geef heil op deze dag;
Och, dat men op deez' eerstelingen
Een rijke oogst van voorspoed zag.
De priester gaf hierna de kruik met water over aan een andere priester in de tempel, die dit water met offerwijn vermengde en zo uitgoot in zilveren schalen. Het tempelorkest begon te spelen, terwijl het volk zong: „Wij zullen water scheppen met vreugde uit de fonteinen des heils".
Welnu, geliefden, op dit feest is ook de dierbare Borg tegenwoordig. Vol diepe ontroering heeft Hij dit schouwspel gevolgd, omdat Hij alleen maar de diepe betekenis van deze plechtige handeling verstaat. En terwijl dan het volk de priester volgt, staat Hij daar als de geheel enige Hogepriester, en met de allergrootste liefde van Zijn Middelaarsziel roept Hij het uit: „Zo iemand dorst heeft, die kome tot Mij en drinke".
Verstaat ge het? Hier staat een dorstende Borg, Die hunkert naar een zondaar, die niet meer kan drinken uit de bedorven bronnen van deze wereld. Hij immers is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is. De Fontein, waaruit het volk Israëls reeds gedronken heeft in de woestijn. Want immers Paulus heeft eenmaal gesproken, dat de Rotssteen, Die volgde, Christus was. Welk een gelukzalig ogenblik, toen reeds voor dat versmachtende volk, drinken uit een gekliefde Rots, en dat terwijl er nergens water te vinden was. Water in de dorre woestijn.
Maar het was water uit een Rots, waar hard op geslagen werd. Welnu, deze gekliefde Rots staat hier nu bij de tempel. Hij volgt Zijn volk in elke smartegang van dit moeilijke leven. Ook al bemerken ze dit niet altoos. Maar nochtans is het waar: Als zij, omringd door tegenspoed, bezwijken moeten, dan schenkt Hij het leven. Want nooit zal Hij Zijn volk en erfdeel in dit moeitevolle leven vergeten. Maar.... als ze dan ook mogen drinken, dan is het water, hetwelk duur verworven is. Daar heeft Hij
voor moeten dorsten. Want ploegers hebben op Zijn rug geploegd. Zij hebben hun voren lang getogen. Ik zie Hem daar neerknielen, de Rots der behoudenis, in het smartelijke uur van Zijn lijden, terwijl niemand Hem ook maar enige troost kan geven, en ik hoor het Hem uitschreien:
Mijn God, hoe zwaar, hoe bitter valt dit lijden
Voor Mijn gemoed.
O, dan vloeit Hij daarhenen als wateren over de grond, die zich verbreiden. ja, zó zwaar is het Hem dan, dat ge Hem hoort klagen: „Indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker van Mij voorbij gaan". Inderdaad, gij zijt duur gekocht, want er moet fel op deze Rots geslagen worden, eer de wateren er uitvloeien. Maar als dan ook deze wateren gaan vloeien, dan is het ook water van geheel enige waardij. Water, dat in staat is de felste dorst te lessen. Al had ik dan nog zo lang in mijn bekommerde staat gehunkerd naar troost, één druppel van dat water, en ik zou huppelen van zielevreugd.
Al had ik dan geweend als de wenende zondares, als Hij me te drinken geeft van dat water, dan worden mijn tranen gedroogd en dan ontvang ik sieraad voor as. Maar bovenal, dit water bevredigt niet alleen dat dorstende volk des Heeren. Neen, wat veel meer is: als de heilige God Zelf dit water ziet vloeien, dan is Hij volkomen tevreden.
Want immers die lieve Borg heeft in de eerste plaats gedorst naar God Zelf. Met de volle liefde van Zijn ziel heeft Hij begeerd om de geschonden deugden van Zijn. Vader te herstellen. Daarom zong Hij in het stille uur der eeuwigheid:
Mijn liefd' en ijver brandt.
Mijn ziel, U opgedragen,
Wil U alleen behagen;
Daarvoor had Hij alles over. En ziet, om die vreugde, Hem voorgesteld, heeft Hij de schande verdragen en het kruis gewillig op Zich genomen.
Dan dorst Hij op Zijn gehele levensweg hier beneden naar de eer van God. Ja, daarvoor wenst Hij verbrijzeld te worden. En dat maakt nu tevens Zijn lijden zo smartelijk, omdat Hij God moet missen, Die Hij niet kan missen. En nooit heeft iemand zó naar God kunnen verlangen, gelijk Hij dat gedaan heeft. Meer dan een hert schreit Hij naar de frisse waterstromen:
God des levens, ach, wanneer
Zal Ik naad'ren voor Uw ogen,
In Uw huis Uw Naam verhogen?
En nu het allerzaligste wonder. In dat dorsten van die dierbare' Borg heeft Hij nu ook opgenomen het dorsten naar degenen, die Hem van God gegeven zijn. O, dat wonder kunt ge nooit genoeg bewonderen. Hij dorst naar een volk, dat van nature geen enkele begeerte naar Hem heeft. Ja, die Hem de rug en de nek hebben toegekeerd en die nu van nature zich de dood drinken uit de gebroken bakken, die ze zelf hebben uitgehouwen. En ziet, nu strekt zich Zijn verlangen uit tot degenen, die Hem niet begeren; ja, tot vijanden van de wateren des levens roept Hij het uit: „Leef, in uwen bloede, leef". Hij dorst naar hun tranen, Hij dorst naar hun gebed en naar hun liefde. En wat gebeurt er dan? Wel, als vrucht van Zijn dorsten, leert Hij hen ook dorsten; dan vloeien er straks tranen als van de verloren zoon. Er wordt schuld beleden, en met opgeheven handen hoort ge dan het smeekgebed uit de binnenkamer omhoog rijzen:
Gun leven aan mijn ziel, dan looft mijn mond
Uw trouwe hulp; stier mij in rechte sporen.
Gelijk een schaap heb ik gedwaald in 't rond,
Dat, onbedacht, zijn herder heeft verloren.
Ai, zoek Uw knecht, schoon hij Uw wetten schond,
Want hij volhardt naar Uw geboón te horen.
(Psalm 119 : 88)
III.
Het drinken uit dat water.
Nog eenmaal zien we daar een dorstende Borg staan bij de tempel. En nog eenmaal horen we Hem zeggen: „Zo iemand dorst heeft, die kome tot Mij en drinke". En ziet, zó alleen kan in het hart van des Heeren kind wederom die dorst naar Hem verwekt worden. Ik denk hier in de eerste plaats aan Simon Petrus. Hoe laag was hij gezonken toen hij zijn lieve Meester had verloochend. Nooit zou het meer in orde kunnen komen. Zijn zonde is immers net zo zwaar als die van Judas. Maar o wonder van genade, daar ziet een lijdende Borg hem één keer aan, en in die ogen ziet Petrus de dorst, die de Heere nog naar
hem heeft. Petrus, indien ge nog dorst hebt, dan kunt ge nog tot Mij komen. Want die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen. Dan kan het niet anders, of in het hart wordt straks ook weer die ware dorst geboren. Dorst naar Hem, Die hem geroepen heeft uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht. Dorst naar Hem, Die hem zo menigmaal getroost heeft.
En dan mag hij straks weer drinken. Drinken, weet ge wat dat is?
Wel, vraagt het aan een woestijnreiziger, die dagenlang door het hete zand gedwaald heeft zonder één druppel water en zonder uitzicht. Maar ziedaar, plots ziet hij een fontein, waar het heerlijkste water uitvloeit. Dan drinkt hij net zo lang tot hij niet meer kan. En telkens opnieuw begint hij weer.
Drinken, dat is net eender als een klein kind, dat uren aaneen geschreid heeft naar de moederborst. Maar straks neemt moeder dat kind in haar armen en dan zoekt dat mondje net zo lang, tot het de moedermelk drinkt. Dan is het tevreden.
Welnu, zo laat de Heere bij ogenblikken Zijn schreiend kind drinken. En dan worden ze nergens anders mee verzadigd dan met de Heere Zelf. En hoe zalig is het dan, als ze Zijn gunst mogen genieten. Dan hoort ge hen zingen: „Mijn ziel is in mij als een kind gespeend, en heeft zich met Uw wil vereend". Zalig om zo stil te zijn bij de Heere. Zalige vrede, die daar gesmaakt wordt.
Drinken, geliefden, dat is als de wenende zondares aan de voeten van Christus neer te mogen liggen in de grootste ootmoed des harten, en dan onder Zijn bescherming te worden genomen. Neen, dan zijn er geen wateren, die zó zoet zijn als deze. Want daar doet de Heere Zijn volk nederliggen aan grazige weiden, daar maakt Hij hun hoofd vet met olie; ja, daar is het zo goed, zodat hun beker overvloeiende is.
Drinken, dat is als een verloren zoon thuis te komen en dan in verwondering te horen: Uw zonden gedenk Ik niet meer; Ik werp ze weg in de zee van eeuwige vergetelheid. Wel, wat wordt het dan goed voor zulke verloren zonen, als het gemeste kalf geslacht wordt en de ring aan de vinger geschoven en het nieuwe kleed om de sohoudérs gedaan wordt.
Drinken uit die Fontein, geliefden, dat is als Zacheus uit de boom te komen en aan de voeten van Hem neder te zinken en dan van Hem te horen: „Ik moet heden in uw huis zijn". Zou er dan wel zaliger uur denkbaar zijn dan dat? Vraagt het aan de bruid uit het Hooglied en zij zal het u zeggen: „Al gaf
iemand al het goed- van zijn huis voor deze liefde, men zou hem ten enenmale verachten".
En nooit krijgt men genoeg van deze wateren, want elke keer als Gods kinderen mogen drinken, vragen ze met de Samaritaanse vrouw: „Geef dat ik altijd van dat water mag drinken". Het water, hetwelk de wereld biedt, stelt bitter teleur. De dorst is wel groot naar die bronnen, maar als men er uit gedronken heeft, keert de oude onrust terug. En hoe meer men er van drinkt, hoe ongelukkiger men wordt.
Hoe gans anders dan dit water. Daar daalt een uitnemende vrede in de ziel; een vrede, die alle verstand te boven gaat. Zij doet al meer dorsten naar dat ene goed, hetwelk weggelegd is. O, eenmaal gedronken van dat water, dan kan er nooit meer iets van deze aarde hun ziel zo vervullen, zoals de Heere dat gedaan heeft in Zijn goedheid. En al vallen ze zichzelf dan nog zo dikwijls tegen, ja al klagen ze; „Hoe kleeft mijn ziel aan het stof"; op de diepste bodem van hun ziel ligt de begeerte naar dat water.
Is dat bij u. ook het geval, mijn geliefde medereiziger naar de eeuwigheid? Ge hebt gehoord wie ge van nature zijt. Een dorstend mens naar alles wat buiten God. ligt. Moet ge dit ook onderschrijven, of meent ge nog, dat het bij u wel mee zal vallen?
Ik weet, er zijn velen, die vroeger grootgebracht zijn bij de zuivere waarheid, maar die op één of andere wijze God en Zijn dienst de rug hebben toegekeerd. Ja, misschien is er één van mijn lezers, die met schaamte terugdenkt aan de waarschuwingen van vader of moeder.
Weet het dan, gij wegvluchtende Jona, dat de Heere u nu nog opa uw vlucht achterhaalt met deze~ woorden. Misschien zijn het de laatste waarschuwingen, die de Heere u meegeeft; Bedenk dan nog heden wat tot uw eeuwige vrede dient. Want eenmaal zal de Heere er op terug komen en dan zal die ontmoeting niet meevallen. Dan hebt ge de weg geweten en niet bewandeld.
Misschien is er één onder ons, die zijn zaligheid bouwt op valse gronden. Dat zou niet denkbeeldig zijn. Want van nature zijn we net eender als de dwaze bouwer die zijn huis op het zand bouwde zonder fundament. Dan moge uw huis nog zo degelijk zijn, ge moogt het nog zo verfraaid hebben, als het zonder het fundament gebouwd is, dan valt het straks ineen als de stormwind komt. Onderzoekt uzelf dan nauw, want de Heere neemt het zeer nauw. Zo nauw kunt u het nooit nemen, of de Heere neemt het nog nauwer. Bedriegt u dan niet. Ge kunt beter duizendmaal twijfelen, dan eenmaal u vergissen. Mijn medereiziger, het gaat om eeuwigheidszaken, vergeet dat niet. Vraag u dan eens af of het onderzoek van deze dingen u wel ooit eens ernst geworden is. Of ge er wel eens één uur voor wakker gelegen hebt. Ik heb eens gehoord van een meisje op haar sterfbed, dat eerlijk moest bekennen, dat ze er nog nooit over gedacht had. Vindt ge dat niet erg? En dan zo de eeuwigheid tegemoet.
Wat is dan Gods volk te benijden. Zeker, ze hebben het hier niet altijd gemakkelijk; hier veel strijd, hier veel moeite en tranen; maar het is slechts voor een korte tijd. Haast is de loop beëindigd; nog een verdrukking van slechts tien dagen. En daarbij, de Heere vergeet hen ook hier in dit Mesech niet. Bij ogenblikken worden ze verzadigd uit de Fonteinen des levens. Maar dat zal straks voor eeuwig zijn. Daar zal het Lam hen weiden, en dan zullen ze nooit meer dorsten. Zalig dan die geen vreemdeling van dat dorsten hier mag zijn. Zij liggen voor rekening van de Koning des levens. Amen.
Aug. 1958