Het vrijmoedig toegaan tot de troon der genade
Predikatie door Ds. C. v. d. WEELE te Harderwijk.
__________________________________________________________________________________
Ps. 122 : 1
Lezen : Hebr. 4 : 1—16
Ps. 119 : 83
Ps. 118 : 10, 13
Ps. 46 : 3, 4
Ps. 100 : 3
Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon
der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrij-
gen, en genade vinden om geholpen te worden ter
bekwamer tijd.
Hebr. 4 : 16.
Sinds het uur van de val des mensen zijn de poorten van het verloren paradijs voor altijd toegesloten. Rusteloos zwerft en doolt de mens over de aardbodem. Hij zoekt overal rust. Hij vindt ze echter nergens.
Augustinus zag het wel juist, toen hij sprak: ,,0ns onrustig hart vindt nergens rust, totdat het in God rust vinde." ......
Een gesloten toegang en een eindeloze onrust, dat is het droeve beeld der zonde ......
De Hebr. brief spreekt van het heerlijke tegendeel. “Van een ontsloten toegang, van een rust, die er over blijft voor het volk van God. Wij hebben door onze zonde de paradijspoort toegesloten.
Ons teksthoofdstuk spreekt echter van de Hogepriester onzer Belijdenis, Hij heeft de paradijspoort weer geopend, van binnen uit naar buiten ......
Hij heeft de rust verworven ......
De poorten van het verloren paradijs gesloten, dat is het droeve lied der zonde ...... De poorten van het herwonnen paradijs geopend, dat is het blijde lied van Gods genade ......
Gods genade in Christus wordt ons in de brief aan de Hebr. zo schoon uitgestald ......
Ziehier het heerlijke genade-licht, dat valt in de duisternis der zonde......
Toch een ontsloten weg, toch een geopende poort, toch een blijvende rust ......
Het is alleen door het volbrachte werk van de Hogepriester, die de hemelen is doorgegaan. Daarom kan onze tekst spreken van een vrijmoedig toegaan tot de troon der genade. Wij kunnen dan ook
niet anders doen dan de tekst laten spreken en nemen als uitgangspunt :
,,HET VRIJMOEDIG TOEGAAN TOT DE TROON DER GENADE."
- Spreekt van een ernstige opwekking.
- Rust op een onwankelbare grond.
- Schenkt een heilrijke vrucht.
- ,,Spreekt van een ernstige opwekking."
,,Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan" ......
Wie worden hier vermaand? ......
Christenen uit de Joden. Er dreigen voor hen allerlei gevaren.
In één woord kan het gevaar, dat hun en ons omringt, worden uitgedrukt.
Men dreigt af te vallen van de levende God en van de dienst van de levende God. Voor de
Christen-Joden is het de O.T. eredienst, waarin zij willen terugvallen.
De apostel ziet het gevaar van alle kanten dreigen. Een verachteren in de genade.
Geen gebruik maken van het heerlijke verlossingswerk van Jezus Christus. Opgaan in een Godsdienst van eigen vinding. Ziehier de donkere wolken, die dreigend het leven van velen omkransen. Heel
de brief aan de Hebr. is vol van opwekkingen, vermaningen, aansporingen en terechtwijzingen ......
Inzonderheid wel ons teksthoofdstuk.
We lezen in vers 1: ,,Laat ons dan vrezen” ...... in vers 11:
,,Laat ons dan ons benaarstigen” ...... in vers 14: “Laat ons dan deze belijdenis vasthouden” ...... in ons tekstvers: ,.Laat ons dan toegaan met vrijmoedigheid” .... ..
Toegaan heeft naar zijn grondbetekenis deze gedachte: Trekken van de ene plaats naar de andere, van de ene persoon naar de andere.
Hier heeft het speciaal een rijke geestelijke zin. Het is het naderen tot het altaar der verzoening ......
De apostel roept het heerlijk uit: Gij behoeft uw eigen zaligheid niet te werken. Van Uw kant zult
ge er nooit komen. De onmogelijkheid wordt steeds groter ......
Hier worden wij door de apostolische opwekking aan de Hebr. geroepen, om geloof te oefenen. Wij moeten leren om uit ons zelf te zien. Leren gebruik maken van de Heere Jezus en al Zijn weldaden .....
Op meerdere plaatsen in de Hebr. brief spreekt de apostel van het toegaan in geloof: ,,Hij kan volkomen zalig maken, degenen, die door Hem tot God gaan." (Hebr. 7 : 25).
,,Want die tot God komt, moet geloven, dat Hij is, en een beloner is, degenen, die Hem zoeken."
De geloofsweg wordt door de Hebr. echter te weinig bewandeld.
Hoe kan het ook anders, als men zich vastklemt aan de dienst der schaduwen.
Toch laat God in Zijn grote liefde tot de Zijnen hen krachtig vermanen: ,,Laat ons dan toegaan.”
Hoe is dat mogelijk voor dwalenden, voor tragen? ......
Niet als zij blijven staren op eigen werk, op eigen verdienste, wel als zij in gehoorzaamheid letten op het Prof. Woord, dat zeer vast is ......
Het woordje ,,dan" in ons tekstvers laat ons zien het nauw verband met vers 14. In dit vers lezen we, dat de gelovigen een vaste grond hebben voor het toegaan: ”Dewijl wij dan een grote Hogepriester hebben, die door de hemelen doorgegaan is, nl. Jezus, de Zoon van God.”
In dit ernstige vermaan wordt de gelovige toegeroepen, dat hij wat doen moet, wat doen mag, wat doen kan ......
De persoon en het werk van de grote Hogepriester van het huis Gods opent de weg der genade heerlijk en ruim. Wat zal het ons echter baten, als wij van deze heilsweldaden geen gebruik leren
maken? Er is in onze dagen een treffende overeenkomst met de gelovigen uit de Hebr. brief.
Waar is in onze tijd het toegaan tot de troon der genade? Zijn er niet ontzaglijk veel ,,gelovigen" die wel spreken over het leven der genade, maar zo weinig beoefenen het toegaan tot de troon der
genade? Men klaagt veelal over een ingezonken en dor geestelijk leven.
Zou de oorzaak niet hier liggen, dat er geen of te weinig toegaan is tot het Heil des Heeren? ......
Gods Woord vermaant U ernstig, om met deze dode sleurdienst te breken en gebruik te maken van de versen en levende weg ......
De Heere daalt zelfs zo diep tot Zijn kinderen af in dit apostolisch vermaan, dat Hij hen laat horen: Hoe zij mogen toegaan! ,,Laat ons dan toegaan met vrijmoedigheid."
Met vrijmoedigheid .... .. D.w.z. openhartig, rondborstig, vrij uit, zonder omwegen ......
Het schoonst kan het worden uitgedrukt door: “Het zeggen van alles” ......
Zo moogt gij komen tot de troon der genade. Gij, die in U zelf geen vrijmoedigheid kunt vinden. Geen wonder ook, zolang gij het nog bij U zélf zoekt. Ernstig wordt gij echter in het heden der genade gewaarschuwd ......
Werp toch Uw vrijmoedigheid, Uw rechtstoegang niet weg!
In deze ernstige opwekking klinkt een blijde boodschap ......
Is het in een leven van moeite en verdriet al geen groot voorrecht, als een mens een vriend mag hebben, aan wien hij alles kan vertellen? ......
Wel, in het geestelijke is het genadevoorrecht veel groter ......
Onder het zeggen van alles mag ik heengaan tot de troon der genade ......
Voor Hem behoef ik niets te verbergen. De dichter zingt er van : “k Verborg geen kwaad, dat in mij werd gevonden" ......
Deze geloofspsalm vertolkt het met vrijmoedigheid toegaan ......
Als dat niet meer in ons geloofsleven aanwezig is, dan ziet het er niet best uit ......
Dan is er alleen sprake van een verachteren in de genade, van een geestelijk wegkwijnen. De blijdschap des geloofs wordt dan gemist. De Hemel is dan van koper. Het kind van God moet dan
missen de zalige gemeenschap met Zijn God ......
Misschien verkeert gij geestelijk in zulk een toestand. De Heere laat U echter niet los. Hij alleen weet, wat Uw kwaal is, maar dat alleen niet, Hij weet ook, welk medicijn voor U tot genezing dient ......
Het met vrijmoedigheid toegaan, dat is voor U de enige weg, om uit al de duistere ellende van eigen zonde te geraken ......
Gebruik maken van het recht, dat U in de Hogepriester geschonken is ......
Gods Woord roept U in deze ogenblikken krachtig toe: ,,De weg is ontsloten. Geen hel, geen wereld, geen duivel, geen zonde, geen vlees zal die toegang ooit weer kunnen toesluiten, kan U dat
recht ooit weer benemen ......
De oorzaak van bet ,,geestelijk" in donker gaan kan alleen verklaard worden uit het feit, dat we te weinig daadwerkelijk deze ontsloten weg bewandelen.
Moeten wij nu maar bij de pakken blijven neerzitten met de dode, lijdelijke klacht: ,,Ja, maar, een mens kan er toch maar niets aan doen" ......
Het vrijmoedige toegaan tot de troon der genade predikt U heerlijk en ruim: ,,Gij behoeft er ook niets, maar dan ook totaal niets aan te doen."
De Hogepriester heeft voldaan, gij hebt alleen nodig, om uit het volbrachte werk van Hem te leven.
Van nature zijn wij totaal vreemd van dit gelovig toegaan tot de troon der genade. Wij stoten ons dan ook aan zulk een liefelijke apostolische vermaning. Misschien vinden wij het wel werkheilig.
Dekken ons weg achter de opmerking: Een mens kan niets. Nu, dat bewijst hij wel, dat hij niets kan. In het dagelijks leven zijn wij één en al activiteit. Grote zegen van de Heere, als we iets kennen
van het schone lied van de arbeid.
Er is echter meer. We moeten niet alleen de tijd dóór, maar ook eenmaal de tijd uit!
En dan...... En dan...... En dan...... ? ? ??
We moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus en voor Hem zonder verschrikking kunnen verschijnen. In onze onbekeerlijke staat maken we van alles en nog wat gebruik. Zie de
mensen maar trekken van de ene plaats naar de andere. Wat een drukte, wat een beweging, wat een haast! Behalve de weg naar de bidcel. Juist in de ontzettende bange tijd waar wij in leven, hebben
we zo grote behoefte aan mensen, die het geheim kennen van het eenzame bidden. Onbekeerde, als ge hier nooit leert Uw stramme knieën te buigen, eenmaal zult gij ook toegaan tot de troon Gods,
maar dan geen troon van genade, maar van recht en gerechtigheid ......
De schande van de na-reformatorische kerken is, dat er zo weinig waarachtig toegaan is tot de Koning der Kerk. Een zeker schrijver heeft onlangs ergens geschreven: ,,Zoals de aflaatzwendel de
schande was van de voor-reformatorische Kerk, zo is de biddeloosheid de schande van de
na-reformatorische Kerk." De geschiedenis van Gods kerk op aarde hangt zo nauw samen met het toegaan tot de troon der genade. Dat die Troon er is, ontkennen wij niet, maar om er nu gebruik van te maken!!
De mens in zijn doodstaat, hij kan ogenschijnlijk alles en toch dat éne, daar is hij blind en totaal dood voor ......
Dode zondaar, vraag dan alleen maar om levendmaking.
En gij, kind des Heeren, dat maar geen vrijmoedigheid kunt vinden in U zelf, zoek het toch niet langer in U zelf. Het ligt buiten U zelf, in Hém. Versta er toch iets van: het is een rechtstoegang!
Wat kan een ziel juist in de weg van ontdekking bevreesd zijn, om tot de Heere te naderen. Juist als we iets van Gods heilig recht leren kennen, dan is het verloren. In het toegaan tot de troon der
genade leert hij echter, dat de Zoon des mensen gekomen is, om te zoeken en te zaligen, wat verloren is. Als ik mij ooit verloren weet, dan is het in de ure, als God mij betrekt in Zijn vierschaar. Als de schuld groter wordt en ik niet heb om te betalen.
Van mijn kant kan het niet en nooit, maar, o wonder van genade, in dien nacht van onmogelijkheid aan mijn kant, laat God mij zien door het geloof in Hem, nu is er toch een ontsloten weg. Nu is er
toch een rechtstoegang. Zonder dat één van Gods deugden gekrenkt wordt. Ons tekstvers is een pracht slotsom op het voorgaande. Wat zullen we doen? Wat moet ik doen ? Denk er om, dat
is niet Pelagiaans! Ons wordt in de Christus en in Zijn plaatsbekledend werk de weg ontsloten.
Wij leven in de nieuwe bedeling. Het voorhangsel is gescheurd.
Er is met één offer voldaan. Hoe zal dan dat toegaan geschieden?
Wel, in de allereerste plaats in de weg van het gebed. Het gebed is toch de ademtocht der ziel.
Arme mens die alles kan, behalve dat eenzame bidden. Wij hebben hier voornamelijk het oog op het verborgen gebedsleven van ieder Christen. Staat het niet ontroerend schoon in het boek ,,De kerk op de deel?" Daarin spreekt een eenvoudige boer tot een geleerde Ds. ,,Aan de Heere kan ik alles vertellen.” Dat is van de Heere geleerd. Hoe is het met U en mijn gebedsleven? Komt gij nog wel eens in de wachttoren? Jonge mensen, wie verstond dit geheim diep in zijn jonge leven? Had niet Daniël een stad, die hij niet vergeten kon, een kamer, die hij niet missen kon? De mooiste kamer, die we in ons huis hebben is, waar we ons hart voor de Heere mogen uitstorten. Niet één keer, maar zoals Daniël, driemaal daags. Het zal er op aankomen, dat we in de bozen dag staande blijven.
Wij leven in de bozen dag. Hoe zal ik jongeling en jongedochter, in de strijd tegen de zonde en de verleiding staande blijven? Paulus waarschuwt ook ons. We mogen wel goed gewapend zijn. Ons
arglistig hart zoekt zo vaak de verboden plekjes van het leven. De lekkere hapjes van het leven smaken ons wel. En toch, het verzadigt niet. Het is ook nog een levensgevaarlijk spel, dat we spelen. Kom
niet op de plaatsen, waar de Heere ons met het ,,verboden toegang” tegentreedt. Misschien hebben we het al vaak dreigend gezegd: “we mogen ook niets” ......
Jawel bondeling, U mag alles ! Versta dit goed. U mag toegaan tot de troon der genade. Ook met al Uw schuld en zonde. Daar vind ik geen bordje ,,verboden toegang." Neen, juist het tegendeel.
Komt dan en laat ons te zamen richten!
Ook gij, kind des Heeren, die al lezende, wroet in u zelf Ja ......maar! Kan niet! ...... God zegt, kan wel. Want deze ernstige opwekking, om met vrijmoedigheid toe te gaan tot de troon der genade, rust in de tweede plaats op een onwankelbare grond.
- Rust op een onwankelbare grond.
.,Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade” ......
De ,,Troon der genade", ziehier de onwankelbare grond. Hierop rust het met vrijmoedigheid toegaan. Hoe kan dat ?
Troon is toch het zichtbare beeld van majesteit en recht! ......
Als wij aan een troon denken, dan zien wij in de geest een ,,heerlijke zetel” ......
Op de troon zijn toch gezeten: Koningen, Vorsten, Gebieders, Heersers ......
Zo dringt onze tekstgedachte door tot de allerhoogste en allergrootste Troon, niet op de aarde, maar in de hemel ......
Op deze troon is niet gezeten een aards vorst of heer ....
Maar wij aanschouwen daarop:
De Koning der koningen ......
De Heer der heren ......
De God der goden ......
Van Hem lezen we in vers 13 : “En er is geen schepsel onzichtbaar voor Hem; alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen desgenen, met welke wij te doen hebben" ......
Majesteit en recht, heiligheid en heerlijkheid zijn de vastigheden van deze troon! ......
Wie zal het durven bestaan tot dezé troon te naderen? ......
Gij zult niet één vraag uit duizend kunnen beantwoorden. Wie zal bestaan kunnen in de glans van zoveel heiligheid ?
God zien op Zijn troon in de glans van Zijn heilig recht is: sterven ....
Hoe kan er, zo vraagt gij bij vernieuwing, dan sprake zijn : ,,Van een toegaan met vrijmoedigheid tot deze troon” ......? Van een toegaan met recht.
Het antwoord behoeven wij U, Gode zij dank, niet schuldig te blijven......
Vers 14 maakt ons bekend met de Goddelijke reden van deze onwankelbare grond :
”Dewijl wij dan een grote Hogepriester hebben, die door de hemelen doorgegaan is, nl. Jezus, de Zoon van God" ......
Onder het Oude Verbond ging de hogepriester eenmaal per jaar van uit de voorhof door het heilige naar het heilige der heiligen ......
Wij weten van de heilige handeling bij en op en rond het verzoendeksel ...... Het bloed werd geplengd ...... De Heilige kon bij Zijn volk wonen ......
De zichtbare tegenwoordigheid werd afgeschaduwd door de wolk boven het verzoendeksel …..
Hier echter, in ons teksthoofdstuk, is sprake van priesterschap en priesterdienst, die afgeschaduwd werd door het O.T. priesterwerk. Meer dan het priesterschap van Aäron is hier. De Hogepriester onder het Oude Verbond keerde na Zijn priesterwerk terug uit bet heilige der heiligen.
Deze Hogepriester echter is ingegaan in het binnenste Heiligdom tot voor het aangezicht van de Heilige. Hij is niet teruggekeerd, maar zet het Priesterwerk voort tot in alle eeuwigheid ..... Hebr. 8 : 1
,,De hoofdsom nu der dingen, waarvan wij spreken, is, dat wij hebben zodanigen Hogepriester, die gezeten is aan de rechterhand van de troon der Majesteit in de hemelen” ......
Deze Priester blijft bij de troon Gods priesterdienst verrichten.
Hij kan dat doen, omdat Hij is de Zoon van God. Vandaar Zijn heerlijk, blijvend priesterschap ......
De hoofdzaak, waar het op aankomt, is: te weten, dat de troon van Gods gerichten in en door deze Priester en door Zijn Priesterdienst is: een troon der genade......
Aan het recht is voldaan......
De schuld is betaald......
De hitte van Gods toorn is geblust .... ..
Het voorhangsel is gescheurd van Boven af naar Beneden ......
God kan weer met mensen in gemeenschap treden, zonder dat één van Zijn deugden gekrenkt wordt……..
Eerst was Gods troon een troon van Majesteit en Recht .... .. Nu een troon van gunst en genade, en dat niet ten koste van het recht......
Gods troon is door het werk van de hogepriester, Die na volbrachten arbeid zich zette aan Gods rechterhand, een troon van genade ......
Troon der genade, dat predikt Godsliefde, Gods ontferming in de Zoon van Zijn eeuwig welbehagen....
Hier ontmoeten we niet meer een vertoornd Rechter, maar een verzoend Vader ......
De Christenen uit de Joden konden zo moeilijk met het aardse priesterschap en priesterwerk breken. Ze waren nog vol van aardse verwachtingen.
Weet het toch, roept de apostel de Hebreën toe: Niet het aardse priesterschap, dat wees slechts heen, maar het hemelse priesterschap, dat is de onwankelbare grond voor het met vrijmoedigheid
toegaan ...... Deze Priester is God boven alles te prijzen, maar tevens is Hij mens, d.w.z. ,één met onze menigvuldige zwakheden en aanvechtingen...... .
Op grond van dit grote Heilsfeest, mogen wij met vrijmoedigheid naderen tot voor de Troon ...... Hij ging ons voor, de hemelen door.
Hij baande de weg tot in het binnenste heiligdom. Hij ontsloot voor zondaren het liefdehart des Vaders, zodat de Heilige niet meer op ons kan toornen en schelden. Er is verzoening gevonden.....
De tegenstelling tussen troon van gericht en troon van genade is weggenomen ...... De kloof is gedempt ......
De troon Gods is niet meer versierd alleen met naakte majesteit en heiligheid, die ons doet beven en sidderen, maar met genade ......met Vaderlijke liefde ......
Op die troon wordt God in al de glans Zijner ongekrenkte deugden gezien, zoals die in Christus zijn opgeluisterd ......
Dáár wordt nu gena van waarheid blij ontmoet en de vrede met een kus van het recht begroet ......
De genadetroon rust en is gebouwd op de troon des gerichts, want God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende.....
Onbewegelijk rust nu de genadetroon op de persoon en het werk van de volmaakte Hogepriester....
Het recht van toegaan rust op deze onwankelbare grond.
Voor ons komt het er op aan, dat Wij deze onwankelbare grond hebben gevonden! ......
Wij moeten kennen het geheim van het met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade. Daar schortte het aan bij de Hebr. aan wie de apostel zijn opwekking schreef ...... Door heel de brief trilt de krachtige roep, dat zij zouden letten op het volbrachte Priesterwerk van de Heere Jezus ......
Breken met eigengerechtigheid, met eigen gemaakte Godsdienst, dat kan nooit de grond zijn. Neen, alleen de Troon der genade, blijft het rustpunt voor het moegestreden zondaarshart ......
Godverheerlijkend, als we zingen kunnen en mogen: Ik heb de vaste grond gevonden, de grond in Jezus bloed en wonden ......
De weg tot deze genadetroon is en blijft geopend voor de grootste der zondaren......
Altijd en onder alle omstandigheden, bij dagen en bij nachten, ontmoeten wij aan deze troon een toegenegen oor......
De glans van het Christen zijn hangt af van het geheim, om veel aan deze troon te verkeren ......
De troon der genade, dat blijft de enige troost in leven en sterven .... .. Daar wordt God ontmoet als een verzoend Vader.....
Hoe staat het in ons persoonlijk geestelijk leven met het bezoeken van dien troon ...... ?
Kennen wij het geheim van de verborgen omgang? Bij de troon der genade wordt de verborgen omgang met de Heere zalig gemaakt ......
Laten we niet menen, dat het buiten deze grond zal kunnen.
Leven wij in onze dagen ook niet in het grote gevaar, dat de godsdienstige mens genoeg heeft aan het aardse priesterschap, dat men er genoeg aan heeft, wat die en die Dominee gezegd heeft......
Maar zo kunt gij niet voor God verschijnen in Zion. Zion zal doorrecht verlost worden......
Er is geen andere naam onder de Hemel gegeven, dan de Naam van deze Hogepriester ......
Laten we het huis van onze zaligheid toch niet bouwen op een zandgrond. Straks, in de ure des gerichts, zal het blijken niet te kunnen.
Buiten deze genade-troon is er geen zaligheid. Buiten de Zoon is de Vader een verterend vuur en eeuwige gloed, bij Wien niemand kan wonen...... Deze genade-troon predikt ons nu nog in het
heden der genade: dat wederhorigen bij de Heere kunnen wonen omdat deze Priester ten Hemel opvoer .... .. Van dien troon schenkt Hij aan allen, die Hem nederig te voet vallen, de koninklijke
gaven van een verbroken hart en verslagen geest.
Deze troon kenmerkt zich alleen door genade. Genade kan alleen verheerlijkt worden als er schuldbesef geboren is. Bij deze troon leren we dan ook zingen : Wil Uw knecht door schuldbesef
getroffen en verslagen, niet voor Uw vierschaar dagen. O, hebt gij wel eens zalig mogen toeven aan dien Troon? Er is een volk, dat het beoefent door genade. Ik hoor nog die oude Christin het mij vermanende voorhouden : ,,aan de Troon der genade”, (het was in dagen van grote benauwdheid en druk) daar kunnen we altijd terecht. Hier kan de vijand ons niet vandaan rukken.
Het gelovig toegaan rust op een onwankelbare grond. Het huis van de zaligheid moet opgetrokken worden op de steenrots en niet op de zandbodem.
Zien wij het niet in onze dagen. In Europa. In Azië. In het Westen en in het Oosten, dat kronen rollen en tronen vallen ?
Het uitzicht is benauwend en moedbenemend. Tegen deze donkere achtergrond stelt Paulus in onze tekst het onwankelbare.
Is het in Uw persoonlijk leven al gaan wankelen en rollen? De kroon van ons eigen ik moet omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd worden. We moeten er aan. Dat is tegen vlees en bloed.
Maar dit is nu het wondere van genade, dat we dan juist buiten ons zelf, in Hem, het heerlijke houvast zoeken en vinden. Laten we ons hier ook ernstig en nauw onderzoeken. Hier moet het
kostelijke van het snode onderscheiden worden.
Wat kunnen we er niet een troontjes op nahouden. Waarop we ons zelf al heel wat voelen. Ook geestelijk. Heer en meester zijn zit ons in het bloed. Het verloren paradijsbeeld glanst nog in ons na.
Ook in de wereldworsteling van onze tijd. Als wij eerlijk doorstoten tot de achtergrond van veel wat zich Christelijk noemt, dan ontdekken wij menigmaal eigen bedoeling. Zuiver materialisme. De broden. De spelen.
Ons eigen ik kenmerkt zich door alles en nog wat, behalve dat ene dat allesbeheersende: genade.
Ook in de ontwikkelingsgeschiedenis van aardse tronen. Wat is er al afgespeeld. Veel goeds kan de Heere en land en volk schenken onder de Koningstroon. Die onderdaan is het beste er aan toe,
die buigen mag. Zo ook in het rijk der genade, wat aardse tronen totaal missen, dat bezit Gods troon in de Hemel. Gij moet deze troon van genade ook niet zoeken op een wereld van brood en spelen, van revolutie en ongeloof, van haat en vijandschap onder de dekmantel van zoveel prachtige christelijke leuzen.
Neen, de troon waaronder wij leven is in de Hemel. Daar is ons burgerschap. Van dat Koninkrijk zijn wij onderdanen. Grote genade, vertegenwoordiger van die Kroon te zijn.
De dienaar des Woords bekleedt het hoogste en heerlijkste ambt, wat wij ooit op aarde bekleden kunnen. Kind des Heeren, in de weg van het ambt aller gelovigen gaat die troon voor ons open.
Genade, wat maakt ons dat klein, ootmoedig, afhankelijk.
't Komt alleen maar aan op dat diep buigen voor dien troon.
Heerlijk geloofsstuk, om dat te beoefenen. Zo maar onder het werk mijner handen. lk verwacht het van Boven de bergen. God de Heere regeert. Hij is Koning. Zijn troon is onwankelbaar. In de hand van
dien Koning ligt ook mijn kleine leven. Bij Hem zijn de teugels van het wereldbewind. Het Westen gaat onder. Het Oosten ontwaakt.
De bruidegom komt. In de tijd van het toeven is het voor ons een diepe noodzaak, maar veel aan de Troon te toeven. Om te horen wat Gods Majesteit ons leert. Om te smeken: Kom Heere Jezus ja kom haastelijk. Dat werkt wat uit en laat wat na. Dat volk, dat echt mag leven aan de troon, mag ook de koning wel eens ontmoeten. Toen ik vroeger als jongen woonden in de schaduw van het Koninklijk paleis, waren er mensen, die op gezette tijden het paleis van uit de verte benaderden met het doel, Hare Majesteit eens te mogen zien, nog meer te mogen ontmoeten. Welnu, als ge dat geestelijk eens mocht beoefenen. Veel toeven aan de troon der genade. Hoe meer gij er toeft, hoe vaster het komt te liggen buiten U, in Hem.
Als ik op mezelf zie en op mijn omgeving, dan wankelt me alles onder de voeten. Nog een der dagen omkomen. Wat een kruis, druk en zorg! O, die golven, die tegenheden.
Paulus blijft vermanen, om uit U zelf te treden, toe te gaan tot de Troon der genade. Van U zelf zijt ge daartoe onbekwaam.
Heerlijk, de Kerk leeft nog in het feest van de vijftigste dag. De Heilige Geest gaat als de Hoogste vertegenwoordiger van de Troon Gods uit. Het gaat Hem om de glorie en de heerlijkheid van de
Christus. Daarom, kind van God, bent U te feliciteren, als gij bij dien Troon al meer en meer aan U zelf sterft en uit Hem leert leven. Deze Troon kenmerkt zich door genade. Gouden woord!
Genade! Mijn ziel verteert er onder. Hier word ik in stukken gebroken, hier kan ik niet meer over stukken praten. Hier mag ik als een verbrokene een weinig rusten. Zoek het niet langer bij de
geestesontwikkeling van deze tijd. Laten we een dam vormen tegen ongeloof en revolutie. Ook tegen de kerkelijke revolutie. Wij horen bij elkander. Hoog of laag. Arm of rijk. Geleerd of minder geleerd.
Aan de troon der genade wordt het zo eeuwig vast voor mijn geloofsbewustzijn, dat we nog toekomst, dat onze kinderen nog toekomst hebben, dat we door de dood heen dat eeuwige en onbewegelijke Koninkrijk binnentreden. Hier kunnen we het niet verder brengen dan in het geloof naar de troon der genade. We komen er met smeking en geween.
Door de diepte leidt de Koning zijn onderdanen naar de feestzaal daar Boven. Wat een heerlijke uitkomst waarborgt die toegang, als wij in de derde plaats letten op de heilrijke vrucht.
Zingen we eerst van die onwankelbare Troon Ps. 46: 3, 4.
- ,,Een heilrijke vrucht."
,,Opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd“ ......
Hier wordt ons in rijke gedachte door de apostel geschilderd het grote goed, dat weggelegd is voor degenen, die het naderen en verkeren aan deze troon kennen.. ’
Het zal U niet ledig laten, maar een blijvende vrucht meegeven voor het leven van alle dag.
Eerst wordt er gesproken door de apostel over het ,,Verkrijgen van barmhartigheid ......
Ja, hoe kan het ook anders als er in vers 15 gesproken wordt over de Hogepriester die medelijden heeft met al onze zwakheden ......
Zo gij in der waarheid leert naderen als een ellendige, als een hulpbehoevende, als een mens, die het niet meer bij zichzelf kan vinden, heb dan in die donkere ure oog voor de rijke vruchten en verdiensten van deze Hogepriester.
De barmhartigheden Gods wenden zich tot de ellendigen ......Het medelijden Gods tot degenen, die in droefheid kwijnen ......
Barmhartigheid verkrijgen, dat is, bij de troon der genade, barmhartigheid aannemen, en barmhartigheid ontvangen ......
Hier geldt het rijke woord van Jezus: “Rijken heb ik ledig weggezonden, maar armen met goederen vervuld.”
En dat andere schone woord: ,,Ik wil barmhartigheid, en niet offerande, want Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaren tot bekering.”
Barmhartigheid verkrijgen draagt als grondbeginsel in zich het ontvangen van ondersteuning in tijden, als het nodig is.
Let goed op, Geliefden, het zijn hier door genade gelovigen, maar gelovigen, die mensen blijven.
Het gaat hier niet in de allereerst plaats om de daad van levendmaking van de doden zondaar, maar om de onderhouding van de levendgemaakte zondaar. Ja, maar hij blijft bij alles, wat hij van zijn
God ontvangen heeft, een mens, die ieder ogenblik opnieuw een sterke behoefte heeft aan Goddelijke ontferming en bewogenheid...
De Apostel is er door genade geen vreemdeling van. Hij weet, aan welke gevaren zijn lezers ieder moment bloot staan. Maar één ding kan in de duistere, eenzame nacht licht geven. Het zijn de
barmhartigheden, die ons van de troon der genade tegenvloeien.....
Eerst barmhartigheid verkrijgen, dat is de eerste gunstige gezindheid te onswaarts. In Christus ziet God ons niet meer als zondaren, maar als ellendigen, hulpelozen ......
Maar dan is er in tweede plaats in deze barmhartigheid een uitvloeiende genade.
Genade vinden ...... Ook hier dienen wij er weer goed op te letten, dat het niet gaat om de genade der levendmaking, maar om de genade der onderhouding van het herboren leven ......
Ook hier wordt weer onze kleinheid en zwakheid getekend. We hebben niets, waarop we ons zouden kunnen beroemen ......
Zijn het niet vaak de aanvechtingen, de verzoekingen, de vertwijfelingen, de zorgen van het leven, die ons neer kunnen drukken? Misschien zien wij vaak geen uitweg ......
En toch, de uitweg is er? Bij deze Hogepriester zult gij genade vinden en die genade zal U genoeg zijn, om het moeilijke levenspad te vervolgen. Die genade geeft mij kracht, om in de bangste ure staande te blijven, die genade doet mij vrolijk mijn kruis opnemen en achter Hem aanwandelen ......
Aan deze barmhartigheid en genade greep de dichter van de 27ste psalm zich in het geloof vast, toen hij zong : “Zo ik niet had geloofd, dat in dit leven mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou ......
Barmhartigheid en genade zijn de vertroostingen, die Gods kinderen deelachtig worden, doordat ze het geleerd hebben, om met vrijmoedigheid toe te gaan tot de troon der genade ......
In de diepte der menselijke beproevingen schijnt het Goddelijk genade-licht en bestaat er voor lijdenden en strijdenden een vrijmoedige toegang tot de troon der genade.
Genade en barmhartigheid, barmhartigheid en genade, zijn de wondere lichtbundels in de donkere nacht des levens ......
Deze barmhartigheid en genade is niet voor het ogenblik, als gij het nodig keurt ...... Neen, zegt de apostel, met het doel: ,,om geholpen te worden ter bekwamer tijd” ......
Als vanzelf denken we hierdoor aan vers 1, daar wordt gewaarschuwd, om toch niet te laat te komen. Wanneer we echter, ziende op de Hogepriester, naar de troon der genade gaan, vinden we hulp, voor het te laat is ......
Genade en barmhartigheid verkrijgen en vinden met het hoogheerlijke doel, om ons onder alle omstandigheden en in alle tijden te laten helpen en ondersteunen ......
In tijden van: verdrukking ......, vervolgingen ......, aanvechtingen ......, verzoekingen ......, geestelijke verlatingen ...., grote plicht ...., oorlog ...., honger ......, pest.
Genade en barmhartigheid wordt U op het juiste moment geschonken. Op het tijdstip, als gij denkt, dat het een verloren zaak is ......
Het geheim echter van hen, die leven aan de troon der genade, is groot. Ze behoeven niet en nooit te vrezen ......
Als wij zo verkeren mogen aan de troon der genade, zingen we : ,,In de grootste smarten: blijven onze harten in de Heere gerust" ......
Hier scheen ons het water ...... daar ...... maar ...... Heilrijke toezeggingen Gods. Om nu maar veel als een ontledigde in ons zelf te toeven aan de troon der genade. Gij kleine in de genade, die van U zelf betuigen moet, dat ge alles nog mist, Paulus vermaant U en mij om bij de Heere aan te houden.
Is het in het gewone dagelijkse leven ook niet zo, als het ons aan alles ontbreekt, dat we leren uitgaan om in de nooddruft van elke dag te mogen voorzien, door wat dan ook?
Welnu, geestelijk is het veel rijker waar. Aan de Troon der genade, daar wordt werkelijk wat verkregen. Een mens krijgt zo gaarne. Dat openbaren we al als kind. Dat zit ons diep in het bloed.
We schamen ons niet om de hand op te houden. Let nu eens op, wat een rijkdommen er zijn in de grote Hogepriester van het huis Gods. Hij heeft gaven genomen, om uit te delen. Het gaat aan en
van dien troon om de wegschenking en deelachtigmaking van Gods ontferming.
Wat leidt Paulus ons hier ver in het Heiligdom van Gods verlossingen. In God een verzoend Vader te ontmoeten! Een bewogen Vaderhart! Een hart dat voor mij openstaat!
Ik denk toch onwillekeurig aan die ellendige langs de weg. Nu ontferming te verkrijgen, waar het niet werd gevonden.
Als het ons aardse leven raakt, dan zullen we alles doen om wat te verkrijgen. Onder de zegen des Heeren kan een mens heel wat verkrijgen. Er moet echter van al dat verkregene gezegd worden:
Gij kunt er niets van meenemen. Hier wordt ons echter een duurzaam goed geschilderd. Och, zegt ge misschien, ik heb nog nooit wat van de Heere ontvangen. Zijt gij dan soms de oudste zoon gelijk? Staat ge soms buiten in de koude te verkleumen ? Denk er om, er is een bruilofszaal waar alleen verlóren zonen binnen gaan. Het grootste probleem voor U en mij is, om werkelijk voor Gods barmhartigheid in aanmerking te komen. Barmhartigheid kan alleen daar weerklank vinden, waar ellendenood en dood dreigen.
Wij zijn echter niet zulke tere mensen. Wij kreunen het nog niet uit onder ons verloren bestaan. Er is geen hulpbehoevender schepsel dan een echte gelovige. Een echt kind moet van stap tot
stap geholpen worden. Wij zijn zo vaak gelijk aan dreinende kinderen. Vraag echter veel, een gespeend kind te zijn. Juist in de weg van ziel-armoede zijn we op barmhartigheid aangewezen.
Genade vinden. Dan zijn we wat kwijt. De armoede van onze twintigste eeuw is, dat de mens niet waarachtig wat kwijt is. In onze natuurstaat zijn we God kwijt. Daar zijn we totaal blind voor. Dat
maakt ons niet koud of warm. Het heeft ons niets te zeggen. Ja, met ons verstand stemmen we dat toe. Maar van het werk van de H. Geest in ons zijn we vreemdelingen. Als de toeëigening uit de
Christus ons deel wordt, dan komen wij in ons gemis te staan.
Waar hoort gij nog een mens, die er buiten ligt ? De massa gelooft het wel. Beste mensen. Ja, broeder en zuster, maar rijke jongelingen moeten ook bekeerd worden......
Gelukkig, er zijn ook anderen! Die eerlijk moeten betuigen : Het is nu anders dan vroeger. En toch nog geen rust voor het hart.
Denk er om, U leeft nog in de tijd om van de Heere gevonden te worden. Genade vinden in de vindenstijd. Kan de oorzaak van uw jarenlange duisternis ook zijn, dat ge te weinig aan de troon der
genade toeft? Daar is nog nooit een door de Heere ledig van weggezonden, die in der waarheid kwam in zijn armoede. Gans hulpeloos tot Hem gevloden zal Hij ten redder zijn.
Zingt de psalmdichter er niet van: Hij schenkt mij hulp. Hij redt mij keer op keer.
Geholpen worden ter bekwamer tijd, luister maar eens naar de dichter van ps. 116. Ik lag gekneld in banden van de dood. Maar toch, in die benauwdheid en droefenis, kroop hij naar de troon der genade. En, o, zalig wonder! Toen hoorde God... Niet te vroeg...
Niet te laat... Op Gods tijd.... Heerlijk evangeliewoord! Nu wordt er nog gepredikt, dat het de tijd is om geholpen te worden. Geholpen voor het eerst en bij vernieuwing.
Het is nu nog de welaangename tijd, de dag der zaligheid. Staat er in de Cor. brief niet treffend: ,,In de aangename tijd heb ik U verhoord, in de dag der zaligheid heb ik U geholpen. Ziet, nu is
het de welaangename tijd, ziet, nu is het de dag der zaligheid ......
Zo gij Zijn stem dan heden hoort, gelooft Zijn heil- en troostrijk woord, verhardt U niet, maar laat U leiden .... ..
Het genadegericht roept: ,,Komt dan en laat .... ..
Heeft Gods levendgemaakte Kerk het in deze dagen niet meer dan ooit nodig, dat zij luistert naar de liefdevolle opwekking, om met vrijmoedigheid toe te gaan tot de troon der genade? ......
Er wordt zoveel geklaagd, getobd, gezucht. Is dat wel nodig, is dat wel tot Gods eer?
Hoe staan wij in ons geloofsleven tegenover de troon der genade? Arm teken, als wij de toegang tot deze troon best kunnen missen. Onderzoekt U zelven zeer nauw. Dit Godswoord predikt ons, dat het aan zal komen op de grote vraag, of wij persoonlijk kennen het toegaan tot de troon der genade ......
Zeg nu niet dadelijk, dat een mens niets kan en vermag...... De Heere zegt U, dat gij er ook niets aan behoeft toe te brengen. Gij behoeft de gesloten paradijspoort niet te ontsluiten. Neen, de poort, de weg tot het leven, is ontsloten. Ontsloten van binnen uit naar buiten .... .. De donderslagen van Gods toorn zijn gestild. De wraak-engel is weggezonden. De poorten van het herwonnen paradijs zijn heerlijk en ruim geopend ......
Laat ons dan, geliefden, met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade ......
Wij hebben dit liefde-vermaan steeds nodig. Als wij eerlijk worden, dan moeten we klagen : Gelijk een schaap heb ik gedwaald in het rond, dat onbedacht zijn herder heeft verloren ......
En toch, verloren schapen van het huis van Israël, in de grote Herder der schapen is de deur tot de stal der schapen geopend ......
Gaat tot Zijn poorten in met lof, met lofzang in Zijn heilig hof...
Laten we het anders zeggen: in het hof der verzoening. De grote Hogepriester ging U voor. Hij is de hemelen doorgegaan. Hij leeft, om voor Zijn volk te bidden. Hij gaat rond in het gewaad der
schrift met het hysopvat der ontzondiging ......
Voor de grootste der zondaren is deze weg ten leven ontsloten...
Vreselijk zal het zijn, de weg ten leven wel geweten te hebben, maar niet bewandeld .... ..
Dezulken zullen ook eens voor Gods troon verschijnen, maar dan geen troon meer van genade, maar dan alleen een troon van heilig recht. Dan eeuwig moeten verkeren onder de bliksemslagen van Gods toorn. Vreselijk zal het zijn, om te vallen in de handen van de levende God. Laten we ons niet met een misschien tevreden stellen. Persoonlijk zullen wij op deze Hogepriester betrokken moeten worden. Onze rechtzinnigheid of vroomheid of zwaarheid of geleerdheid zal ons straks, aan de poorten der eeuwigheid, niet kunnen redden ......
Vreselijk zal het dan zijn, als wij zeggen zullen: Heere, Heere, in Uw naam ......
En Hij zal zeggen als een vertoornd rechter: Gaat weg van mij, gij, die de ongerechtigheid werkt. Ik heb U nooit gekend. Werp hem, werp haar in de poel; die brandt van vuur en sulfer .....
Zalig zal het echter zijn voor hen, die door genade de geopende toegang tot de troon hebben gevonden ...... Zij zullen eens gaan door de poorten in de stad ...... Daar zal het geloof overgaan in
aanschouwen. Door de Hogepriester is God eeuwig een verzoend Vader .... .. Een Vader, die nooit meet toornen en schelden zal, maar die eeuwig Zijn liefde en gunst zal betonen .... ..
Welgelukzalig, als ge hier in het strijdperk veel moogt zingen:
”Ontsluit, ontsluit, voor mijne schreden ......
Amen.