Efeze 6:20-21 'een heilige tempel in de Heere.' ds. E. Venema

De tempel des levenden Gods

Predicatie door Ds. E. VENEMA te Zwijndrecht.

Ps. 118 : 11

Wet des Heeren

Efez. 2

Ps. 138 :1,2

Ps. 87 : 1,2

Ps. 89 : 1

......gebouwd op het fundament der apostelen en profe-

ten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen,

op Welke het gehele gebouw, bekwamelijk samenge-

voegd zijnde, opwast tot een heilige tempel in de Heere.

Efez. 2 : 20 en 21.

Onze tekst spreekt ons van :

DE TEMPEL DES LEVENDEN GODS.

1e. De bouwlieden.

2e. Het fundament.

3e. De hoeksteen.

4e. De samenvoeging.

5e. De voltooiing.

1e. De bouwlieden.

We gaan dus met elkaar nadenken over de bouw van des Heeren tempel. En dit naar aanleiding van hetgeen de apostel Paulus schrijft aan de gemeente van Eféze. Ontroerende woorden zijn het, die hier uit de welversneden pen van de heiden apostel vloeien. En dan voornamelijk dit tweede hoofdstuk. Lees maar eens aandachtig hoe Paulus de gemeente wijst op een onschatbaar groot voorrecht, hetwelk zij van de Heere ontvangen hebben.

,,En u dan heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden ....  O, verschrikkelijk is het verleden van deze gelukkige mensen. Immers ze warend eertijds heidenen en in die tijd leefden zij zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israëls en vreemdelingen van de verbonden der belofte, geen hoop hebbende en zonder God in de wereld. Maar wonder van Gods verkiezende genade, toen is die dierbare Christus voor hen álles geworden. Hij heeft de middelmuur des afscheidsels gebroken. En heeft de vijandschap in Zijn vlees te niet gemaakt. En zo heeft die gezegende Borg niet alleen voor het Joodse volk een vrije toegang tot de troon der genade verworven, maar ook voor de blinde heidenen, waardoor zij nu beiden geworden zijn huisgenoten Gods.

En nadat dan Paulus het beeld van dit huisgezin gebruikt heeft, gaat hij plotseling van beeldspraak veranderen en dan volgen die heerlijke woorden uit onze tekst: gebouwd op het fundament der

apostelen en profeten waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen.

En zonder dat ik het u gezegd zou hebben weet natuurlijk een ieder wat de apostel hier bedoelt. Het gaat hier over de tempel.

En welke tempel kan er dan anders bedoeld zijn dan het schone Godsgebouw door Salomo gemaakt? De apostel roept ons als het ware dit majesteitelijke gebouw voor de aandacht. En dan moet een

ieder wel onder de indruk komen van de heerlijkheid van deze tempel. Het verkondigt alles de grootheid en de deugden Gods.

Maar geliefden, verre boven deze tempel rijst uit de tempel waar Paulus hiervan spreekt. Immers de glorie van de aardse tempel is reeds lang vergaan, omdat deze slechts was opgetrokken uit natuurlijke steen. En hoe men dan ook ontroerd is geweest over deze heilige gebouwen, er is niet één steen op de andere gebleven. Maar de tempel uit dit hoofdstuk, zal de eeuwigheid verduren, omdat voor deze bouw levende stenen zijn gebruikt. En dat doet ons nu in de eerste plaats denken over de bouwlieden van deze tempel.

Lees uw tekst maar eens, daar is sprake van apostelen en profeten.

Met andere woorden zij zijn Gods medearbeiders in dit belangrijke werk. Toch zouden we tekort doen aan de heerlijkheid van dit schone gebouw als we alleen maar zouden spreken over deze arbeiders. Stel u in het gewone dagelijkse leven voor een gebouw dat opgetrokken wordt tussen het steigerwerk. U ziet arbeiders van allerlei soort druk aan het werk. Maar als u dan uw gedachten over

dit werk laat gaan, dan weet u dat er reeds aan gewerkt is, eer dat één steen werd ingevoegd. Inderdaad, ik heb hier het oog op de architect. Hij is het in wiens gedachten dit gebouw is opgekomen.

Hij heeft het gezien eer de arbeiders er iets aan gedaan hebben.

Welnu dan geliefden, zo is het hier ook met de bouw van de tempel. God heeft zeker medearbeiders, maar uiteindelijk is Hij Zelf de Opperste Bouwmeester en Kunstenaar. In de stilte van de nooit begonnen eeuwigheid heeft Hij Zijn gedachten laten gaan over die tempel van levende stenen. En als in de geest hoor ik de ganse kerk des Heeren hier van die grote Bouwmeester zingen:

Ik weet hoe het vast gebouw van Uwe gunstbewijzen, naar Uw gemaakt bestek in eeuwigheid zal rijzen .... ..

Wel geliefden, bekijk één ogenblik de tempel des Heeren in het licht van deze gezegende Bouwmeester. En vraag u zelf dan eens af, of gij reeds een levende steen moogt zijn in dit Godsgebouw. Nee dan krijgt men nooit genoeg om dit werk te bewonderen.

Want het is door Hem door Hem alleen om het eeuwig welbehagen. Niets heeft Hij vergeten in dit gebouw. Zelfs het allerkleinste steentje is in Zijn gedachten opgekomen om het op Zijn tijd in te

voegen in het gehele gebouw.

Een aardse bouwmeester moet wel eens een verandering aanbrengen in zijn bestek, maar deze wijze Bouwmeester heeft Zijn werk zo volmaakt uitgedacht, het past alles precies. En het grootste wonder is wel, dat Hij ook de macht en het vermogen heeft om dit werk uit te voeren. In het gewone dagelijkse leven gebeurt het dikwijls dat een plan wel bewonderd wordt, maar uiteindelijk ontbreekt straks het geld en de middelen om dit werk te beginnen.

Maar deze Bouwmeester, Die het werk eerst heeft uitgedacht, heeft ook alle middelen om niet alleen dit werk te beginnen, maar ook om het te voltooien. Al zijn de stenen nog zo ruw en onbruikbaar, als Hij er aan gaat arbeiden, dan worden het schone en sierlijke stenen in de tempel des levenden Gods. Dan is het hier reeds de moeite waard om ons zelf af te vragen of wij reeds door genade zulk een steen geworden zijn in deze tempel? Want van nature is daar niemand, die tot dit gebouw behoort.

Paulus heeft het ons geschilderd, dat we net als de Efeziërs vervreemd zijn van God en Zijn verbonden. En daar zullen we nu aan ontdekt moeten worden.

Ziet geliefden, dit doet ons andermaal denken aan de bouwlieden op dit werk. Wie is er die in het dagelijkse leven de stenen naar het bouwwerk draagt, wie stort het fundament? Nee, het is niet de architect. Daar heeft hij andere arbeiders voor. Maar nu bij de bouw van de tempel, hier is het, met eerbied zij het gezegd, de Architect Zelf, Die de bouwsteiger beklimt. En elke steen gaat door Zijn handen en elke steen wordt door Hem bearbeid, totdat alles op zijn plaats ligt tot versiering van heel het gebouw.

Als we dus willen spreken over de bouwlieden, dan hebben we eerst te denken aan de drieënige God Zelf.

Daar is God de Vader Zelf gedurig bezig aan de bouw van de tempel. Hij draagt stenen aan, Hij voegt ze op zijn plaats, een Rachab hier en een Paulus ergens anders, totdat straks de laatste steen door Hem gelegd is. En niet alleen God de Vader bouwt, niet minder arbeidt God de Zoon aan deze liefelijke tempel.

In de weg van Zijn diepe vernedering is Hij de bouwsteiger Gods beklommen en het werk door God Hem opgedragen heeft Hij in gehoorzaamheid aan Zijn Vader volkomen gedaan. Dag en nacht heeft Hij gezwoegd onder de hitte des daags en de koude des nachts, en het is Hem nooit teveel geweest.

En dan ziet ge Hem stenen aandragen in dit gebouw. Een wenende zondares, een berouwvolle Zacheus, een schreiende moordenaar. En allen worden ze gebouwd op het fundament der apostelen en profeten.

En tenslotte ook de Heilige Geest behoort tot die wijze Bouwers aan de tempel des levenden Gods. Hij zorgt er voor dat het werk Gods voortgang heeft, ook al schijnt het soms dat er geen stenen meer worden aangedragen, toch werkt Hij in stilte door. En weer vraag ik u, zijt ook gij reeds zulk een levende steen in deze sierlijke tempel des Heeren? Nu kan het nog, want nog is deze arbeid niet

voltooid, wacht echter niet te lang, want het kan morgen te laat zijn. En dan voor eeuwig.

Er wordt nog gearbeid aan dit gebouw, ook vandaag. En lees dan uw tekst eens, God heeft medearbeiders opgeroepen tot dit heerlijke werk.

Wie, zult ge vragen. Zijn het Engelen, die Hem bijstaan om dit gebouw te doen verrijzen? Het zou niet onmogelijk zijn geweest.

En toch is het niet waar. Volgens de tekst zijn het mensen, apostelen en profeten, door God uitgekozen om in dienst des Heeren stenen aan te dragen voor dit bouwwerk. O, wonderlijk toch, daar is ieder mens van nature een vijand van dit werk. Ja, hij is soms bezig om het werk des Heeren te verstoren. En ziet daar behaagt het Hem nochtans om die vijandige mensen niet alleen levend te

maken door Zijn Woord en Geest, neen Hij wil ze ook gebruiken in Zijn dienst op de werksteiger van de tempel des levenden Gods.

Ziet het maar bij de apostel Paulus. Wat was hij Gode vijandig, als een briesende leeuw stond hij tegen God en Zijn werk op.

Maar als dan het uur der minne aanbreekt, dan gaat God hem door Zijn Geest bearbeiden tot een levende steen in dit gebouw. Maar straks mag hij door genade ook mee werken om dit gebouw te doen voltooien.

En wat is er nu zaliger dan dat? Het is zelfs zo dat een ieder, die door God wordt levend gemaakt, die begeerte krijgt om arbeider te worden in Gods Koninkrijk. Dan is de liefde tot God en Zijn dienst zo groot, o, ze gunnen het de Heere zo dat er maar vele stenen in dat gebouw worden toegevoegd.

En nu weet ik wel de Heere kan niet ieder gebruiken als apostel en profeet, het is niet nodig ook. Denk maar eens op het bouwwerk in het natuurlijke leven. Daar staan niet alleen eerste klas metselaars en timmerlieden, er lopen ook krullejongens op het werk rond, maar ze werken toch mee aan dit machtige gebouw.

Het voornaamste voor u en mij blijft weer die vraag : mogen wij reeds een steen zijn in deze tempel ? Ach al was het de allerkleinste maar. God wordt net zo goed verheerlijkt in die kleine steen als in

de mooiste gevelsteen. Vraag het u nog heden af of ge reeds ingevoegd zijt in de tempel des levenden Gods. Nu kan het nog, er is nog een plaats, ook voor u.

2e. Het Fundament.

Dit doet ons in de tweede plaats denken over het fundament waarop deze tempel rust. En dan weet ge hoe belangrijk zulk een fundament is onder elk gebouw. In onze dagen ziet ge nogal eens gebouwen, waar men vroeger geen fundament onder gelegd heeft.

En wat zien we nu bij het zware verkeer ? Alles gaat scheef hangen en verzakken, en tenslotte wordt het een gevaar voor de omgeving.

Welnu dan als een fundament dan noodzakelijk is voor een aards gebouw, zou dan een fundament niet noodzakelijk zijn voor deze tempel, die God gaat bouwen. Lees wat de tekst zegt .... .. gebouwd

op het fundament der apostelen en profeten.

En wat wordt hier nu met dit fundament bedoeld? Wel, geliefden, lees eens aandachtig het tekstverband en dan blijkt u dat de apostel hier de wijsheid der wereld stelt naast de wijsheid die uit

God is. En in dat verband nu gebruikt hij het beeld van het fundament. Gods onwankelbaar Woord is dus het fundament waarop die schone tempel rust. En dat fundament nu zegt de tekst is gelegd

door de apostelen en de profeten. Wonderlijk toch!

De apostelen hebben toch dit fundament niet uitgedacht? En als het er op aan komt hebben zij nog minder dit fundament gelegd.

God Zelf is de Uitdenker van dit onwankelbare fundament en Hij Zelf heeft ook in Zijn grondeloze liefde dit fundament onder dit Godsgebouw gelegd.

Inderdaad! En het is maar gelukkig ook, want hoe schoon het gebouw dan ook moge zijn, maar als het enkel zou rusten op een fundament door mensenhand gelegd, ach wat zou het een wankel

gebouw zijn. Maar nu, door God gelegd en uitgedacht .... .. 0, wat stormen er ook mogen woeden, deze tempel zal er niet voor wijken.

En gelukkig die mens, die met al zijn leed en zorgen op dat fundament mag rusten.

Maar ziet, nu heeft het God weer behaagd om mensen te gebruiken om dit fundament te leggen, dat wil zeggen om dit woord te prediken als het enige fundament, waarop de Kerk des Heeren rust.

Zij hebben mogen wijzen op de vastheid van dat fundament. U weet hoe vandaag de dag veel werk gemaakt wordt van het fundament van een gebouw. Er wordt geheid, er wordt gegraven, cement

wordt gegoten en straks als alles hard geworden is dan wordt daarop gebouwd.

Maar vaster dan elk aards fundament is het fundament van deze tempel. Het rust in het eeuwige liefdeshart van God, waar liefde, genade en barmhartigheid dooreen gestrengeld liggen als de

grondslag van de zaligheid van de Kerk. Ik weet niet of u een fundament wel eens van nabij gezien hebt, ge ziet ijzerwerk gevlochten met grint en zand en specie dooreengemengd. En als het eenmaal hard geworden is, is het zo sterk dat niets dit gebouw meer kan doen wankelen. Maar denk dan eens aan dit fundament, hoe hier de liefde Gods dooreengemengd is met het bloed en de tranen van Christus. O, Wat ligt dan dit gebouw eeuwig vast.

En vooral als de Heere u er zelf iets van geleerd heeft. In Zijn beide handpalmen gegraveerd, rustend in dat verzoenende lijden van die dierbare Borg en Middelaar.

Misschien luistert ge vanmorgen mee met een heilbegerig hart. Ge gevoelt de noodzakelijkheid van dit fundament, omdat uw hart zo dikwijls twijfelt. Nu eens moogt ge roemen in die zekerheid van

Christus en een andere keer roept ge uit: nu zal ik nog één dezer dagen omkomen in de handen van Saul. Wel lieve vriend, ziet dan eens naar dit vaste Fundament, het wankelt nooit. Daar kunt ge

op rusten met al uw zwakheid en schuld. Ach zoekt dan niet langer uw zaligheid op eigengemaakte fundamenten.

Het fundament, hetwelk de apostelen en de profeten gelegd hebben dat is het enige, waarop nu de triumferende kerk rust en het is tevens het zelfde waar God nu al Zijn kinderen op laat zakken

en zinken.

Het is dat gezegende Woord van Hem, dat ons predikt die dierbare Borg en Zaligmaker. En hoe meer ge nu dat fundament moogt aanschouwen in het Woord van God, hoe dierbaarder die beminlijke Christus voor u gaat worden.

Wel dan geliefden, mag u dan reeds zulk een steen zijn, rusten op dat fundament? Het behoeft niet groot te zijn, als het er maar een is door God bearbeid. En dat doet ons in de derde plaats denken aan:

3e. De Hoeksteen.

Hoort maar wat de apostel Paulus zegt: .... ..waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen. Wat dit precies betekent kunnen we alleen maar verstaan in het licht van de Oosterse wijze van bouwen. U moet dan weten dat bij elk gebouw eerst gegraven werd, dan werden op elke hoek van dat gebouw een zware steen neergelegd. Weer anderen denken hier aan een steen in de kap van het gebouw, en dan beroept men zich op de geschiedenis van Simson. Toen hij de beide pilaren van de plaats rukte, toen scheurde hij als het ware boven de hoeksteen van de plaats af, zo zegt men. Het is mogelijk. Toch houden wij het meer bij de verklaring dat de hoeksteen onder het gebouw rustte en dan wel op elke hoek.

 We lezen zelfs bij de apostel Petrus : De Steen, Die de bouwlieden verworpen hebben, Deze is geworden tot hoofd des hoeks en een steen des aanstoots, en een rots der ergernis. Ge moet dat zo verstaan, zulk een hoeksteen stak aan alle kanten iets onder het gebouw vandaan. Maar doordat er zand overheen geworpen werd, was dit niet te zien. Het kon echter gebeuren, dat een late wandelaar 's avonds langs zulk een gebouw kwam, dan zijn voet er tegen aan stootte, en dan struikelde hij over die hoeksteen. Zo is dan die hoeksteen kostelijk voor elke steen die er op vastgemetseld wordt, maar voor anderen is diezelfde steen een steen des aanstoots.

En wie wordt er dan met die Hoeksteen bedoeld, waarvan Paulus spreekt in dit verband? Wel geliefden, wie anders dan Christus Jezus? Daar zingt David van: De steen, die door de Tempelbouwers, verachtelijk was een plaats ontzegd, is tot verbazing der aanschouwers, van God ten hoofd des hoeks gelegd.

En Petrus roemt ook in die hoeksteen: U dan die gelooft is Hij dierbaar.

Gelukkig dan die mens, die door genade zulk een steen mag zijn in dat gebouw Gods. Niet alleen rustend op het fundament door de apostelen en profeten gelegd, maar nu ook verenigd met die

uiterste Hoeksteen.

Hoe vast ligt dan elke steen. Ze mogen rusten op Zijn profetische arbeid. Hij is het die ze draagt in Zijn onderwijs. Hij lokt ze, Hij nodigt ze om te rusten in Zijn liefde. Daar rusten ze in Zijn priesterlijke bediening. Hoe heerlijk, om dat te weten. Alle grond te verliezen in me zelf, om het te vinden in dat dierbare bloed van Hem. Daar kan elk gebouw scheuren al heeft het nog zulk een deugdelijk fundament. Maar dat is hier onmogelijk. Gods Kerk rust in de gezegende arbeid van die beminlijke Vorst. Hij draagt ze gedurig op Zijn gebed, ook al hebben ze het nog zo verzondigd.

Hij blijft ze getrouw, ook al zijn ze nog zo ontrouw.

Hoe kostelijk dan die Hoeksteen onder dat gebouw, dat opwast als een tempel in de Heere. En weer vraag ik u, mag u dat reeds weten een steen te zijn in dit gebouw. Gedragen op de Koninklijke

armen van Christus.

Wat zou u gelukkig zijn. Alles wankelt hier op deze aarde. Nergens is houvast te vinden. En al meent u het hier gevonden te hebben. Straks komt de dood, en dan, wie redt dan uw ziel van het verderf ?

Ik meen dat het zo de moeite waard is om te vragen om een plaats in die tempel, die God bezig is te bouwen. Nog is daar plaats, zelfs voor de allergrootste der zondaren.

En nu is er geen andere weg om zalig te worden dan alleen in die uiterste Hoeksteen. En wat blijkt dan? Wel Gods Woord zegt het ons immers, dat men die Hoeksteen verworpen heeft. En dat doen wij nu ook van nature. Zeker we willen zalig worden, maar als het kan zonder Christus.

Er worden wat een fundamenten buiten Hem gelegd. Maar wat zal men er bedrogen mee uitkomen. En lees dan nog eens aandachtig Gods Woord, hoe er tweeërlei mogelijk is. Of gefundeerd op die Hoeksteen, of struikelen over diezelfde Steen. Nee dat gebeurt niet alleen buiten de Kerk. Dat kan zelfs met een gedoopt voorhoofd, met een sierlijke belijdenis.

En weer zou ik het u willen vragen : wat zijt gij mijn aandachtige luisteraar, een steen in dat gebouw, of één, die struikelt over de Hoeksteen? Het is de moeite waard dat te onderzoeken. Het gaat om eeuwig wel of eeuwig wee. En zo komen we tot de vierde gedachte :

  1. De samenvoeging

van deze tempel, die opgebouwd wordt van levende stenen. En nu weet ik niet of u wel eens aandachtig stil gestaan hebt bij een gebouw dat werd opgetrokken tussen de steigers.

Daar hebt u kunnen zien hoe de heiningen omhoog ging, het fundament is gegoten en toen gingen de steigerpalen omhoog.

Maar dan komt ook het ogenblik dat de eerste steen gelegd moet worden. En waar we nu denken over de bouw van de tempel des Heeren, daar hebben we ook stil te staan bij de stenen die er nu

ingevoegd worden.

Reeds in het Paradijs zijn de eerste stenen neergelegd door de hand van de levende God.

En nadien zijn er al meer gevolgd. Een Rachab, de hoer, een Mannasse, de goddeloze Koning, een Abraham, een Izak en Jacob.

Zij allen zijn, door Gods genade geworden tot stenen in die levende tempel des Heeren.

En nu is dat bij ons enigszins anders dan in het Oosten. Als de stenen op het bouwwerk komen, zijn ze pasklaar. Maar in het Oosten moest elke steen bearbeid worden. Ze waren vuil, ze pasten

niet, er moest op gehamerd en gebeiteld worden. En is het zo ook niet bij deze tempel?

Daar is van nature niemand, die in dit gebouw past. O, als God u gevonden heeft op de vlakte des velds, wat moest God er een arbeid aan verrichten. Soms een pijnlijke zaak, ach soms scheen het alsof er van die steen niets over zou schieten. Maar ziet tenslotte toch ingevoegd.

Wat is dat ingevoegd? U begrijpt het nietwaar? Nee, de stenen worden zo niet los op elkaar neergelegd. Nee, ze worden samen verbonden met het fundament en de Hoeksteen. En dat geschiedt door de specie.

Ik heb eens gehoord, dat die specie net zo hard moet zijn als de steen, zodat ze beiden als het ware een worden.

Kostelijke gedachten! Samengevoegd in dat gebouw op dat eeuwige fundament, met die dierbare Borg verbonden.

Dan is er gemeenschap aan het bloed van Christus, gemeenschap ook aan Zijn lijden. Daar strekt zich al het heimwee en de begeerte uit naar de beminlijkheid en de schoonheid van die Borg. Maar er

is ook gemeenschap aan de Kerk des Heeren. Zowel de Kerk die boven is als ook de Kerk, Die nog beneden is.

Nogmaals komt die vraag tot u en mij : Zijn wij reeds van die stenen in dat Gods gebouw ?

Ach, er wordt wat gebouwd vandaag de dag. Men draagt wat een stenen aan. En het lijkt, alsof er reeds een heel gebouw omhoog oprijst, maar het blijkt zo dikwijls dat er iets aan ontbreekt.

De samenvoeging. Er zit geen specie in dat gebouw. En dan blijkt het maar een wankel geheel te zijn. Dan hebben we ons gedurig te onderzoeken of het wonder van Gods genade reeds aan ons hart verheerlijkt is.

Nog wordt er door Gods Geest gebouwd. Nog draagt Hij stenen aan.

En terwijl ik zie dat zulke stenen worden ingevoegd, hoor ik zingen :

Zijn grondslag, zijn onwrikbre vastigheden

Heeft God gelegd op bergen, Hem gewijd.

De Heer die zich in Sions heil verblijdt,

Bemint het meer dan alle Jakobs steden.

Men spreekt van u zeer heerelijke dingen

0 schone stad van lsrels Opperheer!

’k Zie Rahab, ik zie Babel tot uw eer

Bij hen geteld, die mijne grootheid zingen.

                                                                                                                                                                             Ps. 87 : 1,2.

5e. De voltooiing

Nog eenmaal laten we onze gedachten gaan over de rijke woorden die de apostel Paulus neerschrijft aan de gemeente te Efeze.

En hoe meer we er over nadenken, hoe rijker die woorden worden.

We zien als het ware de bouw van deze tempel vorderen. En het schijnt niet lang meer te duren, of dit ganse gebouw zal voltooid zijn. Hoor maar hoe de apostel het ons zegt: .... .. opwast tot een

heilige tempel in de Heere.

De bedoeling is duidelijk nietwaar ? Het wacht alles op de laatste steen, die gelegd zal worden. En als dat gebeurd is, dan zal de bouwmeester pas tevreden zijn.

En kijk nu eens naar de werkelijkheid. Het lijkt wel alsof er niet meer gebouwd wordt. Waar hoort men nog dat er levende stenen worden ingevoegd ? Wees eerlijk, er wordt wel veel leven gemaakt,

maar dat is nog geen levendmaking! Het gaat er net mee als op het bouwwerk, als we er soms eens een kijkje gaan nemen, ach, wat ziet het er dan uit. Wat een puin en stof. Hier liggen brokken

steen, daar struikelt men over weggeworpen hout. En dan is het net alsof er niets meer gedaan wordt aan de bouw.

Wel zo is het nu soms ook bij de bouw van de levende tempel.

Met eerbied gezegd, er waait wat een stof omhoog vandaag. Er is wat een afval te zien. En dan denk ik voornamelijk aan diegenen, die van God bearbeid worden, om in die tempel een levende steen

te worden. Wat hebben ze in de eerste tijd een hoop gehad, dat ze eenmaal mee zouden blinken in dat grote Godsgebouw, en hoe ouder ze nu gaan worden, hoe meer ze puin en stof der zonde gewaar worden.

En toch wordt er aan dat gebouw gearbeid, ook al zien wij het niet. Op zekere dag dan ziet ge de wagens voorkomen, die het puin ophalen en dan blijkt het almeer dat de afbouw vordert. Totdat de

grote dag aankomt dat het steigerwerk naar beneden wordt gehaald. Het behoorde schijnbaar bij het gebouw, het stond zelfs boven het gebouw uit. Ia het is zelfs onmisbaar in de bouwwereld.

En toch als het bouwwerk klaar is wordt het afgebroken.

Welk een prediking voor u en mij. Ik kan dus ook behoren tot dat steigerwerk. Ja, dat zal erg zijn. Daar zijn mensen die vast menen, dat ze tot die tempel behoren. Ze noemen zich zelf een

medearbeider, ze hebben alles over voor Gods huis. En toch ..... steigerwerk. Welk een ontnuchtering zal dat straks zijn.

Hier betaamt het ons opnieuw dat onderzoek. Wat zijn we: een steen of steigerwerk?

De bouw vordert, ook in deze donkere dagen. God gaat met Zijn werk door. Ook al ziet u er niets van. Het voornaamste voor u en mij is of wij reeds een levende steen zijn.

Ik heb eens gezien, toen er een gebouw bijna klaar was, het steigerwerk was hier en daar al weggebroken. Toen zag ik in de muur gaten, waar het steigerwerk in gezeten had. Wel behoefden

er geen stenen meer gelegd te worden. Maar ziet daar ging één van de bouwlieden over het werk. Hij zocht .... .. en vond een steen.

Reeds weggeworpen. Hij nam het op .... .. hij paste .... .. hij sloeg met zijn troffel het grootste stuk er af en toen .... .. hij paste opnieuw. En ziet ook dat onwaardige steentje werd ingevoegd in dit

gebouw.

Hoe groot geliefden, om zulk een steen te zijn. Wel afgekeurd...weggeworpen. Maar door God opgenomen en waardig geacht om een steen te zijn in die tempel. Ook daarin wordt de Bouwmeester verheerlijkt.

Zelfs het allergeringste steentje kan hij gebruiken.

Gode zij dank dan, die hier geen vreemdeling van is.

De bouw vordert .... .. ziet ge het niet mijn onbekeerde mede reiziger ?

Wacht niet te lang, eer dat ge het weet is het te laat.

Hoe erg als de Heere u nodigde en dan Zijn genade veracht.

Weet het, de bouw gaat voort, ook ondanks u. Nog is er plaats, zelfs voor diegenen, die geringe gedachten van zich zelf hebben.

Ja juist voor hen.

En Gode zij dank als dan straks het gebouw klaar is. En het wordt afgeleverd in de eeuwigheid. En ik zou een geringe steen ervan mogen zijn. Tot in der eeuwigheid toe zou ik die Koning dank zeggen: Mij de grootste der zondaren, mij is deze barmhartigheid geschied.

 Amen.

  1. 89 : 1.