ZONDAG 3
Vraag en antwoord 7 en 8
Psalm 135 : 1
Psalm 135 : 2
Psalm 38 : 6,18
Psalm 6 : 3,4
Psalm 126 : 3
Genesis 3
Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechismusonderwijs, vindt u in Genesis 3 : 6 - 7
En de vrouw zag, dat die boom goed was tot spijze, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, een boom, die begeerlijk was om verstandig te maken; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook haar man met haar, en hij at.
Toen werden hun beider ogen geopend, en zij werden gewaar, dat zij naakt waren; en zij hechtten vijgeboombladeren samen, en maakten zich schorten.
Onze catechismus zondag 3, vraag en antwoord 7 en 8
7. Vr. Vanwaar komt dan zulke verdorven aard des mensen?
Antw. Uit den val en de ongehoorzaamheid onzer eerste voorouders, Adam en Eva, in het paradijs, waar onze natuur alzo is verdorven geworden, dat wij allen in zonden ontvangen en geboren worden.
8. Vr. Maar zijn wij alzo verdorven, dat wij ganselijk onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad?
Antw. Ja wij; tenzij dan dat wij door den Geest Gods wedergeboren worden.
Geliefde gemeente, het vorige catechismusonderwijs, de eerste vraag en het eerste antwoord van deze zondagsafdeling, sprak over het Godsbeeld. Het Godsbeeld dat de mens droeg in de staat der rechtheid. En de twee vragen die daar op volgen, vraag 7 met het antwoord en vraag 8 met het antwoord, laten ons niet het Godsbeeld maar het mensbeeld van de mens die gevallen is zien. Na de staat der rechtheid, de staat der slechtheid, het Adamsbeeld. Het is ontroerend in drie zondagsafdelingen, hoe diep ontdekkend de onderwijzers van onze catechismus afdalen in de ellende van de mens. Het mag dan slechts drie zondagen zijn, maar ze dalen af, zover als er maar af te dalen is in het mysterie van de zonde en de schuld.
Het gaat in deze vragen en antwoorden om twee onderscheiden zaken. In vraag en antwoord 7 gaat het over onze erfschuld en in vraag en antwoord 8 gaat het over onze doodstaat. Ik zal het herhalen, omdat de catechismus een leerdienst is. In de 7e vraag en het 7e antwoord gaat het om de erfschuld, in vraag en antwoord 8 over de doodstaat.
Het is geen moeilijk gedeelte naar de letter, de inhoud is overbekend: Vanwaar komt dan zulke verdorven aard des mensen?
Uit den val en de ongehoorzaamheid onzer eerste voorouders, Adam en Eva in het paradijs, waar onze natuur alzo is verdorven geworden, dat wij allen in zonden ontvangen en geboren worden.
Maar zijn wij alzo verdorven, dat wij ganselijk onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad?
Ja wij; tenzij dan dat wij door den Geest Gods wedergeboren worden.
Het kan dus duidelijk zijn naar de letter! En naar de letter behoeven deze vragen en antwoorden weinig verklaring, maar de zaken die hier geleerd worden, zijn van het allergrootste belang. De kennis van onze val en de kennis van onze onwedergeboren staat voor God, de doodstaat van de mens. Als de mens dan goed is geschapen en naar het evenbeeld Gods, zoals we vorige week gezien hebben, hoe komt dan de mens zo ongelukkig? Hoe komt de mens zo verdorven? Als de mens dan naar het beeld Gods geschapen is, waar komt dan dat huiveringwekkende beeld vandaan, dat de duivel zichtbaar wordt in de mens? Van nature geneigd God en mijn naaste te haten, zegt de catechismus. Waar komt het vandaan? Uit de val en ongehoorzaamheid van onze eerste voorouders Adam en Eva in het paradijs.
Ik wil er even op ingaan gemeente, dat dit zo langzamerhand een belachelijk standpunt gaat worden, een achterhaald standpunt: Adam en Eva in het paradijs. Ik wil het vooral de jeugd meegeven, het is alles evolutieleer wat de klok slaat, ook in de wereld van de theologie. Waarin Adam en Eva worden geloochend, en waarom wordt eigenlijk geloochend, dat er een Adam en een Eva geweest zou zijn? Omdat men de erfschuld loochent en omdat men de doodstaat loochent.
U weet toch dat de evolutietheorie niet zozeer komt uit de hoek van de natuurwetenschap, maar uit de theologische hoek, van Teilhard de Chardin. Ik heb de catechisanten er iets van verteld, de Chardin leert: dat de mens steeds beter wordt, en dat voelt zo behagelijk. De mens wordt steeds beter, de mens is op weg om te ontwikkelen naar de volmaaktheid. De mens, de gehele schepping zal steeds minder materie worden en steeds meer geest. En de echte evolutietheorie is: dat het einde nog lang niet in zicht zal zijn, dat er dan pas een einde zal zijn aan onze evolutie, als de geest de materie volledig overwonnen zal hebben. Wanneer uiteindelijk niets zal resteren in eeuwigheid, dan geest, dan álgeest. Ten diepste, ik moet het toch maar zeggen voor alle duidelijkheid, ten diepste is de evolutietheorie juist lastering van de Heilige Geest. Een leerstuk van de mens!
Daarbij was de eerste val nog maar kinderspel, wat de duivel toen gezegd heeft: gij zult als God zijn. De evolutie leert dat we zelf tenslotte ons einde zullen vinden, in het zèlf God zijn, niet als God, maar zèlf God te zijn. Dat is ook niet voortgekomen uit de natuurwetenschappelijke hoek, Teilhard de Chardin was een theoloog. Genoeg hiervan.
Het mag ons allen duidelijk zijn, dat de mens steeds meer beest zal worden, in plaats van andersom. Laat ik het u heel duidelijk meegeven: de mens, de gang van de mens is niet dat hij een beest geweest is en een mens geworden is, eerder andersom. De mens, wat is de mens? Och, het is niet vreemd dat er naar geluisterd wordt, ook Eva heeft geluisterd naar het vleien van de slang, die gezegd heeft: "Gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad" (Gen.3:5). O, wat is de mens, geliefde gemeente, gij zult als God zijn, kennende het goed en het kwaad.
Kende God het kwaad dan? Jazeker! Want de mens was nog niet gevallen, maar de duivel was reeds gevallen. God kende als zodanig het kwaad. God had de duivel leren kennen, de gevallen engelen. Nu zegt de duivel: gij zult als God zijn, kennende het goed en het kwaad. Wat is de zonde ten diepste toch een vreselijk mysterie. Wat is de zonde ten diepste een onmogelijke mogelijkheid, of een mogelijke onmogelijkheid!
Adam en Eva kenden het goede. Wat een verkeerdheid moet er in de val geweest zijn en wat een vuil heeft de duivel toch in het hart van Eva gespoten en wat een gif in haar hoofd. Als je het goede kent en het hoogste goed, een dagelijkse omgang met God, wat is de mens, om ook het kwade te willen leren kennen?
Gij zult als God zijn, kennende het goed en het kwaad. Het hebreeuwse woordje 'kennen' gaat nog wat dieper dan het onze, het betekent eigenlijk: proeven, smaken, ervaren. Nu kende die eerste mens in de staat der rechtheid God. Ze waren in zo'n heerlijke staat, dat ze dagelijks God proefden, als het ware, ze smaakten Hem als het ware. Wat is een mens? Wat staan we hier voor een mysterie, dat een mens ook het kwaad wilde proeven, ook het kwaad wilde smaken, ook het kwaad wilde ervaren. De mens die omgang had met de Heilige God, met de volmaakt liefhebbende God, wordt uitgelokt door de duivel, om nu ook met hem kennis te maken, met de duivel zelf. Wat is die val een mysterie, wat moeten we ten diepste zelf ontdekt worden, niet alleen aan het vuil van ons hart, maar aan het vuile beginsel van ons hart.
Wat is de mens, om ook het kwade te leren kennen, en wat vreselijk, de mens hééft het kwade leren kennen. U hebt er wat van leren kennen, ik heb er wat van leren kennen. We hoeven nog niet bekeerd te zijn, maar het kwade leren we kennen. Een stroom van bloed, zweet en tranen, ziekte en dood, was het huiveringwekkende gevolg ervan dat de mens als God wilde zijn, kennende het goed en het kwaad.
Als we een beetje zelfkennis hebben, dan kúnnen we weten dat het ook in onze levens geldt: dat de zonde begint met te willen wéten wat de zonde is. Proeven en smaken wat verderfelijk is. In dat opzicht zijn we net als kinderen, wanneer we de doos op tafel zetten en zeggen: afblijven, het is dodelijk, dan lok je juist een kind uit om te proeven, om te smaken! Wat is het vreselijk geweest, Eva nam van de vrucht en at.
Nu is het heel belangrijk, geliefde gemeente, voor het verbondsmatig handelen Gods, dat we vanavond heel goed onderscheiden, dat niet Eva het verbondshoofd was, maar Adam. De eerste mens was verbondshoofd. En dat moeten we hier heel goed onderscheiden, dat is nodig willen we Romeinen 5 verstaan, waar gesproken wordt over de eerste Adam en de tweede Adam. Het is heel nodig dat we onderscheiden, dat niet Eva verbondshoofd was, maar dat we in Adam gevallen zijn, niet in Eva als zodanig. Dat is het punt, en daar ligt het punt, waarom de zonde nog dieper ingaat in het menselijke bestaan en in de draagkracht door de geslachten heen, tot ons.
Eva verleidde Adam, en die éne zonde van Adam, daar gaat het vanavond om. Het is niet helemaal juist om te zeggen dat, toen Adam die vrucht zag, toen Eva die vrucht zag, toen Eva die vrucht begeerde, dat tòen de mens viel. Het punt waar het om gaat is: Adam heeft gegeten! Eva verleid door de slang, ze noemt het zelf: bedrogen door de slang, en Eva verleidde Adam! Het gaat hierom: dat Adam de hoofdvertegenwoordiger is, aan het hoofd staat van het ganse menselijke geslacht. Dat is de kern als het gaat over de val. Dat het Adam is geweest die het proefgebod: om niet te eten van de boom der kennis des goeds en des kwaads, overtreden heeft.
Het gaat om déze zaak, dat daarmede zijn ganse nageslacht in de val is meegesleurd. Daarin ligt de bron, de oorzaak verklaard van de ellende van het ganse menselijke geslacht.
Zoals we lezen, dat God mensen maakt naar Zijn beeld en naar Zijn gelijkenis, zo is het gebeurd na de val, dat er gesproken moet worden: Adam gewon een zoon, niet naar Gods beeld, maar naar zijn eigen beeld en naar zijn eigen gelijkenis.
Dat kan ons allen wel enigszins duidelijk zijn, dat de mens, dat we zèlf, zonen en dochteren gewinnen naar òns beeld en naar ònze gelijkenis. Dat wil zeggen: in de erfzonde, die zich laat onderscheiden in twee delen: erfschuld en erfsmet.
Probeer maar te onthouden, gemeente, erfschuld is: God rekent de zonde van Adam van geslacht tot geslacht toe. Dat ieder mens in Adam verdoemelijk is voor God, ook al zouden we zèlf geen dadelijke zonden hebben, dat we nochtans verdoemelijk zijn voor God, in de zonde van een ander. En daar kan álle vijandschap van ons hart tegenop bruisen: Wáárom o God, ben ik verdoemelijk, om wat een ander gedaan heeft! Daar is maar één antwoord op, God is vrij in de toerekening! Zowel ter zaligheid in de toerekening van Jezus Christus en Zijn gerechtigheid, alsook vrij in de toerekening van Adam en zijn òngerechtigheid.
Het is een mysterie voor de mens, alle vijandschap kan er tegenop bruisen, maar dat is de zaak van de erfschuld, al hadden we geen dadelijke zonde, dat we tot goddelozen gesteld zijn in Adam, en dat we ook alleen maar gerechtvaardigd kunnen worden in Christus als goddelozen.
Hiervan mag hetzelfde gezegd worden, als van de uitverkiezing. Wanneer men Paulus aanklaagt over dat harde stuk van de uitverkiezing. "Wat klaagt God dan nog?" (Rom.9:19) vraagt de zondaar? Hij doet het dan toch immers Zelf? Dan zegt Paulus bij dat stuk van Gods vrijmacht en het kan ook bij dit stuk van toerekening gevoegd worden: "Maar toch, o mens, wie zijt gij, die tegen God antwoordt?" (Rom.9:20). Wie zijt gij, o mens, die God tegenspreekt?
Wanneer Hij rechtvaardig toerekent, de schuld van Adam, de verdoemelijkheid van Adam, o, dan blijft er maar één ding over: "Zwijg voor Zijn aangezicht, gij ganse aarde!" (Hab.2:20). Zwijg voor een God Die rechtvaardig is, niet tamelijk rechtvaardig, maar Die volmaakt rechtvaardig is. Om het dáár nu mee eens te worden, geliefde gemeente, daar ligt het gemak, maar daar hebben we het vanavond niet precies over, maar tòch ligt daar het gemak, wanneer we het daar mee eens mogen worden. Wanneer we toch maar gaan bukken onder God en wanneer we gaan zingen: "Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig" (Ps.51:2 ber.).
We staan vanavond voor het mysterie van onze val. We staan voor het mysterie van Gods rechtvaardigheid. "God is groot, en wij begrijpen Hem niet" (Job.36:26). God is rechtvaardig en wij begrijpen Hem niet. "Zwijg voor Zijn aangezicht, gij ganse aarde." Die erfschuld correspondeert met de rechtvaardigmaking in Jezus Christus. Maar er is nog iets: de mens is niet alleen erfschuldig, de mens heeft ook erfsmet.
Wat is erfsmet? Dit: niet, dat we onze rechtvaardigheid missen, maar onze heiligheid! Wat we in onze levens gewaar worden, wanneer we eerlijk zijn. Dat we toe moeten stemmen dat we vuil zijn, dat we niet alleen schuldig zijn úít Adam, maar ook besmet dóór Adam. Dat we in deze wereld komen, niet alleen beladen met schuld, maar zo verdorven, dat ook wij metterdaad geneigd zijn God en onze naaste te haten. Dat we onrein zijn, metterdaad besmet, melaats van de hoofdschedel af tot de voetzool toe. Het wil zeggen, dat wij uit Adam voortgesproten, uit een vuile bron, zelf ook vuil zijn. Ja, wanneer we onszelf leren kennen, bij het licht van de Heilige Geest, dan valt er niet op af te dingen wat Guido de Brès zegt. Guido de Brès, die de Schrift zo uitnemend kende, maar die door de Heilige Geest zijn eigen hart ook zo uitnemend kende, dat hij moet klagen, dat er in onze harten is: een onzalige fontein, waaruit de zonde als opwellend water opspringt, gelijk uit een onzalige, een vuile fontein (N.G.B.art.15).
Omdat het gedichtsel van des mensen hart, ten enenmale boos is. Dat is, om het met een natuurlijk spreekwoord te zeggen: dat de appel, de vrucht, niet zo ver van de boom valt. Dat er wel verschil is, de een weer anders dan de ander, maar dat we allen zo verdorven zijn en zo behept zijn met zonde, met vuilheid! Ik hoop dat u er iets van heeft leren kennen, dat we tòch de catechismus na moeten zeggen: we zijn van nature geneigd God en onze naaste te haten. Moet u indenken, dat wij, naar de staat der rechtheid op God geleken hebben, naar Zijn beeld en Zijn gelijkenis geschapen zijn, en nu het beeld van Adam dragen.
O, dat Godsbeeld, uit die eerste vraag en dat eerste antwoord. Mijn moeder had vroeger een grote spiegel, jongelui, boven de schoorsteen. Toen waren de spiegels nog zó levensgroot, dat je jezelf er helemaal in kon zien. Daarna is er een tijd gekomen, dat dit uit de mode was. Ik kreeg toen die spiegel van mijn moeder en liet hem stuk vallen. De mens is naar Gods beeld en Gods gelijkenis geschapen, dat is: God zag er Zichzelf in, ten voeten uit! Zoals nu die spiegel kapot gevallen is, in duizend gruzelementen, zo is de mens! Je ziet er het beeld niet meer in terug. Als God in deze wereld kijkt naar u en naar mij, zou Hij dan nog iets van Zijn beeld terug zien, geliefden? Dan is het aan ons toch niet meer te zien dat we kinderen Gods zijn, dat we zonen Gods zijn.
Nu spreken de Dordtse Leerregels dat dat beeld volledig verloren gegaan is, maar dat er nog enige zwakke vonkskens over zijn (D.L. 3/4:4). En dan moeten we héél goed weten, wat de Dordtse Leerregels daar mee bedoelen. Toen die spiegel van mijn moeder op een stenen vloer viel, toen kon je er geen beeld meer uithalen. Het enige wat je kon zien dat was, dat het een spiegel was geweest. Zo is het ook met de mens. De mens is nog wel herkenbaar als een schepsel Gods, dat we door God geschapen zijn, het is nog wel kenbaar, dat God de mens speciaal geschapen heeft. O, dat beeld Gods, niets anders over, dan splinters voor God.
En nu is mijn vraag, bent u wel eens ongelukkig geweest onder uw verdoemelijkheid en uw verlorenheid? Maar nu is ook mijn vraag: Bent u wel eens ongelukkig geweest, ziende op de splinters van uw bestaan? Het is vreselijk als we de staat der rechtheid inleven. Schepselen naar Gods beeld geweest, maar wat vreselijk, hoe komt nu God aan zijn eer? Hoe krijgen we dat beeld weer terug?
Nu zijn we alzo verdorven dat we ganselijk onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Het is niet zo, ook in de zonde die wij bedrijven, dat we eens één keertje kunnen vallen voor de duivel. Wie knielt voor de duivel, die geeft zich geheel en al aan hem over. Toen, door die eerste zonde, was er een opening gekomen in het leven van Adam, in het leven van Eva, om geheel binnen te komen. Nu niet meer met één zonde, maar met álle zonden. We lezen dat zo ontroerend in dat schone boek van Bunyan: "De heilige oorlog". Daar vinden we het beeld van de mens: de poort open gezet en dan niet voor één vijand die de stad ingekomen is, maar de poort van stad mensenziel opengezet te hebben, betekent: zeer spoedig onder de voet gelopen te zijn. Dat wil zeggen: Totaal onder de heerschappij van de duivel gekomen te zijn.
Wie gaat dan niet vragen: is er nog enig middel? Wie gaat er dan niet vragen, wanneer hij er iets van voelt: zijn we alzo verdorven dat we ganselijk onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad?
Is er dan nog ièts in mijn leven, is er dan misschien nog ergens een vermogen in mijn ziel, dat ik mezelf bekeren zou? Dat ik misschien boete zou doen? Is er niet een terugkeer mogelijk naar God? Deze twee dingen horen bij elkaar, wanneer we werkelijk onze val leren kennen. Want de Heere God had gesproken: "Ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven" (Gen.2:17). Nu is het Gods barmhartigheid dat het sterven daar wel begonnen is, maar dat de mens nog niet direct dood gevallen is. God schenkt nog genadetijd. De vraag die daarop volgt, de vraag die misschien in ons hart leeft: kan ik me nog verheffen?
Wanneer we recht inzicht hebben in de erfschuld. wanneer we recht inzicht hebben in onze val, wel hoe hard of het klinkt, dan kúnnen we weten dat we niet ziek zijn, zodat er nog genezing mogelijk zou zijn, de kwaal is dódelijk! We liggen in de doodstaat. We zijn machteloos en we zijn krachteloos geworden. Daarom zegt hier de catechismus: tenzij dan dat wij door den Geest Gods wedergeboren worden.
De val is zo radicaal geweest, dat we ook radicaal vernieuwd zullen moeten worden door de Heilige Geest. We zijn zó dood gevallen, dat we geestelijk uit de dood opgewekt zullen moeten worden door Gods Geest. Het komt in zondag 7 nader aan de orde. Hier hoeft dus de wedergeboorte niet behandeld te worden. Maar zoveel wil ik er van zeggen: toen Adam geschapen is, heeft God dat stof geformeerd en toen was het wel een beeld van een mens, maar het wàs nog geen mens. Hij lééfde nog niet en wat is een mens die niet leeft? Die is ganselijk geen mens. Een mens waar geen adem in zit, is geen mens, het is een dode. Het is in alle eerbied gezegd, een lijk.
Toen heeft God Adam de levendmakende geest ingeblazen. Ik zeg het in een heilige zin, het begrip dat u allen bekend kan zijn vanuit de natuur, dat was die Goddelijke mond-op-mond beademing, waardoor Adam tot een levende ziel geworden is. Dàt hebben we nu nodig, dat we het leven weer ontvangen, van God Zelf, door de adem Zijns monds, door de Heilige Geest. U weet, het woordje Geest, het woordje 'roeach' is in het Oude Testament hetzelfde als 'adem'. Nu zijn we zó dood, zó dood in onszelf, dat alleen de adem Gods, in een heilige zin zeg ik het, de mond-op-mond beademing Gods, ons levend kan maken. Dat is Zijn werk!
Ja wij, tenzij wij door den Geest Gods wedergeboren worden. Vergeet het maar dat de mens ziek zou zijn, dat de mens zelfs ernstig ziek zou zijn door het eten van die boom. De mens is in de doodstaat terecht gekomen. En nu moge dat maar een doorleefd stuk worden. Want we kunnen alles zo weten, we kunnen zo orthodox zijn, maar wanneer dat werkelijk bevindelijk 'weten' is, dan zal het ook bewenen zijn, bewenen van die smartelijke val. Het beeld van God verloren te hebben, de geest gegeven te hebben, dood te zijn in zonden en in misdaden, tenzij wij dan door de Geest Gods wedergeboren worden.
We weten het als orthodoxe gemeente zo goed, maar de theorie moet maar eens praktijk worden, daar ligt het ongemak. Maar daar ligt ook het gemak, het zalige van het éénzijdige Godswerk, dat Hij maar heeft te spreken over uw leven, dat Hij maar heeft te spreken over mijn leven: "Ontwaakt, gij die slaapt, en staat op uit de doden, opdat Christus over u lichte".
Wat heerlijk is die geschiedenis van Lazarus, die dood in zijn graf lag, en tòch hoorde de stem van de Zaligmaker: "Lazarus kom uit!" (Joh.11:43). In het geestelijke hebben we hetzelfde nodig, geliefde gemeente, de Heere geve er maar beleving van. Dan worden we lage mensen, dan worden we diep neergebogen mensen. Dan leren we het werkelijk wat we gaan zingen:
Mijn ziel, gans neergebogen,
Schrikt voor Uw Heilig' ogen,
In dezen jammerstaat.
Maar dan leren we er ook iets van:
Keer eind'lijk, HEER, toch weder;
Mijn ziel buigt zich terneder,
Ai, red mij van 't verderf;
Sla mijn ellende gade,
Tot roem van Uw genade,
En help mij, eer ik sterf.
AMEN.