ZONDAG 6
Vraag en antwoord 18
Psalm 68 : 5
Psalm 116 : 9
Psalm 102 : 11,12
Psalm 138 : 2
Psalm 130 : 4
1 Korinthe 1
Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechismusonderwijs, vindt u in het voorgelezen schriftgedeelte 1 Kor. 1 : 28 - 31
En het onedele der wereld, en het verachte heeft God uitverkoren, en hetgeen niet is, opdat Hij hetgeen iets is, te niet zou maken;
Opdat geen vlees zou roemen voor Hem. Maar uit Hem zijt gij in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing;
Opdat het zij, gelijk geschreven is: Die roemt, roeme in den Heere.
Zondag 6, vraag en antwoord 18
18. Vr. Maar wie is deze Middelaar, Die tegelijk waarachtig God en een waarachtig rechtvaardig mens is?
Antw. Onze Heere Jezus Christus, Die ons van God tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking, en tot een volkomen verlossing geschonken is.
Geliefde gemeente, we zijn hier aan een bijzonder punt gekomen in de Heidelbergse Catechismus. Er is gesproken over een middel, er is gesproken over een Middelaar. Er is gesproken over de naturen van de Middelaar, dat Hij waarachtig God moest zijn en dat Hij ook waarachtig en rechtvaardig mens moest zijn. Nu is er het ontroerende moment dat de catechismus die naam noemt, waarvan we kunnen zeggen: Geen naam is er zoeter en beter voor het hart.
Jezus, dat is Zaligmaker, "Want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden" (Mat.1:21). Misschien vraagt u zich af: is dat niet een beetje simpel, om in een kerk die opgevoed is bij de Heere Jezus en bij die naam, om dan in de catechismus, om dan in een vragenboek nog zo'n simpele naam, zo'n simpele vraag op te nemen: Wie is deze Middelaar, die tegelijk waarachtig God en een waarachtig rechtvaardig mens is? Ik hoop dat u door de bewerking van de Heilige Geest, door ontdekkende genade en door armmakende genade, iets ervan geleerd hebt, dat: al zouden we van Jezus weten iedere dag in ons leven, ieder uur in ons leven, vanuit onze opvoeding, vanuit onze kerkgang, vanuit al onze activiteiten, we dan toch moeten zeggen dat Jezus de grootste verborgenheid is. De grootste verborgenheid!
Het gaat in deze catechismus toch ook over een openbaring, een persoonlijke openbaring aan een arm zondaarshart, door de toepassing van de Heilige Geest. Zoals ook Paulus zegt: "Maar wanneer het Gode behaagd heeft, Zijn Zoon in mij te openbaren" (Gal.1:15-16).
Wie stelt hier eigenlijk de vraag: maar wie is deze Middelaar, die tegelijk waarachtig God en een waarachtig rechtvaardig mens is? Het is geen intellectuele vraag, het is geen verstandelijke vraag. Het wordt gevraagd door een ziel voor wie het voorafgaande in de catechismus, onze huiveringwekkende verdoemelijkheid, in meerdere of mindere mate, werkelijkheid geworden is. Het gaat om een ziel die gevraagd heeft, niet als een weetvraag, maar als een vraag op leven en dood: Is er nog enig middel om de welverdiende straf te ontgaan? Het gaat om iemand die goed begrepen heeft, dat God niet alleen barmhartig is, maar dat Hij ook volmaakt rechtvaardig is. Zodat Hij de zonde, die tegen Hem is gedaan, met de hoogste straf, dat is met tijdelijke en met eeuwige straf zal straffen.
De vraagsteller is een 'ontblote bidder'. Zo wordt zo'n persoon genoemd in de preek van Comrie over Psalm 102. Een behoeftig mens, die door de ontdekkende werking en door de armmakende bediening van de Heilige Geest, alles van zichzelf verloren heeft. Deze stelt vanavond de vraag: Maar wie is deze Middelaar, Die tegelijk waarachtig God en een waarachtig rechtvaardig Mens is? Dat is een ziel, waarin enigszins een licht is opgegaan, omdat het al gezegd is in de catechismus: een Middelaar en een Verlosser.
En dan nu de vraag: Maar wie is deze Middelaar? Wanneer we het voorgaande een beetje bevindelijk hebben leren kennen in onze eigen levens gemeente, dan zullen we er wel weet van hebben dat Jezus de grootste verborgenheid is. Daarom gaat het niet om een antwoord zonder meer, dat we een naam zullen horen, de naam van Jezus, die we misschien wel tienduizend keer gehoord hebben. Maar dat we werkelijk een andere naam leren, of laat ik mogen zeggen, dezelfde naam maar dan eindelijk eens in de volle betekenis: Hij, Die Jezus, Zaligmaker heet en ook werkelijk zalig maakt! Deze vraag is zo kostelijk: Maar wie is deze Middelaar, Die tegelijk waarachtig God en een waarachtig rechtvaardig mens is? Ik wil u herinneren aan een preek van een poosje geleden, van die blinde man, die aan de Heere Jezus Zelf vroeg: "Wie is Hij, Heere, opdat ik in Hem moge geloven?" (Joh.9:36).
Wat kan het dan een heerlijk antwoord zijn, wanneer dit uw persoonlijke vraag geworden is: Wie is deze Middelaar? Dan wordt Jezus Christus voorgesteld met Zijn naam: onze Heere Jezus Christus, Die ons van God tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en tot een volkomen verlossing geschonken is.
Als we werkelijk besef hebben wat de prediking in wezen is, dan gaat het hierom, dat als het ware Christus u allen wordt voorgesteld. Zoals Mozes de slang heeft verhoogd in de woestijn, zo wordt ook vanavond Christus Jezus verhoogd en voorgesteld. Zoals Jezus Christus Zelf gezegd heeft: "Gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden" (Joh.3:14).
Ook ù moet Hij voorgesteld worden, opdat een iegelijk die de Zoon aanschouwt, en dit is een eeuwig Godswoord, waar niets bij gedaan kan of behoeft te worden, maar waar ook niets afgedaan kan worden: "Opdat een iegelijk, die den Zoon aanschouwt, en in Hem gelooft, het eeuwige leven hebbe" (Joh.6:40). Dat is het heerlijke van deze catechismus, dat is ten diepste de bedoeling van iedere prediking.
Maar dan is het toch wel een bijzonder moment, wanneer in Gods naam die heerlijke naam uitgesproken mag worden, de liefde klinkt er in door: Onze Heere Jezus Christus, Die ons van God tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en tot een volkomen verlossing geschonken is.
Weet u dan waarover het gaat? In dit antwoord zit zo'n volmaakte volheid, dat, als er hier mensen mogen zijn die op het punt gekomen zijn, dat ze volmaakt niks meer in zichzelf zien, hier de overgang ligt om over te gaan in een Ander, in te gaan in een Ander. Wat hebt u daar nu voor nodig, geliefde gemeente, en wat hebben we daar telkens voor nodig? Niet meer dan een kruimel geloof! Zo eenvoudig is de zaligheid van Gods kant vandaan.
Het is een heerlijk antwoord: Onze Heere Jezus Christus, Die ons van God tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en tot een volkomen verlossing geschonken is. Het is bijna letterlijk, en zakelijk is het geheel, 1 Korinthe 1 : 30, zoals we dat voorgelezen hebben. Het gaat om het eeuwig welbehagen van de Vader, dat Hij Jezus Christus in deze wereld heeft gezonden om verzoening door voldoening teweeg te brengen.
Dan kan het ons duidelijk zijn uit 1 Korinthe 1 dat het gaat om Jezus Christus, de Gekruisigde. Ik heb er vanmorgen iets van gezegd: "Doch wij prediken Christus, den Gekruisigde, den Joden wel een ergernis, en den Grieken een dwaasheid; Maar hun, die geroepen zijn, beiden Joden en Grieken, prediken wij Christus, de kracht Gods, en de wijsheid Gods" (1 Kor.1:23-24). De Jood heb ik vanmorgen gezegd, dat is de mens, de religieuze mens, de Griek dat is de intellectuele mens. De vernederde Christus is voor beiden een ergernis. Jezus Christus is alleen zoet en dierbaar voor het verslagen hart, voor de verbrijzelde geest.
Wanneer dit hoofdstuk spreekt over: den Joden wel een ergernis, dan wil ik dit nog zeggen: de Joden wilden een Messias, Die in glorie zou nederdalen. De verwachting is zelfs letterlijk zo geweest, dat ze een Middelaar verwacht hebben, Die in donder en bliksem met zeer grote tekenen uit de hemel rechtstreeks neder zou dalen. Wel gemeente, we kunnen ook Jood zijn en we kunnen ook Griek zijn, heb ik vanmorgen gezegd, als christen, laten we daar nu dus verder niets over zeggen.
De grote vraag is vanavond: hebt u een Verlosser, hebt u een Zaligmaker nodig gekregen? En is het alzo, dat we door de Heilige Geest zo diep vernederd zijn, dat we zalig willen worden uit een Ander? Want er kan zoveel weerstand zijn tegen het zalig worden uit een Ander. Van het zalig worden uit niets in onszelf, heeft een professor eenmaal gezegd, in zijn vijandschap tegen vrije genade: "mijn portie voor Fikkie". Waarmee bedoeld wordt, dat de hoogmoedige mens ten diepste niet wil dat een ander zijn schuld boet, hij zal het zèlf wel dragen. Maar we zullen het in der eeuwigheid niet kùnnen dragen.
Ik wil heel praktisch zijn, het gaat er om, of het met u al zover gekomen is, dat u door de werking van de Heilige Geest verwaardigd zijt geworden om naar een zaligheid uit te zien buiten uzelf. Of, zoals de vrager in de catechismus, die iets heeft geleerd van de diepe val in Adam. Die heeft geleerd wat hij verloren is: het beeld Gods, de kennis, de gerechtigheid en de heiligheid.
De vraag is heel praktisch gemeente, of u zielsworstelingen kent. Of deze vraag ten diepste een zieleworsteling is: Wie is dan deze Middelaar? Waar kan ik een Verlosser vinden? Hoe wordt ik van mijn schuld verlost? Hoe krijg ik een Borg? Hoe krijg ik een Middelaar? Hoe is er een Plaatsbekleder voor mij heel persoonlijk te vinden? Is Jezus Christus ons al eigen geworden, geliefde gemeente, is er al een uitzien in ons leven geboren? Is er al iets bewerkt door de Heilige Geest in onze harten waardoor er de noodzaak gekomen is voor een Middelaar, laat ik het nader mogen zeggen, de noodzaak voor Jezus Christus? Is Hij in ons leven al geworden, niet alleen noodzakelijk, maar ook dierbaar en gepast.
Er wordt gesproken over Jezus Christus, Die ons geschonken is van God. Het gaat dus heel persoonlijk over ons. Maar wanneer ik het vuur nà aan uw schenen leg vanavond, in een toepasselijk woord, dan moeten we elkaar ook vragen: is Hij mij geschonken van God tot wijsheid, rechtvaardigheid en heiligheid en tot een volkomen verlossing?
Het gaat er om dat de Heere Jezus Christus persoonlijk toegepast wordt door de Heilige Geest. Een algemeen geloof zal ons niet kunnen redden, brengt voor ons geen gerechtigheid mee, brengt voor ons geen heiligheid mee, zal voor ons geen verlossing meebrengen. Dat kan alleen maar het allerpersoonlijkste geloof, in de toeëigening: die mij geschonken is. Zoals de catechismus namens de gehele Kerk spreekt: die ons gegeven is tot gerechtigheid, tot heiligheid en tot een volkomen verlossing. Dan worden daar niet zo maar willekeurige zaken genoemd: Die ons geworden is tot wijsheid, tot rechtvaardigheid, tot heiligmaking en tot verlossing.
Het gaat in vraag en antwoord 18 om dezelfde zaken als in onze tekst uit 1 Korininthe 1. Het is een samenvatting van alles wat wij verloren hebben in onze val in Adam, namelijk het beeld van God, de kennis, de gerechtigheid en de heiligheid, die we eenmaal in een oorspronkelijke zin, zèlf gekregen hebben van de Heere God en die we schromelijk verloren zijn door de zonde.
Wanneer dan de weg van zaligworden ontsloten wordt in Christus Jezus, wordt er in dit antwoord in de eerste plaats gezegd Wie Jezus Christus is, namelijk de tweede Adam. De enige Volmaakte, Waarin het beeld Gods nog zichtbaar is, Waarin het beeld van God volmaakt uitstraalt. De Medegenoot van God de Vader, de Partner Gods zouden we kunnen zeggen. Jezus Christus, Die uit Maria geboren is als de Mens, de enige Mens hier op aarde na de zondeval, Waar God de Vader mee om kan gaan in wijsheid, in gerechtigheid en in heiligheid.
Dan gaat het om dit gegeven, dat Jezus Christus ook voor de Vader, in Zijn vleeswording, de Enige hier op aarde geworden is, Waarin God een welgevallen kon hebben. Over Wiens leven is uitgeroepen: "Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb!" (Mat.3:17).
Dan gaat het er niet in de eerste plaats over, hoe dat beeld in een zondaar hersteld wordt, maar hoe dat beeld dat wij verloren zijn, in een Ander aangetroffen wordt. Dat heerlijke Godsbeeld in Jezus Christus, namelijk in ware kennis. Het gaat er om dat alles wat ik mis, in die dierbare Jezus Christus ligt, in die Borg, in die Middelaar. Plaatsbekledend in die Heiland, in die Messias. Jezus Christus in ware kennis.
Het gaat er om dat Hij het is, Die God als Zijn Vader volmaakt kent. Op een volkomen en volmaakte wijze met God omgaat. Jezus Christus is geworden, de Enige in de wereld bij Wien het waarachtige kennen is van de Vader. Bij wien het waarachtige enige kennen is, in de volle overgegevenheid, in de volmaakte liefde. Een zaak niet van het hoofd van de Heere Jezus alleen, maar een zaak van het hart, dat is, in volmaakte liefde. De Zoon Gods Die in de schoot des Vaders is, Die ons gegeven is tot wijsheid, dat betekent ten slotte dat Hij, Die de Vader kent, Zijn discipelen van die kennis ook mededeelt door Zichzelf. Het gaat om Jezus Christus, Die zo de Vader gelijkvormig is in wijsheid, in gerechtigheid en in heiligheid, dat Hij kon zeggen: "Die Mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien" (Joh. 14:9).
Dan wordt ons EEN voorgesteld, tussen de duizenden ongehoorzame mensen, tussen de miljoenen ongehoorzame mensen. De Ene volmaakt Gehoorzame, namelijk Jezus Christus: "Die gehoorzaamheid geleerd heeft, uit hetgeen Hij heeft geleden" (Hebr.5:8). Dan wordt ons de volmaakt Rechtvaardige voorgesteld. Dat is de Enige, Die hier in de wereld is geweest, Die het gebod des Vaders nooit overtreden heeft.
Die niet alleen onderworpen is geweest, maar volmaakt onderworpen. Meer nog, die eenswillens geweest is aan de Vader, zelfs in de bangste uren. In de diepe verzoeking in de woestijn, toen de satan Hem tormenteerde, is Hij nòg de Rechtvaardige gebleven. Hij is het ook gebleven in de Hof van Gethsémané, in Zijn gebedsstrijd in Gethsémané, waar Hij moest bidden, beangst en benauwd geworden zijnde: "Abba Vader! alle dingen zijn U mogelijk; neem deze drinkbeker van Mij weg, doch niet wat Ik wil, maar wat Gij wilt" (Mark. 14:36). Wat is er een zonde geboet in dat gebed, geliefde gemeente.
De catechismus juicht: er is er Eén Die kan bestaan voor Gods aangezicht. Het is precies wat de ziel nodig heeft, dat we eerst Iemand moeten hebben, Die kan bestaan voor Gods aangezicht, en dat ik later in zondag 7 met het geloof me aan die Borg, die Middelaar vast mag klampen. Het gaat om Jezus Christus in Zijn volmaakte gehoorzaamheid, in Zijn volmaakte gerechtigheid. Want immers: gehoorzaamheid is gerechtigheid en gerechtigheid is gehoorzaamheid. Hij, Die gebeden heeft: "Abba, Vader! alle dingen zijn U mogelijk", maar Die ook gebeden heeft: "Niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede".
Ik kan het niet laten om die tekst nog een keer te noemen: "Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is" (1Tim.1:15). Nu staat er van deze wereld geschreven, dat de Heere van boven naar beneden zag of er iemand was, die goed deed. Na de zondeval zijn de zon, de maan en de sterren er tot verlustiging van God, zij hebben niet gezondigd. Maar deze wereld, bevolkt met miljoenen mensen, deze wereld is juist de zondigste plaats, de plaats waar verzoening nodig is. "De HEERE heeft uit den hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien, of iemand verstandig ware, die God zocht. Zij zijn allen afgeweken, te zamen zijn zij stinkende geworden; er is niemand, die goed doet, ook niet een" (Ps.14:2-3).
Het gaat om het grote wonder, in Jezus Christus is er Een in de wereld gekomen, Die volmaakt gehoorzaam was. Waar God mee om kon gaan, zonder dat er een Middelaar tussen was. Want God kan wel omgaan met Zijn kinderen maar nooit zonder Middelaar. Maar met de Zoon kon Hij omgaan, Die gehoorzaamheid geleerd heeft uit hetgeen Hij geleden heeft en geheiligd zijnde een oorzaak geworden is van onze zaligheid.
Dan gaat het om Jezus Christus, Zijn wijsheid en Zijn gerechtigheid. Zal ik die twee zaken eens samenvoegen? Die de hoge prijs betaald heeft op de betaaldag van de Kerk, op Goede Vrijdag. In wijsheid en in gehoorzaamheid, in kennis en in gerechtigheid, de ganse schuld van de Kerk verzoend heeft in Zijn lichaam en in Zijn ziel, in bittere Godsverlating. Betalende gerechtigheid geweest is voor arme zondaren. In Zijn werkverbond, ik zeg dit maar zo, in Zijn werkverbond met de drieënige God, staande is gebleven in de gehoorzaamheid van de vrederaad Gods, voor een volk dat het werkverbond verbroken had.
Het gaat er om dat Christus er geweest is, Die zo gehoorzaam geweest is, Die niet alleen geleden heeft, maar Die zelfs de laatste druppel gedronken heeft uit de lijdensbeker. O God, "hoe worde Ik geperst, totdat het volbracht zij!" (Luk.12:50). Het moet u eerst maar eens voorgesteld worden gemeente, dat ìn Jezus Christus niet alleen veel is voldaan, maar dat alles voldaan is, in een volmaakte gehoorzaamheid. Zodat Hij, toen Hij geperst is totdat alles volbracht was, nadat Hij uitgeroepen had: "Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten?" (Matt.27:46), ook uit heeft kunnen roepen: "Het is volbracht!" (Joh.19:30).
Wat zullen we zeggen van de heiligheid van de Heere Christus? Onze Heere Jezus Christus, Die ons van God tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en tot een volkomen verlossing geschonken is. Als hier over heiligmaking gesproken wordt, gaat het in deze zondag nog niet zo zeer in de eerste plaats om de toepassing. Eerst moet er maar eens gezegd worden, dat Hijzelf de volmaakt Heilige geweest is voor de Vader.
O, wat denk ik dan aan die heerlijke geschiedenis toen Hij een kind was. Toen was Hij toch ook Borg en Middelaar, de Gegevene van de Vader? Wat is Hij toen in de plaats gaan staan van zondaren, toen Hij als Kind al uitgesproken heeft: "Wist gij niet, dat Ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders?" (Luk.2:49). Beschouw de Heere Jezus eens heilsbevindelijk, gemeente. Druk die Zaligmaker eens aan uw hart. Die tenslotte, als Man der smarten op Golgotha met de nagels aan het kruis gekruisigd, ook toen nog in dezelfde gestalte was, in dezelfde gezindheid. Toen de spotters gehoond hebben: "Indien Gij de Christus zijt, verlos Uzelven en ons" (Luk.23:39). O, toen had de Heere Jezus ook kunnen zeggen: "Maar wist gij niet, dat Ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders?"
Wat zullen wij zeggen over de heiligheid van de Heere Jezus Christus. Hij is de Volmaakte, zonder smet en zonder rimpel. In Wiens mond geen bedrog gevonden is. Die als Hij leed, niet dreigde, maar als een schaap ter slachting werd geleid, dat stom is voor dengene die hem scheert (Jes.53).
O, wat een wonder van die Ene, Die in deze wereld geweest is tussen duizenden goddelozen, miljoenen goddelozen. Die zo geheel gekluisterd was in een vrijwillige, heilige gehoorzaamheid aan Zijn Vader, dat Hij volmaakt kon zeggen wat David eenmaal geprofeteerd had: "Want de ijver van Uw huis heeft Mij verteerd" (Ps.69:10). Dan gaat het om de Middelaar Die voorgesteld wordt. Onze Heere Jezus Christus, Die in deze wereld gekomen is, zoals Psalm 40 het zegt: "Zie, Ik kom; o Mijn God! om Uw welbehagen te doen; Uw wet is in het midden mijns ingewands" (Ps.40:8-9).
Wel gemeente, het gaat in onze zondagsafdeling om de Heere Jezus Christus. Wat hier van de Heere Jezus Christus gezegd wordt zal op een andere plaats breedvoeriger aan de orde komen, zodat het genoeg is, wat er over gezegd is voor deze avond. Maar wat er nog wel gezegd moet worden, dat is: welgelukzalig die hier iets van mag kennen bij bevinding, van de toeëigening, die ons van God geschonken is, zegt de catechismus, tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en tot een volkomen verlossing.
Het gaat hierom dat men in het Oude Testament, popelend heeft uitgezien naar deze Christus, naar deze Middelaar, naar deze Verlosser. Ze hebben popelend uitgezien, alle heiligen vanaf Adam en Eva in het paradijs, tot de laatste die is ingegaan, tot Simeon die de Heere verwachtte en noem ze maar op. Dan gaat het om die geweldige zaak: Hij is gekomen. Maar daar tegenover, Hij is ons geworden.
Het gaat toch ook niet buiten de toepassing om. Welzalig die de inhoud van deze tekst uit Korinthe, die de inhoud van deze catechismus, mag kennen bij bevinding. Dat wordt geleerd in een weg van afsnijding van onszelf, in een weg van omkomen met onszelf. Het is zo hardgrondig nodig in onze levens dat we leren, dat al wat er in Christus is, in ons zelf absoluut nìet is. Ik wil heel praktisch zijn, er moet een wanhopen komen aan onszelf, opdat nu deze Jezus Christus noodzakelijk wordt, vanuit de zelfkennis dat we zelf alle wijsheid verloren hebben. Dat deze Jezus Christus noodzakelijk wordt vanuit de zelfkennis, dat we alle gerechtigheid, die God ons gegeven had in het paradijs, verloren hebben. Vanuit de zelfkennis, dat we alle heiligheid verloren hebben. Vanuit de zelfkennis, dat we zelf nooit zonder Verlosser zalig kunnen worden.
Nu wordt er gesproken: die ons geschonken is. Dat schenken en toepassen zal nader verklaard worden in zondag 23. Maar laat ik er vanavond dit van mogen zeggen, dat Psalm 102 er van spreekt, dat God Zichzelf wegschenkt aan een gans ontbloot schepsel. Het is zo nodig dat we tot 'niet' worden. O, wat is een mens dwaas in de weg van bekering. We denken dat we groeien moeten. We denken dat we geschikt moeten worden. We denken dat we iets mee moeten brengen. We denken dat we iets moeten doen. We denken dat we moeten helpen. Dat wordt allemaal afgesneden van Gods kant.
Ik wens u toe dat u door de Heilige Geest, door de ontdekkende kracht van de Heilige Geest ontdekt mag worden aan onze gerechtigheid-loosheid, aan onze heiligheid-loosheid, aan onze wijsheid-loosheid. Dat we dwazen zijn, dat we goddelozen zijn, dat we besmeurd zijn en dat we besmet zijn. Het is zo nodig, dat we niet alleen zondaren worden voor God door ontdekking, maar het is ook zo nodig, dat we armmakende genade bij de ontdekkende genade krijgen. Opdat we ook leren al onze leunsels en al onze steunsels op te geven. Armmakende genade, geliefde gemeente, armmakende genade!
Dat we eens afleren het in onszelf te zoeken, afleren om nog mee te willen helpen zelfs. Het is nodig dat we voorwerpen worden van vrije genade en het is ook zo nodig dat we er iets van leren om schuldenaar te worden aan vrije genade. En schuldenaar te blijven tot in der eeuwigheid aan vrije genade. Het is een weg, ik heb het al meer gezegd, van afgebroken worden, het valt niet mee. We wensen overkleed te worden. We willen niet naakt bevonden worden. We willen niet ontkleed worden zegt de apostel (2 Kor.5:2-4). Maar het is zo nodig dat we tot niets worden, opdat niemand roeme. "Opdat het zij, gelijk geschreven is: Die roemt, roeme in den Heere" (1 Kor.1:31).
We moeten verlost worden van alles waarmee we onszelf omhangen, om nog enigszins aangenaam te zijn voor God. Wat zijn we bezig om ons aannemelijk te maken voor de Heere. Wat wringen we ons in duizend bochten ook in ons gebedsleven. Wat wringen we ons in bochten van bevinding. Maar zalig, wanneer we afgesneden worden. Wanneer we niet alleen zondaren worden, maar ook naakte zondaren voor God. Dat er niets meer overschiet dan ongerechtigheid, onheiligheid en dwaasheid voor God. Dat is zo nodig, wil God ons Jezus Christus schenken tot wijsheid, tot rechtvaardiging, tot heiliging en tot een volkomen verlossing.
Laat ik het heel kort mogen zeggen, het bloed van de Heere Jezus Christus, Gods Zoon, dat is zulk een dierbaar hartebloed. Het wordt niet besteed aan onze kleding, het wordt alleen toegepast aan naakte zondaren. En daar wordt de reinigmakende kracht ervaren, door een zondaar die tot niets geworden is. Daarom is het evangelie zo krachteloos onder ons, daarom wordt er zo weinig geloof gevonden. Daarom wordt Christus Jezus zo weinig omhelst. We zijn niet te slecht gemeente, maar we zijn nog veel te goed. We bouwen onszelf duizend maal liever op in een eigen gerechtigheid. We bouwen onszelf duizend maal liever op in een bepaalde wettische betrachting. We willen het zelf kunnen en we willen het zelf doen.
O, wat worden er een uren besteed, bevindelijk, bevindelijk hoor gemeente, en ik smaal er niet op, dat we ons rekenboekje, ons geestelijke rekenboekje weer hanteren. Dat we de weldaden van God op gaan schrijven en een streep eronder zetten om ze op te tellen, of we er mee verschijnen kunnen voor God, maar er komt een nul uit. Dat wil zeggen er moet eens een keer een nul uit komen in onze levens. Wat zijn we duizend keer, wat ben ikzelf duizend keer bezig geweest om op te bouwen en het lukte nog ook.
Maar het moet gebeuren, dat het eens een keer ganselijk mislukt. Comrie noemt dat, dat we eens 'voor God in de dood vallen'. En daar wordt het leven gevonden. Want laat ik u mogen zeggen dat Jezus Christus in de wereld gekomen is om zondaren zalig te maken. Ik heb het niet één keer ervaren, maar meerdere malen. Als ik maar een zondaar was, dan heb ik het gemerkt dat Jezus Christus in de wereld gekomen is, om zondaren zalig te maken. Hij heet Zaligmaker, Hij doet niet liever dan zalig maken.
Maar waarom worden er nu zo weinigen zalig in deze wereld? Omdat er zo weinigen 'zondaar' zijn. Wat heeft die dierbare Zaligmaker toch weinig werk in deze wereld. O, wat een genade zou het zijn, geliefde gemeente, wanneer we maar meer zondaar mochten worden voor Gods aangezicht. O, Gods volk, dat er iets van heeft leren kennen, dat ze toch maar weer opnieuw mocht leren kennen, zóndaar te zijn. Want dat volk klimt zo gauw in de boom. Maar het is nodig, telkens weer, niets te zijn, niets te zijn in ons eigen oog voor God.
Als een zondaar voor het eerst kermt, werkelijk kermt, wanneer een zondaar bij vernieuwing leert om te kermen uit zijn 'niets zijn' in de beleving, uit zijn onwaardigheid, dan wordt het ervaren voor het eerst en bij vernieuwing, dat God zo'n kermer niet laat doorkermen. Dan wordt het ervaren dat Jezus Christus geschonken is, voor alles wat ik nu zelf net mis. Voor mijn dwaasheid is Hij wijsheid geworden. Voor mijn goddeloosheid is Hij gerechtigheid geworden. Voor mijn onmacht is Hij heiligheid geworden en tot een volkomen verlossing in de toekomst. Om ook mijn hart en mijn lichaam eenmaal volkomen te verlossen en met elkaar te verenigen. Dan zal ook het verderfelijke onverderfelijkheid aandoen. En dan zal het sterfelijke onsterfelijkheid aandoen.
Laat ik het met eerbied mogen zeggen, erger er u niet aan: mijn ziel moet tot niets worden, maar ook mijn lichaam moet eerst tot niets worden, wil het door die dierbare Heiland, door die Verlosser bezocht worden. Om de verderfelijkheid onverderfelijkheid aan te doen en de verwelkelijkheid onverwelkelijkheid aan te doen.
Wat een zaligheid: Jezus Christus! Mijn dwaasheid staat tegenover Zijn wijsheid, mijn goddeloosheid tegenover Zijn gerechtigheid, mijn onheiligheid tegenover Zijn heiligheid. En dan die volkómen verlossing. Want, één ding ervaren we ook, wanneer we iets kennen van dat zaligmakende werk, van dat bevrijdende werk, van dat verlossende werk van Jezus Christus. Dat de tong van een onverlost schepsel te klein is, te kort, om Gods lof groot te maken. Daar is de eeuwigheid voor, daar is de verlossing voor en daarom staat er geschreven, niet alleen tot een verlossing, maar tot een volkomen verlossing. Dat wil dit zeggen: in mijn beste ogenblikken heb ik de beperktheid ervaren van mijn ziel, heb ik de beperktheid ervaren van mijn lichaam. In mijn beste ogenblikken heb ik de ontoereikendheid van mijn tong, mijn oren, mijn ogen bemerkt.
Dan gaat het er om, dat Jezus Christus geschonken is ook tot een volkomen verlossing. Om eenmaal Zijn naam dan ook volkomen groot te maken tot in der eeuwigheid. De drieënige naam, de naam des Vaders, en de naam des Zoons en des Heiligen Geestes. De Heilige Geest moge ons er maar veel in onderwijzen, ons tot niet maken, geliefde gemeente.
Bidt maar veel, het gaat tegen vlees en bloed in, maar bidt maar vaak tegen vlees en bloed in, om ontdekkende genade, hernieuwde ontdekkende genade, armmakende genade en nog eens hernieuwde armmakende genade. Aan zondaren kan God Zijn genade kwijt. Jezus Christus is in de wereld gekomen om zondaren zalig te maken. Dat is een getrouw woord en aller aanneming waardig. Maar dan moeten we ook weer eens zover komen: "Van welke ik de voornaamste ben" (1 Tim.1:15).
Ik wens het u toe, veel ontdekkende genade, veel armmakende genade. Dan zal er zeker ook zijn: vervullende genade. Want de Heere heeft het beloofd hoor, als er zulke zielen zijn: 'Dat wat Zijn hand begonnen is, Hij dat ook voltooien zal. Hij laat nooit varen de werken Zijner handen' (Ps.138:8).
Hebt u er een beetje kennis aan, God is getrouw, Hij zal zeker Zijn woord vervullen. Hij, Die het ene doet zal het andere niet nalaten. Hij maakt het land begerig om het dan ook te verzadigen met regen. Hij maakt de zielen dor, om ze te verzadigen met de Heilige Geest. Hij heeft het gesproken en zo waar als Zijn woord is, zo waar is God en zo waar als God is zo waar is ook Zijn woord. "Zou Hij het zeggen, en niet doen, of spreken, en niet bestendig maken?" (Num. 23:19).
Dan heeft de Heere het ook gezegd: "Zou ik de baarmoeder openbreken, en niet genereren?" (Jes.66:9). Vraag maar veel ontdekkend licht, armmakende genade om tot niets te worden. Hij, Die het ene werkt zal ook het andere werken.
O, het is zo goed om grondig, grondig afgesneden te worden door de gerechtigheid Gods. Om ook grondig te leren verstaan de barmhartigheid Gods in Christus Jezus onze Heere. Het is zo nodig en het is zo nuttig om niet alleen christen te zijn in de hoop, maar ook dat de Kerk des Heeren weer eens mocht ontwaken in de verzekering des geloofs in de kennis van die Zaligmaker. In de genade van die Zaligmaker. Laat het dan ook niet voor niets gezegd zijn in de Schrift: "Maar wast op in de genade en kennis van onzen Heere en Zaligmaker Jezus Christus" (2 Petr.3:18).
De catechismus zal straks verder gaan, zal het gaan verklaren waarom deze Middelaar Jezus genoemd wordt: Hij zal Zijn volk zalig maken van al hunne zonden, dat is vervullen, dat is troosten! Hij geeft moed aan moedelozen, Hij geeft kracht aan krachtelozen, Hij schenkt de zaligheid aan rampzaligen. AMEN