ZONDAG 6
Vraag en antwoord 19
Psalm 132 : 5,6
Psalm 56 : 5
Psalm 19 : 1,4
Psalm 19 : 5
Psalm 139 : 14
Hebreën 1
Onze tekstwoorden voor vanavond, grondslag voor ons catechismusonderwijs, vindt u in het voorgelezen schriftgedeelte Hebreën 1 : 1
God, voortijds veelmaal en op velerlei wijze, tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon;
Aan de beurt van behandeling van onze catechismus is vraag en antwoord 19
19. Vr. Waaruit weet gij dat?
Antw. Uit het heilig Evangelie, hetwelk God Zelf eerstelijk in het paradijs heeft geopenbaard, en daarna door de heilige patriarchen en profeten laten verkondigen, en door de offeranden en andere ceremoniën der Wet laten voorbeelden, en ten laatste door Zijn eniggeboren Zoon vervuld.
Dit is ook weer zo'n vraag, geliefde gemeente, zo'n vraag die wat eenvoudig aandoet. Om die nu op te nemen in het vragenboek van de kerk: Waaruit weet gij dat, dat Jezus Christus de Verlosser en Middelaar is? Dat doet wel een beetje eenvoudig aan. Het antwoord trouwens ook: Uit het heilig Evangelie, hetwelk God Zelf eerstelijk in het paradijs geopenbaard heeft, en daarna door de heilige patriarchen en profeten laten verkondigen, en door de offeranden en andere ceremoniën der Wet laten voorbeelden, en ten laatste door Zijn eniggeboren Zoon vervuld.
Eigenlijk vragen we ons vanavond ook af, moeten we daar nu een vraag en antwoord aan besteden? Deze vraag en dit antwoord is veel belangrijker dan u denkt. Dit is net zo iets als die andere vraag in de catechismus, waar gevraagd werd: Waaruit kent gij uw ellende? Ik heb u er toen op gewezen hoe belangrijk het is, vanwaar onze ellende-kennis gekomen is. Zoveel te meer is het belangrijk vanwaar onze kennis, onze persoonlijke kennis aan de Verlosser en Middelaar, de Heere Jezus Christus, gekomen is. Het is meteen ook heel belangrijk met het oog op wat straks gaat volgen: het geloof dat gewerkt wordt door Woord en Geest.
Het gaat vanavond om een heel belangrijke vraag en een heel belangrijk antwoord, ook in ons persoonlijk leven: Waaruit weet gij dat, dat de Heere Jezus gegeven is? En om dan recht te doen aan het antwoord van vorige week, met toeëigening, ons van God gegeven is tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en tot een volkomen verlossing.
Het gaat om niet minder dan de leer van de Heilige Schrift. Het gaat niet om een Verlosser, het gaat niet om een Middelaar, maar het gaat er om of Hij persoonlijk onze Heere Jezus Christus is, Die óns van God geschonken is als onze Verlosser en Middelaar. En daar sluit deze vraag op aan.
Waaruit weet gij dat? Er zijn zoveel verschillende antwoorden op deze vraag te geven. Had de catechismus deze vraag niet beantwoord, dan hadden we daar zèlf een antwoord op moeten geven. Dan dreigen er vreselijk grote gevaren. Als wij zelf antwoord moeten geven: Waaruit weet gij dat? Om dan maar één antwoord naar voren te brengen vanavond, nog niet eens het slechtste antwoord. Dan zou misschien iemand geneigd zijn te zeggen: 'ik weet dat uit mijn bevinding'.
Misschien, en het zou zo'n kwaad antwoord nog niet zijn, zou iemand zeggen: 'zo heb ik het van de Heere geleerd!' Het zou best mogelijk zijn dat we een hand op ons hart zouden leggen en zouden zeggen: 'dat weet ik hier van binnen'.
Maar weet u, het gaat er om dat de reformatie het inwendige licht als kenbron afgewezen heeft. De reformatie heeft dat terecht afgewezen, want waar de kenbron van Jezus Christus, Middelaar en Verlosser, voortspruit buiten de Schrift, dus uit inwendig licht, daar liggen álle dwalingen op de loer. Met name Luther heeft daarin stelling genomen, in een heilige verontwaardiging als het ware, heeft hij met de vuist op tafel geslagen en gezegd: 'Sola Scriptura', alleen de Schrift. Zoals de kennis van onze ellende uit de Schrift geleerd wordt, zo wordt ook onze verlossing uit de Schrift geleerd.
We moeten ons wel realiseren, dat het antwoord niet is: Uit de Schrift, maar uit het heilig Evangelie. Er is niet altijd een geschreven Evangelie geweest, maar het gaat om de verkondiging, om het spreken Gods en het Zichzelf openbaren van God aan de Kerk. Van het begin der wereld tot aan het einde, zolang er een kerk is, door Jezus Christus vergaderd, beschermd en onderhouden.
Waaruit weet gij dat? Uit het heilig Evangelie. U weet wat het woord Evangelie betekent, of misschien weet u het nog niet. Meestal wordt het vertaald met: blijde boodschap, maar dat is niet juist. Evangelie betekent: goede boodschap. Het gaat er om dat het God Zelf is, Die deze boodschap spreekt tot zondaren.
Het eerste woord waarmee Hebreën 1 begint is: God. Het is God Zèlf die Zich openbaart in Zijn barmhartigheid. Daarom is het zo geweldig schoon gezegd: Waaruit weet gij dat? Uit het heilig Evangelie. De catechismus gaat als het ware de historie door hoe het Evangelie zijn loop begonnen is in deze wereld, hoe het Evangelie zijn loop gehad heeft onder zondaren.
Waaruit weet gij dat? Uit het heilig Evangelie hetwelk God Zelf eerstelijk in het paradijs geopenbaard heeft. Het is zo'n heerlijk antwoord, gemeente, het wordt heel liefelijk aangewezen, het Evangelie, dat is dáár begonnen, waar de eerste zondaren God verspeeld hadden, als ik het zo mag zeggen. Daar begint het kostelijke Evangelie, hetwelk God Zelf eerstelijk in het paradijs geopenbaard heeft. Daar zit ook voor ons een liefelijke evangelieprediking in. U weet het, Adam en Eva hadden gezondigd. Wat zullen er veel tranen geschreid zijn, wat zullen ze op dat moment arm geworden zijn, nameloos arm buiten God.
Moeder Eva waarom weent gij zo?
Ach, ik heb niet anders dan tranen meer,
al het andere liet ik achter in het paradijs.
Wat denkt u dat God toen heeft gedaan? God heeft Zich geopenbaard aan zondaren. Daar zit ook voor ons een heerlijk Evangelie in. Laat ik er iets van mogen zeggen, we belijden dat de Heere niet laat varen het werk Zijner handen. God heeft Zijn schepsel niet losgelaten, maar heeft gevraagd: "Waar zijt gij?" Toen werd Eva verwaardigd om te zeggen: o God, ik ben zo'n ongelukkige dwaas, die slang heeft gesproken en ik heb gegeten.
En Adam mocht het zeggen: o God, ik ben zo ongelukkig, die liefdegave die Gij mij gegeven hebt, die vrouw heeft mij verleid en ik heb gegeten. Toen heeft de Heere gesproken, tot een boetvaardige zondaar, tot een berouwvolle zondares die niet meer wist hoe het moest. Toen zij het zelf niet meer konden en wanneer u het eindelijk zelf niet meer kunt, wanneer onze geestelijke overwegingen eindelijk eens in de rode cijfers komen, wat een zegen, dàn spreekt God: "Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; datzelve zal u den kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen" (Gen.3:15). Het wordt de moederbelofte genoemd.
Dat betekent dat in die ene belofte, de gehele zaak besloten lag. Ook al heeft God de naam niet uitgesproken voor de oren van Adam en Eva, er zou een Middelaar en Verlosser komen. Vanuit die éne belofte konden Adam en Eva zalig worden.
O besef eens gemeente, wat één waarachtige belofte kan doen in onze levens. In die ene belofte zijn Adam en Eva zalig geworden, daar lag alles in opgesloten. Daar lag alles in wat gesproken is tussen Genesis 1 en Openbaring 22, het is een uitwerking van die moederbelofte, van die vijandschap die God gezet heeft tussen Eva en de slang. We komen dat zowel in Genesis als in Openbaringen tegen. Dan is de slang gegroeid, de satanische macht is toegenomen, het is een monster geworden die de Bruid van Christus achtervolgt. O die moederbelofte, van Jezus Christus in het Oude Testament geopenbaard als 'de komende' en in het Nieuwe Testament als Hij, 'Die gekomen is'.
De catechismus wijst op de patriarchen. Ik denk aan Abraham die uit de afgodendienst geroepen is door één woord van God, het zondeleven afgebroken, en geroepen om de belofte te baren, de Zoon voort te brengen. Abraham, o, de kracht van dat woord, geroepen uit de duisternis. Denk niet te goed van Abraham zoals hij daar woonde in Ur der Chaldeën. We lezen het in de Schrift dat hij metterdaad gevangen was in de afgodendienst. Later moesten zijn nakomelingen het belijden, het Abraham nazeggen: "Mijn vader was een bedorven Syriër" (Deut.26:5).
Maar die Goddelijke kracht van het Woord, die reddende kracht tot bekering. Die behoudende kracht van het Woord, waarin God Zich openbaart: barmhartig, genadig, lankmoedig en groot van goedertierenheid. God is doorgegaan met spreken, het heilig Evangelie is verkondigd door Zijn dienstknechten. Onder het Oude Testament waren dat de profeten. De Heere heeft het gezegd: "Ik heb tot u gezonden al Mijn knechten, de profeten, vroeg op zijnde en zendende" (Jer.44:4). Wat een zalige zaak. De profetieën, daar zit de dreiging in, ze spreken van het oordeel, maar ze spreken ook van Jezus Christus, Die komen zal. Wat zegt de Schrift van de profetieën, als het gaat om de kracht van de profetieën: "De profetie is voortijds niet voortgebracht door den wil eens mensen, maar de heilige mensen Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken" (2 Petr.1:21).
Waaruit weet gij dat? Als we die vraag eens iets anders gaan stellen, bevindelijk gaan stellen. Dan gaat het er om of we dat Woord hebben leren kennen in zijn kracht. Waaruit weet gij dat, dat Jezus Christus uw Middelaar is, van God geschonken tot rechtvaardigheid, heiligmaking en tot een volkomen verlossing? Uit het heilig Evangelie, hetwelk God Zelf eerstelijk in het paradijs heeft geopenbaard, en daarna door de heilige patriarchen en profeten laten verkondigen, en door de offeranden en ceremoniën der Wet laten voorbeelden.
Och, wat was dat Oude Testament dan al rijk. Duizenden bij duizenden offers zijn gebracht, maar ten opzichte van het Nieuwe Testament durf ik toch te zeggen: wat moest de grote rijkdom nog komen. Want nu kon je wel honderd brandoffers brengen, maar de Hebreënschrijver zegt een paar bladzijden verder, dat al die slachtoffers van stieren en bokken het geweten niet konden reinigen (Hebr. 9:9). Wie de geestelijke kant van zijn schuld had leren kennen, die had geleerd dat hij God beledigd had door zijn zonden. O, die heeft het gevoeld en die voelt het op de dag van vandaag nog: "Brandofferen noch offer voor de schuld, voldeden aan Uw eis, noch eer" (Ps.40:4). Het moet een Ander zijn die komen zal.
Johannes de Doper heeft het heerlijk aan mogen wijzen: "Zie het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegdraagt" (Joh.1:29). Geliefde gemeente, u kent de beeldspraak die er achter lag. Bij zo'n doorwaadbare plaats aan de Jordaan, zag je veel mensen lopen op weg naar de tempel met een lam op hun rug. Maar Johannes de Doper zag iets anders, hij zag een Lam gaan met een mens op Zijn rug. Wat zeg ik? Met de zonden van een mens op Zijn rug. Wat zeg ik? Met de schuld van een schare die niemand tellen kan uit alle geslachten, natiën en volkeren op Zijn rug. O, wat zijn er duizenden zalig geworden. "Zie het Lam Gods dat de zonde der wereld wegdraagt".
Het wordt ons gevraagd: Waaruit weet gij dat? Uit het heilig Evangelie, hetwelk God Zelf eerstelijk in het paradijs heeft geopenbaard, en daarna door de heilige patriarchen en profeten laten verkondigen, en door de offeranden en andere ceremoniën der Wet laten voorbeelden, en ten laatste door Zijn eniggeboren Zoon vervuld.
Om gevrijwaard te zijn voor de verderfengel, moest Israël schuilen achter het bloed. Wat zal het een kostelijke zaak geweest zijn voor de ware Israëliet om te mogen schuilen achter deurposten, die met bloed bestreken waren, en van daaruit te mogen weten, van daaruit te mogen geloven: "Wanneer Ik het bloed zie, zal Ik ulieden voorbijgaan" (Ex.12:13). Maar o, wat heeft God in de laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon. En wat zijn nu onze deurposten geworden waarachter we schuilen? Het kruis van Golgotha, Jezus Christus Zelf? O, te schuilen achter dat bloed!
De oudtestamentische kerk had dat in honderden dingen gehad, ceremonieel, maar de werkelijkheid moest nog komen. Ze hebben het op honderd manieren kunnen betrachten, altijd maar betrachten. Maar het geweten werd er niet door gereinigd. Wat is die nieuwtestamentische kerk dan toch bevoorrecht, wat bent ù toch bevoorrecht. Een zaak die gekomen ìs in Jezus Christus Die gekomen is. Een zaak die werkelijkheid geworden is: "Het Woord is vlees geworden". Dat wil zeggen: tastbare werkelijkheid. Zodat Johannes kan getuigen, maar zodat ook het geloof kan getuigen: "Hetgeen van den beginne was, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze ogen, hetgeen wij aanschouwd hebben, en onze handen getast hebben, van het Woord des levens; (Want het Leven is geopenbaard, en wij hebben het gezien, en wij getuigen, en verkondigen ulieden dat eeuwige Leven, Hetwelk bij den Vader was, en ons is geopenbaard.) Hetgeen wij dan gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben, en deze onze gemeenschap ook zij met den Vader, en met Zijn Zoon Jezus Christus" (1 Joh.1:1-3).
Dan gaat het om de heerlijke zaak, de voortschrijding in de openbaring. Dat, wat in het Oude Testament is beloofd, in het Nieuwe Testament is vervuld. Maar daarmede gemeente neemt ook onze verantwoordelijkheid toe. Zodat Hebreën ook zegt: 'Ziet toe, dat gij Dien Die spreekt, het Woord dat vlees is geworden en onder ons heeft gewoond, niet verwerpt' (Hebr.12:25).
Dan gaat het er om dat er zo'n zalige progressie geweest is, een voortschrijding in de openbaring. "Het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond" (Joh.1:14). Maar dan gaat het ook om de geloofskennis aan dat Woord, dat vlees geworden is. Dat Godslam dat zó vlees geworden is, dat Hij aan het kruis gehecht is en gedood. Dat Paaslam, Waarvan Paulus zegt dat Hij een vloek voor ons geworden is. Dan gaat het er om, of dat heilig Evangelie, die goede boodschap ook voor ons heel persoonlijk een blijde boodschap geworden is. Van zondeverzoening in het vlees van Jezus Christus, van zondedodende genade door de Geest van Jezus Christus. De voorliggende vraag is geweest, wie dan toch die Middelaar mocht wezen, wie dan toch wel die Verlosser mocht wezen? Onze Heere Jezus Christus, Die ons van God geschonken is tot wijsheid, tot rechtvaardigheid, tot heiligmaking en tot een volkomen verlossing.
Waaruit weet gij dat? Uit het heilig Evangelie. Wat legt dit dan een verantwoordelijkheid op ons. Ik lees van Augustinus, toen hij God ging zoeken, toen hij een Borg ging zoeken voor zijn schuld, toen hij een Middelaar en Verlosser ging zoeken, dat Augustinus eens ging ziften in de Schriften, of hij iets van Jezus vond. Wat een kostbare zaak, wanneer dat Woord in onze handen gelegd wordt, dan wordt ons meteen een vreselijke verantwoordelijkheid in de handen gelegd. Want in dat Woord zit toch zo'n kracht gemeente. Dat Woord van God, dat naakte Woord van God, voor een naakte zondaar en dan ook voor het naakte geloof, daarin ligt de zaligheid besloten. Ja, dan mag ik het zo zeggen, daarin ligt de Zaligmaker besloten, Jezus Christus in het gewaad van de Schrift.
Wat legt dat Woord een verantwoordelijkheid op ons. In tijden van vervolging hebben ze hun leven op het spel gezet voor het Woord. Ze hebben hun leven op de brandstapel laten brengen voor het Woord. Ik vrees wel eens gemeente, dat met de prijs van dat Woord, ook de waarde van dat Woord gedevalueerd is. Ik meen het nog gezegd te hebben tegen mijn catechisanten: het duurste boek dat je koopt laat je niet ongelezen liggen. Ze hebben dat Woord met hun bloed gekocht in tijden van vervolging.
Ik moet u vanavond een heel praktische vraag stellen. Wat is dat Woord van God ú waard? Zou u het werkelijk missen, als u het een dag niet had? Zou u het werkelijk gaan missen, als u het een week niet had? Zou u het echt missen, als u het een maand niet had? Maar dan bedoel ik écht 'missen'. Niet dat ons levenspatroon maar een beetje verstoord is, omdat we zo gewend zijn om te lezen aan tafel, om naar de kerk te gaan. Maar ik vraag u, of u al iets op het spoor gekomen bent van dat Woord, zoals David dat zegt:
Uw Woord kan mij, ofschoon ik alles mis,
Door zijnen smaak, èn hart èn zinnen strelen.
Gij weet mijn weg, en hoe mijn wandel is;
'k Wil niets daarvan voor U, mijn God, verhelen. (Ps.119:84 ber.)
Van het geloof worden straks twee zaken genoemd, niet alleen het Woord maar ook de Heilige Geest, Woord en Geest. In vraag en antwoord 19 onderwijst de catechismus ons in de kostelijkheid van dat Woord, niet zonder Geest maar mèt de Geest, biddend om de Geest.
Dat het de Heere moge behagen dat Woord te openen voor onze zielen. Dat Woord waarvan Jeremia zegt: "Als Uw woorden gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten, en Uw Woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap mijns harten" (Jer.15:16).
Ze zeggen weleens: dat lieve Woord, maar in de ontdekking durf je het haast niet op te slaan, zo scherp kan dat Woord in onze levens ingaan. Dan kan het een tweesnijdend scherp zwaard zijn. Ook niet zo vreemd, er staat ook van Jezus: "En uit Zijn mond ging een tweesnijdend scherp zwaard" (Openb.1:16).
Het kan zo nuttig zijn om tot niets gemaakt te worden door Woord en door Geest. Veel ontdekkende genade in onze levens, veel armmakende genade in onze levens. Maar als er dan een vermoeide, arme, ontdekte ziel verwaardigd wordt dat Woord te ervaren in zijn kracht, dan is dat Woord zo kostelijk: "Uw Woord kan mij ofschoon ik alles mis, Door zijne smaak, èn hart èn zinnen strelen".
Dat Woord, het is maar niet een mensenwoord. Wanneer dit Woord ervaren wordt in zijn kracht, dan is het met recht, het Woord van God. Dan zit er de kracht van God in, dan is het niet alleen een onderwijzend Woord, dan is het ook een herscheppend Woord. Zoals het in de schepping is geschied, zo geschiedt het dan door dat Woord. "God spreekt, en het is er; God gebiedt, en het staat er" (Ps.33:9). AMEN.