ZONDAG 12
Vraag en antwoord 32
Psalm 33 : 1
Psalm 35 : 9
Psalm 63 : 2,3
Psalm 68 : 7
Psalm 146 : 8
1 Petrus 2 : 1-12
Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechismusonderwijs, vindt u in 1 Petrus 2 : 9
Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht.
En dan vanavond uit de catechismus, zondag 12 en daarvan vraag en antwoord 32
32. Vr. Maar waarom wordt gij een Christen genaamd?
Antw. Omdat ik door het geloof een lidmaat van Christus en alzo Zijner zalving deelachtig ben; opdat ik Zijn Naam belijde, en mijzelven tot een levend dankoffer Hem offere, en met een vrije en goede consciëntie in dit leven tegen de zonde en den duivel strijde, en hiernamaals in eeuwigheid met Hem over alle schepselen regere.
Het is een heel belangrijke vraag, geliefde gemeente, dat wordt eigenlijk nog eventjes benadrukt, als er niet alleen gevraagd wordt: Waarom wordt gij een Christen genaamd? Maar als men daar zelfs nog een woordje voorgezet heeft: Maar waarom wordt gij een Christen genaamd?
Alle zaken in dit leven hebben zo hun eigen kenmerken. Om maar iets te noemen: er was een groep in de Heilige Schrift, we komen ze voornamelijk tegen in de Evangeliën, ze werden Farizeeërs genoemd.
Maar waarom werden zij Farizeeërs genaamd? Omdat zij drie bepaalde deugden hadden. In de eerste plaats hadden zij de deugd om aalmoezen te geven. Met ontzaglijk veel ophef liet men voor zich trompetten en dan kwam het heel plechtstatige moment, dat men een aalmoes gaf. Het tweede kenmerk van dat volkje was: ze vastten. En je kon heel goed zien, dat ze in een tijd niet gegeten hadden. Zij vastten, om zo de wereld en zijn begeerlijkheid te doen kruisigen. En men liep dan maar zo graag over de straat, want ze zeiden: je moet toch immers het goede voorbeeld geven. Het derde kenmerk was: bidden. Vreselijk lang en zelfs letterlijk op de straathoeken, op de ene hoek een gebed en op de andere hoek een gebed. Drie dingen waarin de Heere Zijn volk ook onderwijst.
Maar waarom wordt gij een Christen genaamd? Toen heeft de Heere Jezus over de kenmerken van de ware Christen gesproken: "Wanneer gij dan aalmoes doet, zo laat voor u niet trompetten, gelijk de geveinsden in de synagogen en op de straten doen, opdat zij van de mensen geëerd mogen worden. Voorwaar zeg Ik u: Zij hebben hun loon weg. Maar als gij aalmoes doet, zo laat uw linkerhand niet weten, wat uw rechter doet" (Matt.6:2-3). De Heere Jezus heeft ook gesproken over het vasten van het bedroefde hart: ga er niet mee op straat lopen, "Maar gij, wanneer gij bidt, gaat in uw binnenkamer" (Matt.6:6), daar hoeft een ander geen getuige van te zijn.
En wanneer de tijd aangebroken is, dat we die binnenkamer, die kostelijke plaats moeten verlaten, want een Christen is geen wereldvreemd schepsel: "Zo zalft uw hoofd, en wast uw aangezicht; Opdat het van de mensen niet gezien worde, als gij vast, maar van uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden" (Matt.6:17-18). "En als gij bidt, zo gebruikt geen ijdel verhaal van woorden, gelijk de heidenen; want zij menen, dat zij door hun veelheid van woorden zullen verhoord worden" (Matt.6:7). De Heere Jezus heeft het Zijn discipelen Zelf geleerd: "Gij dan bidt aldus: Onze Vader, Die in de hemelen zijt" (Matt.6:9), u kent dat gebed.
Zo liggen de kenmerken van de Kerk, van de ware Christen, niet in het openbaar, geliefde gemeente, maar die liggen in het verborgene. Maar de Heere Christus heeft tòch gezegd van die verborgen levens: "En uw Vader, Die in het verborgen ziet, Die zal het u in het openbaar vergelden" (Matt.6:4). Dan zal er toch iets afstralen van ieder die Christen genaamd wordt.
Hebt u er eigenlijk weleens op gelet, dat zelfs volkomen ongelovige mensen in hun spraakgebruik al laten merken dat ze goed weten wat het verschil is tussen echt en namaak op dat gebied? Iemand die totaal buitenkerkelijk is, die weet nog het nuanceverschil tussen iemand die christelijk genaamd wordt of een Christen. Men zegt van de een: dat is een christelijk mens, maar van de ander zegt men: het is een Christen.
En komt het hier op neer, we hebben dat uit Petrus wel gelezen,(1 Petr.2:12), dat het ongeloof niet zo gauw het geluk van de waarachtige Christen erkent, tòch is het er wel!
Maar waarom wordt gij een Christen genaamd? Dat is deze zaak, dat er toch een heel klein beetje uitstraalt in onze levens, niet van die farizeïsche uiterlijke kenmerken, maar van de innerlijke kenmerken van een ware Christen. Dat is, dat God enig herstel geeft van Zijn beeld in zulk een schepsel. Door de Heilige Geest wordt er in zo'n schepsel iets van dat Godsbeeld, van profeet, priester en koning te zijn, openbaar.
U weet nog wel wat vorige week de vraag was. Waarom is Hij Christus, dat is een Gezalfde, genaamd? Omdat Hij van God den Vader verordineerd is, en met den Heiligen Geest gezalfd, tot onzen hoogsten Profeet en Leraar, Die ons den verborgen raad en wil Gods van onze verlossing volkomenlijk geopenbaard heeft; en tot onzen enigen Hogepriester, Die ons met de enige offerande Zijns lichaams verlost heeft, en voor ons met Zijn voorbidding steeds tussentreedt bij den Vader; en tot onzen eeuwigen Koning, Die ons met Zijn Woord en Geest regeert, en ons bij de verworven verlossing beschut en behoudt.
Maar waarom wordt gij een Christen genaamd? Nou, door een levend contact, geliefde gemeente, omdat ik door het geloof een lidmaat van Christus ben en daarom, en alzo, Zijner zalving deelachtig ben. Ik zal nu maar niet meer oplezen. Geloof dat is een relatie! In de eerste plaats is het de armen om Christus heenslaan. En zoals dat banale spreekwoord het zegt in kwade zin: waar men mee omgaat, wordt men mee besmet, zo gaat het erom dat het geloof, die relatie met Christus, ook afgeeft aan een Christen in de goede zin. Wie zijn armen heenslaat om iemand die gezalfd is, hoe weinig het ook is, die zal altijd iets meedragen van die kostelijke zalfolie des Heiligen Geestes. Van dat kostelijke aroma van de Heere Christus.
Ik heb mensen gekend in mijn allervroegste jeugd, ik dank er de Heere voor dat ik ze gekend heb, waarvan ik wist waar ze zich bevonden hadden. Ze waren in de binnenkamer geweest, ze hadden contact met Christus gehad en dat was merkbaar aan deze mensen. Het aroma van Jezus Christus, dat was als het ware, waarneembaar in de ware Christenen. Het was geen praatvolkje dat met zijn zaken te koop liep, maar je kon gewaar kon worden "dat de Vader, Die in het verborgen ziet, het in het openbaar vergold".
Maar waarom wordt gij een Christen genaamd? Het is toch eigenlijk helemaal niet moeilijk om dat uit te leggen, dat is toch gewoon een kwestie van: 'het gezicht ligt erin'. Zo is het toch ook in het natuurlijke, er zijn hier vaders en moeders, waarvan ik weet hoe ze heten, omdat ik de kinderen heb leren kennen op de catechisatie. Andersom ook, dan ken je een vader en een moeder, en herken je de kinderen die bij hen horen.
Waarom wordt gij een Christen genaamd? Is het zichtbaar in uw leven? Straalt er zoveel van ons uit, dat men zegt: wat zal Die Christus dan wel wezen? Of dat we Christus kennen en dat we zeggen: o, maar dàt is een kind van God. Om het maar eens heel gewoon te zeggen: 'het gezicht ligt er in'.
Waarom wordt gij een Christen genaamd? Er zijn in dit leven mensen die zo innig veel van elkaar houden, echtparen soms die oud worden. Hebt u er wel eens op gelet, dat wanneer je véél van elkaar houd, je op elkaar gaat lijken? Het kan soms zo sprekend zijn, dat men vraagt: zijn jullie broer en zus?
Nu moet u vanavond eens heilsbevindelijk luisteren.
Maar waarom wordt gij een Christen genaamd? Omdat ik door het geloof een lidmaat van Christus en alzo Zijner zalving deelachtig ben. Dan zijn er drie dingen die in het oog springen en dat is dat godsbeeld. Ik heb verschillende keren over het verlies van dat godsbeeld, kennis, gerechtigheid en heiligheid gesproken. Ik heb ook verschillende keren gesproken over dat drievoudig ambt dat daarmee correleert: profeet, priester en koning.
In vraag en antwoord 32 gaat het om díe zaak, dat er door de Heilige Geest, Die we de Geest van Christus noemen, iets door gaat schijnen van dat drievoudig ambt. Weliswaar in alle gebrek, zodat ik voor God mijn hoofd moet buigen en moet zeggen: o God wat weinig profeet nog, wat weinig priester nog, wat weinig koning nog. Maar nochtans, gemeente.
En waarom werd Christus de Christus genaamd? Dat is vanwege de bevoegdheid waardoor Christus van de Vader verordineerd is, om Borg en Middelaar voor zondaren te zijn. En waarom werd Christus de Christus genaamd? Omdat God Zijn lieve Zoon, Die in het vlees gekomen is, verordineerd, gezalfd, bekwaamd heeft zonder mate, volmaakt. En zo is Christus de Gezalfde, de Gegevene des Vaders, Die op rechtsgronden weder gaat geven aan zondaren, wat zij verloren zijn. Dat levensvernieuwende beginsel, dat is de Heilige Geest, de Geest van de Heere Christus.
Misschien wilt u vanavond een sprekend voorbeeld van zo'n vernieuwd leven? Dat kan ik u wel geven. Er was een discipel waarin zo weinig Geest van Christus was, die zoveel misslagen begaan heeft, dat we zouden zeggen: wat een keiharde discipel is die Petrus toch! Maar u moet eens lezen in de brieven van diezelfde Petrus, dan ziet u hoe die Heilige Geest, die zalving, Petrus gelijkvormig maakt aan zijn Meester, aan de Heere Christus. Er is bijna geen tederder geschrift te vinden in de Bijbel, dan juist de brieven van Petrus, is dat u weleens opgevallen? Dàt is nu de zalving van de Heilige Geest, de Geest van Christus.
De catechismus gaat nog drie eigenschappen noemen, drie kostelijke eigenschappen die ook genoemd zijn bij Christus. Maar Christus was de Volmaakte Die wordt genoemd: onze hóógste Profeet en Leraar, onze énige Hogepriester en onze ééuwige Koning.
Maar waarom wordt gij een Christen genaamd? O dat is toch dit, geliefde gemeente, dat we als inwoners en als vreemdelingen in deze wereld, door de genade des Heiligen Geestes, vernieuwd worden tot een eerlijke wandel onder de heidenen, opdat God verheerlijkt mag worden, ook uit onze levens.
Denk erom gemeente, naar de rechtvaardigmaking ligt alles buiten ons, het is vrije genade en anders niet. Daar komt geen traan bij, daar komt geen goed werk bij, daar moet zelfs het gebed en de bevinding buiten vallen. Het is alléén "het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, dat reinigt van alle zonde" (1 Joh.1:7). Zodat we naar de rechtvaardigmaking mogen roemen: "Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, Die rechtvaardig maakt. Wie is het, die verdoemt?" (Rom.8:33-34).
Maar waarom wordt gij nu een Christen genaamd? Ik weet dat mijn allerbeste werken geen nagelschrap toe zullen brengen aan mijn zaligheid. Maar waar Christus Zijn kostelijke bloed geeft, daar schenkt Hij ook Zijn Geest tot heiligmaking, zodat we nooit kunnen roemen in het bloed alleen, maar opdat we ook zouden roemen in die zalving van de Geest. Dààrom word ik een Christen genaamd.
Dat is ook de zaak in de catechismus, tegen alle antinomianen en rechtvaardigmaking-drijvers in, die de Geest van Christus niet beleven. U zult altijd zien, dat waar de catechismus spreekt over dat kostelijke bloed van Christus, de catechismus ook altijd spreekt over de Geest van Christus. Denk erom dat er naar de rechtvaardigmaking niks bij komt van een mens, maar toch, de Geest van Christus heeft nochtans een vernieuwende werking, niet om ons geschikt te maken voor genade, maar de genade maakt ons geschikt om het beeld van Christus gelijkvormig te worden.
Laat men praten over het bloed, maar wie niet roemt in de Geest van Christus, laat hij ook niet roemen in het bloed. Twee dingen: men doorstak Zijn zijde met een speer en er kwam bloed en water uit. Dat wijst op het bloed en de Geest; rechtvaardigmaking en heiligmaking.
Waarom wordt gij een Christen genaamd? Dan gaat het er toch zeker om, dat ik door het geloof een lidmaat van Christus en Zijner zalving deelachtig ben. Door die Geest van Christus gaat er iets van die kostelijke eigenschappen, van die kostelijke Zoon van God over in onze levens. Dat vinden we niet alleen op deze bladzijde van de Schrift, maar als God uw ogen er voor opent, dan vindt u het de hele Schrift door, dat God Zich een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk geformeerd heeft. Opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht.
Laat ik er dan maar een kleinigheid van mogen zeggen. Dat drievoudige ambt, dat komt dan in beginsel enigszins terug in onze levens, door de Geest van de Heere Christus. Van het profetische ambt wordt hier gezegd: opdat ik Zijn Naam belijde. Je hoort het op de dag van vandaag zo dikwijls: 'we moeten getuigen zijn!' Weet u waar het om gaat? Dat ik Zijn Naam belijde, maar dan moet ik Hem wel eerst kennen!
Want als het erover gaat, getuige van Christus te zijn, dan weet ik best wat die schattige jeugd bedoelt, als ze zeggen: 'dominee, we moeten getuigen zijn'. Dan zal ik altijd zeggen: 'ja lieve kinderen, het is waar, maar daar zit iets rechterlijks in'. Want àls we dan gaan getuigen, dan moet u er op voorbereid zijn dat er gevraagd wordt: Hoe ziet Hij eruit? Waar heb je Hem gezien? Heb je Hem gesproken? Heb je het zèlf gehoord? Was je er bij? Begrijpt u, geliefde gemeente, als ooit een arme zondaar verwaardigd kan worden, om profeet te zijn, dat het alleen gekregen goed is om het enigszins dóór te mogen geven.
Opdat ik Zijn naam bekenne, dat is oudnederlands voor belijden. Onze oude belijdenisgeschriften werden vroeger bekentenisgeschriften genoemd. Dan gaat het om het kennen en om van daaruit te getuigen, wat we kennen. "Dit is het eeuwige leven", heeft de Heere Jezus gebeden, "dat zij U kennen, den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt" (Joh.17:3).
Maar waarom wordt gij een Christen genaamd? Ik hoop dat u veel verborgen omgang mag hebben met Jezus Christus, om Hem waarachtig te kunnen belijden, eerst maar in de kring van het huwelijk, dan maar in de kring van het gezin, dan maar tegen de buren en zo maar verder.
Dan wordt er van dat priesterschap gezegd: dat ik mijzelven tot een levend dankoffer Hem offere. Nogmaals gemeente, absoluut niet ten aanzien van de rechtvaardigmaking, die ligt vrij in God, het is géén zoenoffer; "Brandofferen, noch offer voor de schuld, Voldeden aan Uw eis, noch eer" (Ps.40:4 ber.). Dat zullen we van een Ander moeten hebben, van Christus, maar het gaat er hier over, een levend dankoffer te zijn.
Hier wordt als het ware de vinger bij de wond gelegd. We spreken zo graag over de drie stukken, ellende, verlossing, maar hoe staat het met de dankbaarheid in onze levens? Want u moet rekenen, een priester bracht niet alleen zondoffers, het was niet alleen zo dat je met je schaapje of met je lammetje naar de priester ging, als je vreselijk gezondigd had. Weet je wanneer je ook weleens met je schaapje of je lammetje naar de priester ging? Wanneer er veel vreugde in God, in het hart was. Dat wordt in de Schrift genoemd: een vrijwillig offer.
Als "Jezus Christus ons gemaakt heeft tot koningen en priesters Gode en Zijn Vader; Wiens zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid" (Openb.1:6). Als we ooit iets gesmaakt hebben van die liefde Gods in Christus Jezus, o, dan zouden we ons leven, werkelijk waar, weleens als een dankoffer aan God willen geven. Dan kan het hart zo vernieuwd zijn, dat is ook Geest van Christus hoor, dat we gaan zeggen: 'Neem mijn leven maar Heere, laat het toegewijd zijn aan Uw eer'. Daar zit een beetje kruisiging in van jezelf, een beetje sterven aan jezelf. Ik bedoel alleen maar om het te zeggen zoals het is, niet om het banaal te zeggen, dat is echt mijn lust nooit, maar daarin zit een stukje sterven aan jezelf. Ièts zullen we er toch van moeten kennen, misschien Paulus nafluisteren, zodat een ander het niet hoort: ik leef niet meer, ik ben gestorven. Hoe is dat gegaan? Dat kunt u lezen in Galaten: Ik ben gekruisigd!
En dan is het heel opvallend gemeente, maar ik vermoed dat dit het bijbelgedeelte is, waar het allermeest het woordje 'ik' in voorkomt.
Toen ik pas kon schrijven, wilde ik mijn zus een brief sturen. Die brief begon met 'ik', toen ik hem mijn vader liet zien mocht ik die brief niet wegzenden, omdat hij met 'ik' begon. Nu nòg moet ik het afleren om niet alles te beginnen met 'ik'. Maar toch, aan de andere kant schrei ik Paulus achterna: "Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft" (Gal.2:20).
Nu zult u het volmaakte niet vinden, geliefde gemeente, maar het grondbeginsel heb ik en heeft iedereen, waar God iets van die lieve Geest in geschonken heeft. Dan is dìt het grote eeuwige wonder, dat Christus Die Geest heeft ontvangen zonder mate, maar ik ook een klein beetje. Ik spreek nu maar voor de hele Kerk. Weet u nu wat het grote eeuwige wonder is? Dat het wel Dezelfde Geest is gemeente, Die in Christus als het Hoofd woont en in ons als Zijn leden. Laat Jezus er vervuld mee zijn geweest van de hoofdschedel tot de voetzool en laat ik er maar ééntiende gram van hebben. Maar het is net als met goud, je kunt een kilo goud hebben en je kunt een gram goud hebben, dat maakt in rijkdom wel een vreselijk groot verschil, maar in echtheid niet.
Laat ik maar toe gaan passen, lieve gemeente, dat we nu maar veel van die lieve Geest van Christus mogen hebben, dan wordt tòch dat 'ik' gekruisigd, dan leef ik niet meer, maar Hij leeft in mij.
Dan komt er tòch een bereidheid, dat we ons werkelijk dood zouden schreien als een levend dankoffer, wanneer we op het volmaakte zoenoffer van Christus zien. Dat Hij Zijn ziel tot een schuldoffer gesteld heeft en dat Hij Zijn ziel heeft uitgestort tot in de dood. En juist wanneer we dan van dat walgelijke 'ik' verlost worden, dan gaan we toch ook iets leren van dat koninklijke ambt. Dat wordt hier genoemd: met een vrije en goede consciëntie in dit leven tegen de zonde en de duivel strijden.
In onze dagen word je koning of koningin door opvolging, maar in de oudheid was het zo, dat je alleen maar koning kon worden, door strijd. Zo lezen we ook van David dat hij de oorlogen des Heeren geoorloogd heeft. Nu begint dat koningschap, wanneer Jezus Christus ons gemaakt heeft tot koningen Gode en Zijn Vader, Wiens zij de kracht en de heerlijkheid; dat koningschap begint niet met heersen, maar begint eerst met strijden tegen de duivel en tegen de zonde, met een vrije en een goede consciëntie.
Dan mogen we ons hoofd wel buigen, vindt u ook niet? Maar dan zeg ik toch ook, al wordt de hele zaak niet gevonden, het principe wordt gevonden. Dan kan er toch weleens een verlangen zijn naar de volmaaktheid, om verlost te zijn van al Zijn en mijn vijanden.
Dan mag het toch weleens zijn: "Ik ellendig mens", onder die overgebleven vijanden in het hart, "wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods" (Rom.7:24). Dat je naar de rechtvaardigmaking mag roemen: "Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods" (Rom.8:33). Maar naar de heiligmaking in het koningschap moet je zeggen: "Ik ellendig mens", "Het goede dat ik wil, doe ik niet, en het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik" (Rom.7:19). Maar dan wordt ons toch iets in het vooruitzicht gesteld, een hiernamaals, om dan in eeuwigheid met Hem over alle schepselen te regeren.
Strijdt dan de goede strijd, gemeente, dan is de zaak toch zeker van de overwinning! Waarom? Niet in mij, maar in Christus Jezus. Dan ben ik blij dat het geheel verankerd ligt in Hem, zodat de lofprijzing niet is naar mij, maar naar Hem: "Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters Gode en Zijn Vader; Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid".
Waarom wordt gij een Christen genaamd? Omdat ik nù door geloof, maar straks in aanschouwen, straks in het hiernamaals, in der eeuwigheid de zalving van Christus deelachtig zal zijn, om met Hem over alle schepselen te regeren. Ik kan heel kort zijn gemeente: Waarom wordt gij een Christen genaamd? Is er al iets van dat vernieuwende werk in uw leven? Vreest dan, want met Christus over alle schepselen te regeren, zal ook dìt inhouden, dat de heiligen de wereld zullen oordelen, dat behoort ook tot dat koningschap.
Dan zal er een vereniging zijn met God en met Zijn wil, zodat het zal kunnen ook. Om vanaf dat moment lief te hebben, wat God liefheeft, maar om dan óók werkelijk te beoefenen: "Zou ik niet haten, HEERE! die U haten? en verdriet hebben in degenen, die tegen U opstaan? Ik haat hen met volkomen haat, tot vijanden zijn zij mij" (Ps.139:21-22).
Voor wie nu kreunt onder het gebrekkige, wèl het beginsel te mogen hebben, maar zo gebrekkig, voor diegenen zal dat zo zalig zijn om Christus geheel gelijkvormig te zijn. De apostel schrijft: "Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is" (1 Joh.3:2).
Voor eeuwig hersteld te zijn in de kennis, in de gerechtigheid en de heiligheid: profeet, priester en koning te zijn voor het aangezicht van de Schepper, Die daarin zijn schepsel weder zal krijgen.
Geliefde gemeente 1 Korinthe 15, het komt een keer, het komt een keer dat we alles te boven zullen zijn en dat Christus het Koningschap zal overdragen aan de Vader. Dan zal het volmaakt zijn, wanneer God zal zijn alles en in allen. AMEN.