ZONDAG 19
Vraag en antwoord 52
Psalm 74 : 17,18
Psalm 61 : 7
Psalm 98 : 3,4
Avondz. : 4,5
Psalm 9 : 8,9
Openb. 1 : 1-19
Onze tekstwoorden voor vanavond, grondslag voor ons catechismusonderwijs, vindt u in Openbaring 1 : 7 - 8
Ziet, Hij komt met de wolken en alle oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben; en alle geslachten der aarde zullen over Hem rouw bedrijven; ja, amen.
Ik ben de Alfa en de Oméga, het Begin en het Einde, zegt de Heere, Die is, en Die was, en Die komen zal, de Almachtige.
Vraag en antwoord 52 van de Heidelbergse Catechismus
52. Vr. Wat troost u de wederkomst van Christus om te oordelen de levenden en de doden?
Antw. Dat ik in alle droefenis en vervolging met opgerichten hoofde even Denzelfde, Die Zich tevoren om mijnentwil voor Gods gericht gesteld en al den vloek van mij weggenomen heeft, tot een Rechter uit den hemel verwacht, Die al Zijn en mijn vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen, maar mij met alle uitverkorenen tot Zich in de hemelse blijdschap en heerlijkheid nemen zal.
Vanavond gaat het dus over de wederkomst, geliefde gemeente. Ditmaal een zeer ernstig onderwerp: de wederkomst van de Heere Christus.
We zullen dit gaan behandelen aan de hand van de volgende punten:
1. Hoe de Kerk verwacht.
2. Wie de Kerk verwacht.
3. Wat de Kerk verwacht.
We vragen ons af, of de verwachting van de wederkomst van de Heere Christus wel een levende zaak is.
Als we dat lezen in de catechismus niet alleen, maar ook in de Openbaring van Johannes, waar hij schrijft: "Ik ben de Alfa en de Oméga, het Begin en het Einde, zegt de Heere", dan zeggen we: wat dierbaar, dat Hij de Alfa en de Oméga is, nietwaar?
En als we daarna lezen: "Die is, en Die was, en Die komen zal", dan zeggen we misschien: wat zalig dat Christus de gezegende Zoon van God ìs, Die ook was. Wat zalig dat Hij niet alleen was tijdens Zijn omwandeling op aarde, maar dat Hij ook nu nog is. Maar dan staat er ook bij: "Die komen zal".
Hebt u uw ogen niet uitgewreven, of bent u al zo gewend aan de taal van de catechismus, als er staat: Wat troost u de wederkomst van Christus om te oordelen de levenden en de doden? Is dat ook werkelijk een troost voor ons, dat Christus wederkomen zal, om te oordelen de levenden en de doden? Dit is een confrontatie gemeente, een confrontatie met de wederkomst van Christus. Hoe is onze ziel eigenlijk gesteld ten aanzien van die dierbare Zaligmaker?
Wat troost u de wederkomst van Christus? Ursinus en Olevianus hebben gevraagd: Wat troost het u? En zij zelf hebben daar ook een antwoord op gehad.
Als we deze catechismus leggen naast artikel 37 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, dan kon ook Guido de Brès daar spreken van troost. Als hij spreekt over de wederkomst van de Heere Christus, dan kan hij zeggen: Daarom verwachten wij dien groten dag met een groot verlangen.
Wat troost u de wederkomst van Christus om te oordelen de levenden en de doden? We hebben het gelezen in Openbaring, dat Jezus wederkomen zal en dat "alle oog Hem zal zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben; en alle geslachten der aarde zullen over Hem rouw bedrijven; ja, amen".
Het gaat er om dat de christelijke gemeente niet gelijk zou moeten zijn, als in de dagen van Petrus, toen men de wederkomst loochende en gezegd heeft: "Waar blijft Zijn dag?" Het is al zo dikwijls gezegd, dat Jezus wederkomen zal. Jezus heeft Zèlf gezegd, dat Hij wederkomt. En we lezen ook in Openbaring 22: "Verzegel de woorden der profetie dezes boeks niet" (Openb.22:10). Dat wil zeggen, dat er ook over die laatste dingen gepreekt moet worden en zelfs regelmatig gepreekt moet worden.
"Verzegel de woorden der profetie dezes boeks niet; want de tijd is nabij". Jezus heeft niet alleen gezegd: "Zie, Ik kom", maar Hij heeft ook gezegd: "En ziet, Ik kom haastiglijk". En het geloof heeft het nagezegd: "Ja, kom, Heere Jezus!" Kom haastiglijk.
Wat het leerstuk betreft over het hoe van de wederkomst, daarvan heeft de Heere Jezus duidelijk geleerd dat Hij zichtbaar wederkomt. We lezen dat al direkt, wanneer de discipelen Jezus begeleid hebben bij Zijn hemelvaart, dat zij dan aangesproken worden door "twee mannen, in witte kleding. Welke ook zeiden: Gij Galilése mannen, wat staat gij en ziet op naar den hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in den hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien heenvaren" (Hand.1:10-11).
We staan voor een ontzaglijk feit, gemeente. Hetzij dat onze harten verbonden zijn met liefdebanden aan de Heere Jezus Christus, hetzij dat wij vijanden van Jezus Christus zijn. We staan voor een ontzaglijk feit en dan bedoel ik dit: wij zijn geen aanschouwers geweest van Zijn geboorte, wij zijn geen aanschouwers geweest, letterlijk, van Zijn lijden, wij zijn geen aanschouwers geweest, letterlijk, van de hemelvaart van de Heere Christus. Maar dan zal er een zaak gebeuren, die wij allen zullen zien, we zullen er allemaal bij zijn. We zullen eerst uit de doden opgewekt worden en dan zal Jezus komen, opdat alle oog Hem zal zien: "Ziet, Hij komt met de wolken en alle oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben; en alle geslachten der aarde zullen over Hem rouw bedrijven". Wat troost u dat?
Och, het is geen wonder, als het gaat over de wederkomst van Christus dat er alleen in termen van troost gedacht kan worden, als er veel levende liefde aanwezig is in het hart.
Wat troost u de wederkomst van Christus? Ik denk dat u het wel weet, maar het is misschien nuttig om het nog een keer te zeggen, dat alle doden eenmaal op zullen staan in de jongste dag. Artikel 37 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis en Openbaring 20 zeggen hoe dat zal zijn: dan zullen de boeken geopend worden. En met dat geopend worden van de boeken wordt bedoeld, zo staat het in artikel 37 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, dat de consciëntiën zullen opengaan.
Dan zal het terstond beslist zijn, in het hart en in het geweten al, wie wij zijn. Dan zal er terstond de allergrootste blijdschap zijn wanneer we Christus Jezus toebehoren òf er zal terstond de allergrootste smart zijn, zoals er nog nooit geweest is in deze wereld, wanneer we Christus niet toebehoren. Dan zullen de boeken geopend worden, dan zal het geweten opengaan, dan zal het hart gaan spreken.
Dan zal er ook een groot verschil zijn tussen de schapen en de bokken, zoals de Heere Jezus Zelf in een gelijkenis gesproken heeft (Matt.25:31-33). De ene schare zal bidden: "Ja, kom, Heere Jezus, kom haastiglijk!", en de andere schare zal bidden "tot de bergen en tot de steenrotsen: Valt op ons, en verbergt ons van het aangezicht Desgenen, Die op den troon zit" (Openb.6:16).
Dan zullen alle mensen hun koning gelijkvormig zijn. Die het kwade gedaan hebben, we zullen maar niet buiten de oevers van de heilige Schrift treden, maar laat het ons mogen zeggen met de woorden van de Schrift dat is al huiveringwekkend genoeg: die het kwade gedaan hebben, "Zullen ontwaken, tot versmaadheden, en tot eeuwige afgrijzing" (Dan.12:2).
Maar dan zullen allen die Christus toebehoren verheerlijkt worden, zij zullen de verheerlijkte Christus gelijkvormig wezen. Daarvan heeft de apostel ook gesproken: "En het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen, maar wij zullen Hem gelijk wezen" (1 Joh.3:2).
En dan zal Jezus verschijnen op de wolken des hemels, "dan zal alle oog Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben". Ook degenen, die Hem liefhebben. Maar het zal een vreselijke dag zijn voor de goddeloze. De gedachte zelfs, zegt Guido de Brès: de gedachtenis van dit oordeel is met recht schrikkelijk en vervaarlijk voor de bozen en goddelozen. Maar hij heeft er bij geschreven: De gedachtenis van dit oordeel is zeer wenselijk en troostelijk voor de vromen en uitverkorenen (NGB art.37). Daarom verwachten zij die dag met grote blijdschap.
Wie was Guido de Brès eigenlijk? Hij was een man die verdrukt en vervolgd werd. Een man die beleving had van alles, wat geschreven staat in het boek Openbaring: van bittere vervolging en van bittere vijandschap. Guido de Brès heeft zelfs zijn leven moeten geven, vanwege het getuigenis van de Heere Jezus Christus.
Daarvan vind ik ook iets terug in het antwoord op onze vraag: Wat troost u de wederkomst van Christus om te oordelen de levenden en de doden? Dat ik in alle droefenis en vervolging met opgerichten hoofde even Denzelfde, Die Zich tevoren om mijnentwil voor Gods gericht gesteld en al den vloek van mij weggenomen heeft, tot een Rechter uit den hemel verwacht. Dan krijgt de Kerk daar onderwijs van Olevianus en Ursinus, hoe zij de komst van de Heere Christus zullen verwachten temidden van de tekenen der tijden, temidden van de grote afval, van de grote beproeving en ook van de vervolging.
Want Paulus heeft toch reeds aan Timótheüs geschreven: "Allen, die godzaliglijk willen leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden" (2 Tim.3:12). Dat geldt ook voor onze tijd. En dat de Kerk zo weinig vervolgd wordt, dat er zo'n gebrek is aan vervolging, dat komt naar mijn mening, omdat er zo'n gebrek is aan vreze Gods. In de regel is onze vreze Gods niet groot genoeg meer om de ergernis van de wereld op te wekken.
Als er dan ergens een hard oordeel in besloten ligt, dan ligt dat wel in het feit, dat de Kerk meer wereldgelijkvormig is, dan wereldvreemd. Zodoende is er niet zoveel droefenis en niet zoveel vervolging voor die Kerk, die zo laag bij de grond leeft.
Maar wanneer we verwaardigd worden om meer vreze Gods aan de dag te leggen, in ons dagelijks leven op school, in de fabriek, of op kantoor, dan zullen we de vervolging wel tegenkomen. Ik ga er nu niet verder op in, maar daar zou nog veel meer van te zeggen zijn. Want als je een beetje christen bent, dan wordt je al aardig uitgesloten, nog niet uit de gehele maatschappij, maar laten we toch maar zeggen, wèl uit het betere laagje, wat ons beroep betreft, wat het werk betreft en al die dingen meer.
Wat troost u de wederkomst van Christus om te oordelen de levenden en de doden? Kijk, dan zegt de catechismus eigenlijk hetzelfde wat Petrus ook zegt. Wanneer we dan een beetje vervolgd worden in deze wereld, dan zegt de heilige apostel: "Want het is beter, dat gij, weldoende, (indien het de wil van God wil) lijdt, dan kwaad doende" (1 Petr.3:17).
En als de catechismus ons leert dat ik in alle droefenis met opgerichten hoofde even Denzelfde verwacht... Dan wijst de catechismus ons terug naar dierbare woorden, die de Zaligmaker Zelf gesproken heeft in Lukas 21 vers 28: "Als nu deze dingen beginnen te geschieden, zo ziet omhoog, en heft uw hoofden opwaarts, omdat uw verlossing nabij is". Dan is er een situatie te verwachten in het leven, het boek Openbaring licht ons daarover in, van beproeving en van verdrukking, waardoor de Kerk zal moeten rijpen om de wederkomst van Christus te leren verwachten.
Dat heeft de Heere Christus gezegd en dat geldt voor de geschiedenisperioden wanneer de vervolgingen hevig zullen zijn, maar dat heeft de Heere Christus ook gezegd voor het persoonlijke leven, wanneer één van Zijn kinderen lijdt, dat wij ons hoofd opwaarts zouden heffen, dat we het met een opgericht hoofd zouden dragen. De Heere Jezus heeft gezegd: "Als nu deze dingen beginnen te geschieden", wanneer alles zich toe gaat spitsen in de wereld, wanneer alles zich misschien toe gaat spitsen in ons persoonlijk leven: "zo ziet omhoog, en heft uw hoofden opwaarts, omdat uw verlossing nabij is".
Wat troost u de wederkomst van de Heere Christus? Waarom moet een christen vaak het hoofd buigen, geliefde gemeente? Waarom zouden we naar de grond moeten kijken, waarom zouden we met recht het hoofd moeten buigen? Dat zou eigenlijk moeten zijn, vanwege de zonde en schuld en vanwege het ongeloof. Maar in de verwachting van de wederkomst van Christus, mag het geloof het hoofd opheffen. Dan zingen we in die Psalm: "Wij steken 't hoofd omhoog, en zullen 'd eerkroon dragen" (Ps.89:8 ber.).
Mij is bekend van een predikant die reeds jaren in het ambt stond, dat hij die Psalm nog nooit had laten zingen. Hij was al zeker 15 jaar predikant, pas toen leerde hij die volgende regels: "Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen". Toen pas kreeg hij vrijmoedigheid om dat te zingen.
Als het nu gaat over de wederkomst van de Heere Christus: Wat troost u de wederkomst van Christus om te oordelen de levenden en de doden? Dat ik in alle droefenis en vervolging met opgerichten hoofde even Denzelfde verwacht..
.
Het duurt niet lang meer,
tot de tijd van Christus aan zal breken,
en Hij in grote heerlijkheid,
het oordeel uit zal spreken.
Dan komt het lachen duur te staan.
Als alles zal door vuur vergaan.
Naar Petrus heeft geschreven.
Ik meen dat we het een poosje terug nog gelezen hebben: "Wanneer de tiran een einde zal hebben, en dat het met den bespotter uit zal zijn" (Jes.29:20). Wanneer we dan Schriftgelovige en Christgelovige christenen mogen zijn, dan is er inderdaad een geweldige troost.
Wat troost u de wederkomst van Christus? Dat ik in alle droefenis en vervolging met opgericht hoofd even Denzelfde verwacht. Ik weet het wel, dat er zo'n angst kan zijn als we naar binnen kijken en we denken aan de wederkomst van de Heere Jezus Christus.
Maar er moet nu een vraag beantwoord worden: kennen wij de Heere Jezus Christus? Kennen wij Hem al? Want dan vind ik dit een van de mooiste antwoorden van de catechismus. Er wordt hier niet geantwoord: Dat ik in alle droefenis en vervolging met opgerichten hoofde de Heere Jezus verwacht. Er wordt hier niet gezegd dat ik Christus verwacht, nee, de Heere Jezus wordt hier niet bij Zijn naam genoemd. Maar Hij wordt hier genoemd in de catechismus, juist met dìe dingen waardoor Hij zo onuitsprekelijk geliefd geworden is bij arme zondaren. Daarom kan het, dat ik in alle droefenis en vervolging met opgericht hoofd even Denzelfde, Die Zich tevoren om mijnentwil voor Gods gericht gesteld en al de vloek van mij weggenomen heeft, tot een Rechter uit de hemel verwacht. Hebt u geproefd wat hier staat?
Als ik het houd bij Ursinus en Olevianus, dan kennen zij dus Dengene Die komen zal om te oordelen de levenden en de doden. Die kennen zij niet slechts als de Heere Jezus Christus, Die hebben zij ook leren kennen als Richter en als Rechter.
Dat zij de Heere Jezus hebben leren kennen, als even Denzelfde, Die Zich tevoren om hunnentwil voor Gods gericht gesteld en al de vloek van hen weggenomen heeft, dat betekent dus dat zij reeds eerder voor de Rechter verschijnen moesten, gemeente. Het zal voor Ursinus en voor Olevianus niet de eerste keer zijn, dat zij deze Rechter ontmoeten.
Als we deze tekst goed lezen, dan houdt dat eigenlijk in: 'ik heb er al eens voor gestaan', voor die groene tafel, (u begrijpt dat dit beeldspraak is), voor die rechterstoel. En wie eenmaal in dat gericht is geweest en daar met geloof op terug mag zien, die hoeft voor de tweede keer niet te vrezen. Maar zit daar misschien de zere plek in ons leven? Dat we Hem zo weinig als even Denzelfde kennen en herkennen, omdat we zo weinig kennis aan Jezus Christus hebben?
U begrijpt toch wel, wat het antwoord inhoudt? Dat zegt dat ik niet bevreesd behoef te zijn voor Denzelfde, Die Zich tevoren om mijnentwil voor Gods gericht gesteld en al de vloek van mij weggenomen heeft, om Hem tot een Rechter uit de hemel te verwachten.
Weet u waar het dan om gaat? Toen arme zondaren in het gericht gekomen zijn voor God de Vader in hun schuld, in hun verwerpelijkheid en in hun verdoemelijkheid, toen hebben zij Jezus Christus leren kennen als hun Voorspraak. Om het in aardse termen te zeggen: als hun Advocaat, op Wiens verdienste zij zijn vrijgesproken.
Maar nu moet u even heel goed opletten, wanneer Jezus Christus wederkomt, dan komt Hij niet als Voorspreker en als Advocaat maar dan komt Hij als Rechter, Die eenmaal mijn Pleitbezorger is geweest. Is dat u duidelijk? Dat we Jezus Christus in dit leven leren kennen als Borg, Middelaar en Voorspraak, maar dat Hij in het gericht geen Borg, Middelaar en Voorspraak zal zijn, maar Rechter. Daarom ligt de zaak zo eeuwig zeker, zo eeuwig vast.
Wanneer dan de vraag gesteld wordt: wie is uw Rechter? Wie zal uw Rechter zijn, wie zal uw leven eenmaal bekijken, wie zal uw daden eenmaal doorzoeken? Even Denzelfde, Die Zich tevoren om mijnentwil voor Gods gericht gesteld heeft en al de vloek van mij weggenomen heeft. Dan zal dat Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegdraagt, de Rechter zijn. Dat Lam Gods zal Rechter zijn van hemel en aarde. Wat is het dan van groot belang voor de eeuwigheid of wij Hem reeds kennen.
Wat troost u de wederkomst van Christus om te oordelen de levenden en de doden? Het zal huiveringwekkend zijn wanneer de Rechter ons vreemd zal zijn in die oordeelsdag, wanneer we Hem dan voor het eerst zullen zien. Wat zal dat vreselijk zijn, wat zal dat vreselijk zijn, o goddeloze sidder, wanneer dat de eerste kennismaking zal zijn! Maar wat zal dat zalig zijn, wat zal dat zalig zijn als we dan kunnen zeggen: ja, ik ken Hem! Ik heb Hem al eens eerder meegemaakt en toen heeft Hij Zichzelf om mijnentwil voor Gods gericht gesteld.
En wat nog meer? Is Christus alleen mijn Advocaat geweest? Heeft Hij gepleit, zoals een aardse advocaat pleit, door goed-te-praten? Nee, Hij heeft àl de vloek van mij weggenomen, en dan zou ik haast zeggen, laten we hier maar lezen: Hij heeft alle vloek van mij overgenomen. Die, even Denzelfde, Die verwacht ik als een Rechter uit de hemel, Die al Zijn en mijn vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen zal, maar mij met alle uitverkorenen tot Zich in de hemelse blijdschap en heerlijkheid nemen zal.
Is dit niet een beetje een overdreven triomf? Die al Zijn en mijn vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen, maar mij met alle uitverkoren tot Zich in de hemelse blijdschap en heerlijkheid nemen zal. Is dat niet een beetje geestelijk hoogmoedig opgesteld? Als we het omdraaien wel. Als we zouden lezen: al mijn en Zijn vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen zal. Maar let er wel op, dat de zaak van Christus voorop gaat: al Zijn en mijn vijanden.
Dan gaat het er om wat we ook in de Psalmen lezen: "Zou ik niet haten, HEERE! die U haten? en verdriet hebben in degenen, die tegen U opstaan?" (Ps.139:21). Al Zijn en mijn vijanden, dat wil niet zeggen, dat mijn zaak Christus' zaak geworden is. O neen, maar dat Christus' zaak mìjn zaak geworden is. Al Zijn en mijn vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen en mij met alle uitverkorenen tot Zich in de hemelse blijdschap en heerlijkheid nemen.
Is dat een soort vriendjespolitiek? Neen, wat is dat dan? Men heeft tot Jezus gezegd: "Zie, Uw moeder en Uw broeders daar buiten zoeken U" (Mark.3:32). En wat heeft de Heere Jezus toen gezegd? "Zo wie den wil van God doet, die is Mijn broeder, en Mijn zuster, en moeder" (Mark.3:35). Dat is bekering, geliefde gemeente, wanneer dat ook doorwerkt in onze levens. Dat we Jezus na gaan zeggen: En dit is mijn zuster en dit is mijn broeder, die de wil mijns Vaders doet.
Zo heeft de Kerk een heerlijke verwachting: Hij zal al Zijn en mijn vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen. Is dat een hard oordeel? Mag je dat zomaar uitspreken tegen elkaar? Ik geloof niet, dat je dat altijd zeggen mag. Maar ik geloof wel, wanneer Christus' zaak de onze wordt, dat we eerlijk toe gaan stemmen in die eeuwige verdoemenis voor onszelf, maar ook voor een ander. Dan geloof ik werkelijk dat we, door bekerende genade, God gelijk gaan geven, niet alleen in ons eigen leven, maar ook in de levens van anderen. Dan lees ik ook dat David zegt: "Sta op, o God! twist Uw twistzaak; gedenk der smaadheid, die U van den dwaze wedervaart den ganse dag. Vergeet niet het geroep Uwer wederpartijders; het getier dergenen, die tegen U opstaan, klimt geduriglijk op" (Ps.74:22-23).
Dan is er in deze wereld iets in de zaak van de Heere Jezus Christus, in het Rechter-zijn van hemel en aarde, waardoor God Zijn kinderen aan Zijn zijde schaart. Dan zal het ook zo zijn, dat we daar bekwaam voor zullen zijn, voor dat wat Jezus Christus Zelf gezegd heeft: dat de heiligen de wereld zullen oordelen. Bij God vandaan, zal het uit zijn met de bespotter, dan zal de tiran een einde hebben. Maar wanneer Gods kinderen dan ook zo nauw met God Zelf verenigd zullen zijn in Christus, dan zal het van hun kant ook uit zijn met de bespotter en dan zal de tiran een einde hebben.
Die al Zijn en mijn vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen zal, maar mij met alle uitverkorenen tot Zich in de hemelse blijdschap en heerlijkheid nemen zal. Is dat niet hoogmoedig? Er staat hier uitverkorenen, dat is geen hoogmoedig woord, geliefde gemeente, dat is het allernederigste woord wat er bestaat. Als hier stond: bekeerde mensen, misschien konden we dan nog op ons eigen hart wijzen. Als hier stond: al dengenen die Jezus liefhebben of al dengenen die de Vader liefhebben, mogelijk dat er dan nog enige zondige, goddeloze hoogmoed in ons zou zijn.
Maar wanneer we dat woordje uitverkorenen recht leren, dan is dat zo'n vernederend woord. Mij en alle uitverkorenen, dat wijst alles van onszelf af, opdat niemand roeme. Dat woord legt de eeuwige zaligheid geheel terug in God. Niet in de eerste plaats in Christus, de verdienende Oorzaak, maar in God de Vader, de verkiezende Oorzaak, opdat niemand roeme.
Wanneer je dat woordje uitverkorenen mag leren spellen door genade, dan valt zelfs de bevinding weg, dan valt zelfs het geloof weg. Hoewel God alles uitwerkt in een weg van geloof en in een weg van bevinding, maar dan komt de vastheid te liggen in mijn God Zèlf en in Zijn verkiezende liefde. Dat Hìj het geweest is, Die uit de stilte der eeuwigheid, Zichzelf mensen verkoren heeft ten eeuwigen leven. Nee, dan is alle hoogmoed ons vreemd!
En als we nu nog eens vragen: Wat troost u de wederkomst van Christus om te oordelen de levenden en de doden? Dan zouden we ook kunnen vragen: verlangt u er naar? Ziet u er naar uit? Want als het echt een trooststuk is, dan zien we er toch ook naar uit, dat het komen zal. Wanneer het werkelijk een trooststuk is, dan bidt de Geest met de Bruid: Ja, doe het, Heere! Doe het haastiglijk. Ja, kom, Heere Jezus, kom haastiglijk!
Laten we nog eens proberen op de vraag in te gaan, waarom het zolang duurt voordat Jezus wederkomt. Dan moeten we zeggen dat er veel schuld ligt bij de Kerk. De Kerk is een wijze, dwaze maagd. Ze verwacht haar Christus niet in liefde. Zij heeft wel olie in de kruik, maar zij slaapt. Alles wat God doet in Zijn welbehagen, doet Hij in de weg van het gebed. Waar klinkt dat gebed van Openbaring 22: "En de Geest en de Bruid zeggen: Kom! Ja, kom Heere Jezus!" Kom haastiglijk.
Och waarom, waarom vertoeft Hij te komen? Als we het beschouwen vanuit de Heere Jezus Christus en we zouden vragen: Heere, waarom komt Gij nog niet? Misschien mag ik het dan met alle ernst zo zeggen: Jezus heeft nog geduld met de goddeloze. Zo beschrijft Petrus het in zijn brief: "De Heere vertraagt de belofte niet (gelijk enigen dat traagheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende, dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen" (2 Petr.3:9). Jezus weet hoevelen Hij zal moeten verwijzen naar de eeuwige rampzaligheid als Hij wederkomt.
O goddelozen in ons midden, gij die vreemd aan Christus zijt, laat ik het dan met eerbied gesproken zo mogen zeggen, ik zeg het in menselijke taal: Hij aarzelt nog, want Hij wil ùw ziel nog zo graag genadig zijn. Maar eenmaal zal Zijn geduld òp zijn, want het getier van de lieden die tegen Hem opstaan, klimt geduriglijk op.
Dat Jezus nog niet gekomen is en dat de Kerk zo weinig bidt, dat is aan onze kant gebrek aan liefde, maar aan de kant van Jezus is het juist nog zondaarsliefde dat Hij vertoeft te komen. Hij weet dat gij nog niet bereid zijt en Hij vraagt nog bekering en Hij geeft u nog de tijd tot bekering. "Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid" (Hebr.13:8). Jezus wil alles gedaan hebben aan uw ziel, wat er ook maar aan uw ziel te doen is.
Maar de ernst, die ik u wil meegeven, dat is dat eenmaal de maat van genade vol zal zijn, dan zal het uìt zijn. Dan zal ook de maat van onze zonde vol zijn. Dan zal Jezus zeggen: nu zal het met die bespotter gedaan zijn, nu zal het met die man, met die vrouw, met dat kind uìt zijn. Want Jezus Christus verlangt ook als Bruidegom naar Zijn Bruid.
Maar waar wacht Hij nog meer op? Hij wacht tot de Bruid ook meer en meer in liefde gereed zal zijn. Maar nu slaapt Zijn volk nog, Zijn Bruidskerk slaapt naast de dwaze maagden. Maar eenmaal zal zij opstaan, dan zal Hij Zelf de liefde opwekken en wakker maken. En dan zal de Geest het voorbidden, dan zal de Kerk het nabidden: "Ja, kom, Heere Jezus! Kom haastiglijk".
Maar het lijkt wel of het dan pas zover zal komen door harde lessen, in beproeving, misschien in vervolging en in doodsnood. Over de wederkomst denken we meestal in relatie tot Jezus Christus, maar het gaat ook om God de Vader in de wederkomst. Om de Vader, Die ook uitziet naar Zijn uitverkorenen, die het hier in de wereld nog zo best naar hun zin hebben, bij de zwijnentrog van deze wereld. Hij ziet uit als de Vader naar Zijn verloren zonen en verloren dochters. Het gaat alles om Zijn werk, dat Hij begonnen is in Genesis 1 in de hof en dat Hij voleindigen zal in de Godsstad van Openbaring 22.
Wat moest er een verlangen zijn, een verlangen en een zuchten van de Kerk: "Want wij weten, dat het ganse schepsel te zamen zucht. Op hoop, dat ook het schepsel zelf zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis, tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods" (Rom.8:22,21), dat is het werk van Christus. Niet in de eerste plaats òns ten goede, al lijkt het zo.
Het werk van Christus is in de eerste plaats werk aan Zijn Vader, dat Hij die zuchtende schepping en het zuchtende schepsel wederbrengt naar de verlangende Vader. De drienige God, Die aan het begin staat van de wording aller dingen, is ook de drienige God, Die aan het eind staat van de voltooiing aller dingen.
Het gaat in de eerste plaats om de volzaligheid van de drieënige God. Maar dat er ook een schare is, die eenmaal zalig zal worden tot in der eeuwigheid, dat is een zalig uitvloeisel van de allesomvattende herschepping. Die voltooid zal worden door de tweede komst van de Heere Jezus Christus in Zijn wederkomst, opdat Hij het alles zo volmaken zal, dat God zal zijn alles en in allen, in de herschepping.
Dan staat de mens niet in het middelpunt in het zaligworden, dan staat de mens niet in het middelpunt in het volkomenworden van wat God in den beginne geschapen heeft. Maar God drieënig staat in het middelpunt.
En wanneer Hij dan in het middelpunt zal herstaan door herschepping, dàn vangt de eeuwigheid aan! Dan zal er niet meer gejammerd worden, dan zal er ook niet meer gezucht worden. Dan zal het vóórzuchten van de Heilige Geest in de uitverkorenen veranderd worden in vóórzingen. Dat zal vóórprijzen zijn en vóórpsalmen in de uitverkorenen. Om het lied van Mozes te zingen en van het Lam: "Gij hebt ons Gode gekocht met Uw bloed".
Dan zal alle jammer afgelopen zijn, dan zal ook het zuchten voorbij zijn. Dan zal die schare, die uit de grote verdrukking komt, zingen: "Ik dank U, HEERE! dat Gij toornig op mij geweest zijt, maar Uw toorn is afgekeerd, en Gij troost mij" (Jes.12:1). "En geen inwoner zal zeggen: Ik ben ziek, want het volk, dat daarin woont, zal vergeving van ongerechtigheid hebben" (Jes.33:24).
In het middelpunt zal niet staan de gezaligde zondaar, maar de volzalige drieënige God, Vader, Zoon en Heilige Geest, te prijzen tot in der eeuwigheid. Dat zal dan ook het eeuwigheidswerk zijn, wanneer de gezaligden verlost zullen zijn. Dan zal het alles opgelost zijn in de drienige God. Maar dan zullen we toch gebleven zijn, elk van Zijn kinderen, bijzonder en apart individu om God te prijzen. Maar we zullen ingezet zijn als paarlen in de Middelaarskroon, een gemeenschap rondom de troon van God en van Zijn heilige engelen.
Dan zullen er nog maar twee plaatsen over zijn, geliefde gemeente: eeuwig buiten waar duisternis zal zijn en het is niet te zeggen hoe duister die duisternis zal zijn. Of eeuwig binnen in het eeuwige licht, het is niet te zeggen hoe licht of dat licht wel zal zijn. Er zullen maar twee plaatsen zijn: een plaats ter ere van God in het zalig worden èn een plaats ter ere van God, de plaats van de rampzaligheid. Want niets zal er buiten vallen, buiten de eer van God. Maar waar zult gìj zijn in de eeuwigheid?
Zal God verheerlijkt worden in de zaligheid van uw ziel en ook van uw lichaam in de herschepping, of zal God verheerlijkt worden in uw rampzaligheid? Dat is een zeer belangrijke vraag, geliefde gemeente. Het koninkrijk van God gaat door, maar waar zult gij zijn? In het koninkrijk of buitengeworpen?
Tien maagden: vijf wijs en vijf dwaas. Tien lampen die brandden, doch slechts vijf kruiken gevuld. Vijf maagden hebben wel het feestlicht gezien van buitenaf, toen ze geklopt hebben aan de deur: "Heer, heer, doe ons open!" (Matt.25:11), toen wilden ze wel en toen wilden ze wel graag, maar toen kon de deur niet meer open. Toen heeft Hij geantwoord: "Ik ken u niet" (Matt.25:12).
Vijf binnen in het licht, in de eeuwige aanwezigheid van God. Zalig, die de roep hoort, ook nu: "Ziet, de bruidegom komt!" Zalig, wiens kruik met olie gevuld is!
Wie werden er gered, geliefde gemeente? Zìj werden gered, die ook gereed waren toen de Bruidegom kwam. Gereed en gered hoort bij elkaar. Het duurt niet lang meer, dan zal het blijken wie wij hebben toebehoord. Dan zal Christus wederkomen en dan zal Hij in grote heerlijkheid het oordeel uitspreken. Dan zal Hij Zijn schapen vergaderen ter rechterhand, Hij zal de bokken stellen ter linkerhand.
Zijt gij gereed, zo zult gij ook gered wezen. Maar zijt gij niet gereed als Christus komt, zo zult gij ook niet gered wezen.
Waar, o waar zult gij zijn in de eeuwigheid? AMEN.