Zondag 22, Vraag en antwoord 57 - 58

                                         ZONDAG 22

                               Vraag en antwo­ord 57 en 58

 

        Psalm   138 : 1

        Psalm     71 : 10

        Psalm     73 : 13,14

        Psalm     17 : 8

        Psalm     16 : 5

        Filipp.        3 

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechis­muson­derwijs, vindt u in het voorgelezen Schriftgedeelte, Filippensen 3 : 8 - 12

 

Ja, gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid der kennis van Chris­tus Jezus, mijn Heere; om Wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen.

En in Hem gevonden worde, niet hebbende mijn rechtvaar­digheid, die uit de wet is, maar die door het geloof van Chris­tus is, namelijk de rechtvaardigheid, die uit God is door het geloof;

Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstan­ding, en de gemeenschap Zijns lijdens, Zijn dood gelijkvormig wordende;

Of ik enigszins moge komen tot de wederopstan­ding der doden.

Niet dat ik het alrede gekregen heb, of alrede volmaakt ben; maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Je­zus ook gegrepen ben.

 

Vanavond zondag 22, vraag en antwoord 57 en 58

 

57. Vr. Wat troost geeft u de opstanding des vleses?

Antw. Dat niet alleen mijn ziel na dit leven van stonden aan tot Christus, haar Hoofd, zal opge­no­men worden, maar dat ook dit mijn vlees, door de kracht van Christus opgewekt zijnde, weder­om met mijn ziel verenigd en aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig zal worden.

58. Vr. Wat troost schept gij uit het artikel van het eeuwige leven?

Antw. Dat, nademaal ik nu het beginsel der eeu­wige vreugde in mijn hart gevoel, ik na dit leven volkomen zaligheid bezit­ten zal, die geen oog gezien, geen oor gehoord heeft, en in geens mensen hart opgeklommen is, en dat, om God daarin eeuwig­lijk te prijzen.

 

Geliefde gemeente, het gaat ook deze keer weer over de schatten en gaven van Christus. We kunnen ook zeggen: de schatten en gaven van de Kerk. Want dit artikel spruit voort uit het belijden: Ik geloof een heilige, algemene Christelij­ke Kerk, de gemeen­schap der heili­gen. De opstan­ding des vleses en het eeuwige leven behoren dus ook tot de schatten en gaven, die de Kerk gekre­gen heeft uit de verdien­ste van Chris­tus, door de bediening van de Heilige Geest.

Wat troost geeft u de opstanding des vleses? Wat troost schept gij uit het artikel van het eeuwige le­ven?

Zondag 22 is een bijzondere zondag. Het gaat over de eeuwigheid. Zondag 22 spreekt over de schatten en gaven die de gelovigen ten deel vallen. Maar wat er niet gezegd wordt, is ook een zeer ernstige boodschap, namelijk: wat u ten deel zal vallen, wanneer u geen deel hebt aan Chris­tus! Want dan zal er ook een opstanding des vleses en een eeuwig voortleven zijn. Dan zullen we het zo moeten lezen: dat niet alleen mijn ziel na dit leven van stonden aan ramp­zalig zal zijn, maar dat ook dit mijn vlees, opgewekt zijnde, wederom met mijn ziel verenigd, rampzalig zal zijn.

En dat geloven we allemaal wel, maar als we het werke­lijk geloof­den, dan zou ik willen vragen: zijn hier dan geen onbekeerde men­sen? Want waar zijn de tranen? Wan­neer we denken over een eeu­wigheid, een eeu­wig­heid buiten God, dan zingt Psalm 119: "Al 't godd'loos volk ver­doet G'als schuim van d'aard". Dan zal het vervuld worden:

 

      Gij zijt volmaakt, Gij zijt recht­vaardig, HEER;

      Uw oor­deel rust op d'allerbeste wet­ten;

      Uw loon, Uw straf beantwoordt aan Uw eer.

      Gij eist van ons, dat w'op Uw waarheid letten (Ps.11­9:69 ber.).

 

Wat is het een ernstige zaak om mens te zijn, ge­meente, om voor een eeuwigheid geschapen te zijn. En wat is het ernstig om een kerkmens te zijn. Als een heiden verloren gaat, dan zal hij nog kunnen zeggen: ik heb er nooit van gehoord. Maar als een christen verlo­ren zal gaan, dan zal hij moeten zeggen: ik heb het nooit ge­loofd.

Nu wordt er in onze kringen nogal eens gemakke­lijk gesproken over het ongeloof, omdat je immers zelf niet geloven kunt. Het is waar! Maar toch lezen we in de brieven van de apostel Johannes wat het ongeloof in wezen is. "Die God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt" (1 Joh.5:10). Dan zal de eeuwig­heid voor het ongeloof recht vreselijk zijn. Dat zal inhouden dat we God tot in der eeu­wigheid voor een leuge­naar zullen houden.

Er zijn mensen, die geloven in een tweede kans, som­mi­gen zelfs in een derde kans. Och, laat ik dit mogen zeggen: al zou die kans er zijn, dan zal er nog geen bekering komen! Dat is het vreselijke van de mens die voortvaart, niet alleen in een weg van goddeloosheid, maar ook in een weg van onge­loof. Daar zit iets vreselijks in. Daar zit geen stilstand in, maar dat is een proces van verharding. Dat zal eenmaal zo vreselijk zijn, dat zelfs de realiteit van de eeuwig­heid en van de eeuwige verlorenheid ons dan niet meer zal kunnen verande­ren.

Wat troost geeft u de opstanding des vleses? Dat niet alleen mijn ziel na dit leven van stonden aan tot Chri­stus, haar Hoofd, zal opgenomen worden, maar dat ook dit mijn vlees, door de kracht van Christus opge­wekt zijnde, wederom met mijn ziel verenigd en aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig zal worden. Dat is dus voor het geloof en daar zit geen onredelijkheid in.

Er wordt weleens beweerd, dat het onredelijk zou zijn, dat de één behouden zal worden en dat de ander verlo­ren zal gaan. Maar ik heb ook eens gelezen van dat eeuwi­ge vonnis, dat God over onze levens zal vellen, dat het ten diepste niets anders is, dan dat God zal zeggen, wanneer we voor Zijn rechterstoel gesteld zullen wor­den: uw wil geschiede.

Dan voelt u ook wel aan, dat het eeuwige leven reeds ver­klaard ligt in dìt leven. Als God zal zeggen: uw wil geschiede, dan zit daar iets rede­lijks in. We lezen immers: "Wij willen niet, dat deze over ons koning zij" (Luk.19:14). We menen mis­schien dat het anders is, we denken misschien wel dat we God tot Vader willen hebben en de hemel tot eeuwige verblijf­plaats, maar we moeten ons hart toch maar eens onder­zoe­ken, of het werkelijk wel zo is. Is het werke­lijk zo, dat we God tot Vader willen heb­ben?

Dat is zeer oppervlakkig geredeneerd, want we willen nog wel dat Vaderhuis, maar dan liever zonder dat Vader thuis is. Wat zou het ongeloof de volmaaktheid van de hemel tenietdoen, ge­meente. De hemel zou geen hemel meer zijn, wanneer de Heere het ongeloof bin­nen zou laten. En de zaligheid zou ook geen zaligheid meer zijn, als God de goddeloosheid toe zou laten. Bedenk het eens een keer in uw eigen leven, wat de eeuwig­heid is!

Wanneer we over dat woordje 'eeuwigheid' na gaan denken en we zijn onbekeerd, wat moest het dan vre­selijk benauwd worden. Wanneer we werkelijk gaan geloven wat God in Zijn Woord zegt over de eeuwig­heid, wanneer dat werkelijkheid wordt in ons leven, och, dan schreeuwden we het uit: o eeuwig­heid, o eeu­wigheid!

En niet alleen als we sterven zullen ge­meente, want dan zullen we met ons ongeloof van stonden aan ook bij ons 'hoofd van ongeloof' zijn. Wie is dat? Dat is de duivel. Dan zal dìt het eeuwige leven voor de goddelo­zen en voor de onboetvaardigen zijn, dat zij ook hun eigen lichaam weer terug zullen krijgen, maar zoals we dat lezen in het boek Daniël: "Tot versmaadheden, en tot eeuwige afgrijzing" (Dan.12:2).

Wat is het een ernstige zaak om Christen te zijn. Het zou al zo vreselijk zijn om in onwetendheid verloren te gaan, maar dan heeft de Heere bovendien gezegd: "En gij, Kapérnaüm! die tot den hemel toe zijt verhoogd, gij zult tot de hel toe nedergestoten worden. Want zo in Sódom die krachten waren geschied, die in u ge­schied zijn, zij zouden tot op den huidigen dag geble­ven zijn. Doch Ik zeg u, dat het den lande van Sódom ver­drage­lijker zal zijn in den dag des oordeels, dan u" (Matt.­11:23-24).

En dan lezen we ook in het Woord dat "de mannen van Ninevé zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen hetzelve veroordelen" (Matt.12:41). Wat een geweldige verantwoor­delijk­heid ligt er ook op ons, geliefde ge­meente. Wat houden we er misschien weinig reke­ning mee, dat onze levenstijd genade­tijd is. Mis­schien denken we dat het echt waar is, dat we het leven gekregen hebben om er een beetje mee te spelen.

Wanneer Guido de Brès spreekt over het laatste oor­deel, ­dan somt hij geen grote zonden op, maar dan spreekt hij over mensen die dit leven niet dan voor kin­der­spel en tijdverdrijf geacht hebben (NGB art.37).

Maar de catechismus spre­ekt er over, wat Gods kinde­ren te wachten staat en daar zullen we nu ver­der over spreken.

Wat troost geeft u de op­standing des vleses? Dat niet alleen mijn ziel na dit leven van stonden aan tot Chri­s­tus, haar Hoofd, zal opgenomen worden, maar dat ook dit mijn vlees, door de kracht van Christus opge­wekt zijnde, wederom met mijn ziel verenigd en aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig zal worden.

U merkt wel dat er in de catechismus geen spoor te vinden is van de gedachte als zou de mens een ziele­slaap meemaken na zijn ster­ven. Dat is ook niet naar het Woord. Daarom staat hier in de catechismus dat de ziel van stonden aan tot Christus, haar Hoofd zal opge­no­men wor­den. Ik vind dat nergens zo schoon beschre­ven als bij de moorde­naar aan het kruis, die in zijn uiterste ogenblikken nog gaat vragen om genade en gaat smeken om ontfer­ming: "Heere, gedenk mijner, als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn. En Jezus zeide tot hem: Voorwaar, zeg Ik u: Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn" (Luk.23:42-43).

Ik weet niet, of u weleens een godza­lig sterfbed hebt meegemaakt. Als dat niet zo is, dan zou ik zeggen: wat hebt u veel gemist. Dan kan de over­gang zo on­merk­baar zijn, want de laatste snik aan deze zijde is tot Chris­tus, maar het vol­gende wat de om­standers niet meer zien, dat is de vreugdesnik van de ziel, die ter­stond bij Chris­tus, haar Hoofd is opgeno­men.

Dat ligt ook verklaard in de Schrift. De Heere Jezus heeft gezegd: "Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heer­lijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt; want Gij hebt Mij liefgehad, vóór de grond­leg­ging der wereld" (Joh.17:24).

En Paulus zegt: "Ik jaag er naar, of ik het ook grij­pen mocht".

Wat ligt de liefde­loosheid van de Kerk daarin verklaard gemeente, dat er zo weinig uitzien is naar dat letterlijke afreizen tot Christus, ons Hoofd.

Nu weet ik echt wel, dat we niet te lichtvaardig over de dood en over het sterven moeten spreken, want het blijft iets vreselijks. On­danks alle blijdschap in God, on­danks alle uitzien blijft er toch ook iets smar­telijks in, dat de ziel losgemaakt zal worden van het lichaam: "Want de bezoldi­ging der zonde is de dood" (Rom.6:23). Maar toch, ziende op de winst van de ziel, die van stonden aan tot Chris­tus haar Hoofd opgeno­men zal worden, heb ik menigmaal het voor­recht gehad, mensen te zien ster­ven in dat zalige verlangen en in die zalige weten­schap, dat zij tot Christus, haar Hoofd opgeno­men wer­den.

Het is misschien nodig dat we een beetje stervens-onderwijs krijgen vanavond. Stervens-onderwijs, want de dood kan ons inderdaad weleens aangrijnzen, gelief­de gemeente.

Ik lees in de Schrift en ik heb het ook in de praktijk gemerkt, dat het alleen maar kan in de liefde, in de liefde van het hart. Wanneer God het verlangen van het hart opwekt op een sterfbed, om tot Christus haar Hoofd opgenomen te worden. Dan zingt de psalmist: "'k Zal dan gedurig bij U zijn, in al mijn noden, angst en pijn. Want: "Wien heb ik nevens U in den hemel? Ne­vens U lust mij ook niets op de aarde! B­ezwij­kt mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen mijns har­ten, en mijn Deel in eeuwig­heid" (Ps.73­).

Wat moest dit artikel voor de Kerk, voor de levende Kerk een trooststuk zijn! Er wordt toch ook gevraagd: Wat troost geeft u de opstanding des vleses? Dat niet alleen mijn ziel na dit  leven van ston­den aan tot Chri­stus, haar Hoofd, zal opgenomen worden, maar dat ook dit mijn vlees, door de kracht van Chris­tus opge­wekt zijnde, wederom met mijn ziel verenigd en aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig zal worden.

Onze catechismus spreekt niet alleen over de ziel, onze catechismus spreekt ook over het lichaam. Ik dacht ook dat het heel belangrijk was, want in zondag 1 heb ik reeds gelezen dat niet alleen mijn ziel, maar ook mijn lichaam gekocht is. Gekocht, niet door goud of door zilver, maar door het dier­baar bloed van de Heere Jezus Christus. En zou dan het lichaam niet be­langrijk zijn?

Laten we er niet te min over denken. God heeft de mens geschapen naar ziel en lichaam. Daarin is ieder mens uniek. Er is maar één ziel en één lichaam en dat vormt tezamen één persoon. Dat is ook niet te ver­wisse­len, die ene ziel in een ander lichaam. God heeft de mens gescha­pen als een hechte twee-eenheid. Een lichaam om God te dienen en een ziel om God te prij­zen.

Sterven dat is dat God die twee, die Hij samenge­voegd heeft, gaat sche­iden. Omdat Hij gezegd heeft: "De bezoldiging der zonde is de dood" (Rom.6:23). Daar­om moet ieder mens sterven.

Nu gaat het over het lichaam en met name over het lichaam van Christus' duur gekochte Kerk. Iets wat je duur gekocht hebt, daar ben je immers zuinig op. Dit zijn zaken, die door­leef je meest­al niet in je jeugd, maar in je ouderdom ga je daar weleens over naden­ken. Dan merk je ook weleens dat de Schrift met zo'n teer­heid spreekt over ons lichaam, over dit mijn vlees.

Ik lees dat Job niet twijfelt of hij van stonden aan bij Christus, zijn Zaligmaker zal zijn, want Job be­trouwt ook zijn stof toe aan de Heere, hij zegt: "Als een man gestorven is, zal hij weder leven? Ik zou al de dagen mijns strijds hopen, totdat mijn verande­ring komen zou. Dat Gij zoudt roepen, en ik U zou antwoor­den, dat Gij tot het werk Uwer handen zoudt begerig zijn" (Job.14:14-15). Het stof van Job zou begerig zijn, dat zou uitzien, dat zou wach­ten. Het ver­droog­de vermalen leem van Gods schepsel, zal wach­ten zegt Job, dat zal wach­ten tot de Schep­per weer begerig zal zijn naar het werk Zijner handen.

O, dan is er zoveel liefde bij God, gemeente. Dan is er zoveel liefde bij de Heere Jezus Christus, want bij Hem is er wel een uitzien en verlangen, niet alleen naar de zielen, maar ook naar de lichamen die Hij ge­kocht heeft, niet met goud of met zilver, maar met Zijn dier­baar bloed.

Dan zal eens de tijd gekomen zijn, we weten het uit de Schrift, dat alle doden zullen opstaan. Zij zullen opge­wekt wor­den, spot er toch nooit mee! Men denkt wel­eens dat het ongerijmd is, dat de doden zullen op­staan, maar het is niet minder ongerijmd dan de ge­boorte van een mens.

Ik geloof dat het toch wel goed is, om deze leerstof te behandelen. Alle lichamen zullen eenmaal weer opstaan en dan zal ziel en lichaam weer ver­enigd zijn, om eeuwig op die plaats te zijn waar hij thuishoort. ­Ziel en lichaam van de gelovigen, maar ook ziel en lichaam van de goddelozen zullen weer ver­enigd wor­den. De ziel, niet met zomaar een lichaam.

Dat is een grote ketterij, die reeds bestreden is in de jonge Kerk, om te denken dat God gans andere zielen zou gaan scheppen met gans andere lichamen. Daar­om zegt de catechismus, zonder in te gaan op al die kette­rijen die er geweest zijn, dat ook dit mijn vlees zal opgewekt worden.

Het gaat om de realiteit, gemeente, van dit mijn vlees, wat ik werkelijk tussen vinger en duim vast kan houden. Dat bedoelt de Schrift. Dat ook dit mijn vlees, door de kracht van Christus opge­wekt zal wor­den.

Er zijn veel misverstanden ontstaan, door­dat de Schrift  op verschil­lende manieren over ons vlees spre­ekt. Vaak, als de Schrift spreekt over het vlees, wordt daarmee de mens der zonde bedoeld. Niet de substan­tie, maar de mens der zonde.

Om maar een voorbeeld te gebruiken, David zingt: "En wordt mijn vlees door 't kwade licht verrast, Ai, laat het mij toch nimmer overheren" (Ps.119:67 ber.). Maar over dàt vlees gaat het niet, het gaat niet over de mens der zonde, maar het gaat over de sub­stantie van ons bestaan. Dat het even zeker gekocht is door onze Zalig­maker, als onze ziel.

Dat ook dit mijn vlees, door de kracht van Christus opgewekt zijnde, wederom met mijn ziel verenigd zal zijn en aan het heerlijk lichaam van Christus gelijk­vor­mig zal worden. Och, we komen dat ook tegen in 1 Korinthe 15: een sterfelijk lichaam wordt er gezaaid, een onsterfe­lijk lichaam zal er opstaan, een verderfe­lijk lichaam wordt er gezaaid, een onverderfelijk li­chaam zal er weder opstaan. En dat wordt genoemd: dit mijn vlees, omdat de mens een persoon­lijkheid is: de unie­ke samenvoe­ging van één ziel en één lichaam.

Dan geloof ik, dat ik het misschien zo kan zeggen: die lichamen zullen niet identiek zijn, maar toch wel identi­fi­ceerbaar. Het valt immers op, dat de rijke man wan­neer hij zijn ogen opslaat in de pijn en de arme Laza­rus ziet in de eeu­wi­ge heer­lijkheid, er ter­stond her­kenning is, zowel van de arme man als van Abra­ham.

Niet iden­tiek, dus niet volkomen hetzelfde, maar wel identi­ficeer­baar, dus wel te herkennen als dezelfde persoon die hij is geweest. Dat wil zeg­gen, gemeente, zoals de godde­loze zijn lichaam terug­krijgt tot aller afgrij­zen, zo zal de Kerk haar lichaam terug­krijgen zonder de ge­breken, die de zonde teweeg heb­ben ge­bracht.

Wat is dat een ontroerende gedachte, als ik denk aan die godvrezen­de vriend, waar eigenlijk niets meer van heel was. Die niet meer kon gaan en niet meer kon staan, die op den duur niet eens meer zelfstandig kon zitten. Wat zal dat zijn, als zo iemand in het eeu­wige leven een lichaam zal hebben, niet identiek, wel identi­ficeer­baar, verlost van alle kwalen en verlost van alle ge­brek.

Nu vraagt u misschien: is dat niet een vleselijke ge­dachte dominee, om zo de eeuwigheid voor te stel­len? Dan zijn er twee misverstan­den. Ik stel de eeu­wigheid zo niet voor, maar God stelt de eeuwig­heid zo voor. Lees de Schrift maar in 1 Korinthe 15. Het is een zaak die vast en zeker gebeuren zal, dat God een Kerk zal hebben, niet slechts met een ziel, maar ook met een li­chaam.

Er is ook geen sprake van een totaal nieuwe schep­ping! God heeft geen fouten gemaakt in de eerste schepping, maar de eerste schep­ping is geval­len. En zo gaat het om een herschepping, ook als de Schrift zegt: "Ziet, Ik schep nieuwe hemelen en een nieuwe aarde" (Jes.65:17). Dan is het niet, dat God fouten gemaakt heeft die verbeterd moeten worden, met eer­bied ge­sproken, maar dan gaat het om de uitdel­ging van de zonde. Dat de goddeloze verdaan zal worden als schuim van deze aarde. Het goddelijk bedoelen was om een sche­psel te scheppen. Zo heeft Hij Adam geschapen en gezegd: zeer goed. Zo heeft Hij Eva gescha­pen en gezegd: zeer goed, om Hem te loven en om Hem te prijzen.

Wanneer we dat goed zien, dan is ons lichaam, dit ons vlees, geschapen met al zijn ex­pressiemogelijkheden om God eeuwiglijk te loven en te prij­zen.

Daarom zegt ons antwoord, dat wij het heerlijk lichaam van Chris­tus gelijkvormig zullen worden. We weten toch immers dat de Heere Jezus ook dìt Zijn vlees heeft teruggekregen in de opstanding, in de hof van Ari­mathéa, tot eeuwige eer en heerlijkheid van de Vader. Nu gaat het hierin om een analoge zaak, die u overal vindt in de Schrift. Wederom de ziel met het lichaam verenigd en het heer­lijk lichaam van Christus gelijkvormig.

Wil dat zeggen, dat we net zo verheerlijkt zullen zijn als Christus? Nee gemeente, dat wil niet zeggen dat er geen onderscheid zal zijn in de heerlijkheid van de gezaligde Kerk en de heerlijk­heid van haar Zaligmaker. Jezus zal bij wijze van spre­ken de heerlijk­heid heb­ben van de zon en dan zullen wij maar sterre­tjes zijn.

Het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig te we­zen, houdt in dat Christus het Hoofd is en dat de gelovigen Zijn leden zijn. Daarin proeven wij de heer­lijkheid van het Hoofd Christus, maar daarin proe­ven wij ook het medeverheerlijkt zijn van de gemeente, om eeuwig te staan voor Gods aangezicht.

 

Wat troost schept gij uit het artikel van het eeuwige leven? Dat is ook zo'n mooie vraag, geliefde gemeente. De meeste vragen begin­nen met: wat troost geeft u, maar hier wordt gevraagd: wat troost schept gij uit het artikel van het eeuwige le­ven? Ik vind dat zo'n mooi woord: troost scheppen en moed scheppen. Dat wijst op een gelo­vig bezig­ zijn met het Woord, waarin God al die dingen heeft geopen­baard.

Ik weet niet hoe ik het nog eerbiediger moet zeggen, maar het komt ons niet aanwaaien, er is ook naarstigheid nodig om op te wassen en toe te nemen in de kennis en in de genade van de Heere Jezus Christus. Zodat Paulus zegt: "Ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht".

Zo staat hier: Wat troost schept gij uit het artikel van het eeuwige leven? Dat, nademaal ik nu het begin­sel der eeuwige vreugde in mijn hart gevoel, ik na dit leven volkomen zaligheid bezitten zal, die geen oog gezien, geen oor gehoord heeft, en in geens mensen hart opgeklommen is, en dat, om God daarin eeuwiglijk te prijzen. Waar gaat het dan om, geliefde gemeente?

Wat troost schept gij uit het artikel van het eeuwige leven? Wat troost scheppen wij uit de hereniging van onze ziel met ons li­chaam? Ik kan het u wel zeg­gen hoor: nu heeft alleen nog maar mijn ziel Jezus' stem ge­hoord, maar dan zullen ook werkelijk deze mijn oren de stem van de Zaligmaker horen. Nu heb­ben alleen mijn zielsogen Jezus aan­schouwd, maar dan zullen ook werkelijk mijn lijfelijke ogen Jezus aan­schouwen.

Dat, nademaal ik nu het beginsel der eeuwige vreugde in mijn hart gevoel, ik na dit leven volkomen zaligheid bezitten zal. Nu gaat het om twee dingen gemeente, het gaat om het beginsel en om de volko­menheid. Pas in de eeuwigheid zal de volkomenheid aanbre­ken, maar de vraag is of we nu reeds dat beginsel kennen, dat begin.

Het beginsel, dat is net als een zaad, dat nog gezaaid moet worden, maar waaruit misschien wel een hele boom zal groeien. Toch zit alles er al in, in dat ene zaadje dat je op je hand hebt, dat is een beginsel. Dat is heel wat anders dan een klein begin.

Het begin, dat kan een stukje van een draad zijn en wat verder aan de klos met draad zit, dat is allemaal hetzelfde. Maar een beginsel dat wil zeggen dat het zich vermenigvul­digt. Het is als een zaad waaruit een boom groeit. Dat wordt iets geweldigs! "Ja, van ouds heeft men het niet gehoord, noch met oren vernomen, en geen oog heeft het gezien, behalve Gij, o God! wat Hij doen zal dien, die op Hem wacht" (Jes.64:4).

Als je dan toch dat zaad op je hand hebt, het begin­sel, dan kan er zo'n zalige verwach­ting zijn. Als het hart nu soms de fluisterin­gen Gods reeds hoort, dan zeg je weleens: wat zal het zalig zijn, als het beginsel volko­men zal worden. Als mijn oren het zullen horen, als mijn ogen het zullen zien en als mijn handen het Woord des levens zullen tasten.

Wanneer ik na dit leven volkomen zaligheid bezitten zal, die geen oog gezien, en geen oor gehoord heeft, en in geens mensen hart opgeklommen is, en dat, om God daarin eeuwiglijk te prijzen. De catechismus haalt een tekst aan uit Jesaja, die ook in het Nieuwe Testa­ment geciteerd wordt. En dat, om God daarin eeuwiglijk te prijzen.

We lezen zo schoon, waar die op­stan­ding naar toe gaat. De opstan­ding des vleses zal zijn tot de eeuwige glorie en grootmaking van de Naam en de deugden Gods. Dat lezen we in 1 Korinthe 15, waar staat dat "Chri­stus het Koninkrijk aan God en den Vader zal overge­ge­ven hebben. Wanneer ook de Zoon Zelf onder­wor­pen zal worden Dien, Die Hem alle dingen onder­worpen heeft, opdat God zij alles in allen" (1 Kor.­15:24,28). Dat is ten diep­ste de oplossing, letterlijk, van ons Godsgemis!

Ziel en lichaam tot in der eeuwig­heid vervuld te hebben met God. Dat was toch immers de schepping, geliefde ge­meente! De schep­ping­ is God nooit uit han­den geval­len, wat God begonnen is, dat zal Hij ook voleindi­gen.

Maar wat is dan tòch het genadeverbond voortreffelij­ker dan het werkverbond. Het eerste paradijs was bij de gratie van Adam, het tweede paradijs bij de gratie van het bloed en de wonden van Christus. AMEN.