ZONDAG 24
Vraag en antwoord 62, 63 en 64
Psalm 108 : 2
Psalm 113 : 1,3
Psalm 19 : 5,7
Psalm 143 : 10
Psalm 31 : 15
Galaten 5
Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechismusonderwijs, vindt u in het voorgelezen Schriftgedeelte, Galaten 5 : 13 - 14
Want gij zijt tot vrijheid geroepen, broeders, alleenlijk gebruikt de vrijheid niet tot een oorzaak voor het vlees; maar dient elkander door de liefde.
Want de gehele wet wordt in één woord vervuld, namelijk in dit: Gij zult uw naaste liefhebben, gelijk uzelven.
Zondag 24, vraag en antwoord 62, 63 en 64
62. Vr. Maar waarom kunnen onze goede werken niet de gerechtigheid voor God of een stuk daarvan zijn?
Antw. Daarom, dat de gerechtigheid die voor Gods gericht bestaan kan, gans volkomen en der wet Gods in alle stukken gelijkvormig zijn moet, en dat ook onze beste werken in dit leven alle onvolkomen en met zonden bevlekt zijn.
63. Vr. Hoe? Verdienen onze goede werken niet, die God nochtans in dit en in het toekomende leven wil belonen?
Antw. Deze beloning geschiedt niet uit verdienste, maar uit genade.
64. Vr. Maar maakt deze leer niet zorgeloze en goddeloze mensen?
Antw. Neen zij; want het is onmogelijk, dat, zo wie Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid.
Er is een zonde, geliefde gemeente, er is een zonde bedreven ìn het paradijs en diezelfde zonde is duizendvoudig bedreven na het paradijs. Het is een zonde die ook bedreven wordt door het kind van God, na ontvangen genade. Het is een zonde die de levendgemaakte Kerk pas te boven zal zijn in het eeuwige leven, wanneer ze van zichzelf verlost zal zijn.
Welke zonde is dat? Hoogmoed... Hoogmoed! En bekering is precies het tegenovergestelde van hoogmoed.
Men heeft aan Augustinus eens gevraagd: wat komt er het eerste in de bekering? Toen heeft Augustinus geantwoord: ootmoed. Toen heeft men gevraagd: wat is dan het tweede in de bekering? Toen heeft Augustinus geantwoord: ootmoed. Daarna heeft men gevraagd: vader Augustinus, maar wat is het derde in de bekering van een mens? Toen heeft hij opnieuw geantwoord: ootmoed! De apostel zegt het ook dat 'de zachtmoedige en stille geest kostelijk is voor God' (1 Petr.3:4).
De zonde in het paradijs is hoogmoed geweest. Alle zonde die een mens bedrijft is hoogmoed. De volkstelling van David: hoogmoed. De zonde met Bathséba: hoogmoed. Uria gedood: hoogmoed. Wil een Christen veilig door dit leven gaan, dan is er ootmoed nodig om te leven uit vrije genade.
Daarom heb ik u Psalm 19:7 laten zingen.
Weerhoud, o HEER, Uw knecht,
Dat hij zijn hart niet hecht'
Aan dwaze hovaardij.
Heerst die in mij niet meer,
Dan leef ik tot Uw eer,
Van grote zonden vrij.
We kunnen ook zeggen: Heerst die hovaardij in mij niet meer, dan geldt ook dat tweede gedeelte van dit kostelijke psalmvers:
Laat U mijn tong en mond,
En 's harten diepsten grond,
Toch welbehaag'lijk wezen.
O HEER, Die mij verblijdt,
Mijn Rots en Losser zijt,
Dan heb ik niets te vrezen.
Hoogmoed, geliefde gemeente, is er de oorzaak van dat zondag 24 geschreven moest worden na zondag 23, waarin zo duidelijk gezegd is dat de zaligheid niet anders is dan vrije genade en vrije genade alleen.
Hoogmoed, zelfs in de levendgemaakte Kerk, in de gerechtvaardigde Kerk, wanneer de goede werken de plaats weer in willen gaan nemen van het geloof. Zodat er een hele zondag besteed moet worden aan onze goede werken. Het is onmogelijk dat onze goede werken de gerechtigheid voor God, of een stuk derzelve kunnen zijn.
U moet er wel goed acht op geven, dat het vanavond wel over de goede werken gaat, maar dan in verhouding tot de rechtvaardigmaking. Het gaat niet over de goede werken als stuk van de dankbaarheid, als betrokken op de heiligmaking. Daar zal straks over gesproken worden in zondag 33, in het stuk van de dankbaarheid, waar gesproken wordt over de goede werken en wat de goede werken zijn. Direct daarop aansluitend zal de catechismus de wet Gods gaan behandelen, de tien geboden.
Het gaat deze keer om de aansluiting op vraag en antwoord 61, waarin gezegd werd: dat gij alleen door het geloof rechtvaardig zijt. Niet dat ik vanwege de waardigheid mijns geloofs Gode aangenaam ben; maar daarom, dat alleen de genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus mijn gerechtigheid voor God is, en dat ik die niet anders dan alleen door het geloof aannemen en mij toeëigenen kan.
De nadruk werd gelegd op: door het geloof en daar sluit zondag 24 op aan.
Maar waarom kunnen onze goede werken niet de gerechtigheid voor God of een stuk daarvan zijn? Daarom, dat de gerechtigheid die voor Gods gericht bestaan kan, gans volkomen en der wet Gods in alle stukken gelijkvormig zijn moet, en dat ook onze beste werken in dit leven alle onvolkomen en met zonden bevlekt zijn.
De kerk van de Reformatie had een periode achter de rug dat door de dwalingen van Rome de goede werken hoog in het vaandel geschreven stonden. In de kerk van Rome wordt men zalig door goede werken. Daar zegt men dat door goede werken de hemel ontsloten wordt.
Er heerst zelfs een dusdanige overschatting van de goede werken, dat men spreekt van een overschot van goede werken. Iemand kan veel meer goede werken doen, dan er nodig is voor eigen zaligheid en dat overschot krijgt de kerk. Dat is een voorraad goede werken waar de priester uit kan putten om absolutie te verlenen aan diegenen, die een beetje te kort komen.
Ik denk niet dat wij over die dwaling moeten spreken, ik denk dat wij de dwaling in onze eigen boezem moeten zoeken vanavond.
Waarom kunnen onze goede werken niet de gerechtigheid voor God of een stuk daarvan zijn? Het gaat er om, dat de leer van de rechtvaardigmaking door het geloof, zuiver moet blijven.
Ik heb de vorige keer al gezegd dat de volgorde rechtvaardigmaking en heiligmaking nooit straffeloos omgekeerd kan worden. Het is nooit zo dat een mens zichzelf Gode aangenaam kan maken door goede werken, om daardoor vrije genade te ontvangen. Want dan is vrije genade, geen vrije genade meer. Dat is een dwaling waarbij wij de hand in eigen boezem moeten steken en in de boezem van ons kerkelijk leven.
De rechtvaardigmaking is zo vrij, zo vrij! Er is geen sprake van dat uw goede werken zelfs ook maar goede werken zouden zijn, als u niet eerst aangenomen zijt in God. Eerst rechtvaardigmaking, dan heiligmaking! Het Schriftwoord moet ons maar bijblijven: "Maakt den boom goed en zijn vrucht goed; want uit de vrucht wordt de boom gekend" (Matt.12:33).
Er zijn in dat opzicht gemeente, geen trappen tot de genade waardoor wij onszelf welbehagelijk kunnen maken bij God, om in aanmerking te komen voor vrije genade. Het gaat niet alleen om genade in het stuk van de rechtvaardiging, maar het gaat om vrije genade. Vrij, soeverein! En het geloof heeft daar een functie in. Dat geloof, dat is ook van God den Vader vanuit Zijn eeuwige Godsgedachte, als de enige weg om Christus met Zijn gerechtigheid aan te nemen en toe te eigenen.
Het is onmogelijk dat we door de werken Jezus Christus aan zouden kunnen nemen. Dat zou kopen zijn. Dan zou genade ook niet meer vrij zijn. Het gaat er om dat we slechts smekelingen kunnen zijn om de zaligheid te mogen verkrijgen. We kunnen uit de werken der wet geen zaligheid verdienen. De wet is absoluut geen ladder die naar de hemel reikt. Het kan alleen maar vrije genade zijn.
We moeten ook afrekenen met de gedachte dat de goede werken het geloof soms zouden kunnen ondersteunen. Goede werken in ons leven kunnen het geloof in het geheel niet ondersteunen of versterken. Het gaat om het alles of niets van vrije genade.
Dan rekent zondag 24 in antwoord 62 af met onze goede werken, door te bezien of onze goede werken echt wel zo goed zijn als wij denken. Zijn onze goede werken eigenlijk wel zo goed als wij denken? Of zit daar soms een stuk overschatting in, zit daar soms een stuk hoogmoed in? Jawel. Want de catechismus zegt: het kan niet, het is onmogelijk dat onze goede werken zelfs maar een stukje van de gerechtigheid voor God zouden zijn. De gerechtigheid die voor Gods gericht bestaan kan, moet gans volkomen en der wet Gods in alle stukken gelijkvormig zijn.
Het gaat er dus over dat, om voor God te kunnen bestaan, we niet alleen gerechtigheid moeten hebben, maar volmaakte gerechtigheid. Dat betekent dat we gans volkomen voor God moeten zijn, volmaakt in ons wetticisme waar we zelf zoveel voor geven. En dat niet in één gebod, maar in alle geboden.
Ik wil heel praktisch zijn, geliefde gemeente. Wanneer we wettisch van inslag zijn, dan kunnen we onszelf zo vreselijk vergissen. Het kan best zijn dat we het goed getroffen hebben wat betreft het eerste gebod, het tweede of het derde. Maar de gerechtigheid die God eist moet volmaakt zijn ten opzichte van alle geboden. De catechismus zegt: gans volkomen en der wet Gods in alle stukken gelijkvormig.
Het gaat er dus over dat de wet Gods geen stokpaardje is, ook bepaalde geboden niet. Maar daar zal in zondag 33 nader over gesproken worden. We kunnen voor elkaar de show wel stelen hoor gemeente, door er op een bepaald gebied des levens uit te willen springen. Maar het gaat om het geheel en het gaat om de volkomenheid! Om het maar gelijk bij zijn naam te noemen, dan gaat het om de kern van ons bestaan, om ons hart, of ons hart al recht gemaakt is voor God.
Er staat hier in de catechismus dat, wanneer ons hart recht is voor God, onze beste werken, onze allerbeste werken, nog onvolkomen en met zonden bevlekt zijn. Ik zal het u duidelijk maken met een waar gebeurd verhaal.
In een kleine plaats was er een man die de leeftijd van 100 jaar bereikt had. Toen ging de predikant een bezoek brengen bij de jarige. Hij vroeg hem: hoe denkt u voor God te verschijnen? De 100-jarige zei: ik heb al mijn zonden gebiecht en al mijn zonden zijn vergeven door de priester. Toen zei die predikant: maar als er nu in uw leven nog eens één zonde zou zijn, die u niet gebiecht hebt, één kleine zonde misschien, die u over het hoofd gezien zou hebben? Het sloeg bij die oude man naar binnen. Toen mocht die predikant zeggen: vriend, ik raad u aan om het eens op Christus te wagen. Dat is het middel geweest voor die man toen hij al 100 jaar oud was. Hij had 100 lange jaren op zichzelf vertrouwd en pas toen begreep hij dat, als er maar iets zou mankeren aan onze wetsbetrachting, aan onze biecht, het dan voor eeuwig verloren zou zijn.
Als we die wet niet gans volkomen gehouden hebben, dan geldt zelfs van zo'n kleine zonde die wij allang vergeten zijn, menselijk gesproken natuurlijk, daarvan geldt: "Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen" (Gal.3:10).
Onze beste werken in dit leven zijn alle onvolkomen en met zonden bevlekt. Die 100-jarige mocht nog 6 jaar leven. Op zijn grafsteen stond geschreven: 106 jaar geworden, doch slechts 6 jaar geleefd. Nog 6 jaar heeft hij geleefd uit vrije genade, uit de verdienste van Christus.
Goede werken! Wanneer u vertrouwt op uw goede werken, wanneer u denkt dat u zo goed bent, zou dat misschien geen gebrek aan ontdekking zijn? In plaats van een pluspunt op weg naar de hemel is dat ten diepste een minpunt. Wij zijn vreselijk oppervlakkige mensen, die zichzelf ten diepste niet kennen.
Zijn wij dan toch misschien Farizeërs? Is dit dan ten diepste ook onze dankzegging: "O God! ik dank U, dat ik niet ben gelijk de andere mensen" (Luk.18:11).
Ik ben zo vreselijk bang, geliefde gemeente, dat er bij ons veel gebrek aan ontdekking is.
In zondag 23 wordt een goddeloze gerechtvaardigd, vrij gesproken op het werk van Jezus Christus. Als wij dat kennen, mag er ook niets tussen komen dat het vrije werk van God aantast. De goede werken zijn onvolkomen en met zonden bevlekt.
Er is maar één zaak, waarmee we voor het gericht Gods kunnen verschijnen. Dat is net als in de oordeelsnacht in Egypte, met het bloed der verzoening! Zoals de Hebreënschrijver dat ook aanhaalt: "Zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving" (Hebr.9:22).
Dan komt er een heel menselijke vraag naar boven: Hoe? Verdienen onze goede werken niet, die God nochtans in dit en in het toekomende leven wil belonen? Het is waar gemeente, God beloont onze goede werken en God beloont ook onze goddeloosheid. Er zijn directe lijnen te trekken van de overtreding van bepaalde geboden, naar bepaalde straffen in dit leven. Ik denk aan een dronkaard, ik denk aan een overtreder van het zevende gebod.
Zo is er ook in het houden van Gods geboden grote loon. Daarom wordt er gevraagd: Verdienen onze goede werken niet, die God nochtans in dit en in het toekomende leven wil belonen? Deze beloning geschiedt niet uit verdienste, maar uit genade, zegt de catechismus.
We moeten ons vreselijk goed bewust blijven, waarin de Heere Jezus Zelf ons onderwijst. "Alzo ook gij, wanneer gij zult gedaan hebben al hetgeen u bevolen is, zo zegt: Wij zijn onnutte dienstknechten; want wij hebben maar gedaan, hetgeen wij schuldig waren te doen" (Luk.17:10).
Het gaat om het geloof alleen, gemeente. Het gaat om het geloof, ook straks wanneer het zal gaan over de waarachtige dankbaarheid, over het leven tot Gods eer in de betrachting van Zijn heilige geboden, alleen uit het geloof. Dan zal het straks ook gelden: "En al wat uit het geloof niet is, dat is zonde" (Rom.14:23).
Goede werken met soms nog zo vreselijk veel bijbedoelingen, geliefde gemeente, uit een hoogmoedig hart om de goede man of de goede vrouw te zijn. Goede werken uit een verkeerd hart, uit onze hoogmoed.
Zo was het ook bij de Galaten. De Galaten waren tot bekering gekomen, zij hadden het Evangelie gehoord van vrije genade. Zij hadden de boodschap gehoord: "Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt ons van alle zonde" (1 Joh.1:7). Zij hadden de vrijmakende kracht ervaren van het Evangelie. En toen waren er stemmen opgegaan in de gemeente, die zeiden: het is toch maar beter om u te laten besnijden. Maar Paulus zegt: "Gij zijt tot vrijheid geroepen, broeders, alleenlijk gebruikt de vrijheid niet tot een oorzaak voor het vlees; maar dient elkander door de liefde". Dat betekent gemeente, dat de Galaten moesten leren om te leven uit de Bron en Oorzaak van hun zaligheid en dat is de drieënige God alleen.
Waarom wordt een mens zalig, gemeente? Ik meen dat ik het pas nog gezegd heb: alleen omdat God het wil! Waarom wordt een zondaar zalig? Alleen om de verdienste van Jezus Christus en anders niet. Alleen door de Heilige Geest.
We lezen ook in Galaten 5 over de Heilige Geest. Waar het bloed van Jezus Christus Gods Zoon dat reinigt van alle zonden, in het leven van een zondaar zijn toepassing vindt, daar vindt u ook de Geest van Christus.
Aan een andere gemeente heeft Paulus geschreven: "Waar de Geest des Heeren is, aldaar is vrijheid" (2 Kor.3:17). Dat is geen losbandigheid. Het staat ook in onze tekst: "Want gij zijt tot vrijheid geroepen, broeders, alleenlijk gebruikt de vrijheid niet tot een oorzaak voor het vlees; maar dient elkander door de liefde". Het gaat om die ene zaak, om de onuitsprekelijke waardij van de enige Offerande: Jezus Christus.
Nu heeft Paulus op een andere plaats gezegd: "Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Dien gekruisigd" (1 Kor.2:2). Van al die wettische betrachtingen, om daarmee de zaligheid te verdienen, daarvan heeft Paulus gezegd: "Ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijn Heere; om Wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen. En in Hem gevonden worde, niet hebbende mijn rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die door het geloof van Christus is, namelijk de rechtvaardigheid, die uit God is door het geloof" (Fil.3:8-9).
Dan wordt er weleens gezegd over wetticisme: baat het niet, het schaadt ook niet. Maar Paulus dacht daar anders over, hij heeft gezegd van al die dingen, waarmee wij God willen behagen buiten het geloof: "Ik reken ze schade en acht die ook drek te zijn".
Dat is een leer gemeente, waarvan de catechismus vraagt: Maar maakt deze leer niet zorgeloze en goddeloze mensen? Dat komen wij ook zo ongeveer tegen in de brief van Paulus aan de Romeinen.
Maar maakt deze leer niet zorgeloze en goddeloze mensen? Neen zij, zegt de catechismus, want het is onmogelijk, dat, zo wie Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid.
Nu gaat het om dat kostelijke geloof. In de levendgemaakte Kerk, gaat het om de doorwerking van dat geloof.
Zeker, er wordt gesproken over inlijving en op een andere plaats over ingeplant te zijn in Christus. "Want indien wij met Hem één plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding" (Rom.6:5).
Dan gaat het over de doorwerking van het geloof, geliefde gemeente. Zoals een ent meer en meer moet vergroeien met de stam waarop hij geplaatst is, zo moet ook een Christen, door het geloof, meer en meer vergroeien met de Heere Jezus Christus. Dat is de enige weg om vruchtbaar te zijn, niet uit Mozes, maar uit Jezus Christus. Meer en meer één plant met Hem te worden in de gelijkmaking Zijns doods, maar ook in de gelijkmaking Zijner wederopstanding.
Dan gaat het om dat nieuwe leven, wat we niet meer onszelf toeschrijven, maar wat we Christus toe gaan schrijven.
Wij moeten meer en meer gekruisigde mensen worden. Waaraan? Aan onze goede werken! Zodat we het meer en meer Paulus na moeten spreken: "Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij" (Gal.2:20).
Zonder die wortel gemeente, zonder die stam geen vrucht. Dan zullen ook al onze wettische betrachtingen, wanneer de wet niet uit dankbaarheid betracht wordt, maar schijnvrucht zijn. Dan is het echt niet onverschillig hoe het er langs gaat, dat weet u ook wel. Het is lang niet onverschillig hoe het er langs gaat maar, wanneer we recht staan in het punt van de rechtvaardigmaking door het bloed van Christus, door de inlijving ìn Christus, dan zullen we ook nooit antinomianen kunnen worden.
Als de catechismus vraagt: Maar maakt deze leer niet zorgeloze en goddeloze mensen? Neen zij; want het is onmogelijk, dat, zo wie Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid.
Gemeente, ik hoop dat u bewaard mag blijven bij de zuivere leer van vrije genade alleen, uit de verdienste van de Heere Jezus Christus. Ik hoop dat u bewaard mag worden bij de zuiverheid van de leer, dat ik zulk een weldaad niet anders aannemen en mij toeëigenen kan dan door het geloof. Waar dat zuiver is, daar zal het ook zuiver zijn. Het is onmogelijk, dat, zo wie Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid.
Geliefde gemeente, we moeten maar geen redeneerstuk maken van de rechtvaardigmaking, maar het zal moeten blijken uit ons leven. Het moet maar blijken uit de mate van heiligmaking in ons leven, wanneer de Geest van Christus openbaar wordt in ons leven, indien wij hopende gemaakt zijn op het bloed van Jezus Christus. Want het is onmogelijk, dat, zo wie Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid.
Dan gaat het om de vrucht der liefde, niet om er de zaligheid mee te verdienen of er genade mee te verwerven, maar het gaat om de liefde. Wanneer ik een beetje kennis gekregen heb aan de stervende en bloedende liefde van de Heere Christus, dan komt er in mijn hart een wederliefde, die nooit meer weggaat uit mijn leven. Een wederliefde die vatbaar is voor groei. Hoe meer ik ga leven uit vrije genade, hoe meer ik ga leven uit Jezus Christus, Die het waard is om tot in der eeuwigheid na te volgen en lief te hebben.
Maakt die leer zorgeloze mensen? Onmogelijk! Maakt die leer geen goddeloze mensen? Onmogelijk! Neen zij; want het is onmogelijk, dat, zo wie Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid. O gemeente, geen zonden zijn bitterder beweend dan de vergeven zonden van de Kerk. Dan is er nooit een betere gestalte geweest in het hart, dan verlost te zijn van hovaardij. Heerst die in mij niet meer, dan leef ik tot Gods eer, van grote zonden vrij.
Maar maakt deze leer niet zorgeloze en goddeloze mensen? Neen zij; want waar gesproken wordt over het bloed van Christus, kan geen zorgeloosheid en ook geen goddeloosheid zijn. Dat kan niet bestaan!
Waar Christus is, is wel vrijheid, een geloofsvrijheid, maar niet tot losbandigheid. Daar is de vrijheid uit het bloed van Jezus Christus. Verlost te zijn door dat bloed, vrede met de Vader ontvangen te hebben door dat bloed des kruises. Daar zijn wij als kinderen aangenomen, op grond van de verdienste van Christus. Daar mogen we ook een kindergeest in zulk één verwachten. Niet een geest die lust heeft tot zondigen, niet een geest die lust heeft tot goddeloosheid, maar een kinderlijke geest, gemeente.
Zoals we het lezen in Romeinen 8, waar Paulus zegt: "Want gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid wederom tot vreze; maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen, door Welken wij roepen: Abba, Vader! Dezelve Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn. En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en medeërfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden" (Rom.8:15-17).
Dan gaat het om die zalige zaak, dat onze harten gaan snakken om meer en meer Christus gelijkvormig te wezen. Niet om daar genade mee te verwerven, maar om Gode dankbaarheid te bewijzen.
Schuldenaar te zijn aan vrije genade, het is een hele les. Schuldenaar te blijven aan vrije genade, het is een hele les. Maar het is toch zo'n zalige gestalte, als onze handen in plaats van het zelf te doen, eens een keer weggeslagen worden in ons leven. Als onze handen die het zelf willen doen nòg eens een keer weggeslagen worden. Wanneer we gaan leven uit twee handen, uit de twee doorboorde Middelaarshanden van Jezus Christus. Wanneer ook wìj niets anders meer wensen te weten, dan Jezus Christus en Dien gekruisigd.
O, vertrouw niet op wettische betrachtingen, want er kon eens een foutje aan kleven. Wanneer het niet gedaan zou zijn uit het rechte beginsel, dan zult u er voor eeuwig mee verloren gaan. Maar met dat bloed, geliefde gemeente, als u met Christus' bloed in het gericht zult staan, zal het zijn als in de oordeelsnacht in Egypteland: "Wanneer Ik het bloed zie, zal Ik ulieden voorbijgaan" (Ex.12:13).
Er is maar één ding waar God de Vader behagen in heeft en Hij heeft dat ook uitgesproken: "Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb!" (Matt.3:17).
O, wat een vermetelheid gemeente, als we ook maar naast Hem zouden wìllen staan. Wij kunnen niet anders en wij mogen niet anders, dan als goddeloze zondaren aan Zijn Godsvoeten liggen, smekend om genade, om vrije genade. Om altijd schuldenaar te blijven aan vrije genade alleen. AMEN.