ZONDAG 33
Vraag en antwoord 88, 89, 90 en 91
Psalm 135 : 1
Psalm 135 : 2
Psalm 86 : 6,8
Psalm 19 : 7
Psalm 19 : 5
Romeinen 6
Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechismusonderwijs voor vanavond, vindt u in Romeinen 6 : 12 en 13
Dat dan de zonde niet heerse in uw sterfelijk lichaam, om haar te gehoorzamen in de begeerlijkheden deszelven lichaams.
En stelt uwe leden niet der zonde tot wapenen der ongerechtigheid; maar stelt uzelven Gode, als uit de doden levende geworden zijnde, en stelt uw leden Gode tot wapenen der gerechtigheid.
Onze catechismus zondag 33, vraag en antwoord 88, 89, 90 en 91
88. Vr. In hoeveel stukken bestaat de waarachtige bekering des mensen?
Antw. In twee stukken: in de afsterving des ouden, en in de opstanding des nieuwen mensen.
89. Vr. Wat is de afsterving des ouden mensen?
Antw. Het is een hartelijk leedwezen dat wij God door onze zonden vertoornd hebben, en die hoe langer hoe meer haten en vlieden.
90. Vr. Wat is de opstanding des nieuwen mensen?
Antw. Het is een hartelijke vreugde in God door Christus, en een ernstige lust en liefde om naar den wille Gods in alle goede werken te leven.
91. Vr. Maar wat zijn goede werken?
Antw. Alleen die uit waar geloof, naar de wet Gods, alleen Hem ter eer geschieden, en niet die op ons goeddunken of op mensen-inzettingen gegrond zijn.
Het gaat deze keer over de bekering. Wat een geweldig onderwerp, geliefde gemeente, de bekering! Er wordt gesproken over het sterven van de oude mens en de opstanding van een nieuwe mens.
Het gaat er vanavond tegenaan, tegen de zonde. We zijn het in het voorgelezen Schriftgedeelte al twee keer tegengekomen: "Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde? Dat zij verre. Wij, die der zonde gestorven zijn, hoe zullen wij nog in dezelve leven?" (Rom.6:1-2). En in datzelfde Romeinen 6 wordt nog een keer gevraagd: "Wat dan? Zullen wij zondigen, omdat wij niet zijn onder de wet, maar onder de genade? Dat zij verre" (Rom.6:15).
Het is opnieuw een belangrijke zondagsafdeling, zondag 33 over de bekering. Ook hier staat of valt alles mee. De bekering, de afkeer van de zonde en de terugkeer naar God toe. O, lezen we ook niet in Ezechiël een kostelijke belofte? Heeft God aan het volk dat Hij wedergebracht heeft niet beloofd: "Daar zult gij dan gedenken aan uw wegen, en aan al uw handelingen waarmede gij u verontreinigd hebt, en gij zult van u zelven een walging hebben over al uw boosheden, die gij gedaan hebt" (Ezech.20:43).
Bekering! Men vraagt weleens: "Hoe komt het toch dominee, dat het niet lukt in mijn leven?" Is dat soms ook een kwestie van zonden die een scheiding maken tussen God en uw ziel? Hoe komt er verachtering in de genade? "Vroeger was het anders dominee, hoe komt dat?" Zouden het de zonden niet zijn, die een scheiding maken tussen God en tussen uw ziel? Zouden de zonden ons niet in de weg staan in het begin en in de voortgang der bekering? Christen en niet-christen, gelovige en ongelovige, zijn we allemaal niet een beetje van: geef ons een nieuwe stad, het nieuwe Jeruzalem. Maar, waar is de begeerte naar een nieuw hart?
Bekering! Dat is eigenlijk zo'n heel nieuw woord in de catechismus. Ik zou haast zeggen: de catechismus heeft gesproken over alles wat een mens mee kan maken, alles wat een mens door genade kan ontvangen. Er is reeds gesproken over de wedergeboorte, over de rechtvaardigmaking, over de heiligmaking en zelfs reeds over de heerlijkmaking.
Maar bekering, wat is bekering? Dat is de gehele zaak, gemeente. De bekering begint met de wedergeboorte en komt pas ten einde in de heerlijkmaking. Het is dus eigenlijk een ander woord voor het geheel van wedergeboorte, rechtvaardigmaking, heiligmaking en heerlijkmaking. Bekering, dat is het gehele leven des geloofs. Want immers het eerste wat een arme zondaar krijgt in de wedergeboorte, is het geloof. Het geloof, dat heeft een zondaar nodig. Hij wordt gerechtvaardigd door het geloof. "Maar zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen" (Hebr.11:6). Dus ook de heiligmaking staat of valt met het geloof.
De heerlijkmaking is geen zaak van het geloof in diezelfde zin. De heerlijkmaking zal zich voltrekken wanneer het geloof overgaat in aanschouwen. Het is aan de Kerk beloofd door het aanschouwen van Christus: "En wij allen, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest" (2 Kor.3:18).
Bekering en wedergeboorte. Het woord wedergeboorte kunnen we in twee opzichten gebruiken. In engere zin bedoelen we daarmee de levendmaking, maar in ruimere zin bedoelen we de doorgaande wedergeboorte. Die neemt een heel leven in beslag. En dan kunnen we voor de duidelijkheid net zo goed het woord bekering gaan gebruiken.
Deze keer vraagt dus de catechismus: In hoeveel stukken bestaat de waarachtige bekering des mensen? In twee stukken: in de afsterving des ouden, en in de opstanding des nieuwen mensen. Daarna wordt ons in twee vragen en antwoorden uitgelegd wat het sterven is van de oude mens en de opstanding van de nieuwe mens. Het gaat daarin over onze houding ten opzichte van de zonde. Hoe staat een kind van God tegenover de zonde? We zouden het ook zo kunnen vragen: hoe draagt het geloof metterdaad vrucht, in het leven des geloofs? Dan wijs ik terug naar antwoord 86, dat de gelovige toch immers uit de vruchten verzekerd mag zijn van zijn geloof.
Ik wijs terug naar vraag en antwoord 87 waar een hard oordeel is geveld. Kunnen dan die niet zalig worden, die, in hun goddeloos ondankbaar leven voortvarende, zich tot God niet bekeren? Dan staat er: In generlei wijze; want de Schrift zegt dat geen onkuise, afgodendienaar, echtbreker, dief, gierigaard, dronkaard, lasteraar, noch rover, noch dergelijke, het Koninkrijk Gods beërven zal.
Wie is daarmee aangesproken? Of laten we liever vragen: is Gods kind vrijgesproken in antwoord 87? Was het maar waar gemeente, maar de allerheiligste heeft nog maar een klein beginsel der gehoorzaamheid en daarom is er bekering nodig. En met bekering wordt eigenlijk bedoeld dat wij ons leven weer gericht krijgen op God, dat wij weer in een juiste verhouding tot God worden geplaatst. Bekeren wil zeggen dat er een wederkeer is in het leven, die openbaar komt in de vruchten en in de levensopenbaring. Dat er iets is van een wederkeer tot God, van het schepsel tot de Schepper, van het leem tot de Pottenbakker.
In twee stukken, zegt de catechismus, bestaat de bekering; in de afsterving van de oude mens en in de opstanding van de nieuwe mens. Dan moeten we wel goed verstaan, geliefde gemeente, dat dit geen twee stukken zijn, die in elkaars verlengde liggen. Er is niet eerst een afsterven van de oude mens totdat die oude mens compleet gestorven is, zodat er dan pas een nieuwe mens op zal staan. Nee, in de bekering gaat het niet over twee zaken die apart na elkaar plaats vinden, maar om twee zaken die tegenover elkaar staan. Afsterven en opstanding staan in een bepaalde verhouding weliswaar, maar tegelijk tegenover elkaar.
De afsterving van de oude mens is een proces van hoe langer hoe meer in dit leven. Onze catechismus spreekt over het afsterven van onze oude mens niet als een plotselinge dood, maar als een dagelijks sterven van de oude mens, de eerste Adam. Maar tegelijkertijd ontluikt ook dat nieuwe leven, worden de eerste verschijnselen van het nieuwe leven zichtbaar in diegenen die door Woord en Geest getrokken worden. Waar die eerste tekenen gezien worden van dat afsterven, zal daar tegenover ook de opstanding van de tweede Adam, de nieuwe mens geschapen naar Jezus Christus, zichtbaar worden.
Afsterving van de oude mens, is dat nodig? Is de rechtvaardiging dan niet volmaakt? Zeker, maar dat afsterven is een stuk van de heiligmaking, waarvan de Schrift heel beslist zegt: "Jaagt den vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand den Heere zien zal" (Hebr.12:14).
Bekering, afsterving van de oude mens. Wat is dat eigenlijk, wat sterft dan af, wat is dan die oude mens? Dat is het goddeloze bestaan, ook van het kind van God. Het goddeloze bestaan dat hij in zichzelf gewaar wordt bij het licht van het Woord en bij het licht van de Heilige Geest. Het goddeloze bestaan naar de heiligmaking.
Want we moeten heel goed onderscheiden dat de Kerk naar de rechtvaardigmaking met Paulus mag zeggen: "Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods?" (Rom.8:33). Maar naar de heiligmaking moet de gehele Kerk klagen: "Het goede dat ik wil, doe ik niet, en het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik" (Rom.7:19).
De afsterving van de oude mens is dus een afsterving van ons goddeloze bestaan, dat pas beëindigd zal worden als werkelijk die mens de laatste snik zal geven. Ik heb eens een beproefde Christen horen zeggen: er zijn ook voordelen, ook heilsweldaden aan de begraafplaats verbonden, want daar zal ik verlost zijn van de zonden en daar zal zelfs mijn lichaam gelouterd worden, totdat het weer onschuldig stof zal zijn. Afsterving van een goddeloos bestaan!
O, ik lees dat Paulus op een andere plaats zegt: "Ik sterf alle dagen" (1 Kor.15:31). Op een andere plaats zelfs: "Doch ik ben gestorven" (Rom.7:9). Zeker, ook met het oog op de bekering kan Gods kind zeggen: ik ben gestorven, maar ik ben nog niet aan het eind van mijzelf. En daarom is het ook zo nodig om te kunnen zeggen: ik sterf alle dag.
Bekering, afsterven van de oude mens. Wat is dat ten diepste? Dat is dat mijn 'ik' er aan gaat. Ik ben gestorven en ik sterf alle dag, zegt Paulus, ik ben gekruisigd. Daaruit kunnen we ook nog leren van Paulus, wat voor soort dood het is. Dat afsterven is de kruisdood, dat wil zeggen dat je in je goddeloze bestaan, eerst je handen vastgespijkerd krijgt en dan je voeten, die snel zijn om bloed te vergieten.
"Ik ben met Christus gekruist", zegt Paulus "en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij" (Gal.2:20).
O, het is een heerlijke zaak, gemeente. Maar ik hoop dat u ook proeft dat het tegelijk een smartelijke zaak is om tot die kruisgang te geraken. De afsterving van de oude mens, ik ben gekruisigd.
Laat ons eens mogen zien wat de catechismus zegt van die afsterving van de oude mens. Het is een hartelijk leedwezen dat wij God door onze zonden vertoornd hebben, en die hoe langer hoe meer haten en vlieden.
Nu moet u er heel goed erg in hebben, geliefde gemeente, dat dit sterven een hartelijk sterven is en die opstanding is een hartelijke opstanding. Eigenaardig hè, wie sterft er nou hartelijk? Dat het nieuwe leven iets hartelijks is, dat kan ik me begrijpen, maar dat sterven? Ja, dat is niet hartelijk wat het sterven op zichzelf genomen betreft, maar er wordt gesproken over een hartelijk leedwezen dat wij God door onze zonden vertoornd hebben. Natuurlijk, er wordt wat afgeredeneerd over schuld en over zonden en dat we God vertoornd hebben. Maar hier wordt gesproken over een hartelijk leedwezen.
Wat is leedwezen eigenlijk? Dat leed komt voort uit het woordje lijden, het is mij tot lijden geworden. En daarom is het een hartelijk leedwezen, alles wat ik van die oude mens in mijzelf gewaar word.
Is het zo ook met u, ten opzichte van uw zonde? Want er is zoveel schuldbesef wat niet uit God voortkomt gemeente. Er is veel leedwezen, natuurlijk, want welke Christen weet er niet dat je verloren gaat om de zonde? Dat je voor eeuwig verdoemd wordt om de zonde? Maar dat is nog wat anders, dan waarachtige bekering. Leedwezen is een hartelijk lijden, dat wij God door onze zonden vertoornd hebben. Dat wil zeggen: geen toneelspel, geen namaaktranen, maar èchte tranen waarvan Psalm 56 zegt: "Leg mijn tranen in Uw fles; zijn zij niet in Uw register?" (Ps.56:9).
Het zijn de tranen waarvan wij lezen in Lukas 7, waarmee die zondares de voeten van de geliefde Heiland heeft nat gemaakt en ze heeft die afgedroogd met haar haren. Dàt is een hartelijk leedwezen en dàt zijn de hartelijke tranen! Niet de tranen die Petrus gewoonlijk weende, waren tranen van hartelijk leedwezen. "En de Heere, Zich omkerende, zag Petrus aan. En Petrus, naar buiten gaande, weende bitterlijk" (Luk.22:61-62). Dàt waren de tranen van hartelijk leedwezen bij Petrus. Dat is een stukje sterven van de oude mens.
Er is ook nog zoveel verkeerd leedwezen over de zonde, gemeente. Er kan zelfs enigszins een haten en vlieden van de zonde zijn, wat niet voortkomt uit dat hartelijk leedwezen dat wij God door onze zonden vertoornd hebben. Zulk verkeerd leedwezen is ten diepste een droefheid, omdat we onszelf zo tegengevallen zijn.
Ieder mens heeft zo zijn idealen, maar de werkelijkheid van ieder mens blijft ver beneden het gestelde ideaal. Daar kunnen ook heel wat tranen over vergoten worden, omdat we dan ten diepste beschadigd zijn in onze zelfwaarde. Maar de catechismus spreekt over een hartelijk leedwezen, dat wij God door onze zonden vertoornd hebben. Daarin komt de relatie openbaar, dat God mijn Schepper is, en ìk Zijn schepsel, dat Hij mijn Pottenbakker is en dat ìk Zijn leem ben.
We vinden dat zo weergaloos schoon beschreven bij één van de profeten: "Een os kent zijn bezitter, en een ezel de krib zijns heren; maar Israël heeft geen kennis, Mijn volk verstaat niet" (Jes.1:3). Als ik dat zou vertalen met beelden in onze eigen taal, dan moet je zeggen: een hond kent zijn baas en een kat weet haar huis, maar een zondaar vergeet zijn God.
Daar iets van te leren gemeente, dat is sterven, sterven aan onszelf. Dat is gekruisigd worden aan onszelf, dat is een hartelijk leedwezen over de zonde. En ook een hartelijk, want dat hartelijk hoort hier ook bij, ook een hartelijk haten en vlieden van de zonden. Dat sterven, dat is hoe langer hoe méér te sterven. O, dat doe je niet om de zaligheid te verdienen, maar dat is ellendig te worden, dat is goddeloos te worden in jezelf, vanwege de eer van God.
Als het dan werkelijk waar is, als het dan ernst is in ons leven, dat wij er hartelijk onder lijden dat we God door onze zonden zo vertoornd hebben, dan zal er ook zeker hoe langer hoe meer een haten en vlieden van de zonden zijn.
Wat is er dan toch veel tegenspraak in veel levens, waar wel gesproken wordt van een hartelijk leedwezen, maar waar eigenlijk niets gemerkt wordt van dat haten en vlieden van de zonden. Maar dat zonde tot zonde wordt, geliefde gemeente, dat is pas te verstaan als wij genade hebben leren kennen. Als zonde tot zonde wordt, dan gaat het om de eer van God!
Dan komt er ook een haten van de zonde, een haten van onszelf, maar ook een vlieden van de zonde. Want de Schrift zegt: "Zal iemand vuur in zijn boezem nemen, dat zijn klederen niet verbrand worden?" (Spr.6:27). David, die het in de praktijk van het leven met veel schade en schande heeft moeten leren, bidt: "Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien; maak mij levend door Uw wegen" (Ps.119:37).
Onderzoek uw hart gemeente, naar dat hartelijke leedwezen. Onderzoek ook uw dagelijks leven of er werkelijk iets gevonden wordt van dat haten en vlieden van de zonden. Want wanneer er werkelijk leedwezen is, is er ook werkelijk haat tegen de zonden. Wanneer we iets werkelijk haten, dan komt er ook een vlieden. In zoverre is Gods kind een tweemens, die zichzelf haat in dat opzicht, en van zichzelf zou willen vlieden. Genoeg hierover!
Wat is de opstanding van de nieuwe me
ns? Och, de catechismus zegt weer: Het is een hartelijke vreugde in God door Christus, en een ernstige lust en liefde om naar den wille Gods in alle goede werken te leven. Dan gaat het weer om dat hartelijke, geliefde gemeente. Het gaat om dat vrijwillige offer, want dat dankoffer onder het Oude Testament moest uit liefde gebracht worden. Ook het dankoffer van ons leven kan alleen gebracht worden uit liefde, anders heeft het niets te betekenen. Het gaat om de liefde die God er Zelf ingelegd heeft. "Al ware het, dat ik mijn lichaam overgaf, opdat ik verbrand zou worden, en had de liefde niet, zo zou het mij geen nuttigheid geven" (1 Kor.13:3). Maar daarover gaat het een volgende keer, wanneer er gevraagd zal worden: wat zijn goede werken? Vanavond wordt trouwens de kern wel aangewezen. Hartelijk, dat wil zeggen, het komt niet uit mijn mond maar uit mijn hart! Een hartelijke vreugde in God.
Dat heeft niets te maken met blij doen. Nee, dat is werkelijkheid, dat is verheugd te zijn met die waarachtige vreugde waarmee God ons verheugt. Zoals de Psalmen dat vertolken:
Gij hebt m' in 't hart meer vreugd gegeven,
Dan and'ren smaken in een tijd,
Als zij, door aards geluk verheven,
Bij koorn en most wellustig leven,
In hunnen overvloed verblijd (Ps.4:4 ber.).
Wat is de opstanding van de nieuwe mens? Dat is het schepsel dat veranderd wordt, dat reeds in dìt leven op Christus gericht wordt en op het nieuwe leven. Het is een hartelijke vreugde in God door Christus. O ja, de verdienste van Christus staat op de achtergrond geschreven in letters van bloed. Daarom staat er ook bij: een ernstige lust en liefde om naar den wille Gods in alle goede werken te leven.
U moet eens in uw Bijbeltje kijken bij Psalm 40. In de meeste Bijbels staat daar boven: Davids Psalm. In die Psalm wordt Christus verklaard: "Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns ingewands" (Ps.40:9). In die Psalm ligt Davids hart verklaard, maar toch ook het hart van ieder die God vreest: "Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns ingewands".
Heeft de Heere dan Zèlf niet beloofd dat Hij er aan te pas zal komen, omdat u het zelf niet kunt? "En Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven. En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken, dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen, en Mijn rechten zult bewaren en doen" (Ezech.36:26-27). God gaat die belofte vervullen, geliefde gemeente, zodat er niet alleen een hartelijke vreugde in het hart is tot Christus, maar ook een lust en een liefde om in alle goede werken te leven.
We gaan het maar toepassen, gemeente! Is het nodig dat er bekering komt in onze levens? Is zondag 33 wel reëel? Zullen we het eens een keer omgedraaid lezen? Er zijn weleens mensen die proberen ons wijs te maken, dat het zonder bekering ook wel kan. Maar zou dat echt waar zijn? Kan het echt waar zijn, dat wij met een hartelijke vreugde God blijven vertoornen in ons leven? Zou dàt bekering zijn, wanneer wij hoe langer hoe meer de zonde liefhebben en binnenhalen? U hoort het ongerijmde wel, zodra we die antwoorden om gaan draaien.
Maar ook dat andere: zou dat nou werkelijk een nieuwe mens zijn, die de hartelijke vreugde in God door Christus nooit eens kent? Wanneer er geen lust en geen liefde is om naar de wil van God in alle goede werken te leven, dan zal het toch immers niet gaan, gemeente.
Och, laten we het toe gaan passen. Wat is het, dat ons tot een nieuw schepsel maakt, dat ons doet sterven aan onszelf naar de oude mens? Wat is het, wat die nieuwe mens in ons doet opstaan en doet groeien? Het is de bearbeiding van God door Zijn Woord en door Zijn Heilige Geest. Want bekering staat zomaar niet apart hoor, het is een gewrocht van Gods Woord en een gewrocht van Zijn Heilige Geest.
Straks gaan we Psalm 19 zingen, een Psalm van David. David was ook zo'n mens die stierf aan zichzelf, stierf aan zijn eigen ik. Dàt is waarachtige bekering, wanneer dat 'ik' sterft, dat hoogmoedige 'ik', dat 'ik' van de gevallen mens, dat brutale 'ik' tegen God. O, wanneer de Heere daar iets van gaat leren in het leven, dan gaan we het woordje 'ik' met kleine lettertjes schrijven, terwijl 'Hij' met hoofdletters geschreven wordt. Wanneer ik verlost wordt van de worteloorzaak van mijn zonde, wanneer ik verlost wordt van mijn hoogmoed. Daarom hoor ik David bidden en het is een gebruiksaanwijzing voor ons:
Weerhoud, o HEER, Uw knecht,
Dat hij zijn hart niet hecht'
Aan dwaze hovaardij.
Heerst die in mij niet meer,
Dan leef ik tot Uw eer,
Van grote zonden vrij (Ps.19:7 ber.).
Zondag 33 stelt ons voor de vraag of wij iets kennen van zondedodende genade in ons leven. Van dat sterven aan onszelf, maar ook van die opstanding van de nieuwe mens, die naar Gods wil wenst te leven.
O gemeente, heiligmaking! We moeten heel goed verstaan dat er geen heiligmaking is, wanneer Christus' bloed in ons leven geen plaats heeft. Eerst dat bloed, maar dan zal ook zeker de Geest van Jezus Christus er zijn. Maar hoe nu die heiligmaking, dat nieuwe leven, gemeente? Ik wil u waarschuwen voor een groot gevaar, alsof de rechtvaardigmaking geheel uit Christus ontvangen wordt en alsof de heiligmaking een zaak is die wij zelf moeten doen. Dat bedoelt zondag 33 niet, nee! Christus is gegeven tot onze rechtvaardigmaking, Christus is ook gegeven tot onze heiligmaking en tot onze volkomen verlossing.
Daar gaat het straks naar toe, als er gevraagd zal worden: Wat zijn goede werken? Goede werken moeten zijn naar Gods wil, naar Gods wet en gedaan worden uit het geloof. Moeten gedaan worden uit een rechte bezieling, uit Jezus Christus, want anders maakt het ons tot vrome mensen. Dan is het maar een vernisje, dan is het slechts waterverf.
Heiligmaking, dat is ook dat we bekeerd worden uit de wonden van de Heere Jezus Christus en door de Geest van Christus begiftigd worden met een beetje zondedodende genade! Daar hebben we God bij nodig, daar hebben we Christus bij nodig, opdat Hij ons veel van Zijn Geest mocht schenken. O, in dat opzicht ligt ook de heiligmaking in Hem, opdat niemand roeme. Het luistert zo nauw, geliefde gemeente.
Ik hoorde laatst nog iemand zeggen: God zal er wel begrip voor hebben, dat ik een zondaar ben! Dat is andere taal dan zondag 33.
Laat ik maar eindigen met een vraag: waar is de zondedodende genade, geliefde gemeente? Want wanneer we de bekering slechts bespreken en het ìs er in werkelijkheid niet, wat doen we de Kerk dan toch een schade aan. Want waarlijk zondedodende genade, daar zit ook jaloersmakende genade in en dat hebben we zo hard nodig met elkaar.
Die twee zaken werden in antwoord 86 ook al bij elkaar gehouden, opdat ik van de vrucht verzekerd zou mogen zijn van mijn geloof, maar ook opdat mijn naaste, door mijn godzalige wandel voor Christus gewonnen zou worden.
Bekering, heiligmaking, waar is dat voor nodig? Kunnen wij anders niet zalig worden? De ware Bruid geliefden, de ware Bruid van Jezus Christus heeft er niet genoeg aan om gevraagd te zijn, om geroepen te zijn, om genodigd te zijn. De ware Bruid wenst ook versierd te zijn, zij wenst vernieuwd te zijn in heiligmaking tot heerlijkmaking. AMEN.