Zondag 34. Vraag en antwoord 94 - 95

                                         ZONDAG 34

                               Vraag en antwoord 94 en 95

 

        Psalm    138 :  2

        Psalm    138 :  3

        Psalm    135 :  3,9,10

        10 Geb.        :  1,2

        Psalm      62 :  8

        Galaten     4 

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechis­muson­derwijs, vindt u in Galaten 4 : 8 - 9

 

Maar toen, als gij God niet kendet, diendet gij degenen, die van nature geen goden zijn;

En nu, als gij God kent, ja, veelmeer van God gekend zijt, hoe keert gij u wederom tot de zwakke en arme beginselen, welke gij wederom van voren aan wilt dienen?

 

De catechismus zondag 34, vraag en antwoord 94 en 95

 

94. Vr. Wat gebiedt God in het eerste gebod?

Antw. Dat ik, zo lief als mij mijner ziele zaligheid is, alle afgo­derij, toverij, waarzegging, supersti­tie of bijgeloof, aanroe­ping van de heiligen of van andere schepselen, mijde en vlie­de, en den eni­gen waren God recht lere kennen, Hem alleen vertrou­we, in alle ootmoedigheid, en lijdzaamheid mij Hem alleen onderwerpe, van Hem alleen alles goeds ver­wachte, Hem van ganser harte liefheb­be, vreze, en ere, alzo, dat ik eer van alle schepselen afga en die varen late, dan dat ik in het allerminste tegen Zijn wil doe.

95. Vr. Wat is afgoderij?

Antw. Afgoderij is in de plaats des enigen waren Gods, Die Zich in Zijn Woord geopenbaard heeft, of benevens Hem, iets anders verzinnen of heb­ben, waarop de mens zijn vertrouwen zet.

 

Deze keer zijn we dus gekomen, geliefde gemeente, aan de tien gebo­den. Wat een heerlijke zaak, ja, ook die tien geboden. God leert Zijn kerk niet alleen te bidden zoals ook de Heere Jezus Zijn discipe­len geleerd heeft te bid­den: "Onze Vader, Die in de hemelen zijt". Maar Cypri­anus heeft gezegd: "God leert Zijn kerk ook om te leven door de tien gebo­den". Die wet staat in de dank­baarheid. Veel is daarvan reeds gezegd, dat die gebo­den onder­houden zullen worden uit het hart, door de liefde en door het geloof. Want het moet nog­maals gezegd: alleen het offer van de liefde­ kan Gode welbe­hagelijk zijn.

Zo zijn we dan gekomen aan de tien geboden. Er is al veel gezegd over de wet in een voorafgaande zondag.

Tien geboden, heel realistisch! Tien geboden die gees­telijk zijn, dus niet vergeestelijkt hoeven te worden. Omdat ze al geestelijk zijn, hoeven ze niet vergeeste­lijkt te worden, maar moeten ze door het geloof in de praktijk gebracht worden.

Het is iets geweldigs, en daar waren we de vorige keer gebleven, dat God iets van Zijn beeld in de zondaar gaat herstellen door genade. Gods beeld van ware kennis, ge­rechtigheid en heiligheid. Zo gaat God Zijn volk onderwijzen in de tien geboden. Tien gebo­den, tien regels, en Zijn geboden zijn niet zwaar.

Het is een tienvoudig antwoord op de vraag: "Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal?" (Hand.9:6). Het is een tien­voudig ant­woord op het liefdeshart dat aan God gaat vragen:

 

      Leer mij naar Uw wil te hand'len,

      'k Zal dan in Uw waar­heid wand'len;

Dat vraagt hart en hoofd:

      Neig mijn hart, en voeg het saâm

      Tot de vrees van Uwen naam. (Ps.86:6 ber.).

 

De tien geboden worden in twee delen verdeeld. Het eerste gedeelte is: God lief te hebben boven alles en het tweede gedeelte is: de naaste lief te hebben als onszelf. "Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten" (Matt.22:40).

Het gaat ditmaal over het dienen van de ware God. Daar hoefde Israël niet aan te twijfelen, Wie de ware God was. En daar hoeven wij ook niet aan te twijfelen: Wie de ware God is. Want de wet begint immers met wat God gezegd heeft, namelijk: Ik, Ik! Daar hoeft niet aan getwijfeld te worden. "Ik ben de HEERE uw God. Die God, Die u uit Egypteland, uit het dienst­huis, uitgeleid heb. Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben" (Ex.20:2,3).

Wat zal dat in de eerste plaats een geweldige bevrij­ding geweest zijn voor Israël. Want immers die wereld waarin Israël verkeerde, maar ook onze tegenwoordige wereld, zit boordevol met afgo­den, beangstigende goden. Maar nu zegt de HEERE: dient geen god behalve Mij.

Israël was in een land gekomen waar veel afgoden waren. Die afgoden van het heidendom, waarvan wij ook gezongen hebben, dat waren machten en krachten die de mens bedreigden in zijn bestaan. Die de mens bedreigden in zijn dagelijks leven en in zijn geestelij­ke existentie. Dat was vuur en dat was hagel, dat was bliksem en dat was donder, zoals wij ook nog de god Donar in onze voorgeschiede­nis hebben.

O, wat is een mens niet alleen vreselijk goddeloos, maar wat is een mens ook vreselijk dwaas! Wat is Israël dikwijls geval­len in de afgodendienst. Om te gaan buigen onder het onmenselijke juk van de afgo­den. Vreselijk hebben ze gebogen en gebukt onder die machten. Ze dachten in hun dwaasheid dat er ook een positieve kant aan de afgodendienst zat. Ze dachten dat je met god kon marchan­de­ren, een handel­tje begin­nen. Daarom offerden zij hun god gaven, opdat die god iets terug zou geven, veel méér terug zou geven. Die goden moesten als het ware uitgelokt worden. Wij zeggen dan met een heel gewoon Nederlands spreek­woo­rd: een spierinkje uitgooien om een kabeljauw te vangen.

Israël ging het daar in zijn dwaasheid ook van verwachten. Nu waren er in hoofdzaak twee afgoden in Israël. Als het slechts historie was, dan zou ik het ver­zwij­gen, maar ik denk dat deze afgoden nog be­staan. Dat waren de Baäls en de Asjera's. Die kom je bijna op elke blad­zijde van het Oude Testament op de een of andere manier tegen, de Baäls en de Asje­ra's.

Komen wij die afgoden ook tegen in onze tijd, of zijn we daar te verlicht voor, om nog afgoden te heb­ben? Laten we maar eens kijken, wat dat eigenlijk voor afgo­den waren, die Baäls en die Asjera's. Die Baäls moesten ge­diend worden, die moest je allerlei gaven brengen. En wat verwachtte je daar dan eigenlijk voor terug? Welvaart! Zijn er nog Baäls in onze tijd? Dingen buiten God, waar wij onze welvaart van verwachten? Vakbondsheilanden misschien?

Die Asjera's, dat lag meer op het persoon­lijke vlak. Dat waren afgodinnen, die gediend moesten worden voor de zinnelijkheid. Ik hoop dat ik het hard­op mag zeggen: Baäls en Asjera's. Natuurlijk mag ik dat hardop zeg­gen, preken dat is toch eerlijk zijn. Baäls en Asjera's, dat waren wel­vaart en sex. Dat is precies zoals in onze tijd. Onze tijd is ook getekend in Baäls en in Asjera's, het mate­riële en het lichame­lijke dat gediend wordt. En het geestelijke lijkt verdwenen te zijn uit onze maat­schap­pij en onze samenleving.

O, wat is God dan goed voor Israël: "Gij zult geen ande­re goden voor Mijn aangezicht hebben". In het eerste gebod leert God, Wie de ware God is en straks in het tweede gebod, wat de ware gods­dienst is.

Dan is deze catechismus een heerlijke zondag, het is een groot gedeelte, waar ik een paar dingen uit ga halen, geliefde gemeente. Want om aan dat eerste gebod te gehoorzamen, is het niet slechts genoeg dat wij geen Baäls en geen Asjera's, geen afgodsbeelden in ons huis hebben. Het gaat er om of wij die ware God die­nen en of wij die God al dienen met geheel ons hart en met geheel ons ver­stand.

Het gaat om de ware God en om de ware dienst van God.

We halen een paar woorden naar voren uit antwoord 94. Het gaat om: kennen, vertrouwen, onderwerpen, lief­hebben, vrezen en eren.

 

Onze catechismus spreekt over het kennen van de ware God. Want gemeente, hoe zullen we nu een God dienen, Die wij niet kennen? Kennen dus! God recht leren kennen, daar begint het zo'n beetje mee, die God, Die zegt: Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland, uit het dienst­huis, uitgeleid heb. Dat we Hem recht leren kennen.

Nu betekent in onze westerse wereld het begrip ken­nen: koppie, koppie! Maar zo is het niet! Het bij­belse kennen zetelt in het hart, dat is liefde, dat is het eeuwige leven. De Heere Jezus heeft van dat ken­nen gezegd in het hogepriesterlijk gebed: "En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enigen waar­achti­gen God, en Jezus Christus, Dien Gij gezon­den hebt" (Joh.17:3). Dat is geen zaak van het hoofd, maar dat is een zaak van het hart. O, dat is een zaak van liefde.

De allereerste keer dat je dat woordje 'kennen' tegen­komt in het Oude Testament, dat is in Genesis, dan lees je: "Adam bekende Eva, zijn huisvrouw" (Gen.4:1). Dat is datzelfde woordje 'kennen'. We zouden ook kun­nen zeggen: Adam had Eva lief. Dat is het ken­nen van het hart en dat is het eeuwige leven als we God zó ken­nen. Dat is ervaringskennis, wanneer je elkaars hart hebt horen kloppen. "Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enigen waarachti­gen God, en Jezus Chri­stus, Dien Gij gezon­den hebt".

We staan nog even stil bij dat kennen van God. We zijn het al tegengekomen in de twaalf Artike­len, dat God een drieënig God is: Vader, Zoon en Heili­ge Geest.

Wan­neer de catechismus spreekt over het rechte ken­nen, dan mag de vraag gesteld worden naar de liefde, maar dan mag de vraag ook gesteld worden, hoe het staat met onze kennis van de Vader, van de Zoon en van de Heilige Geest. Want in dat rechte kennen is toch zeker begre­pen, dat de Kerk haar drieënige God zal ken­nen als Vader, Zoon en Heilige Geest, Die van gelij­ke eer en aan­bidding zijn.

Zullen we ons leven eens nagaan, geliefde ge­meen­te, of er al een beetje plaats gekomen is in onze har­ten, niet alleen voor de kennis, maar voor de on­der­schei­dene kennis ten aanzien van de drie Perso­nen?

Recht kennen! Daar zit ook iets in van een vraag: Heere, doe mij U kennen. Zo'n gebod is ook ten diep­ste een gebed: Geef Heere, wat Gij gebiedt en Gij zult niet te ver­geefs geboden hebben! O, dat is ook het gebed naar méér. Dat is niet alleen: ik geloof! Maar dat is ook: kom mijn ongelovigheid te hulp. Dat is niet alleen op Jezus zien, maar dat is ook het gebed: "Toon ons den Vader" (Joh.14:8). Onder­wijs ons van de Heili­ge Geest, opdat wij God recht leren kennen. Wat een heer­lijke zaak, waar liefde is daar zullen we ook alles doen om elkaar te leren ken­nen, zelfs tot in de kleinste bijzon­der­he­den.

 

Laat ik een beetje voort mogen maken, het gaat niet alleen over het kennen, maar de cate­chis­mus spreekt ook over vertrouwen. Vertrou­wen! En dat is het hem nou net. God kennen en Hem dan ook vertrou­wen, dat hoort toch immers bij elkaar. Het is toch dwaasheid om je vertrouwen te geven aan iemand die je niet kent. Maar Hem kennen, dat is ook Hem vertrouwen vanuit dat ècht leren kennen, uit dat ervaren van God. Ja, waarom niet: ervaren van God. God is toch een levende God? God is toch ervaarbaar in ons geestelijk leven.

En vanuit dat kennen volgt dat heerlijke vertrouwen. Dat is nogal wat! O, ga deze hele wereld door, dan zijn er beslist op aarde wel men­sen die ik iets van mijn vertrouwen zou wìllen geven en kùnnen geven. Maar, wat een heerlijke zaak: God ver­trouwen, dat kan restloos. Dat bete­kent dat we het mogen zeggen tot de laat­ste letter, dat betekent dat er omgang mogelijk is met God en dat ik mijn ziel uit mag gieten voor God.

Vertrouwen: zegt de Schrift immers niet: "Op U hebben zij ver­trouwd, en zijn niet beschaamd gewor­den" (Ps.­22:6). De enige ware God vrezen, ken­nen, vertrou­wen. Dat betekent, wanneer de storm loeit, dan staat Vader aan het roer. Als er eens iets is in ons leven, en er ìs nogal eens wat in ons leven, om dan te ver­trou­wen, dat bete­kent een toe­vlucht te hebben, ge­meente. Hebt u ook al zo'n toe­vlucht? God is een Toe­vlucht voor de Zijnen.

 

Ik ga verder, ik licht er nog een woord uit: onderwer­pen. Dan komen we bij de kern van de zaak: on­der­werpen. Het gaat er om dat het waarachtige die­nen nooit heersen is. Niet regeren, maar gere­geerd te worden.

Als hier onderwerpen staat, dan gaat het om God, Die zegt: "Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis uitge­leid heb". Dan wordt hier geen slaaf­se vrees bedoeld, maar kinder­lijke vreze. Ik hoef u slechts in gedachte te brengen wat ik gezegd heb, namelijk dat het geschreven staat in de dank­baarheid, voor Gods kinderen. Dan heeft Paulus geschreven: "Want gij hebt niet ontvangen den Geest der dienst­baarheid we­derom tot vreze; maar gij hebt ontvangen den Geest der aanne­ming tot kinderen, door Welken wij roepen: Abba, Va­der!" (Rom.8:15). God vraagt onze liefde vanuit een kin­derlij­ke houding.

Er was eens een slaaf, hij zat met dikke kettin­gen vast en hij werd verkocht. Dan stond zo'n ongeluk­kige af te wachten wie de nieuwe koper was. Je kon het een klein beetje beter krijgen in je leven, maar ook wel zoveel slechter. Als je verkocht werd als slaaf, wan­neer het hangslot losgemaakt werd, dan betekende dit dat er een ande­re paal neergezet werd.

Maar Jezus Christus koopt zondaren vrij, niet met goud of met zilver, maar met Zijn dierbaar bloed. Toen werd er zo'n slaaf vrijgekocht en hij moest achter zijn meester aanlopen met die ramme­lende ket­ting. Het eigen­aardige was, dat die slaaf niet werd wegge­voerd door dienstknech­ten, maar de nieuwe meester zelf had gezegd: Volg mij. Ook weleens gelezen in een Boek: Volg Mij? Hij ging volgen en toen kwamen ze bij een prachtig huis waar die nieuwe meester naar binnen ging. En wat deed de slaaf? Hij ging ach­terom. Maar dat was de bedoeling niet, want hij kreeg een ruk aan zijn ketting. Begrijpt u het, gemeente? Die nieuwe meester die gezegd had: volg mij, brengt ons niet in een nieu­we slavernij. Aanneming tot kinde­ren geschiedt uit vrije genade.

Als er dan gesproken wordt over onderwerping, dan gaat het over een liefdesplicht. Die meester heeft nog nooit een gewilliger slaaf gehad dan de vrije. De ge­bon­dene is onwillig, maar de vrije dient uit liefde.

 

Daarna wordt dat woordje liefhebben in antwoord 94 nog een keer gebruikt, dat we God van ganser harte lief zouden hebben. Nu ligt dat liefhebben reeds in het kennen ver­klaard. Het kennen, dat is dat mijn ziel God leert kennen in Zijn liefde jegens zonda­ren. Wan­neer hier dan staat liefhebben, dan betekent dit dat er iets retour gaat in mijn leven, iets dat naar God te­rug­keert. De apostel Johan­nes, die Jezus ge­volgd was brengt het zo onder woor­den: "Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad, en Zijn Zoon gezonden heeft tot een verzoening van onze zonden". "Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefge­had heeft" (1 Joh.­4:10,19).

Liefhebben, liefhebben van het ganse goddelijke Wezen: Vader, Zoon en Heilige Geest. Ik heb het zelf weleens gehoord op een sterfbed dat er ge­zegd werd: "Is het niet goed, wat Vader doet?"

Dat is onderwerpen en liefhebben, dat is een hart te ontvangen en een hart te geven.

Dan wordt er daarna gesproken over het woordje vrezen. Als je dit catechismus­antwoord goed nagaat, dan volgt steeds het ene uit het voorafgaan­de. Uit dat liefhebben volgt ook vrezen. Welk vrezen? Nee, geen slaafse vreze, geliefde gemeente, daarom heb ik Galaten 4 gelezen. Het gaat om de kinder­lijke vreze voor de Izaäks. Niet voor de Ismaëls, maar voor de ware kinderen. Vrezen, als we daar eens iets van leren, maar we leren er zo weinig van, omdat wij zo hardleers zijn. Wat is die vreze Gods dan iets kostelijks. "De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid" (Spr.9:10).

Dat is geen nieuwe dienstbaarheid, maar dat is kinder­lijke vreze te beoefenen. Hoe meer wij de kinderlijke vreze zullen beoefe­nen in de praktijk van ons leven, hoe meer God Zijn vaderlij­ke goedheid zal beoefenen over Zijn kinderen.

Er wordt hier gesproken over de vrijheid van de kinderen Gods. De vreze des Heeren, dat is een vrij­heid niet in losbandigheid, maar een vrijheid gebonden aan de wet. Het gaat over het vrijwillige van deze zaken. Je zou dit hele catechismus­antwoord daarom kunnen samen­vatten met het woord: liefde. Waar het om gaat dat is de kinder­lijke vreze des Heeren. Wat is een kind? Wel, dat is een erg klein schep­sel­tje. En kinderlijke vreze Gods betekent dat we beseffen hoe klein we nog maar zijn. Waar deze vreze gemist wordt, gaan we op onze tenen staan, hoe groot we wel zijn. U begrijpt me toch wel? Gees­te­lijk op je tenen lopen. Maar kinder­lijke vreze wordt beoe­fend op de knieën.

Kind te zijn en als een kind op te zien naar Vader. Zoals we dat zingen in de Psalm: "Zie, gelijk de ogen der knechten zijn op de hand hunner heren; gelijk de ogen der dienstmaagd zijn op de hand harer vrouw; alzo zijn onze ogen op den HEERE, onzen God, totdat Hij ons genadig zij" (Ps.123:2).

 

Ik lees nog een woordje: eren. Natuurlijk, we zullen God eren, want God heeft immers Zijn schepsel gescha­pen, opdat Hij de eer, opdat Hij de lof, opdat Hij de aan­bid­ding, opdat Hij de dank­zegging zou krijgen tot in der eeuwigheid. Heeft een van de profeten niet gespro­ken in de naam des Heeren: "Ben Ik dan een Vader, waar is Mijn eer? En ben Ik een Heere, waar is Mijn vre­ze?" (Mal.1:6).

De ware God te dienen. Weet u wat voor werk dat eigenlijk is? Dat is eigenlijk he­mel­werk. Het is werk waarin de allervolmaaktste in dit leven nog ontzettend veel tekort komt. Maar het is wel waar, dat we in dìt leven toch het begin moeten leren, om God lief te hebben, te eren, te vrezen en te ken­nen. God dienen, Hem alleen te dienen.

Waar gaat het eigenlijk om in de wet, om het maar ruimer te zeggen, in de tien gebo­den gemeente? Hier­om, zoals we kunnen lezen: "Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting den gansen dag" (Ps.­119:97). Als de wet in de dank­baarheid staat, dan is dat om­helzen van de wet, niet het omhelzen van een koude steen, maar het is het omhel­zen van de levende God.

Wanneer God komt met de ontdekkende kracht van de wet, dan is dit de praktijk, dat er maar één gebod mijn hart hoeft te passeren en ik leer mijzelf kennen in mijn ganse verdoemelijkheid. In die tien geboden, in die wet, ligt God Zelf ver­klaard, daarin ligt God ver­klaard in Zijn deugden.

Nu gaat het om de vraag: waarom staat die wet voor een arme zondaar in de dank­baar­heid? Hier­om, omdat de deug­den Gods, die in de wet ver­klaard liggen, in Chris­tus Jezus verheerlijkt zijn! Wat Jezus Chri­stus uitgeroepen heeft in deze wereld, dat heeft Hij uitge­roepen over zondaren, dat heeft Hij uitgeroe­pen over Gods wet, maar dat heeft Hij ook uitge­roepen over Gods deugden: "Het is vol­bracht".

Dat is het beginsel, die kostelijke wet gaat onze liefde opeisen. Niet om er zelf onze eigen zaligheid mee te verdienen. Er zal geen nagelschrap bijkomen in de verwerving. Maar omdat God met Zijn deugden heer­schappij gaat voeren in onze harten, daarom gaat God Zijn deugden ook weer verheerlijken in de wet.

Wanneer we dan iets zien van die wet in de dank­baar­heid, dan zien we God Zelf weerspiegeld in die wet. Toen God de mens geschapen had, heeft Hij gezegd: "En ziet, het was zeer goed" (Gen.1:31). In de her­schepping is het de mens, de zondaar, gereinigd door het bloed van Chris­tus, die God ziet en zegt: zeer goed! Ja, in Zijn wet.

 

De ware God dienen en buiten Hem niets hebben of verzinnen. Dat betekent dat God aanbiddelijk is en dat Hij te prijzen is tot in der eeu­wig­heid. Dat bete­kent ook dat wij verlost zijn van alles wat god genaamd wordt, maar geen god is. Hoe meer vreze Gods, hoe minder zult gij de men­sen vrezen. Veel vreze Gods en gij zult de duivel en de hel nog niet vrezen, indien gij slechts God vreest.

O, wat was Israël goed af, wat is iedereen goed af die deze God tot zijn hulp heeft: "Welgelukzalig is hij, die den God Jakobs tot zijn hulp heeft, wiens verwachting op den HEERE, zijn God is" (Ps.­ 146:5).

Zijn geboden zijn niet zwaar, de dienst van God is niet zwaar. Jesaja tekent ons de heidenen met hun afgoden. Als er dan gevaar dreigt, dan ziet Jesaja een volk dat vlucht. En dat volk draagt hun goden mee op hun rug: Nebo en Bel. Dan spot Jesaja daar mee: "Bel is gekromd, Nebo wordt nedergebogen" (Jes.46:1). Dat is de mens, die zijn afgoden op de rug draagt. Maar Israël heeft een God, Die Zijn volk draagt. (Jes.46:3,4) "Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypte­land, uit het diensthuis uitgeleid heb". Gij zult voor andere goden niet vrezen, maar gij zult Mij liefhebben.

Gemeente, de wet staat in de dankbaarheid: genade mag God vrezen. Maar kennen we die genade niet, uit de vervulling in Christus Jezus, mocht dan die wet maar een tuchtmeester zijn om ons te ontdekken aan onze onmacht. Opdat we mogen sterven onder de wet, om de wet in de dankbaarheid terug te ontvangen als een vervulde wet in Christus Jezus.

Dan leren wij er ook iets van, ook met het oog op het eerste gebod: "Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting den gansen dag". Wat een heer­lijke zaak! Voor die heidense goden heeft men zich af moeten sloven. Men is er letterlijk mee gestorven en men is er mee verloren gegaan. Maar het gaat in de wet om een God, Die Zijn Zoon Jezus Christus gegeven heeft, opdat door Zijn sterven een volk behouden zou worden.

O, wat is die dankbaarheid kostelijk! De drie wijzen kwamen met goud, ze kwamen met wierook, ze kwa­men met mirre. Maria kwam met kostelijke nardus.

Hebt u een hart gemeente, een hart om de Heere te vrezen? God lief te hebben boven alles en de naaste als ons­zelf? Om zo de wet en de profeten te vervul­len. Niet om onze zaligheid uit te werken, niet om onze zaligheid te verdienen, maar in kinderlijke vreze des Heeren. Om die te doen uit dankbaarheid. AMEN.