ZONDAG 35
Vraag en antwoord 96, 97 en 98
Psalm 89 : 4
Psalm 80 : 11
Psalm 106 : 11,22,24
Psalm 96 : 3
Psalm 90 : 9
Deut. 4 : 1-31
Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechismusonderwijs, vindt u in Deuteronomium 4 : 12 - 13
Zo sprak de HEERE tot u uit het midden des vuurs; gij hoordet de stem der woorden; maar gij zaagt geen gelijkenis, behalve de stem.
Toen verkondigde Hij u Zijn verbond, dat Hij u gebood te doen, de tien woorden, en schreef ze op twee stenen tafelen.
Onze catechismus zondag 35, vraag en antwoord 96, 97 en 98
96. Vr. Wat eist God in het tweede gebod?
Antw. Dat wij God in generlei wijze afbeelden, en op geen andere wijze vereren, dan Hij in Zijn Woord bevolen heeft.
97. Vr. Mag men dan ganselijk geen beelden maken?
Antw. God kan en mag in generlei wijze afgebeeld worden. Maar de schepselen, al is het dat zij mogen afgebeeld worden, zo verbiedt toch God hun beeltenis te maken en te hebben, om die te vereren, of God daardoor te dienen.
98. Vr. Maar zou men de beelden in de kerken als boeken der leken niet mogen dulden?
Antw. Neen; want wij moeten niet wijzer zijn dan God, Dewelke Zijn Christenen niet door stomme beelden, maar door de levende verkondiging Zijns Woords wil onderwezen hebben.
Wel, geliefde gemeente, het gaat vanavond over het tweede gebod. En zoals u zult weten, is dat tweede gebod een lang gebod, want het is een gebod dat vanwege zijn ernst een bedreiging in zich heeft, maar ook een kostelijke belofte.
Ik zal u het tweede gebod nog eens voorlezen: Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen dat boven in den hemel is, noch van hetgeen dat onder op de aarde is, noch van hetgeen dat in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HEERE uw God, ben een ijverig God, en dan volgt die ernstige bedreiging: Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde lid dergenen die Mij haten; maar dan volgt ook die kostelijke belofte: en doe barmhartigheid aan duizenden dergenen die Mij liefhebben en Mijn geboden onderhouden.
Laten we dus vooral niet de vergissing begaan, dat wij zouden zeggen: het is maar het tweede gebod. Het tweede gebod heeft erg veel te maken met het eerste gebod. Ze zijn hierin onderscheiden, dat ons in het eerste gebod geboden wordt dat we alleen de ware God zouden dienen en het tweede gebod gebiedt ons dat wij die ene ware God ook zouden dienen, zoals Hij gediend wil worden.
Afgodendienst is het aanbidden van een andere god, waar we een beeltenis van maken om die te aanbidden. Beeldendienst houdt in dat wij gaan proberen een beeld te maken van de ware God en dat wij dan in dat beeld, de ware God zouden aanbidden.
Die twee geboden zijn dus onderscheiden, maar hebben intussen ontzettend veel met elkaar te maken. Wanneer we tegen het tweede gebod zondigen, dan zullen we ook altijd zondigen tegen het eerste gebod. Want dan zal het beeld, ons zelfgemaakte beeld, ons ook afbrengen van de ware God.
Kort en goed komt het tweede gebod dus hier op neer: dat wij God niet zullen dienen zoals wij zèlf denken dat Hij gediend wil worden, want dan schuif je daar zo heel gemakkelijk iets van jezelf in, zonder dat je het weet. Maar het tweede gebod zegt dat we God zullen dienen, zoals God Zelf gediend wil worden. Het is dus nodig dat we ook ten aanzien van dit tweede gebod heel praktisch vragen:
Leer mij naar Uw wil te hand'len,
'k Zal dan in Uw waarheid wand'len;
Neig mijn hart, en voeg het saâm
Tot de vrees van Uwen naam (Ps.86:6).
Beeldendienst! Ik kan wel duidelijk maken wat daarmee bedoeld wordt, geliefde gemeente, catechisanten. Er was een vader jarig, een vader die een hekel had aan schildpadden. Maar zijn kinderen wilden heel graag een schildpad hebben, dus gaven die kinderen hun vader een schildpad voor zijn verjaardag. Ten diepste gaven die kinderen zichzelf een schildpad. Zo is het ook met de beeldendienst. Ten diepste zoeken we daarin iets voor onszelf, ten diepste dienen we daarin onszelf, wanneer we God gaan dienen zoals wij zelf ons dat voorstellen.
Dit stuk van de wet staat in de dankbaarheid. Ik wil u er ook nog even aan herinneren, dat het nog niet persé een echt tastbaar beeld hoeft te zijn, wat wij van God maken, het kan ook onze eigen voorstelling van God zijn. Dat hoeft niet concreet te zijn, het kan ook abstract zijn.
Ik wil u er aan herinneren dat het gaat over de dankbaarheid, de ware dankbaarheid. God wil gedankt worden, God wil gediend worden, niet zoals wìj vinden dat Hij gediend moet worden. Niet naar geboden en inzettingen die op menselijk goeddunken gegrond zijn. Het gaat om het Woord, om Gods Woord! Wanneer de psalm zegt: "Hoe lief heb ik Uw wet!" dan kunnen we net zo goed zeggen: "Hoe lief heb ik Uw Woord! Zij is mijn betrachting den gansen dag" (Ps.119:97).
God wil gediend worden, niet door een beeld, maar in het geloof. "En al wat uit het geloof niet is, dat is zonde" (Rom.14:23). Geen beeltenis, niet iets wat we tasten kunnen, niet iets wat we aan kunnen raken, uit ons eigen zinnelijke hart. Maar: "Het geloof nu is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet" (Hebr.11:1), dat is het geweldige. God wil geloofd worden, "als ziende de Onzienlijke" (Hebr.11:27).
Heeft Jezus Christus Zelf niet gezegd: "Zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben, en nochtans zullen geloofd hebben" (Joh.20:29).
Beeldendienst! Het is erg tragisch, we hebben er van gelezen dat, toen Mozes op de berg was om de wet uit de handen van God te ontvangen, de beeldendienst al direct de eerste zonde van het volk was. Zolang ze Mozes nog zagen ging het goed. Maar toen Mozes uit het gezicht verdwenen was, o, toen wilden ze toch wel iets zien van God. Toen hebben ze kalveren gemaakt, waarvan wij hebben gezongen:
Zij maakten zich, den HEER' ten spot,
Een kalf bij Horeb tot een god,
Waarvoor zij zich eerbiedig bogen;
Een os, die gras eet op het veld,
Een beeld, o gruwel in Gods ogen,
Werd toen aan Hem gelijk gesteld.
We voelen het wel aan wat een afschuwelijke zonde het was, toen het volk God in gouden kalveren uit ging beelden. Ten diepste was dat een terugkeer met hun hart naar Egypteland, waaruit de Heere hun God hen verlost had. Egypteland, waar heilige koeien vereerd werden.
Dan zien we in die geschiedenis, dat er via het tweede gebod ook een terugval, een afval van het eerste gebod is. God beveelt dat we Hem op geen enkele wijze af zullen beelden, gemeente. Op geen enkele wijze mogen wij God afbeelden, laat staan dat wij die beeltenis dan ook vereren zouden.
Kan God afgebeeld worden? Ik wil er even op ingaan, hier bij het tweede gebod, dat de HEERE de zwakheid van een mens te hulp komt, door heel vaak mensvormig over Zichzelf te spreken. God buigt Zich zo diep neer tot ons kleine mensjes, dat God ons aanspreekt naar de menselijke maat, op een menselijke wijze, voor ons kleine menselijke verstand. De Schrift spreekt ook vaak op een menselijke wijze, op een mensvormige wijze over God.
Er wordt gesproken over Gods oren, wanneer de dichter van Psalm 86 bidt: "HEERE! neig Uw oor, verhoor mij: want ik ben ellendig en nooddruftig" (Ps.86:1). Wanneer, om een voorbeeld te gebruiken, God Zelf spreekt over Zijn rechterhand, dan betekent dit dat God een hand heeft, in die zin, dat God een levende God is en dat Hij Zijn levende hand legt op het hoofd van Zijn bedroefde kind om dat te troosten, wanneer het troost nodig heeft. Als zodanig kunnen we immers spreken over Gods hand in onze levens. Die vertroostende hand van God voor Zijn volk, diezelfde hand was voor Farao een gebalde vuist. Wat een beschermende hand was voor Israël, dat was een wrekende vuist voor Farao.
In die beeldspraak gemeente, onthult God iets van Zijn wezen, maar niet iets van Zijn vorm. Niet hoe Hij er uitziet, maar Wie Hij is! De goddelozen hebben te vrezen voor Gods rechterhand, maar voor ieder die God vreest, is er een levende vertroosting bij God Zelf. Wij zullen geen afbeelding van God maken. O, het kan ons wel duidelijk zijn, wanneer we ooit een afbeelding van God zouden willen maken, dat het niet eens mogelijk is. Heeft Johannes niet geschreven: "Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in den schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard" (Joh.1:18).
God vraagt ons geloof, om Hem te geloven zoals Hij Zich openbaart in Zijn Woord. Wanneer dat op enige manier vermengd wordt met dingen die zichtbaar zijn, die zienlijk zijn, die inspelen op de genegenheden van ons hart, dan kunnen we het heel goed bedoelen gemeente. Dan kunnen we het vreselijk goed bedoelen zelfs, maar dan worden de Godshuizen tot zondehuizen. Zoals de profeet het zegt van Beth-El, huis van God, dat wordt genoemd Beth-Aven, huis der zonde (Hoséa 4:15). Omdat in datzelfde Beth-El ook de zonde van Jeróbeam zijn oorsprong vond.
U weet toch wel dat daarom het tienstammenrijk ten gronde is gegaan. Dan zult u ook die verschrikkelijke bedreiging begrijpen, die God uitspreekt in het tweede gebod: dat Hij de misdaad der vaderen bezoekt aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde geslacht dergenen die Mij haten, zegt de Heere.
Het is een zonde gemeente, wanneer we afwijken van Gods Woord en van het geloof, dat is een zonde die doorvreet in de gezinnen, die doorvreet in de geslachten. Zodat er met recht gesproken is en we kunnen het in de hele Schrift lezen, dat God bezoeking doet tot in het derde en het vierde geslacht. Zo is het ook gegaan met het tienstammenrijk. Dat tienstammenrijk is tenslotte te gronde gegaan door de beeldendienst, de kalverdienst van Beth-El.
Maar in het u voorgelezen Schriftgedeelte hebben we er ook iets van gelezen dat God barmhartigheid doet aan duizenden dergenen die Hem liefhebben en Zijn geboden onderhouden. Ook daarin doet de Heere wat Hij beloofd heeft. Dan wordt er een verkleinwoord gebruikt, wanneer de Heere daar in Deuteronomium al belooft, dat Hij een klein volksken in het leven zal houden tot aan het einde der aarde. "En de HEERE zal u verstrooien onder de volken; en gij zult een klein volksken in getal overblijven onder de heidenen, waar de HEERE u henen leiden zal. En aldaar zult gij goden dienen, die des mensen handenwerk zijn, hout en steen, die niet zien, noch horen, noch eten, noch rieken. Dan zult gij van daar den HEERE, uw God, zoeken, en vinden; als gij Hem zoeken zult met uw ganse hart en met uw ganse ziel. Wanneer gij in angst zult zijn, en u al deze dingen zullen treffen; in het laatste der dagen, dan zult gij wederkeren tot den HEERE, uw God, en Zijn stem gehoorzaam zijn. Want de HEERE, uw God, is een barmhartig God; Hij zal u niet verlaten, noch u verderven; en Hij zal het verbond uwer vaderen, dat Hij hun gezworen heeft, niet vergeten" (Deut.4:27-31).
We moeten dus goed voor ogen hebben, dat de tien stammen verloren gegaan zijn vanwege de zonde tegen het tweede gebod, waarin ook het eerste gebod begrepen was. Dat is de wraak van God geweest.
Dan komt de vraag boven en de catechismus stelt deze ook: Mag men dan ganselijk geen beelden maken? Wel geliefde gemeente, de catechismus zegt er geen 'ja' en zegt er geen 'nee' op. De catechismus zegt: God kan en mag in generlei wijze afgebeeld worden. Maar de schepselen, al is het dat zij mogen afgebeeld worden, zo verbiedt toch God hun beeltenis te maken en te hebben, om die te vereren, of God daardoor te dienen.
Dan kan het ons duidelijk zijn wat hier bedoeld wordt. Dat kan ons zelfs duidelijk zijn uit de Schrift. Want we lezen dat tijdens de woestijnreis, toen het volk geplaagd werd door de vurige slangen, het de opdracht van God Zelf was dat Mozes een koperen slang moest maken. "En Mozes maakte een koperen slang, en stelden ze op een stang; en het geschiedde, als een slang iemand beet, zo zag hij de koperen slang aan, en hij bleef levend" (Num.21:9).
We weten uit de Schrift dat de HEERE, ik moet het nog nader aanduiden, dat in het bijzonder de Heilige Geest, wijsheid heeft gegeven aan de makers van de tabernakel. Dan weten we dat er zelfs gouden engelen gemaakt moesten worden, cherubim op het verzoendeksel. Maar wanneer het volk gaat overtreden, wanneer deze dingen tot beeldendienst worden, dan lezen we dat God Zelf er voor zorgt dat deze afbeeldingen vernietigd worden. Wanneer het volk de ware God niet meer vereert, maar wanneer die koperen slang tevoorschijn gehaald wordt om die te vereren, dan moet Hizkía die koperen slang vernielen en vermalen. We weten ook dat er van die cherubim niets meer is overgebleven.
God is hier heel nauwkeurig op, geliefde gemeente, op het maken en het hebben van afbeeldingen om God daardoor te vereren, of om God daarin te dienen. Dat kan natuurlijk op een grove manier. We zouden misschien kunnen vragen: wie doet dat nu dan nog? Onze catechismus is geschreven kort na de Reformatie, toen de beeldendienst nog volop levend was in de Roomse kerk.
We lezen in vraag en antwoord 98 nog zo'n stilzwijgend iets, over de Lutherse kerk waar de beelden gehandhaafd werden als boeken der leken. Deze beelden werden niet aangebeden, het werden geen heiligen meer genoemd, maar ze werden als boeken der leken in de Lutherse kerk geduld. Wij moeten niet wijzer zijn dan God, Dewelke Zijn Christenen niet door stomme beelden, maar door de levende verkondiging Zijns Woords wil onderwezen hebben.
Beeldendienst kan echter ook op een meer verfijnde manier. Wij doen het zo grof niet meer, maar ik geloof toch dat het ook wel nuttig is, ja dat het nodig is om onze grenzen te weten. Ik denk namelijk dat we met dit gebod het gebied van de kunst toch ook een beetje raken. Als christen moeten we onze grenzen ook weten in de kunst, waar we op school misschien mee te maken zullen hebben, geliefde catechisanten. We zullen God alleen vereren en wij zullen Hem alleen op die wijze vereren, zoals God dat gebiedt in de Schrift.
Er is veel kunst, ik heb het al gezegd: van de ware kunst lezen we heel opmerkelijk dat de Heilige Geest de kunstenaars bezielde tijdens de bouw van de tabernakel. Het was de Heilige Geest, Die ze wijsheid gegeven heeft, kunstzinnige wijsheid om de tabernakel te bouwen. Van Bezáleël lezen we in Exodus: "Ik heb hem vervuld met den Geest Gods, met wijsheid, en met verstand, en met wetenschap, namelijk in alle handwerk; Om te bedenken vernuftigen arbeid; te weten in goud, en in zilver, en in koper, En in kunstige steensnijding, om in te zetten, en in kunstige houtsnijding, om te werken in alle handwerk" (Ex.31:3-5).
Wij maken geen beelden meer van God de Vader, maar toch past een christen terughoudendheid in de kunst. Want wanneer Jezus Christus wordt afgebeeld, zijn we dan ten diepste ook niet bezig te werken uit onze eigen gevoelens in plaats van uit het geloof. Ik denk dat de ware gelovige Jezus niet zal schilderen, vanuit de onmacht van de situatie.
Ik wil er niet al teveel van zeggen, u kent het verhaal misschien wel van de graaf Von Zinzendorf, die zo veel gedaan heeft voor de verbreiding van het Evangelie, die veel zending bedreven heeft. Graaf Von Zinzendorf stond eens voor een schilderij van Christus met Zijn doornenkroon. Onder dat schilderij stond: "Dit deed Ik voor u, wat doet gij voor Mij?" Er zijn gelovige schilders geweest die Jezus geschilderd hebben. Wij hoeven daar geen rechter over te zijn en wij hoeven daar geen oordeel over te vellen. Maar wat een terughoudendheid past ieder christen.
Weet u, met die ontroering over een afbeelding van de Heere Jezus kan het ook nog zo zijn, dat we bakken vol ontroering hebben, terwijl het geloof ten enenmale ontbreekt. Laat ik het maar zo mogen zeggen, wanneer het Woord geen beslag heeft gelegd op onze harten, wanneer de Heilige Geest het geloof niet gewerkt heeft in onze harten, het geloof in de Christus der Schriften, dan zal ook een schilderij van Jezus ons niet recht treffen, gemeente!
Om zalig te worden moeten we het lijden niet zien op een plaatje of schilderij. Om zalig te worden moeten we geloven, wat de getuigen ons in de Schrift geschilderd hebben aangaande Jezus. Zoals Johannes het schrijft: "En die het gezien heeft, die heeft het getuigd, en zijn getuigenis is waarachtig; en hij weet, dat hij zegt, hetgeen waar is, opdat ook gij geloven moogt" (Joh.19:35). Johannes is er zelf bij geweest en dat keert steeds terug in het Evangelie naar de beschrijving van Johannes, maar ook in zijn brieven. "Hetgeen wij dan gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben, en deze onze gemeenschap ook zij met den Vader, en met Zijn Zoon Jezus Christus" (1 Joh.1:3). Ik wil het nog eens zeggen: "Zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben, en nochtans zullen geloofd hebben" (Joh.20:29).
Laten we het maar toe gaan passen, gemeente! Wanneer het met name over de Heere Jezus gaat, Die een menselijk lichaam had, zodat Hij mogelijk uitgebeeld zou kunnen worden, laten we dan maar heel teer zijn op dat punt, want ook daar wordt het heel erg gevaarlijk. Wij weten immers dat de menselijke natuur van Jezus niet aangebeden wordt, maar dat de Christus aangebeden zal worden in Zijn goddelijke natuur.
O gemeente, laten wij teer zijn in de bedorven cultuur waarin wij leven, waarin wij onszelf dagelijks bezondigen aan het lichaam en aan het bloed van Jezus Christus Gods Zoon. Laat er een teerheid in onze levens mogen zijn vanuit het Woord: "Maak in Uw Woord HEERE, mijn gang en treden vast, opdat ik mij niet van Uw paân moog' keren; en wordt mijn vlees...", en dat is het nou juist, het is zo vleselijk wat ons via de ogen bereikt. Wat niet via het Woord komt, heeft altijd iets vleselijks in zich. De gevoelige genegenheid van het hart, de gevoelige genegenheid van de dochters van Jeruzalem:
Ik deed als Jeruzalems dochters weleer;
Ik weende om de pijn van mijn lijdende Heer',
En dacht er niet aan, dat ik zelf door mijn schuld
Zijn kroon had gevlochten, Zijn beker gevuld.
"Zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben, en nochtans zullen geloofd hebben".
Het gaat op de toekomst aan, geliefde gemeente! De levende Kerk zal hier hebben te leven uit het geloof, maar het geloof zal eenmaal aanschouwen worden. Dan juicht de apostel: "Want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is" (1 Joh.3:2). Een andere apostel juichte: "En wij allen, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest" (2 Kor.3:18).
Het gaat om het Woord, daaruit zullen we hebben te leven. Het moet in onze levens van kracht worden, wat we gelezen hebben en wat we geleerd hebben in voorafgaande zondagsafdelingen, dat we wedergeboren worden door Woord en door Geest, maar niet door een beeld en de Geest. Door Woord en Geest wordt het geloof gewerkt in zondaarsharten. En dan is er nog een groot wonder: het wordt versterkt door het Sacrament en de Heilige Geest.
Ik moet een beetje voorzichtig zijn, een beetje op mijn woorden letten bij wat ik nu ga zeggen. Waar dat geloof gewerkt is door het Woord, waar een naakt geloof op het naakte Woord beoefend wordt door een naakte zondaar, daar verbiedt God ons alle beelden. Maar daar heeft God de Kerk gezegend met Sacramenten om het geloof te versterken, waarin het lichaam des Heeren niet in letterlijke zin zichtbaar gemaakt wordt, maar wel het zaligmakende werk van Zijn verbroken lichaam en Zijn vergoten bloed. Zo zal de Kerk tevreden zijn zonder beelden.
Maar met de twee Sacramenten die de Heere Jezus heeft ingesteld, waarin voor het geloof, dat is dus niet voor de ogen, maar dat is voor het hart, zichtbaar wordt Wie Jezus is in Zijn verzoenend werk. Wat Jezus is in Zijn verbroken lichaam: brood voor de hongerige ziel. Wat Hij is in Zijn vergoten bloed en Wat Hij is in het water van de Doop. Dit: al waren alle zonden van Adams nakroost saâmgebonden, dat bloed wast alle zonden uit!
O gemeente, laten we toch dagelijks bezig mogen zijn onszelf te onderzoeken of dat ook wij geen beelden in ons hart omdragen. U zult misschien vragen: wat zijn die beelden in het hart? Dat is, dat wij een vleselijke voorstelling gaan maken van God. Ik zou haast zeggen, hoe minder wij met het Woord bezig zijn, hoe meer onze fantasien, onze religieuze fantasien, onze zogenaamde geestelijke fantasieën met ons op de loop zullen gaan. Zodat onze ideeën, ik hoop dat er enkelen zijn die dit verstaan, zodat onze ideeën idolen gaan worden. Dat we toch zoals de catechismus heeft gezegd, menselijke inzettingen gaan vormen in onze hoofden en in onze harten.
Het gaat om het Woord, geliefde gemeente, dat we God zullen leren kennen uit Zijn Woord. En als er een begeerte is om Hem méér te kennen, moeten we méér zoeken in het Woord. En als er een begeerte is om Hem veel meer te kennen, moeten we nog meer zoeken in het Woord. "Zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben en nochtans zullen geloofd hebben".
Dan zal éénmaal de begeerte vervuld worden van die Kerk, die niet verlangt naar het lichamelijke aanschouwen van Jezus uit de geest van het eerste gebod, of uit de geest van het tweede gebod. Maar door de liefde komt er in de Kerk een hartelijk verlangen, niet om een beeld te hebben, maar om eenmaal Jezus Christus Zèlf te hebben en met Hem verenigd te zijn.
Voor beeldendienst zult gij u wachten. Er is iets voortreffelijker dan beeldendienst. Dat is: wanneer een zondaar door genade verwaardigd wordt het beeld van Christus gelijkvormig te worden. O, dan is er ook de hoop, voor wie Hem gelijkvormig mag worden naar Zijn vernederd lichaam, om Hem eenmaal gelijk te zijn naar Zijn verheerlijkt lichaam. Dan juicht de apostel: "Wij zullen Hem zien, gelijk Hij is".
Daar zal werkelijk alle godvrezende honger, om het zo eens te zeggen, alle godvrezende dorst naar de beeltenis van God in Christus verzadigd worden. Zoals de psalm het ook zo heerlijk zegt: "Maar ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken" (Ps.17:15).
Wat zal dat heerlijk vervuld worden in Christus Jezus, wanneer de gelovigen eenmaal in de wederopstanding het beeld van Jezus Christus naar de verheerlijking gelijkvormig en met Hem verenigd zullen zijn. Als het dan in vervulling zal gaan: "En alzo zullen wij altijd met den Heere wezen. Zo dan, vertroost elkander met deze woorden" (1 Thess.4:17-18). AMEN.