Zondag 36. Vraag en antwoord 99 - 100

                                         ZONDAG 36

                              Vraag en antwoord 99 en 100

 

        Psalm      66 : 4

        Psalm      65 : 1

        Psalm    119 : 14,30

        Psalm    141 : 2,3

        10 Geb.        : 4,9

        Lev.         24 : 10-23

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechis­muson­derwijs, vindt u in het voorgelezen Schriftgedeelte Leviti­cus 24 : 15 - 16

 

En tot de kinderen Israëls zult gij spreken, zeggende: Een ieder, als hij zijn God gevloekt zal hebben, zo zal hij zijn zonde dragen.

En wie den Naam des HEEREN gelasterd zal heb­ben, zal zekerlijk gedood worden; de ganse ver­gadering zal hem zeker­lijk stenigen; alzo zal de vreemdeling zijn, gelijk de inboor­ling, als hij den NAAM zal gelasterd hebben, hij zal gedood wor­den.

 

Onze catechismus zondag 36, vraag en antwoord 99 en 100

 

99. Vr. Wat wil het derde gebod?

Antw. Dat wij niet alleen met vloeken of met valsen eed, maar ook met onnodig zweren, den Naam Gods niet lasteren noch misbruiken, noch ons met ons stil­zwijgen en toezien zulke schrik­kelijke zonden deelachtig maken; en in het kort, dat wij den heiligen Naam Gods anders niet dan met vreze en eerbied gebruiken, opdat Hij van ons recht bele­den, aangeroepen, en in al onze woor­den en wer­ken geprezen worde.

100. Vr. Is het dan zo grote zonde, Gods Naam met zwe­ren en vloeken te lasteren, dat God Zich ook over diegenen vertoornt, die, zoveel als hun mogelijk is, het vloeken en zweren niet helpen weren en verbieden?

Antw. Ja gewisselijk; want er is geen groter zonde, noch die God meer vertoornt, dan de lastering Zijns Naams; waarom Hij die ook met den dood te straffen bevolen heeft.

 

Het gaat dus vanavond, geliefde gemeente, over het derde gebod. Gij zult den Naam des HEEREN uws Gods niet ijdellijk gebruiken; en de bedreiging, want de HEERE zal niet onschuldig houden, die Zijn Naam ijdel­lijk gebruikt.

Het derde gebod heeft twee kanten en er zijn ook twee zondagen die er over handelen. Om het maar eenvoudig te onderschei­den: in zondag 36 gaat het over het vloe­ken, het lasteren en mis­bruiken van Gods Naam. In zondag 37 zal het gaan over het zwe­ren, het ijdel, het onnodig of het meinedig zweren, dat is het inroe­pen van Gods Naam.

Vloeken en zweren: het gaat zowel bij het een als het ander over de macht van het woord, we doen het met onze mond. Vloeken en zweren is dus de macht van het woord! Wist u, dat het woord zo machtig was? Dan is in de eerste plaats het Woord van God zo machtig, het is almach­tig. "En God zeide: Daar zij licht! en daar werd licht" (Gen.1:3).

O, wat een macht is er in het woord, zelfs in het woord van een mens: "Deze ellendige riep, en de HEERE hoorde" (Ps.­34:7). De macht van het woord in het gebed is zoiets geweldigs, daarmee "wordt het Konink­rijk der hemelen geweld aangedaan, en de gewel­digers nemen hetzelve met geweld" (Matt.11:12).

Er is zo'n macht in het woord, dat we lezen dat die hoofd­man tot Jezus zegt: "Spreek alleenlijk een woord, en mijn knecht zal gene­zen worden. Want ik ben ook een mens onder de macht van ande­ren, hebbende onder mij krijgsknechten; en ik zeg tot dezen: Ga! en hij gaat; en tot den anderen: Kom! en hij komt; en tot mijn dienst­knecht: Doe dat! en hij doet het" (Matt.8:8-9).

Straks gaan we twee psalmverzen zingen, die ook spreken over woorden. In het ene is het woord aangenaam voor God:

 

      Mijn beê, met opge­heven handen,

      Klimm' voor Uw heilig aangezicht,

      Als reuk­werk, voor U toegericht,

      Als offers, die des a­vonds branden. (Ps.141:2 ber.).

 

De macht van het woord kan ook negatief zijn: de tong is een onbedwing'lijk kwaad. Wij loven er niet alleen God mee, maar vloeken er ook de mensen mee. Zodat we straks ook gaan zingen:

 

      Zet, HEER', een wacht voor mijne lippen;

      Behoed de deu­ren van mijn mond,

      Opdat ik mij, tot genen stond,

      Iets onbedacht­zaams laat' ontglippen. (Ps.141:3 ber.).

 

Om maar bij de praktijk te blijven, de macht die het woord heeft is beseft door alle eeuwen heen. Cicero was een geweldig redenaar en na iedere redevoering die hij uitsprak kwam die be­roemde zin: "Carthago moet verwoest worden". Zo zijn er oorlogen gevoerd in deze wereld, die jaren geduurd hebben en talloze slacht­offers geëist hebben, door de macht van het woord.

In de jaren '30 is er een man geweest, die ook de macht had van het woord. Hij heeft zijn volk opge­zweept en dat heeft geleid tot de Tweede Wereldoor­log. De miljoe­nen slachtoffers zijn zelfs niet eens te tellen, die gedood zijn in die oorlog, begonnen door de macht van het woord. Zo machtig is nu het woord.

Maar is een vloek dan ook zo machtig, zult u vragen? Is het maar niet een slippertje van de tong? Neen, het is een verschrik­kelij­ke zonde!

Ik zal deze zondag niet woord voor woord doorlopen, maar vloeken is een verschrikkelijke zonde, de cate­chis­mus noemt het de grootste zonde. Niet met onze handen, niet met onze voeten wordt de ver­schrikkelijk­ste zonde bedreven, maar de verschrikkelijkste zonde wordt bedreven door onze mond. Het is de ergste zonde, de grootste zonde, leest u het maar na in de cate­chismus.

Hoe komt dat dan? Wel gemeente, ik zal het antwoord meteen geven: vloeken, dat is de weg te betreden die voert naar de onver­geeflijke zonde. Een ander woord, een meer schrif­tuurlijk woord voor de zonde tegen de Heilige Geest, de onvergeeflijke zonde, is door de apostel Johannes de zonde tot de dood genoemd: "In­dien iemand zijn broeder ziet zondigen een zonde niet tot den dood, die zal God bidden en Hij zal hem het leven geven, dengenen, zeg ik, die zondigen niet tot den dood. Er is een zonde tot den dood; voor dezelve zonde zeg ik niet, dat hij zal bidden" (1 Joh.5:16).

De macht van het woord. Weet u waar deze zonde begint? Waar het eindigen kan heb ik u reeds gezegd: in de situatie van de onver­geeflijk­heid. Maar waar begint die zonde eigenlijk? Die zonde begint reeds in de wieg, begint bij het kind dat dreint om zijn wil door te zetten, om zijn macht door te voeren.

Dat gaat door gemeente, wanneer we groter worden is het geen drei­nen meer, maar dan wordt het de macht van het woord. De macht van het woord waarmee we niet alleen elkaar te lijf gaan, maar waarmee we ook de hogere mach­ten te lijf gaan. Het is alsof een kind in de wieg al leert dat de tong een magische kracht heeft. Dat het iets af kan eisen, dat het iets af kan dwingen van iemand die sterker is dan dat wij zelf zijn. O, zo kan het gebeuren dat we de natuurmachten in gaan roepen, zoals de donder en de bliksem. Ik zeg dat om duidelijk te zijn, gemeente, ik wil ook heel duide­lijk zijn in het preken over de zonde. Om onze eisen kracht bij te zetten, om bepaalde wensen af te willen dwingen, ­worden natuurmachten ingeroe­pen.

Wanneer wij dan nog verder gaan, dan kunnen wij zelfs Gods heilige Naam aan gaan roe­pen om onze eisen, om onze wensen kracht bij te zetten.

Het gaat nu over het vloeken. Dat is dan de alleruiter­ste vorm om onze woorden kracht bij te zetten. Dat laat zich eigenlijk in drie dingen onder­scheiden:

 

     De vervloeking van onszelf.

     De ver­vloeking van onze naaste.

     De vervloe­king van God.

 

Er is onderscheid in het vloeken, maar het zijn alle drie sporten van dezelfde ladder, die naar de hel voe­rt. Het zijn sporten van dezelfde ladder, die naar de onvergeeflijkheid voert. Dat is de vrese­lijke ernst van deze zonde.

We kunnen een vloek richten tegen onszelf. Er zijn zo van die situaties, waarin we onszelf machteloos gevoe­len, wanneer het ons tegen gaat lopen in het le­ven. Hoewel ik niet tot het uiterste zal gaan, wil ik toch een paar dingen bij zijn naam noemen, ik hoop dat u zich daar niet aan zult ergeren. Dan gaat het om die zelf­vervloe­king, die zelf­vervloeking die zo heel gemak­kelijk onze lippen ont­snapt wanneer het ons tegen­loopt en wanneer we de situatie niet meer meester zijn. O, wat wordt er dan heel gemak­kelijk op de een of ande­re manier ge­wenst: ik wou dat ik maar dood was!

Nu moet u niet schrikken, ik wil heel prak­tisch zijn bij dit derde gebod. Deze dingen lezen we zelfs van de bijbelheiligen. Er zijn immers bijbel­hei­ligen geweest, die uitgespro­ken hebben maar te mogen ster­ven of gestorven te zijn. Lezen we niet dat Job zegt: "De dag verga, waarin ik geboren ben, en de nacht, waarin men zeide: Een knechtje is ontvangen" (Job 3:3). Heeft hij ook niet gesproken: "Waarom ben ik niet gestorven van de baarmoeder af, en heb den geest gegeven, als ik uit den buik voortkwam? Of als een ver­borge­ne misdracht, zou ik niet zijn" (Job 3:11,16).

In de situatie, dat is het tragi­sche, in de situatie dat bid­den het meest op zijn plaats zou zijn, wordt er het meest ge­zondigd door het vloe­ken. We vloeken daar, waar we zouden moeten bidden. Dat is een van de ernstige kanten van het vloeken.

Jakobus schrijft: "Indien iemand in woorden niet strui­kelt, die is een volmaakt man" (Jak.2). Het gaat er niet om, dat we er zonder kleer­scheu­ren af zullen komen, gemeen­te. Maar het gaat er om, dat we diep zullen buigen, dat we uit de kerk naar huis gaan, geze­gend met een be­rouw­vol hart, geze­gend met een beetje boet­vaardig­heid. Zodat de wet en zeker dit derde gebod ons een tuchtmeester zou zijn tot Chris­tus, opdat Zijn bloed ons reinige van al onze zon­den.

O, de beproeving kan ons ook zo ver brengen, gemeente! We lezen immers van Job dat de beproeving drievoudig was. Dan lezen we in het eerste stadium van de beproeving: Job zondigde niet. In het tweede stadium van de beproeving staat geschreven: Job zondigde met zijn lippen niet. In het derde stadi­um van de beproe­ving zon­digde Job, de recht­vaardige van het oude verbond, met zijn hart en met zijn lippen.

De zelfvloek! Laat ik gelijk maar doorstoten, het kan zo ver gaan dat de mens niet alleen de wens uit­spreekt om gestorven te zijn, maar dat in de vloek zelfs de wens uitgesproken wordt om verloren te zijn, om in de verdoemenis te zijn. Wat is dat een gewel­dige zonde, niet alleen tegenover God, maar wat is dat ook een huive­ringwekkende zonde tegenover onszelf. Ik moet u waar­schu­wen dat wij ons­zelf niet zullen vervloe­ken. Ook niet met en­igs­zins omge­vormde woorden, zodat het een klein beetje anders klinkt, want het gaat daarbij toch om dezelf­de zaak.

Het is zo'n verschrikkelijke zonde! Waarom? Omdat het eigenlijk een gebed is. Zoals we straks in zondag 52 zullen zien dat het gebed van de gelovige veel zeker­der van God verhoord is, dan we in ons hart gevoe­len, zo kunnen we ook van de vloek zeggen, dat het zeker­lijk meer verhoord wordt, dan dat een goddeloze zelf in zijn hart gevoelen kan.

Het is in de praktijk ook een zonde, waar God uitzon­derlij­ke straf­fen op gegeven heeft. We lezen in Leviti­cus 24, dat de jonge knaap die de Naam gelas­terd had, gestenigd moest worden. Maar ook in de praktijk van het leven zijn er voorbeelden van, dat God dat nega­tie­ve ge­bed, die vloek, rijkelijk ver­hoord heeft.

Zal ik u een verhaal vertellen? Nee, het is eigenlijk geen ver­haal, want het is werkelijk gebeurd. Het is de huiveringwekkende werke­lijkheid van een god­deloos gezin en een godvrezende vader. Ja, ik zal het u ver­tellen gemeente, opdat u gewaarschuwd mag zijn.

Er was een gezin waarvan de vader de Heere vr­ees­de, maar de kinderen waren grote vloek­ers. Toen de oorlog is uitgebroken heeft die vader aan zijn kinde­ren gevraagd: "Zullen we nu samen Gods Naam aanroe­pen?" Nou, die jongens hebben toen Gods Naam aange­roepen gemeente, maar dan vloekender­wijs. In dat onbete­kenende ge­hucht, het is nog nooit opge­hel­derd waarom, zijn toen bom­men ge­vallen op het huis van die vloek­ers. Vreselijk is het geweest! Die vader heeft staan rukken aan zijn kinderen die bekneld zaten onder de puinho­pen van het huis dat in brand vloog en ze zijn levend voor de ogen van hun vader ver­brand. God is een God, Die niet met Zich laat spot­ten! God is een Hoorder der gebe­den. We kunnen het soms wel­eens merken als er ge­vloekt wordt, dat God ook een Hoor­der is van die gebeden. Dat is het vrese­lijke van het vloeken.

Die geschiedenis gaat nog verder, lief kind, ik zal het vertellen. Je begrijpt dat die vader er vrese­lijk aan toe was, hij was voor zijn verdere leven psychisch gestoord. Hij had nog één zoon over, die aan boord van een schip werkte. Hij zou die zoon een bezoek brengen, maar durfde niet over de loop­plank en daar­om had hij afgespro­ken dat hij een paar keer met zijn fietsbel zou rinkelen, dan zou zijn zoon hem over de loop­plank helpen. Over een paar andere schepen heen, met zo'n plank ertussen, u weet wel! Toen, o ge­meente, waar ver­speelt een mens zijn ziel en zijn zaligheid aan. Toen schoot die jongen zijn klomp uit en die klomp viel in het water. Dat was voor die jongen reden ge­noeg om Gods Naam laster­lijk te ge­brui­ken. En terwijl hij zich bukte om tussen die twee sche­pen in, zijn klomp te pakken, schoven die schepen tegen elkaar en verbrijzelden zijn hoofd. Pas toch op ge­meen­te, wan­neer we niet alleen de dood, maar zelfs de verdoemenis over onszelf inroepen.

 

We kunnen de dood en de verdoemenis ook over een ander inroe­pen. O, waar zijn we dan toch mee bezig? Dan zijn wij rechters geworden over onze naaste. Dan spre­ken wij niet alleen de dood­straf uit over onze naaste, maar ook het eeuwige oordeel, het zwaarste vonnis. Wat worden we ook op dat punt ge­waar­schuwd uit Gods Woord, dat de Heere die vloek niet zal laten komen, maar dat God die vloek zal laten terugkomen op het hoofd van degene die hem uitge­sproken heeft.

Een verhaaltje? Nee gemeente, het is ook echt gebeurd. We lezen in de Schrift dat Simeï David vloekt, (2 Sam.­16) maar we weten ook dat die vloek op zijn eigen hoofd is terechtgeko­men (1 Kon.2:44).

Zal men dan ganselijk niet vloeken? De Heere onder­wijst ons in Zijn goddelijk Woord, dat er inderdaad situaties kunnen zijn in het leven, die vreselijk zijn. Het Woord staat er vol van, juist voor de gelovigen. "Twist, HEERE! met mijn twisters, strijd met mijn be­strijders" (Ps.35:1).

Zal men dan ganselijk niet vloeken? Neen, gemeente, er staat iets anders in de Schrift. Wanneer onze recht­vaardige zaak ook recht­vaardig is in de ogen van God, dan staat er in de Schrift ge­schre­ven: "Wreekt uzelven niet, beminden", dus vloekt ook niet, "maar geeft den toorn plaats; want er is geschre­ven: Mij komt de wraak toe; Ik zal het vergelden, zegt de Heere" (Rom.12:19).

Intussen kan ik u wel vertellen van een oude godzalige vriend, waar God het voor opgenomen heeft. Want zo nu en dan gebeurt het toch weleens, dat God Zijn kinde­ren ver­waardigt om profeet te zijn. Die oude vriend had op zondagavond het gezelschap ge­zocht van Gods volk en toen hij terugkwam op het schip waarop hij voer, werd hij op een smeri­ge manier verwelkomd door een matroos. Toen heeft die oude vriend alleen maar gezegd: "God zal het zien en zoeken". En de Heere hééft het gezien en de Heere hééft het ge­zocht, die matroos sloeg enkele dagen later over boord en is verdronken. "Twist met mijn twisters, Hemel­heer; ga mijn bestrijd'ren toch te keer".

Wij zullen onszelf dus niet vloeken en wij zullen ook een ander niet vloeken, al staan we nog zo in onze rechten, al is die ander nog zo godde­loos. "Mij komt de wraak toe", heeft de Heere gezegd, "Ik zal het vergel­den".

 

Nu gaan we wat dieper op de stof in, het is ook moge­lijk om God Zelf te vloeken. Het is mogelijk, geliefde gemeente, tegen de drie Personen, tegen de Vader, de Zoon en de Heilige Geest onze vloek­spraak te richten. Dat is de zonde waarvan we gelezen hebben, dat was het met opzet lasteren van de heilige Naam van God, de heilige Vadernaam. Dan komen we tot de onvergefe­lijke zonde. In ons spraakgebruik is dat genoemd: de zonde tegen de Heilige Geest. Ik wil het niet uit de weg gaan, ik spreek er over vanavond.

Ik moet iets uitleggen, omdat die bena­ming niet helemaal juist is. Want de Schrift leert ons dat er zonde bedreven kan worden tegen de Vader, zonde die niet vergeven zal worden. Dat er zonde be­dreven kan worden ten opzichte van Jezus Chris­tus Gods Zoon, zonde die niet vergeven zal worden. En dat er ook inderdaad zonde tegen de Heilige Geest bedre­ven kan worden, zonde die niet verge­ven kan wor­den. Omdat het dus mogelijk is om tegen drie Goddelij­ke perso­nen te zondigen, kunnen we beter spreken van de onver­ge­eflijke zonde.

Zo was er in het Oude Tes­tament speciaal de zonde tegen de Vader, het vloeken van de Vader. Dat was de zonde, die niet ver­geven kon worden. Waarom? Omdat het in het Oude Testament in het bijzon­der de Vader was, Die Zich openbaarde aan Israël. De Zoon had Zich nog niet zo geopenbaard en de Heilige Geest had Zich niet zo geopen­baard. Maar God had Zich geopenbaard aan Israël als Vader, als Bron en Oorzaak van alle goed­heid. Die zonde, die door steni­ging gestraft moest worden, zodat die zondaar werd uitge­roeid, heette in het Oude Testament: de zonde 'met opgeheven hand', be­grijpt u? Dat is de zonde van de opge­stoken, de gebalde vuist tegen God, geliefde gemeente.

Er waren veel zonden in Israël waar offers voor waren, maar voor die zonde was geen offer, daar was slechts de doodstraf voor. Het vloeken van de Naam met de opgeheven hand naar de hemel, dat is de duivelse vijandschap van het hart die zich zelfs tegen God de Vader richt.

We lezen ook dat er zonde gedaan kan worden, die lastering tegen de Heilige Geest wordt genoemd. Dat was in de tijd dat Jezus Christus Zich openbaarde tij­dens Zijn omwandeling. Waarom wordt dat juist de zonde tegen de Heilige Geest genoemd? Omdat dit juist was in de tijd dat de Heilige Geest zo werk­zaam was, dat ieder van de omstanders als het ware de werkin­gen des Geestes in zijn eigen hart kon gevoelen. En juist toen, heeft men gezondigd tegen licht en beter weten in.

U weet welke geschiedenis ik bedoel, het was de ge­schiedenis van de Farizeërs, die in hun hart konden weten van de werking van de Heilige Geest. De Fari­ze­ërs die de Zoon gaan lasteren, die Jezus Christus gaan lasteren. Zoals men in het Oude Testament God in Zijn Vader­hart trof door de zonde met opgeheven hand, zo hebben de Farizeërs Jezus Christus ge­troffen in Zijn Midde­laarshart door te zeggen: "Deze werpt de duive­len niet uit, dan door Beëlzebul, den overste der dui­velen" (Matt.12:24).

O, dan worden de onreine geesten uitgeworpen, dan is de werking van de Heilige Geest als het ware zichtbaar en voelbaar aanwezig en dan wordt Jezus Christus zo diep beledigd. Het gaat in deze zonde om het zondigen tegen beter weten in. De mensen hadden het kunnen weten, maar ze wil­den het niet weten, ze hebben gelasterd tegen de bediening van de Heilige Geest in.

Tenslotte lezen we ook in de Hebreënbrief, dat het onmoge­lijk is om wederom vernieuwd te worden tot bekering, wanneer Jezus Chris­­tus wederom gekruisigd en openlijk te schande ge­maakt wordt door dege­nen die eerst verlicht geweest zijn. (Hebr.6:4-6). Dat tekent ons het opzette­lijke van de zonde. Het gaat maar niet om zonde die bij ver­gis­sing be­gaan wor­dt, maar er zit iets duivels in, er zit opzet in.

Ik wil even tussendoor zeggen, dat hier niet bedoeld wordt dat juist de gelovigen, juist degenen die God liefheb­ben, zo dikwijls door de satan aangevallen en ingebla­zen worden met boze woorden, lasterin­gen, vloeken of onrei­ne gedachten. Dat bedoel ik niet, gemeente. Daar schreit en daar vergiet de gelo­vige Kerk, het kind van God zijn hete tra­nen om, vanwege alles wat de satan in­blaast. Maar in het vloe­ken gaat het om het vrijwillige, dat raakt tot aan de grenzen van het onverge­felijke. Of het nu de Vader be­treft, de Zoon of de Heili­ge Geest, er is in het vloe­ken iets waardoor het onvergefe­lijk wordt. Waar­door wij ons op één lijn plaatsen met de duivel zelf, die tenslotte ook niet in de vergeving der zonden kan delen tot in der eeuwigheid.

Want het gaat om dat geheel vrijwillige, dat de mens ten­slotte evenals de duivel, af gaat zien van zijn zalig­heid, af gaat zien van de vergeving der zonden, af gaat zien van genade bewezen te worden. Dat de mens zichzelf zo laat vervullen door de duivel, dat hij zich schaart in de gelederen van de duivel en dat hij ook alzo de dui­velse eigenschap deelachtig wordt, dat zijn zonden niet meer verge­ven kunnen wor­den.

Mis­schien zult u zeggen: dat is zielig, als je zonden niet meer vergeven kun­nen worden? Neen, dan zijn we zo duivels geworden, dat het niet zielig meer is, dat we er zelfs geen behoefte meer aan hebben dat onze zonden verge­ven worden, ook dat kan. O, geliefde ge­meente, laat ik u mogen waarschuwen. Het gaat zo van kwaad tot erger in onze levens, het gaat van méér tot méér, ook in de zonde.

Ik heb eens bij een sterfbed gestaan van een man die echt niet meer be­keerd wilde worden. Het was een man die zijn leven lang in de kerk gezeten had, dus ook kerkmu­ren zullen u dat niet besparen. Kerk­muren zullen u niet vrijwa­ren, alléén de vreze Gods zal u bewa­ren. Die man had altijd in de kerk geze­ten en hij wilde niet eens meer behou­den worden. Zijn laatste woorden waren: "U bent beter af dominee, maar ik heb lekkerder geleefd!" Wat vreselijk, vrese­lijk, vrese­lijk!

Maar nu de troost voor de Kerk, die juist op dit punt zo wordt aangevallen. Er is veel bedroeven van de Heilige Geest. Er is heel veel be­droeven van de Heilige Geest, ook door het kind van God. Maar voor het zondigen tegen de Heilige Geest wordt de Kerk bewaard. Daarom kent Gods volk ook de droef­heid over de zonde, de droefheid gewerkt door de Heilige Geest. De droef­heid over de onge­rechtigheid van het hart, de droef­heid over onze gedachtenwe­reld, de droefheid over het hart dat we ronddra­gen. Net als Petrus zullen wij iets moeten kennen van de tranen, van de hete tranen van boetvaar­digheid en van be­rouw. Waar de vloeker geen boetvaar­digheid kent, daar is het Gods kind die de boet­vaar­digheid leert kennen, juist omdat hij Christus heeft leren kennen in Zijn schuld­verge­vende liefde.

De Heere moge ons bewaren om een vloeker te zijn, om een mis­bruiker te zijn van Zijn heilige Naam. Vloeken is de macht van het woord. Het kan zo ver gaan tegen de Vader, het kan zo ver gaan tegen de Zoon, het kan zo ver gaan tegen de Heilige Geest dat er geen retour meer mogelijk is, dat er geen terug meer mogelijk is, dat er geen genade meer zal zijn tot in der eeu­wig­heid. Daarom zegt de catechismus ook zo terecht dat het de vreselijkste zonde is, de ergste zonde.

Ik wil u wijzen op de andere kant, ik wil u vragen: Bent u geen vloeker, maar bent u misschien een vrager, bent u mis­schien een klager ge­worden? Bent u iemand geworden, die door vrije gena­de, om genade gaat vragen? Genade in gaat roepen over uw leven, aan de Vader, aan de Zoon en aan de Heilige Geest? Dat is de heerlijke zaak die tegengesteld is aan het vloeken waarin we onze dood zoeken, waarin we ons eeuwig verderf zoe­ken. Dat is het zoeken van onze zaligheid, dat is het zoeken van het eeuwige leven bij de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

De Heere moge ons wel heel diep verootmoe­digen en de Heere moge ons bewa­ren voor dat zonde­pad, dat eindigt in de eeuwige verdoemenis. Moge de Heere ons onderwijzen in de macht van het Woord, ook in de macht van het woord des gebeds. Om God de Vader aan te grijpen in het gebed, om God de Zoon aan te grij­pen in het gebed, om God de Heilige Geest aan te grijpen in het gebed, om zó geweld te doen aan het Koninkrijk der hemelen. Zoals die vrouw, die tegenover de onrechtvaar­dige rechter niet ophield om te roepen: "Doe mij recht" (Luk.18:1-8). Als zij 's morgens naar de akker ging dan riep zij: "Doe mij recht", en als zij 's avonds naar huis ging, dan deed zij de deur nog even open en riep: "Doe mij recht", dat was haar leven. Dan staat er zo heerlijk geschre­ven: "Zal God dan geen recht doen Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, hoewel Hij lankmoedig is over hen? Ik zeg u, dat Hij hun haastelijk recht doen zal".­ Geliefde gemeente, ook dat is de macht van het woord! Nee, laat ik het anders mogen zeggen: dat is de macht van de goddelijke genade. Dat wij als gevallen schep­se­len, als vloekers in onszelf, door de genade van de Heilige Geest, in plaats van vloekers, geheiligden mogen wor­den. Gewassen en gereinigd in het bloed van Jezus Christus Gods Zoon, dat reinigt van alle zonden. Dat zet een streep door ons verleden! Om dan ook ver­vuld te worden met de Geest van Jezus Christus. Dat schept een nieuw leven, waar­door we prijzers van God worden, van nu aan tot in der eeu­wig­heid. De Naam van de Vader, de Naam van de Zoon en de Naam van de Heilige Geest leren prijzen in dit leven, in beginsel, om het in de eeuwigheid een­maal vol­maakt te doen.

Dat zal een heerlijke zaak zijn gemeente, de Heere schenke ons daar veel van in Zijn barmhar­tig­heid en genade. Het is huive­ringwekkend om uit te moeten spreken dat er zonden zijn, die niet verge­ven kunnen worden. Maar er is een nog groter wonder dan de onverge­felijke zonde, het is de belijdenis: "Ik geloof de vergeving der zonden".

Dat is het eeuwige wonder waarvan wij het moeten hebben, waar­van wij zullen kunnen leven. Het wonder van de vergeving der zonden, uit vrije genade en door de bewarende hand Gods in onze levens. AMEN.