Zondag 37. Vraag en antwoord 101 - 102

                                         ZONDAG 37

                             Vraag en antwoord 101 en 102

 

        Psalm      66 : 1,4

        Psalm    105 : 24

        Psalm      24 : 2,3

        Psalm    119 : 1

        Psalm      15 : 1,4

        Matt.        23 : 13-39

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechis­muson­derwijs, vindt u in Matthéüs 23 : 15 - 23a

 

Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeën, gij geveinsden, want gij omreist zee en land, om een Jodengenoot te maken, en als hij het geworden is, zo maakt gij hem een kind der helle, twee­maal meer dan gij zijt.

Wee u, gij blinde leidslieden, die zegt: Zo wie gezworen zal hebben bij den tempel, dat is niets; maar zo wie ge­zworen zal hebben bij het goud des tempels, die is schul­dig.

Gij dwazen en blinden, want wat is meerder, het goud, of de tempel, die het goud heiligt?

En zo wie gezworen zal hebben bij het altaar, dat is niets; maar zo wie gezworen zal hebben bij de gave, die daarop is, die is schuldig.

Gij dwazen en blinden, want wat is meerder, de gave, of het altaar, dat de gave heiligt?

Daarom wie zweert bij het altaar, die zweert bij hetzelve, en bij al wat daarop is.

En wie zweert bij den tempel, die zweert bij denzelven, en bij Dien, Die daarin woont.

En wie zweert bij den hemel, die zweert bij den troon Gods, en bij Dien, Die daarop zit.

Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeën, gij geveinsden.

 

Onze catechismus zondag 37, vraag en antwoord 101 en 102

 

101. Vr. Maar mag men ook godzaliglijk bij den Naam Gods een eed zwe­ren?

Antw. Ja, als het de overheid van haar onderda­nen, of an­ders­zins ook de nood vordert, om trouw en waarheid daar­door te bevestigen, en dat tot Gods eer en des naasten heil; want zulk eedzweren is in Gods Woord gegrond, en daarom ook van de heiligen in het Oude en Nieuwe Tes­tament recht gebruikt geweest.

102. Vr. Mag men ook bij de heiligen, of bij enige andere schepselen een eed zweren?

Antw. Neen; want een rechten eed zweren is God aan­roepen, dat Hij, als Die alleen het hart kent, der waarheid getuigenis wil geven, en mij straf­fe, indien ik valselijk zweer; welke eer aan geen schepsel toebehoort.

 

Het is misschien eigenaardig, geliefde gemeente, dat zondag 36 en zondag 37 beiden spreken over het derde gebod. Die eerste zondag spreekt over het vloeken en de volgende zondag spreekt voorname­lijk over het zweren. Er is een bepaald verband tussen zondag 36 en 37. Er is een bepaald verband tussen vloeken en vals of onno­dig zweren. Want de tekst luidt toch immers: "Gij zult den Naam des HEEREN uws Gods niet ijdellijk ge­brui­ken; want de HEERE zal niet onschuldig houden, die Zijn Naam ijdellijk gebruikt".

Ik heb er u de vorige keer op gewe­zen dat vloeken bete­kent dat wij onze macht en onze kracht zoeken in woor­den. Maar vals en onno­dig zweren is, dat wij onze macht en onze kracht zoeken, door er God of heilige dingen bij aan te roe­pen, dat we onze kracht zoeken in een bepaal­de formule.

Nogal eenvoudig, het begint al heel jong in ons leven. Wanneer we onze woorden kracht bij willen zetten, dan horen we op het school­plein al zeg­gen: "Duizend gul­den, als het niet waar is". Nou, dat is nogal wat.

Deze zonde is erg verbreid geweest. Men zegt vaak dat alles erger wordt in deze tijd. Maar ik denk dat we van deze dingen eerlijk moeten zeggen, dat er een tijd geweest is dat de zonde van het onnodig zweren bij allerlei zaken veel meer in zwang was dan tegenwoor­dig. Er is een tijd geweest dat geen bezwering gedaan kon wor­den, zonder kracht bij te zetten.

Vals zweren en vloeken is eigenlijk allebei dat wij de hogere Macht inroepen. Laat ons bij de Schrift blijven. We hebben in ons tekstge­deelte gelezen dat het zweren in Israël aan de orde van de dag was. Nee, niet het zweren bij God, God was zo heilig! We lezen van de Fari­zeën dat zij de Naam Gods niet graag ijdel­lijk gebruikt hebben. Maar zij zwoeren bij de tempel of bij het al­taar. In onze dagen zegt men: "Zo waar als ik hier sta" of "Ik mag dood vallen als dit en als dat..." ik zeg dit om heel praktisch te zijn. Het was zo erg in Jezus dagen dat Hij op een andere plaats gezegd heeft: "Zweert ganselijk niet" (Matt.5:34).

Zo kan het ook de andere kant uit. Toen de Refor­matie in Neder­land gekomen is, in de tijd dat die zonde van het vals zweren, van Gods Naam aan te roe­pen, zo welig tier­de, toen zijn er ande­ren geweest die be­weerden dat je helemaal niet mocht zwe­ren.

Zodoende staat deze vraag in de catechismus: Maar mag men ook godzaliglijk bij den Naam Gods een eed zwe­ren? Dat wij Gods Naam niet ijdel mogen gebruiken kan voor ieder duidelijk zijn. Daarom wordt hier ge­vraagd: Mag men ook godzaliglijk bij den Naam Gods een eed zwe­ren? Mag men ook godzalig de hulp van God inroe­pen? Mag men ook in het geloof, onze zaak met de Naam van God bekrachtigen?

De catechismus is nogal duidelijk in het antwoord: Ja, als het de over­heid van haar on­derdanen, of anders­zins ook de nood vordert. Maar eigenlijk moest het overbodig zijn, dat zegt ook de Schrift. We moes­ten eigenlijk mannen van ons woord en vrouwen van ons woord zijn. "Maar laat zijn uw woord ja, ja; neen, neen; wat boven deze is" het toegeven, is dat liefde? Neen, zegt Christus "dat is uit den boze" (Matt.5:37).

Uw ja zij ja en uw nee zij nee! Juist door ons liegen, of zullen we het net als bij kleine kinderen meer jok­ken noemen wat wij dage­lijks doen, is ons ja geen ja meer en is ons nee geen nee meer. Zodat het wel­eens noodzakelijk kan zijn dat er een eed gezworen moet worden. Dat er geen andere uitweg is, dan God te hulp roepen om achter de waarheid te komen hier op aarde. Daarom zegt onze cate­chismus volmondig ja. Ja, godza­lig zweren dat mag, maar al dat andere niet. Al dat andere wordt om­schreven als vals en onnodig zweren.

In vraag 102 wordt ook gesproken over zweren bij de heiligen of bij enige andere schepselen. Als de over­heid het vordert of als de nood het vordert, ter wille van Gods eer en ter wille van het heil van onze naas­te, dan zullen wij zweren bij God Zelf. Zodat het ook een zonde is, wanneer de eed genegeerd wordt en inge­ruild wordt voor de belofte. Niet vals, niet onno­dig, niet bij de heiligen, maar ook niet ons eigen ere­woord, waarbij wij onszelf verheffen tot een heilige.

De eed kan noodzakelijk zijn en daarom kan en mag men godzalig zweren: niet vals, niet onnodig, niet bij de heiligen, niet bij enig ander schepsel. Alleen als de over­heid of als de nood het vordert, wanneer het is tot de eer van God en tot het heil van de naaste.

Ik weet wel dat de wet in de catechismus in de dank­baarheid staat, maar het is toch opnieuw ontdek­kend, gemeente. Bijzon­der ontdek­kend, zodat ik hoop en maar bid, dat de wet ook dit­maal een tuchtmeester tot Christus zal mogen zijn.

Want wat is er eigenlijk aan de hand, dat de eed noodzakelijk is en dat het kan zijn, dat wij godzalig moeten zweren? Wat is er aan de hand, dat de overheid het soms kan vorderen? Wat is er aan de hand, dat de nood dit soms kan en mag vorderen? Wat is er toch aan de hand, dat de eer van God op het spel kan staan? Wat is er aan de hand dat het heil van mijn naaste op het spel kan staan? Dit: en dat is wel recht ontdekkend, dat het in de staat der recht­heid niet nodig was dat er gezworen werd, want toen was de mens nog waar. Toen was zijn ja nog ja, en zijn nee was nee. In de staat der recht­heid was de eed, het beroep op God en Zijn almacht nog niet nodig, de mens was waar.

Hebt u er weleens op gelet dat dìt juist de zonde geweest is, waar­door de mens onwaar geworden is? Dat is de diepe wortel geworden van het diepe ver­derf van de mens. De mens is onwaar geworden, de mens is leugen geworden en de mens is onge­loof geworden.

We vinden er veel van in het Evangelie naar de be­schrijving van Johannes. Ik wil één tekst citeren, Johan­nes 8 vers 44, daar lezen we héél duide­lijk hoe de onwaarheid, hoe de leugen in deze wereld is geko­men, juist door de val. Dit is immers het huive­ringwek­kende: de duivel, de vader der leugenen heeft de mens afgetrokken van de Vader der waarheid en heeft de mens verleu­gend. Zodat de Schrift zegt: "Gij zijt uit den vader den duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen; die was een mensenmoorder van den beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven; want geen waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zo spreekt hij uit zijn eigen; want hij is een leugenaar, en de vader derzelve leugen" (Joh.8:44).

Daar zit iets onthullends in, iets verbijsterends, wan­neer de duivel de vader der leugenen genoemd wordt. Wat houdt dit dan in? Dat de mens die van God afge­vallen is, een kind van de duivel, een kind van de leugen is geworden. Leugen en ongeloof liggen zo dicht bij elkaar. Verleugend te zijn dat wil zeggen: ongelo­vig. Dat niet alleen de waarheid niet gesproken wordt, maar de leu­gen. Dat de leugen geloofd wordt en de waarheid genegeerd, puur ongeloof!

Bedoel ik dat alleen in het onderlinge menselijke ver­keer? Nee, het ongeloof is God tot een leugenaar te maken, zijn Woord niet te kunnen geloven, God niet te kunnen geloven, het werk van Christus en het bloed van Chris­tus niet te kunnen geloven en het werk van de Heilige Geest niet te kun­nen geloven. Zodat Johan­nes zegt van het ongeloof: "Die God niet gelooft, heeft Hem tot een leuge­naar gemaakt, dewijl hij niet geloofd heeft de getuige­nis, die God ge­tuigd heeft van Zijn Zoon" (1 Joh.5:10). Daarmee staan wij aan de kant van de satan.

Zo is door de val, door het in de waarheid niet staande te blijven, de wereld verleu­gend tot en met. De wereld is een kluwen gewor­den van uitspraken, waar je niets meer van op aan kunt: leugen en onge­loof. Ja, laat ik het zo mogen zeggen, dat het ongeloof en de leugen de over­hand hebben.

Het is toch immers zo dat als er bij de slager of bij de bakker iets verteld wordt, ieder­een gelooft dat het waar is. Het praat­je dat er gaat, daar twijfelt niemand aan, al wordt er een leugen verteld, zo diep zijn we immers gezon­ken. Want we hebben het toch zelf in de winkel van de bak­ker ge­hoord, dus het moet wel waar zijn. Vrese­lijk, dat is de mens! Het is eigenlijk een eeuwig won­der, dat we de praa­tjes geloven en de waarheid geloven we niet.

In de staat der rechtheid was de mens waar. Maar nu is de mens zo vervallen, geliefde gemeente, dat we lezen in de Schrift dat Pilatus zegt: "Wat is waarheid?" (Joh.18:38). In zo'n situatie komen we allemaal wel­eens terecht, dat we moeten zeggen: wat is waar­heid? Dan komen we voor zulke samenknoopsels van ongerech­tig­heid, van leugen en bedrog, dat, al zouden we willen gelo­ven, dat we niet kunnen geloven, ook in het men­se­lijke vlak, wat de waarheid is.

Daarom heeft God in Zijn goedheid en in Zijn wijsheid ons de mogelijkheid gegeven dat wij godza­lig zou­den kunnen zweren. Dus niet ijdel, maar wel godzalig­. We lezen in Exodus: "Wanneer iemand aan zijn naaste een ezel, of os, of klein vee, of enig beest te bewaren geeft, en het sterft, of het wordt verzeerd, of wegge­dreven, dat het niemand ziet; zo zal des HEEREN eed tussen hen beiden zijn" (Ex.22:10-11). Wanneer er dus geen wetti­g bewijs te leveren is, zo zal des HEEREN eed tussen die beiden zijn. In zulke situaties mag de over­heid het vor­deren of kan de nood het vorderen. Dan kan Gods eer in het ge­ding zijn en het heil van onze naaste kan afhan­kelijk zijn van de waarheid.

Als wij zo de voorbeelden in de Schrift zien, dan begrijpen we ook wat er bedoeld wordt met onnodig zweren. Er zijn ook voor­beelden van dat onno­dige zweren. Op een verjaardag sterke verha­len vertel­len en de Naam Gods er nog bij mis­bruiken zoals Heródes. 'De helft van mijn koninkrijk, kind! Je hebt zo mooi ge­danst!'. Het leek zo onschuldig: "Eis van mij wat gij ook wilt, en ik zal het u geven". Dat huiveringwekken­de voorbeeld in de Schrift van Heró­des, die zich aan zijn dochter bij ede verplicht dat zij mag kiezen wat het ge­schenk zal zijn voor haar opvoe­ring: "Het hoofd van Johannes den Doper" (Mark.6:21-28). Daar ziet u voor welke dilem­ma's het ons plaat­sen kan, wanneer er één onbe­dacht woord zelfs, onze lippen ontglipt.

Heródes had het ook van te voren niet kunnen over­zien, dat het zo af zou lopen. Had zijn dochter de helft van zijn kroonjuwelen geëist, dat had Heró­des waar­schijnlijk welgevalliger geweest. Maar nu zien we ook: "Wie God verlaat, heeft smart op smart te vre­zen" (Ps.32:5 ber.). Heródes heeft gezworen en nu staat hij voor het dilemma om zijn eed te breken, of een profeet te doden.

U kunt uit deze geschiede­nis zien, hoe hoog zelfs bij verdorven mensen de eed in ere is, zodat Jo­hannes de Doper gedood werd. Heródes verkoos liever een moor­denaar te zijn van Gods profeet, dan zijn eed te bre­ken. Wanneer wij meineed ple­gen, wanneer we onze eed breken, dan gelden we voor God en voor de mensen als eerloos. Wij staan hier voor een huive­ringwek­kende zonde, om de Naam des Heeren aan te roe­pen en dan ons woord te breken. Om een leu­gen te bezwe­ren met de Naam van God, dat is meineed.

Het is zo vreselijk huiveringwek­kend wat de Schrift ons laat zien over het valse zweren. Meineed, dat is onder ede liegen, Gods Naam aanroepen over onze leugens, om onze leugens te bevestigen. Wat een vrese­lijke zonde en wat zullen de gevolgen ook vrese­lijk zijn.

 

Er is nog een mogelijkheid: men kan overeen komen om zich onder ede te verplichten om te zwij­gen als het graf, over de zonde. Ik ga dat niet prak­tisch uitwer­ken, ik ga hier geen voorbeeld van geven.

Dan kan het gebeuren dat vrome mensen zonder die twee vingers op te steken zoals ge­bruikelijk is en zonder de gebruikelijke formule uit te spreken een besluit nemen, als voor Gods aange­zicht, om hun zonde te verzwijgen. Zulke dingen komen voor in de praktijk. Dan wordt er gezworen om een bepaalde zonde maar in de doof­pot te stoppen. Vrese­lijk zijn de gevol­gen in de prak­tijk, want daarmee wordt de weg ge­blok­keerd tot beke­ring, daarmee wordt de weg geblok­keerd tot belijdenis van onze zonden en vergif­fe­nis te ont­vangen van onze zonden.

Het is vreselijk, wat er op dat gebied zoal te koop is. Het is maar goed, als u daar weinig weet van hebt. Want het is niet best, wat er ten diepste allemaal nog gezworen wordt. Soms door de formule te ont­gaan, soms zonder de Naam Gods te noe­men, maar dacht u dat het minder geldig was voor God? Wat zal de godde­lijke wraak zwaar zijn.

U weet toch immers hoe ze ten tijde van het Oude Testament zworen? Dan sprak men: "Zo doe mij God, en zo doe Hij daartoe" (1 Sam.14:44). Dat wil zeggen: de Heere doe maar, Zijn wraak roep ik in, wanneer ik lieg. Wat zal het vrese­lijk zijn, wat zal de wraak zwaar zijn. Ik geloof dat de wraak ook weleens zichtbaar is in het leven. Denk er om dat God een God is, Die Zich wreekt, Hij is een Wreker over de onge­rech­tigheid en zeker over zulke vreselijke zware zon­den als de valsheid en de meineed.

Ook al zien wij het niet, God zal Zich ook in het ver­borgen kunnen wreken. De catechismus zegt: om de trouw en de waarheid daardoor te bevesti­gen. De zonde die ik bedoel is, dat er weleens gezworen wordt om de waar­heid ten onder te houden, niet om de trouw te dienen, maar om de ontrouw te dienen en de onwaar­achtigheid daardoor te bevestigen.

Maar Gods Woord leert het anders en de catechismus leert het anders: het moet dienen tot heil van onze naaste en tot eer van God.

Opdat onze naaste recht verschaft zal worden. Het zweren zal positief in dienst van God en in dienst van de gerechtigheid moeten staan. Wil het werkelijk een godzalig zweren zijn, dan is het een zegen dat God het gegeven heeft. Want wanneer de waarheid aan­ge­vochten wordt op zo'n vreselijke manier in deze ver­leugende we­reld, wanneer we verstrikt zijn, dan is er een moge­lijkheid dat we God aanroepen als een levende Getuige over ons leven en over onze han­del­wijze. Dat we God aan kunnen roepen als onze per­soonlijke Wre­ker, omdat de Schrift zegt: "Wreekt uzelven niet, beminden, maar geeft den toorn plaats; want er is geschreven: Mij komt de wraak toe; Ik zal het vergel­den, zegt de Heere" (Rom.12:19).

Er is wat te koop in deze verleugende wereld en het is te hopen, dat wij er nog niet voor één pro­cent achter komen wat voor zonde er op dit gebied in het leven te koop is. Salomo zegt: "Die weten­schap vermeerdert, vermeer­dert smart" (Pred.1:18). Dat geldt ook voor deze dingen.

In onze catechismus gaat het om het positieve: Maar mag men ook godzaliglijk bij den Naam Gods een eed zwe­ren? Jazeker, als de overheid het vordert, als de nood het vordert, als het gaat om de eer van God en als het gaat om het heil van mijn naaste.

Dat lijkt mis­schien een groot woord: het heil van mijn naaste, maar er kan inderdaad in deze verleugende wereld zo ontzaglijk veel op het spel staan, dat de eed een zegen is. Er kunnen situaties zijn dat wij de Heere mogen danken, dat Hij Zelf in Zijn Woord een weg geo­pend heeft waardoor wij God, Die zo hoog in de hemel woont, Die zo heilig en recht­vaardig is, dat we die heilige God in mogen roe­pen tot Getui­ge. Dat we ook die heilige God in mogen roe­pen als een Wreker. Dan weten we uit de Schrift dat God gerech­tigheid doet op de aarde en dat God richten zal tussen de man en tussen zijn naaste. Maar dat zal godza­lig moe­ten ge­beu­ren, geliefde ge­meente.

Er zijn drie voorwaarden waaraan de eed moet voldoen, ook in het burgerlijke leven. Het moet gaan om een goede zaak, het moet ook gaan om een rechtvaardige zaak en het moet waarheid tot in het hart zijn.

O, het kan u duidelijk zijn dat de Heere niet zal on­schul­dig houden, wanneer wij die regels met onze voe­ten vertreden: de HEERE zal niet onschuldig hou­den, die Zijn Naam ijdellijk gebruikt.

Wat dacht u dan, wat de Heere zal doen, als we Zijn Naam valselijk gebruiken? O, laten we dan vrezen! Waarschijn­lijk zijn wij be­waard voor de rechterlijke valse eed, voor de mein­eed. Maar wat is het dan ontdekkend, wat wij gezongen hebben:

 

      Wie klimt den berg des HEEREN op?

      Wie zal dien Godgewijden top,

      Voor 't oog van Sions God, betreden?

      De man, die, rein van hart en hand,

      Zich niet aan ijdelheid verpandt,

      En geen bedrog pleegt in zijn eden.

 

Gemeente, laat uw ja, ja zijn en uw nee, nee! Wat heb­ben we al dikwijls ons jawoord uitgesproken bij deze of bij een andere gele­genheid. Wat is er van terecht gekomen? Hoe hebben we zelf bij offici­le gele­gen­heden, misschien bij de Doop, misschien bij het Avond­maal, misschien bij de Belijdenis ons jawoord gegeven?

Mocht het ons maar recht verootmoedi­gen en mocht het ons een tuchtmeester tot Christus zijn, die heilige wet van God, voor het eerst of bij vernieuwing. De man, die, rein van hart en hand. Zo één is er niet, buiten Jezus Christus. Er kan slechts gerech­tig­heid en heilig­heid zijn, die ontleend is aan Jezus Christus, in Wiens ge­rechtig­heid en heiligheid alleen, wij een bestaan heb­ben voor Gods aangezicht.

Wel gemeente, mocht zo die wet van God ons verootmoe­digen en onze tuchtmeester zijn tot Jezus Chris­tus.

Ik wil het ook nog over een ander gezichtspunt heb­ben van de eed. Het zweren van een eed is zo'n be­trouwbaar middel, maar als het gaat over de waar­heid, dan kom ik bij God Zelf te­recht, Die zegt dat Hij ook gezworen heeft. Dan zingen we het in Psalm 89:

 

      'k Heb eens gezworen bij Mijn eigen heiligheid:

      Zo Ik aan David lieg', zo hem Mijn woord misleid'!

      Zijn zaad zal eeuwig zijn; zijn troon zal heerlijk pralen. (Ps.­89:15 ber.).

 

We lezen herhaaldelijk dat God zweert: "Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in den dood des goddelo­zen! Maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve" (Ez.­33:11). In deze ver­leugen­de wereld is slechts één woord waarachtig en dat is Gods Woord: " 't Geen uit Mijn lippen ging, blijft vast en onverbro­ken" (Ps.89:14 ber.).

Wanneer we dan verootmoedigd zijn onder de wet, wan­neer we dan verbrijzeld zijn onder de wet, laat ons dan ook verbrijzeld mogen worden onder het heilig Evangelie, onder het Woord van God dat zeer vast is: "En wij hebben het profe­tische woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de morgenster opga in uw harten" (2 Petr.1:19).

Wat moeten wij acht geven op dat licht, schij­nende in de duisternis van deze wereld, de waarheid in een verleugende wereld.

We mogen wel dagelijks vragen: o God, schenk mij geloof. Want als we het geloof niet hebben, dan vallen we de leugen toe. Dan zullen we de leugen geloven, maar God Zelf zullen we voor een leugenaar houden. Dat is onze diepe, diepe val, ons verkeerde goddeloze be­staan! De leugen kun­nen wij mak­kelijk uit onszelf geloven. Maar om de waarheid, ja God Zelf te gelo­ven, daar heb­ben wij de Heilige Geest voor nodig.

Hoe komt een mens toch zo ellendig, zo verkeerd, zo onbekwaam, zo verleugend en zo onge­lo­vig? Wan­neer de Heilige Geest ons niet geschonken is tot ge­loof, dan komen we tot de droevige kern van de zaak, dat wij vervuld zijn met de boze geest, de leugengeest, waar­door we de leugen geloven en de waarheid ten onder houden. En dit is waarachtige bekering, geliefde ge­meente, dit is waarachtige bekering dat wij van de vader der leugenen verlost worden. Dat wij gereinigd worden, zoals dat huis dat door zeven duive­len be­woond was. Dat wij gereinigd worden door bloed en door hysop en dat wij geheiligd worden door de Geest van de Heere Christus. Dan krijgen we weer iets van de waarheid terug in ons leven, alleen door de schen­king van de Heilige Geest, waar­door we gaan geloven. Krum­macher heeft gezegd: "Het geloof is: God voor een waarachtig Man houden in Zijn spre­ken".

Wat mocht zondag 37 ons aansporen tot het gebed: o God, reinig mij, reinig mij van die boze geest in mij. Zoals dat huis, dat was gereinigd van de zeven duive­len, niet leeg mocht blijven staan, zo is het ook nodig, dat wij gereinigd zijnde door het bloed van Jezus Christus, ook vervuld worden door de Geest van Chris­tus.

Om het in begrij­pelijke taal te zeggen: een leeg huis is spoedig weer gekraakt, u weet hoe dat gaat. Daarom is niet alleen armmakende genade, ledigmakende genade nodig, maar ook de vervullende genade van de Heilige Geest. Opdat we daarin weer de waar­heid deel­achtig worden in Jezus Christus, Die niet alleen de Weg is, maar ook de Waarheid en het Leven. De zalige zaak in Jezus Christus uitgekristalli­seerd als een geloofswel­daad, door de Heilige Geest, door waar­achtige bekering in al zijn vernieu­wende werking te mogen ervaren.

Het is in dit leven niet weggelegd, maar in de eeuwig­heid zal de leugen uitgebannen zijn, zal alleen de waarheid er nog zijn. Dan zal leugen bij leugen opge­zameld zijn, dan zal waarheid bij waarheid samen­ge­bracht zijn, door Jezus Christus, voor God de Vader in de Heilige Geest. Dat zal beke­ring zijn, dat wij verlost zullen zijn van onze val, van onze leugen­ach­tigheid, van onze verleu­gendheid en van ons onge­loof. Wanneer we ver­vuld zullen zijn met de waarheid en met het allerhei­ligst geloof tot in der eeuwen eeu­wig­heid.

Daar zal de val opgelost zijn, daar zal de eeuwigheid opnieuw beginnen, daar zal God zijn alles en in allen. Dat is het eeuwige wonder gemeente! In de zonde is de duivel alles en in allen. Door de zalige kruis­verdienste van Jezus Christus, worden wij daarvan verlost door de Heilige Geest, voor Gods aangezicht.

In de staat der rechtheid was de eedzwering niet nodig, in de zalige staat van de wederoprichting aller dingen zal het ook niet meer nodig zijn. Daar zal alles eer­lijk zijn, daar zal God regeren, daar zal de waar­heid rege­ren tot in der eeuwigheid. Daar zal alle on­eer­lijk­heid, alle leugen­achtigheid uitgeban­nen zijn. Dan zal het één geen gemeenschap meer hebben met het ander, maar de leugen zal met de leugen verga­derd zijn en de waarheid zal met de waarheid ver­gaderd zijn, tot in der eeuwen eeuwigheid.

Wat zal het vreselijk zijn, geliefde gemeente, om verlo­ren te gaan. Dan is de hel niet alleen een poel van vuur en van sulfer, maar een eeuwige poel van leugen vol leugenaars. Maar daar tegenover als gezaligde zondaar in een eeuwigheid vervuld van waar­heid te­recht te komen. Wat zal het verschrikkelijk zijn voor de godde­loosheid, maar wat zal dat heerlijk zijn voor het geloof. Om eenmaal, niet alleen een beetje er van te hebben door de beke­rende gena­de van de Heilige Geest, maar om vervuld te mogen zijn van de waarheid Gods, tot in der eeu­wen eeuwigheid.

Wat zal dat zalig zijn! AMEN.