Zondag 38. Vraag en antwoord 103

                                         ZONDAG 38

                                   Vraag en antwoord 103

 

        Psalm    118 : 1

        Psalm    118 : 2

        Psalm      26 : 1,8,7

        Psalm      84 : 1

        Psalm      89 : 7

        Jesaja      58 

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechis­muson­derwijs, vindt u in Jesaja 58 : 13 - 14

 

Indien gij uw voet van den sabbat afkeert, van te doen uw lust op Mijn heiligen dag; en indien gij den sabbat noemt een verlustiging, opdat de HEERE geheiligd worde, Die te eren is; en indien gij dien eert, dat gij uw wegen niet doet, en uw eigen lust niet vindt, noch een woord daarvan spreekt;

Dan zult gij u verlustigen in den HEERE, en Ik zal u doen rijden op de hoogten der aarde, en Ik zal u spijzigen met de erve van uw vader Jakob; want de mond des HEEREN heeft het ge­sproken.

 

Onze catechismus zondag 38, vraag en antwoord 103

 

103. Vr. Wat gebiedt God in het vierde gebod?

Antw. Eerstelijk dat de kerkedienst, of het pre­dik­ambt, en de scholen onderhouden worden, en dat ik, inzonderheid op den sabbat, dat is op den rustdag, tot de gemeente Gods naar­stig­lijk kome, om Gods Woord te horen, de Sacramen­ten te ge­brui­ken, God den Heere openlijk aan te roe­pen, en den armen Chris­telij­ke handreiking te doen; ten andere dat ik al de dagen mijns le­vens van mijn boze werken ruste, den Heere door Zijn Geest in mij werken late, en alzo den eeuwigen sabbat in dit leven aanvange.

 

Het is heel merkwaardig, geliefde gemeente, dat de wet zoals wij die kennen, de tien geboden zoals deze twee keer voorkomen in de heilige Schrift, enig verschil kennen aangaande het sabbatsgebod.

U weet dat wij de wet meestal uit Exodus 20 lezen, daar luidt dat gebod: "Ge­denkt den sabbatdag, dat gij dien heiligt. Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; Maar de zevende dag is de sabbat des HEE­REN uws Gods; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienst­maagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uw poorten is; Want in zes dagen heeft de HEERE den hemel en de aarde ge­maakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage; daarom zegende de HEERE den sab­batdag, en heiligde denzelven" (Ex.20:9-11).

Wanneer we ditzelfde gebod lezen in Deuteronomium 5, dan is daarin geen tegenspraak in Gods Woord, maar dan verklaart het ons iets van de rijkdom van dit gebod.

Wanneer de HEERE zegt: "Onderhoudt den sabbat­dag, dat gij dien hei­ligt; gelijk als de HEERE, uw God, u gebo­den heeft. Zes dagen zult gij arbeiden, en al uw werk doen; Maar de zevende dag is de sabbat des HEEREN, uws Gods; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienst­maagd, noch uw os, noch uw ezel, noch enig van uw vee, noch de vreemde­ling, die in uw poor­ten is; opdat uw dienst­knecht, en uw dienstmaagd ruste, gelijk als gij. Want gij zult ge­denken, dat gij een dienstknecht in Egypteland geweest zijt, en dat de HEERE, uw God, u van daar heeft uitgeleid door een sterke hand en een uitgestrekten arm; daarom heeft u de HEERE, uw God, geboden, dat gij den sabbatdag houden zult" (Deut.5:12-15).

Vindt u ook niet, dat het net is alsof in Deuteronomium 5 bij het sabbatsge­bod al iets naar voren komt van de dankbaarheid, waarin toch immers de behande­ling van de tien gebo­den in de catechismus staat?

Tien geboden! O, wat wordt er toch makkelijk gezegd tegen een christen: "Jullie mogen eigenlijk ook niks!" Tien geboden! Wat een loutere goedheid, wat een lief­dekoorden zijn die tien geboden om de mens van zijn ver­keerdheid af te houden, om de mens iets goeds mee te geven. Het sabbatsgebod geeft bovenal iets goeds: rust, zelfs voor de beesten, zoals de os en de ezel.

Wat een heerlijk voorrecht eigenlijk, want het ganse schepsel zucht en is in barensnood. Zo heeft God rust gegeven, rust door het sabbatsgebod voor het ganse schepsel, zelfs de dieren vallen daar onder.

Rust, sabbat! De geboden van God zijn zo goed ge­meente, er zit zo'n geweldige liefde in. Wie tegen de geboden ingaat, die gaat tegen zichzelf in, die gaat ook tegen het welzijn van zijn mens-zijn in.

Als we naar het sabbatsgebod kijken, stelt u zich dan eens voor, dat er stond: zeven dagen zult gij arbeiden en gij zult zo veel doen, als gij maar kunt. Neen, zes dagen zult gij arbeiden heeft de Heere gezegd en op de zevende dag moet er gerust worden.

De sabbat is één van de mooiste geschen­ken die God aan de mens gegeven heeft. En één van de meest godde­loze dingen is het, wan­neer we van die rustdag, ik zal het heel plat zeggen, een baaldag of een jaagdag maken. De sabbat­dagen zouden rustdagen moeten zijn. Maar van de sport­velden worden slag­velden gemaakt, juist op de rustdag. Juist op de sabbat vragen de ver­keers­we­gen hun slachtof­fers en brengen onrust in plaats van rust.

Eén van de meest ernstige kwalen van de mens van onze tijd is, dat wij het rusten verleerd hebben, dat wij het sabbatten verleerd hebben. Het is een ver­schijnsel van deze tijd, dat de kerken op zondag leeg­lopen en dat doordeweeks de wachtkamers en klinie­ken van doktoren en psychiaters volstromen.

Een bekwaam specialist op dat gebied heeft gezegd: "De meeste kwalen zouden weer genezen zijn, wanneer de mens zich aan Gods gebod zou houden, met name aan het sab­batsge­bod". Dat heerlijke gebod van God, dat er rust mag zijn in dit leven.

De sabbat is nog afkom­stig uit het paradijs. God heeft het reeds in het paradijs ingesteld: zes dagen arbeid en één dag rust. Er was in het paradijs als zodanig, nog geen noodzaak voor de licha­melijke rust en voor de geeste­lijke rust. In het para­dijs kon de mens zo getrouw zijn werk doen als de engelen in de hemel. Want een engel in de hemel werkt zich niet ziek en wordt niet overspan­nen, met eerbied gesproken. Dus in die zin had de mens voordat hij ge­vallen was, de rustdag niet nodig.

Maar wanneer we naar de gegevens van Deutero­nomium 5 en Exodus 20 kijken, dan zien we dat er een zinvol verschil in is. Daarin verklaart de Heere iets, waaruit wij kunnen weten dat als zodanig de sabbat vóór de val niet noodzakelijk was voor lichaams­rust en voor gees­tesrust. Maar toen had de sabbat deze inhoud: volkomen eer aan de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.

Dat er vóór de val reeds een sabbat was, dat tekent ons God in Zijn welbehagen. God had een welbeha­gen in Zijn schepsel "En God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed" (Gen.1:31). Maar ook an­dersom: een schepsel mag zijn God zien, juist op die dag en ook hij mag een welbehagen hebben in zijn God. "En ziet, het is zeer goed".

Nee, we gaan niet fantaseren wat die sabbat geweest is voor de val, het was een paradijsbloem. Maar toen de mens gevallen is, heeft God nochtans die rust gela­ten voor de mens. Wat een voorrecht is dat geweest, dat die rust toch nog overbleef.

Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen: maar de zevende dag is de sabbat des HEEREN uws Gods; dan zult gij geen werk doen. Door onze godde­loosheid zal er veel uitgeroeid worden en zal er veel devalue­ren, want de mens is niet zo ge­trouw in de geboden Gods. Aan het feit dat wij dat sab­batsgebod gehou­den hebben, merk je hoe getrouw God is. Dat wij bij alles wat wij aange­tast heb­ben van Gods gebo­den, bij alles wat wij afgeschaft hebben van Gods wijs­heden, tòch die geze­gende dag nog mogen heb­ben.

Och, als het ooit nodig geweest is om een rustdag te hebben, om de sabbatdag te houden, dan toch wel voor de gevallen mens.

Was het al zo heerlijk vóór de val, hoe noodzakelijk is het gewor­den na de val, voor het lichaam en voor de geest. Toen is het immers zo geworden, dat de aarde doornen en distelen voort zou brengen en dat de mens in het zweet zijns aanschijns zijn brood zou eten. God heeft ons de sabbat gelaten in Zijn gron­deloze ont­fer­ming over mens en zelfs over beest.

Wat is de sabbat een heerlijke zaak! Je zou het eigen­lijk eens om moeten keren voor die men­sen, die be­denkin­gen heb­ben tegen de sab­batdag, die zeggen: Je mag ook niks! Het is mis­schien eigenaar­dig, maar stelt u zich eens voor dat er stond: ook op die zevende dag zult gij. Wat zou dat vreselijk zijn, ook op die zeven­de dag in het zweet des aanschijns brood te eten. God heeft er Zèlf voor ge­zorgd, dat de mens in zes dagen genoeg kan ver­dienen om zeven dagen te eten. God heeft Israël in de tien gebo­den Zijn wet gegeven en wij weten hoe wettisch het er aan toe ge­gaan is in Israël. Israël heeft het niet be­grepen en daarom wordt in Jesaja 58 dat volk gecorri­geerd.

In de eerste drie geboden heeft God ons geleerd hoe Wij Hem innerlijk zullen dienen, nu wil God ons in het vierde gebod leren, hoe we Hem uiterlijk zullen dienen.

Wat heeft Israël daar weinig van begrepen. We lezen op meer plaatsen wat we hier in Jesaja 58 gelezen hebben, dat die kostelijke sabbatdag een dag geworden is waarin ze de goedheid van God niet meer zagen om hen tot rust te brengen. Maar de inhoud van zowel het sab­bats­gebod als de andere geboden hebben zij ge­maakt tot een religieus: gij zult! Gij zult dit en gij zult dat. De Heere Jezus heeft er van gezegd: "Zij binden lasten, die zwaar zijn en kwalijk om te dragen, en leggen ze op de schouderen der mensen; maar zij willen die met hun vinger niet verroeren" (Matt.23:4). De rustdag draagt niet het karakter van het werkver­bond, maar de rustdag staat ten volle in het perspec­tief van het genadeverbond, zeker de nieuw­testa­mentische rustdag.

Het is niet zo dat koud eten op zondag godzali­ger is dan warm eten. Dat op de sabbat een vuil huis te bewonen, godzaliger zou zijn dan een schoon huis. Wel is de rust geboden! Laten we maar niet te veel spre­ken over bepaalde uitwas­sen, die eigenlijk onder het oordeel vallen van wat de cate­chismus zegt: die op menselijk goeddun­ken gegrond zijn.

We hebben aan Jezus Zelf gezien wat de eigenlijke inhoud is van de sabbat. We lezen het ook in Jesaja: wèl te doen aan onze naaste en God te heiligen op die dag. Niet onze eigen lusten en onze eigen zin te doen. Niet onze goddeloze lusten en onze goddelo­ze eigen zin, maar ook niet onze wettische eigen zin en onze wetti­sche lusten, waarin we ten diepste onszelf bevredi­gen en niet God.

O, het was een raadsel voor de Farizeërs hoe Hij dàt kon zeggen en hoe die twaalf discipelen dàt nu toch doen konden, op de sabbatdag aren te plukken en die te wrijven met hun handen. Dat was toch im­mers mole­naars­werk! (Matt.12:1-8).

En toen die zieke man in Bethesda door Jezus genezen werd op de sab­bat, vreselijk! Het eerste, dat Jezus een mens ge­zond maakte op de sabbat, dat was erg. Maar het tweede was nog veel en veel erger. "Jezus zeide tot hem: Sta op, neem uw beddeken op, en wan­del" (Joh.5:8). Dat doe je toch niet op de sab­batdag, dan zou je toch zeggen: zet dat bed maar zolang in de consis­torie en kom het maandag maar ophalen. Nee, Jezus zegt: "Neem uw beddeken op, en wandel". Dat teken­de het karak­ter van de sabbat, toen die man door de straten van Jeruzalem de Naam van Jezus moest ver­kondi­gen: 'Eerst was ik lam, maar nu draag ik mijn bed, want ik kan weer lo­pen'.

Sabbat, rust! Dat is geen luiheid, maar dat is vrijheid in gebonden­heid. Jezus Zèlf geeft de toon aan, want wij zien Hem op de sabbat in de synagoge, lerende.

In het Nieuwe Testament is er een verplaatsing geko­men, ook letterlijk van deze dag. De Joodse sabbatdag en onze rustdag, dat is niet hetzelf­de als de sabbatdag uit het Oude Testament. Onze rustdag is niet de laatste dag van de week, maar de eerste. Dat heeft ook zijn reden. Ik zou willen zeggen, ook daarin heeft Jezus de toon aangegeven dat de eerste dag der week rust­dag zal zijn. Daar zit een diepe gedachte in: onder het Oude Testament éérst werken en dan rusten, maar onder het genade­ver­bond is het éérst rusten en daar­na een weinig werken.

O, het is Jezus Zèlf geweest, Die de eerste dag der week ingesteld heeft. U weet hoe dat gekomen is, die rustdag op de eerste dag der week. Het is de dag waarop Jezus uit de doden is opgewekt, dat was im­mers een nieuw begin. Dat is ook terstond begrepen door de discipel­kring, het is de dag gewor­den waarop de disci­pelen verga­derden. Nu zegt dat op zichzelf ook nog niets, maar het is ook de dag geweest waarop Jezus Zijn zegen schonk over de sa­menkomst van de aposte­len.

Het is de dag geweest dat Jezus opgewekt is, dat zeg ik dub­belzin­nig: opgewekt! Dat woordje kun je op twee manieren opvatten: opgewekt uit de doden. Je kunt ook zeggen: opgewekt, in de zin van vreugde. Jezus was opgewekt. Dan is het tekenend dat de opgewekte Jezus de vrouwen opgewekt toeroept: "Weest gegroet" (Matt.­28:9), dat is: ver­heugt u! Dat is eigenlijk de dubbel­zinnige inhoud van onze eerste dag der week, in een heilige zin. Jezus is opge­wekt en wij zijn mèt Hem opgewekt. De nieuwtesta­men­tische Kerk die in Jezus begrepen is, is door het geloof, door weder­ge­boorte, opgewekt met Hem.

Wat is het kenmerk van die dag? O, voor de Farizeërs was het een dag, dat zij het hoofd lieten hangen gelijk een bieze. Ik ga dat niet herhalen, wij hebben het in Gods Woord gelezen. Bij Jezus klonk het op de eerste dag der week: "Vrede zij ulieden!". En als dan de Opge­wekte opgewekt binnen­komt in de vergade­ring, wordt de vergadering ook opge­wekt, in de ware, heili­ge zin van het Woord. Waar Jezus als het Leven ver­schijnt op die dag, daar is im­mers leven, daar is vreug­de, heilige vrolijkheid ook in Zijn huis.

Wat een heerlijke zaak: "De discipelen dan werden ver­blijd, als zij den Heere zagen" (Joh.20:20). Dat is de dag, waarop Jezus Christus het geloof werkt. Dat is ook de dag geweest, waar­op Hij gezegd heeft: "Breng uw vinger hier, en zie Mijn handen, en breng uw hand, en steek ze in Mijn zijde; en zijt niet ongelovig, maar gelo­vig" (Joh.20:27).

Zo wordt er ook al iets getekend van de eigenlijke diepe zin van de rustdag, zoals wij die kennen. Dat het in dienst zal staan van God Zelf, van de Opgewek­te, van Jezus Christus, Die het Leven is en Die het leven geeft.

 

Dan is het ook niet meer zo moeilijk, geliefde gemeente, om over te stappen naar de catechismus, waar vrij gezegd gevraagd wordt: wat houdt de sabbat­dag in? Er wordt geen enkel ver­bod genoemd: ge moogt dit niet en gij moogt dat niet en gij zult dit niet en gij zult dat niet. Er wordt helemaal niet gesproken wat we niet zullen doen op de sabbatdag, maar de ware dienst van God wordt centraal gesteld.

Eerstelijk dat de kerkedienst, of het predikambt, en de scholen onderhouden worden, en dat ik, inzonderheid op den sabbat, dat is op den rustdag, tot de gemeente Gods naarstiglijk kome, om Gods Woord te horen, de Sacra­menten te gebruiken, God den Heere openlijk aan te roepen, en den armen Christelijke handreiking te doen; en Gods Geest in mijn hart late werken.

Geen verbo­den, welnee gemeente, de rijkdom van de sabbat, van de rustdag wordt ten toon gesteld, wat God wil doen op die dag. Heeft de Heere Zelf niet de plaats genoemd waar wij naar­stig naar toe zullen gaan op de sabbat? "Ik zal hen verheugen in Mijn bede­huis" (Jes.56:7). Dat is een plaats waar belof­ten liggen, waar heer­lij­ke beloften liggen.

Dan zegt de catechismus: inzonderheid op den sabbat. Heel kort na de Re­for­matie heeft men weleens gepro­beerd om iedere dag kerk te houden. Ja, het is na­tuurlijk prachtig om iedere dag kerk te houden, maar toch is dat de bedoe­ling ook niet en het is dui­delijk op een dood spoor terecht gekomen.

De eerste drie geboden tekenen de ware godsdienst in het hart en in de binnenkamer in ons per­soon­lijk leven, het vierde gebod geeft richting aan het openba­re godsdienstige leven. Dat er een dag zal zijn, in het bijzonder de rustdag, dat ik naarstig­lijk naar Gods huis zal gaan: voor het Woord, de Sacra­men­ten en om de armen hand­reiking te doen. Om Gods Geest in mij te laten werken en al mijn eigen boze werken een poosje te laten rusten.

Naarstiglijk! O, ik zou al die dingen natuurlijk apart kunnen noe­men, maar laten we de kern nemen wat hier genoemd wordt: Gods Geest in mij late werken. Dan wordt de rustdag waarlijk rustdag.

Wanneer zo'n rustdag door de Heilige Geest een leven­de Godsont­moeting wordt door Zijn Woord en door de Sa­cramenten, dan wordt ook wezenlijk mijn hart aange­raakt om de armen christelijke hand­reiking te doen. We komen dat ook tegen in Jesaja 58, dat we ons over de armen zouden ontfer­men. Daar hoort ook bij dat we de kerk­dien­st, de predi­kant en de scholen onder­houden. Daar zit ook een materiële kant aan. Een kerk moet niet alleen gebouwd wor­den, maar ook onder­houden. Niet alleen het ambt moet er zijn, maar het ambt moet ook on­derhou­den worden. Er moet gear­beid worden in de leer, opdat Gods Geest in mij werke.

 

Ten andere dat ik al de dagen mijns levens van mijn boze werken ruste, den Heere door Zijn Geest in mij werken late, en alzo den eeuwigen sabbat in dit leven aanvange. Ja, dat is het gemeente, een stukje hemelle­ven. Wanneer we de smaak te pakken hebben van de godsdienst, wanneer het waarlijk Gods' dienst is, wat heeft het dan een rijke inhoud wat we hebben gezon­gen:

 

      Wat blijd­schap smaakt mijn ziel,

      Wan­neer ik voor U kniel

      In 't huis, dat Gij U hebt ge­sticht!

      Hoe lief heb ik Uw woning,

      De tent, o Hemel­ko­ning,

      Die G', U ter eer, hebt opge­richt!

 

Dat is een waarachtig stukje Gods' dienst:

 

      Daar wordt Uw lof verbreid,

      O Oppermajesteit,

      Door mij, die U be­min en acht;

      Daar zal mijn stem U prijzen.

      Voor al de gunst­bewijzen,

      Voor al de wond'ren Uwer ­macht.

 

U hebt toch zeker wel uw persoonlijke godsdienst, gemeen­te? Uw persoonlijke gebeden en uw persoonlijke bijbellezingen? U hebt toch ook wel uw persoonlij­ke lofprijzingen? Of bent u het zingen soms verleerd? Dat kan, als we het sabbat houden verleren, dan verleren we het zingen ook. Als we het zingen verleren, dan verle­ren we ook het sabbat houden, want dat hoort bij el­kaar.

Weet u wat zo geweldig is? Dat de Heere Jezus zegt dat er een overeenstemming is in het ver­borgen leven van een christen en in het openbare leven van een christen. De Heere Jezus heeft gezegd: "En uw Vader, Die in het verbor­gen ziet, zal het u in het open­baar vergel­den" (Matt.6:6).

Hoe is het gemeente, hoe is het? Het gaat om die heer­lijke zaak dat we de Heere inwendig mogen dienen, in het verborgene van onze binnenkamer, maar dat er ook het gezamenlijke is in het God vrezen, in het God die­nen. Het is heerlijk om eens een keer uit heel je hart, in je eentje een psalm te zingen. Maar wat is het heerlijk, om het met de gehele gemeente eens een keer te doen.

Wat is het heerlijk te weten, dat we in het gebed mogen gaan in ons allerpersoon­lijkste leven, met onze allerpersoonlijkste nood. Maar wat is het iets heer­lijks, dat hangt niet af van de bekwaamheid, wat is het toch iets heerlijks om in het gebed verenigd te mogen zijn voor Gods aange­zicht. Dàt wordt de rustdag ge­noemd, dat wordt sabbat ge­noemd. Dat is eigenlijk een voor­smaak van de rust, die overblijft voor het volk van God. Dat is een voor­smaak van de sabbat, die aankomt voor het volk van God. "Er blijft dan een rust over voor het volk Gods" (Hebr.4:9).

O gemeente, wanneer u God niet vreest, wanneer u God nog niet vreest, wanneer u nog niet van ganser harte bekeerd bent, ook tot het vierde gebod, tot de dienst van God, dan moet ik u waarschu­wen. Weet u eigen­lijk wel wat de eeuwigheid is, wat de verloren­heid is? Dat lezen we in Openbaring 14 : 11: "En de rook van hun pijniging gaat op in alle eeuwig­heid".

Maar dan wordt er nog iets gezegd van die eeuwigheid, o zon­daar: "en zij hebben geen rust dag en nacht", dat zal de eeuwigheid zijn buiten God. Buiten God zal er geen rust zijn, dag noch nacht. O, wanneer dàt alleen de hel zou zijn, zon­der vuur en zonder sulfer, wat zal dat al vreselijk zijn: geen rust dag en nacht, tot in der eeuwig­heid. Dat zal de eeuwig­heid zijn voor sabbats­schen­ders, voor zonda­ren.

Maar daar staat tegen­over wat de eeuwigheid zal zijn voor degenen die God vrezen. Dan lezen we die uit­druk­king nog een keer, dat vinden we in Openbaring 4 : 8, daar wordt het he­melwerk, de zaligheid getekend in de vier dieren rondom de troon. Dat is de ganse hemel­se geschapen­heid rondom de troon, "en zij heb­ben geen rust dag en nacht, zeggende: Heilig, heilig, heilig is de Heere God, de Almachtige, Die was, en Die is, en Die komen zal".

De sabbat is een profetie, het is een vooruitbeta­ling van wat de eeuwigheid zal zijn voor allen die God vrezen, allen die lust hebben in Zijn dienst. In dit leven is er een voorsmaak, geliefde gemeente. "Wat blijdschap smaakt mijn ziel, wanneer ik voor U kniel". Voor dezulken zal de eeuwigheid dìt zijn, dat God zal zeg­gen: "Uw wil geschiede".

Kennen wij daar iets van in de praktijk van ons le­ven? Dat we kunnen zeggen, dat de dienst van God een liefdedienst is? Het is ook niet altijd even sterk: "Hoe branden mijn genegenheên, om 's HEEREN voorhof in te treên".

Maar wat een zalige zaak toch, wanneer uw hart ver­pand is aan de dienst van God. Zoals we dat ook zo schoon gezongen hebben in psalm 118: "Laat Isrel nu Gods goedheid loven, laat Arons huis Gods goed­heid loven, laat die God vrezen, Hem nu loven".

Rust, dat zal geen eeuwige luiheid zijn, maar dat zal eeuwi­ge vrede zijn en eeuwige lofprijzing.

Wanneer zal dat ingaan? Toen Jezus werd opgewekt, toen was Hij opgewekt. Wanneer de Kerk opgewekt zal zijn, dan zal de Kerk opgewekt zijn, dan zal het eeu­wig sabbat zijn.

Daar kunnen we toch weleens van getuigen, dat God ge­trouw is, wanneer we het mogen ervaren. Ik zal hen verblijden, Ik zal hen op­wekken, "Ik zal hen verheu­gen in Mijn bedehuis". O, wat zal de eeu­wigheid zelf dan wel zijn, geliefden. Ik zou zeggen, het is haast een versle­ten uit­drukking: het zijn maar uurtjes van korte duurtjes, maar dan zal het eeuwige rust zijn, eeuwige vrede en eeuwige blijdschap in onze ziel, wanneer wij voor eeuwig zullen knielen in het huis dat God Zich heeft gesticht.

Wat een heerlijk perspectief wordt ons hier gete­kend in de sabbat. Dan mogen we met recht wel zeg­gen: de pelgrim die hier op aarde zo moe, zo moe, zo moe, zo moe, zo moe, zo moe kan zijn. Tot zes keer moe, die pelgrim mag de zevende keer uitrusten om weer verder te gaan naar de eeuwige rust, naar het eeuwige thuis. Dan mogen we wel zingen:

 

      Die hoop moet al ons leed verzachten;

      Komt, reisge­noten, 't hoofd omhoog.

      Voor hen, die 't heil des Heeren wachten,

      Zijn bergen vlak en zeeën droog.

 

Dan gaat het hier nog weleens door de woestijn. Dan is de rustdag de eerste dag van de week. Dan krijgen we zo weleens de kracht om door de doordeweekse dagen heen te komen, de woestijn weer verder door te gaan, in de hope van de eeuwige rust.

Wat een heerlijke belofte zit er eigenlijk in, wat die eeuwige rust zal zijn. Als u iets van het geestelijke leven kent, dan weet u hoe goed het is en hoe zoet het is om een kleinigheidje van Gods goed­heid voor een ogenblik in ons hart te gevoelen. Wat zal dan de eeuwig­heid zijn, wanneer het zonder ophouden zal zijn, wanneer het eeuwig­durend zal zijn. Wanneer het niet een béétje zal zijn, maar wanneer het zal zijn: God alles en in allen.

De mens uit de hof verdreven, mocht de rust be­houden om in het zweet des aanschijns brood te eten. Daar zal de ver­moeide pelgrim de ware rust in­gaan, de eeuwige rust die er over­blijft voor het volk van God. Daar zal het zweet van het aangezicht afge­wist worden en: "God zal alle tranen van hun ogen afwissen" (Op.7:17). Daar zal de vermoeidheid van dit leven voorbij zijn. Of heeft u dit leven nog nooit leren ervaren als één grote ver­moeie­nis?

Ik ga nog een beetje verder, daar zal dit de voor­naamste rust zijn, dat de Kerk daar rust zal hebben van de zonde in het hart. Dat is wat hier met het rusten van de boze werken bedoeld wordt in de cate­chismus. Daar zal de Kerk verlost zijn van haar vermoeiende eigen 'ik' wanneer God zal zijn alles en in allen.

Dat is de Kerk die opgewekt is, om eeuwig opgewekt te zijn. Daar zal de eeuwige rust geen eeuwige lui­heid zijn, maar het zal eeuwig zijn: "Ere zij de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, als in den beginne, nu en immer en tot in der eeuwen eeuwigheid". AMEN.