ZONDAG 40
Vraag en antwoord 105, 106 en 107
Psalm 117
Psalm 102 : 15
Psalm 3 : 2,4
Psalm 38 : 12,21
Psalm 119 : 60
1 Johannes 3
Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechismusonderwijs, vindt u in het voorgelezen Schriftgedeelte 1 Johannes 3 : 10 - 15
Hierin zijn de kinderen Gods en de kinderen des duivels openbaar. Een iegelijk, die de rechtvaardigheid niet doet, die is niet uit God, en die zijn broeder niet liefheeft.
Want dit is de verkondiging, die gij van den beginne gehoord hebt, dat wij elkander zouden liefhebben.
Niet gelijk Kaïn, die uit den boze was, en zijn broeder doodsloeg; en om wat oorzaak sloeg hij hem dood? Omdat zijn werken boos waren, en van zijn broeder rechtvaardig.
Verwondert u niet, mijn broeders, zo u de wereld haat.
Wij weten, dat wij overgegaan zijn uit den dood in het leven, dewijl wij de broeders liefhebben; die zijn broeder niet liefheeft, blijft in den dood.
Een iegelijk, die zijn broeder haat, is een doodslager; en gij weet, dat geen doodslager het eeuwige leven heeft in zich blijvende.
Onze catechismus zondag 40, vraag en antwoord 105, 106 en 107
105. Vr. Wat eist God in het zesde gebod?
Antw. Dat ik mijn naaste noch met gedachten, noch met woorden of enig gebaar, veel minder met de daad, door mijzelven of door anderen ontere, hate, kwetse of dode; maar dat ik alle wraakgierigheid aflegge; ook mijzelven niet kwetse of moedwilliglijk in enig gevaar begeve; waarom ook de overheid het zwaard draagt om den doodslag te weren.
106. Vr. Maar dit gebod schijnt alleen van het doodslaan te spreken?
Antw. God, verbiedende den doodslag, leert ons dat Hij den wortel des doodslags, als nijd, haat, toorn en wraakgierigheid, haat en zulks alles voor een doodslag houdt.
107. Vr. Maar is het genoeg, dat wij onzen naaste, zoals tevoren gezegd is, niet doden?
Antw. Neen; want God, verbiedende den nijd, haat en toorn, gebiedt dat wij onzen naaste liefhebben als onszelven, en jegens hem geduld, vrede, zachtmoedigheid, barmhartigheid en alle vriendelijkheid bewijzen, zijn schade, zoveel als ons mogelijk is, afkeren, en ook onzen vijanden goed doen.
Het gaat dus ditmaal over het zesde gebod, geliefde gemeente. Het is een heel kort gebod: Gij zult niet doodslaan. Misschien vindt u het wel een beetje een alledaags, niet zo verheven onderwerp: Gij zult niet doodslaan. We kunnen het ook iets anders zeggen: het gaat ditmaal over leven en laten leven.
Gij zult niet doodslaan. Daarmee worden we meteen geconfronteerd met de sterfelijkheid van de mens. De mens is te doden, omdat de mens het eeuwige leven niet heeft. "Want de bezoldiging der zonde is de dood" (Rom.6:23). Nu zijn er veel mogelijkheden van sterven. We kunnen verzwakt en uitgeleefd sterven. Het is ook mogelijk, en het is triest dat het zo vaak voorkomt, dat ons leven gekwetst wordt. Ik denk aan verkeersongelukken waarbij zonder opzet een mens gedood wordt in de kracht van zijn leven.
Gij zult niet doden. Het is ook een mogelijkheid dat de één de ander doodt. Het is eigenlijk heel tragisch, het begint in de Bijbel al met Adam en Eva. Dat echtpaar heeft twee zonen: Kaïn en Abel. "En Kaïn sprak met zijn broeder Habel; en het geschiedde, als zij in het veld waren, dat Kaïn tegen zijn broeder Habel opstond, en sloeg hem dood" (Gen.4:8).
We zijn het ook in 1 Johannes 3 tegengekomen: "En om wat oorzaak sloeg hij hem dood? Omdat zijn werken boos waren, en van zijn broeder rechtvaardig".
Gij zult niet doodslaan. Wanneer de catechismus dit zesde gebod gaat behandelen, dan gebeurt dat meteen op strenge toon: Wat eist God in het zesde gebod? Dat onderstreept de ernst van de overtreding van het zesde gebod.
Wat eist God in het zesde gebod? Dan komen we drie zaken tegen in drie vragen en in drie antwoorden. Het wezen van de doodslag wordt behandeld in vraag en antwoord 105. De wortel van de doodslag, daarover spreekt de catechismus letterlijk in vraag en antwoord 106. Over de bewaring tegen doodslag spreekt vraag en antwoord 107.
Het zesde gebod: Gij zult niet doodslaan.
Ten eerste: Het wezen van de doodslag.
Ten tweede: De wortel van de doodslag.
Ten derde : De bewaring tegen doodslag.
Deze zonde is zo ernstig omdat doodslag, moord zeggen we in het dagelijks spraakgebruik, niet alleen een vergrijp is tegenover onze naaste, of wat ook mogelijk is, tegenover onszelf, maar het is tegelijk een vergrijp tegen het allerhoogste wat een mens bezit: het leven. Men kan ons van onze goederen beroven, men kan ons veel leed berokkenen. Er zijn dingen die in het menselijke vlak soms geheel goed te maken zijn. Er zijn ook dingen die niet meer helemaal goed te maken zijn, maar soms op de een of andere manier toch nog wel te vergoeden of te verzachten. Maar wanneer het leven ons ontnomen wordt, dan is dat het allermeeste wat ons ontnomen wordt. Dat is absoluut!
Men heeft weleens gezegd dat het leven het allerhoogste is wat van onszelf is, maar het ligt nog dieper, het leven is van God Zelf. In de doodslag vergrijpen wij ons tegen God Zelf.
U kent allemaal wel die wonderschone uitdrukking: de Heere van leven en dood. Die uitdrukking wordt meestal gebruikt bij het sterven, maar is ook zeer passend bij het leven: de Heere van leven en dood. Het gaat in het leven over iets wat van God Zelf is. De bijbelheiligen hebben het ook beleden: "Want niemand van ons leeft zichzelven, en niemand sterft zichzelven. Want hetzij dat wij leven, wij leven den Heere; hetzij dat wij sterven, wij sterven den Heere. Hetzij dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn des Heeren" (Rom.14:7-8).
Zo gaat het in de zonde tegen het zesde gebod niet alleen om het ernstigste vergrijp dat we tegen onze naaste kunnen plegen, maar ook om een vergrijp tegen God Zelf.
Gij zult niet doodslaan. Dat heeft ook dit ontzagwekkende aspect dat de mens niet alleen lichaam is, maar de mens is ook ziel. Zo gaat het bij de doodslag niet alleen om het ontnemen van het leven, maar ook om het feit dat we daardoor onze naaste voor de rechterstoel Gods brengen.
Wat gaat het dan om een zeer ernstige zaak wanneer er een leven beëindigd wordt door doodslag. Wat is de rouw die er dan is bij de weduwe en de wees als het ware een dubbele rouw en wat is het verdriet een dubbel verdriet en wat vermenigvuldigen daardoor de waaroms.
Het gaat om iets heel ernstigs, een mens is niet vervangbaar. Ieder mens is een apart schepsel van God, ieder mens is uniek. Men spreekt weleens over dubbelgangers, maar er zijn geen dubbelgangers, ieder leven is uniek. Dat geldt niet alleen voor het volwassen leven, dat geldt evenzeer voor het leven in wording. Het is eigenlijk vanzelfsprekend, u bent mij misschien allang voor in uw gedachten, dat dit gebod zeer actueel is in onze dagen wat betreft de abortus provocatus. Wat zal Gods wraak daarover vreselijk wezen! We lezen daar reeds over in het Oude Testament in het boek Jesaja. Want de schaamteloosheid waar deze zonde mee bedreven wordt en de ontzaglijke massaliteit van deze zonde is wel nieuw, maar de zonde zelf niet.
We lezen in het Oude Testament met name in Jesaja: "Want ziet, de HEERE zal uit Zijn plaats uitgaan, om de ongerechtigheid van de inwoners der aarde over hen te bezoeken; en de aarde zal haar bloed ontdekken, en zal haar doodgeslagenen niet langer bedekt houden" (Jes.26:21).
Wat een ernstige waarschuwing als er gesproken moet worden over de eis Gods: Gij zult niet doden.
Ik heb er tegenop gezien om hier over te preken omdat er zo ontzaglijk veel over geschreven wordt, zo ontzaglijk veel over gesproken is, dat we er haast over uitgesproken zijn. Ik wil slechts enkele dingen langs lopen, geliefde gemeente. Abortus provocatus: we hoeven niet alles te doen om alles te zijn. De schuld ligt op ons allen als zodanig, we mochten ons wel schamen om een mens te zijn. Want dat betekent dat we in veel opzichten schandelijker zijn dan de beesten.
Nu zijn wij het geslacht, ik geloof dat we wij moeten zeggen, die het jonge leven aantasten en dan zullen ook wij de generatie zijn, die zelf gedood zal worden door onze kinderen: euthanasie. We moeten maar niet denken dat het nog tien of twintig jaar wachten zal, dat het onze tijd wel uit zal duren. Ik geloof het niet. Daarin zal er een vreselijke bezoeking over deze wereld komen, een vreselijke bezoeking ook over ons eigen land.
Euthanasie, een prachtig woord voor moord. Eerst op eigen verzoek, straks wie afgeleefd is, dan wie ziek is, ten slotte op economische gronden, wie niet produktief meer is, wie te veel kost om verzorgd te worden.
Ik moet over de geboden preken, dus ik blijf praktisch gemeente, want het is de bedoeling van het gebod, dat we de dingen gewoon bij hun naam noemen. Dan lezen we ook waarom de overheid het zwaard draagt om de doodslag te weren. Het is vreselijk dat de doodstraf is afgeschaft. Want speciaal bij de doodstraf heeft God gezegd: "Ook van de hand des mensen, van de hand eens iegelijken zijns broeders zal Ik de ziel des mensen eisen. Wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door den mens vergoten worden; want God heeft den mens naar Zijn beeld gemaakt" (Gen.9:5-6).
Er zit zo'n stuk vals sentiment in de afschaffing van en de argumenten tegen de doodstraf. Wanneer we menen te beschikken over de levens van honderden en duizenden, dan is er ineens een vals sentiment, om dat ene leven van een moordenaar te sparen.
God waarschuwt ons uitdrukkelijk: Gij zult niet doden. We zullen onze naaste het leven niet benemen, we zullen hem niet kwetsen, ook zullen we onszelf het leven niet benemen of onszelf kwetsen. Daar hoort ook onder de roekeloosheid of een stuk zorgeloosheid, schuldige roekeloosheid en schuldige zorgeloosheid, zoals we met ons eigen leven en met andere levens omspringen.
We staan hier ook voor de huiveringwekkende werkelijkheid van zelfmoord. Ik vind het ontzettend moeilijk om er over te spreken gemeente, we worden zeer ernstig gewaarschuwd in de Schrift en door enkele voorbeelden in de Schrift. Ik weet niet of u op de hoogte bent, dat er zelfs een vereniging is met duizenden leden, een vereniging van mensen die op hun eigen tijd en naar hun eigen inzicht de hand aan zichzelf zullen slaan, wanneer zij dat het beste vinden.
Zelfmoord: een ernstige zonde! Judas, Saul en Achitofel staren ons aan uit de Schrift. Maar van deze mensen weten wij de oorzaak. Wanneer wij de oorzaak niet weten, laat ons dan maar eerbiedig zwijgen.
Wat is zelfmoord? Misschien wel de dood ingedreven door onze naaste, die geen hand uitstak om ons te helpen. Als we het niet weten, laten we dan zwijgen. God oordeelt en Hij oordeelt rechtvaardig. Hij kent het verborgene van de mens en wij niet!
Laat ik maar blijven bij wat de catechismus zegt, dat we ernstig gewaarschuwd worden. Dan kan het leven zo moeilijk zijn, dat we lezen dat ook Job zijn leven zat was. We lezen dat ook van Jeremia en zelfs van Elia dat hij bad: "dat zijn ziel stierve, en zeide: Het is genoeg; neem nu, HEERE, mijn ziel, want ik ben niet beter dan mijn vaderen" (1 Kon.19:4).
Ik zou haast zeggen, wanneer het leven zo moeilijk voor ons wordt, laat dan juist het gebed vermenigvuldigd mogen worden. Wat zouden we daarmee naar de Heere moeten gaan, als het leven ons te zwaar wordt. Wat zouden we dan naar de Heere moeten gaan als we geen lust meer hebben in het leven. Dan kunnen we het nog het beste tegen de Heere zeggen: Heere, neem mijn ziel maar van mij.
Kortom gemeente, het gaat om een ontzaglijke verantwoordelijkheid: Gij zult niet doodslaan.
En wanneer de catechismus niet verder ging, dan kwamen wij er met z'n allen wel goed vanaf, dacht ik. Zover als ik weet zijn hier geen moordenaars aanwezig. Ging dus de catechismus niet verder, dan kwamen we er echt nog wel gelukkig af, ik zou haast zeggen: genadiglijk af. Maar het geweldige van de catechismus is, dat het de zaken niet alleen oppervlakkig behandelt, maar ook in de kern.
Dan gaat het verder naar de wortel van de doodslag in onze catechismus. Dan worden we er op gewezen dat het kan zijn, dat we bewaard zijn gebleven voor deze zonde. Maar ik meen het al een keer gezegd te hebben, we hoeven niet alles gedaan te hebben om toch alles te zijn!
De catechismus wijst er op dat de doodslag niet in de eerste plaats een zaak is van onze handen, maar in de eerste plaats een zaak is van ons hart.
Dan spreekt de catechismus over de wortel van de doodslag: nijd, haat, toorn en wraakgierigheid. Wat is de catechismus dan ontdekkend gemeente. Ik zou zeggen: laat nu diegene gaan staan, wiens hart zuiver is van nijd, die de toorn van het hart niet kent. Diegene die nooit eens gebrand heeft van wraakgierigheid, die nooit eens heeft gehaat.
Zo brengt de catechismus ons naar het hart, dat door Guido de Brès een onzalige fontein wordt genoemd. Er wordt aan ons gevraagd of ons hart reeds vernieuwd is door genade.
Niet dat de nijd en de toorn, de wraakgierigheid en de haat er dan niet meer zouden zijn. Maar het gaat om de kern van de zaak, geliefde gemeente, wat in ons hart leeft dat wordt hier de wortel genoemd. Dat wil dus zeggen dat het ook uit kan spruiten in ons leven. Het is net zoiets als zaad wat in de aarde gekoesterd wordt. Zo hebben wij allen het zaad van nijd, haat, toorn en wraakgierigheid in ons hart.
Wat is het dan gevaarlijk om dat te koesteren, zoals het zaad in de natuur bevochtigd wordt en gekoesterd door de zon en daarna uitspruit. Zo is het met alles wat we doen, het zij goed of het zij kwaad, het heeft altijd zijn oorsprong in het hart. De wil gaat aan de daad vooraf. En omdat het gebod geestelijk is, gaat het niet alleen om onze daden, maar gaat het ook om onze wil of onze wil reeds geheiligd is.
Ik zal proberen de kern te grijpen waar het in die vier dingen ten diepste over gaat: nijd, toorn, wraakgierigheid en haat. Wat is daar de oorzaak van, dat ons hart vervuld kan zijn met nijd, toorn, wraakgierigheid en haat? Hoe komt het toch dat zelfs de meest hoogstaande mens dit in zijn hart heeft? Dat is het gekwetste 'ik', gemeente! Het ikke, ikke, het gekwetste ik, wanneer het niet tot gelding komt.
Ik moet u ook nog op de andere zijde wijzen. We hebben vanmorgen gepreekt over Stéfanus, dat er ook een lijden is om Gods wil. De Wet staat in de dankbaarheid en wat ligt dan juist de Kerk, die het bloed van Jezus Christus heeft leren kennen, wat ligt de Kerk dan juist onder het gebod: Gij zult niet doodslaan. Ook onder het gebod wanneer nijd, toorn, wraakgierigheid en haat tot zonde wordt. Ook in het lijden om Gods wil. Zoals Stéfanus niet leed om zijn gekwetste 'ik', maar om zijn gekwetste Zaligmaker.
O, wat moeten we dan nog veel leren. Wat moet ieder die het bloed van Jezus Christus heeft leren kennen, die het genadeleven heeft leren kennen, nog veel leren van het Woord dat spreekt: "Wreekt uzelven niet, beminden, maar geeft den toorn plaats; want er is geschreven: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, zegt de Heere" (Rom.12:19). God is een God van recht.
Wat had Stéfanus het ver gebracht, geliefde gemeente. Stéfanus kon zijn Zaligmaker naspreken: "Heere, reken hun deze zonde niet toe" (Hand.7:60). Zoals de Heere Jezus het gebeden heeft toen Hij gekruisigd werd: "Vader, vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij doen" (Luk.23:34).
Wat lezen we dan juist in de geschiedenissen van de Heere Jezus, evenals in de profetieën, over de bewaring tegen doodslag. Petrus zegt het: "Maar indien gij verdraagt, als gij weldoet, en daarover lijdt, dat is genade bij God. Want hiertoe zijt gij geroepen, dewijl ook Christus voor ons geleden heeft, ons een voorbeeld nalatende, opdat Gij Zijn voetstappen zoudt navolgen. Die geen zonde gedaan heeft, en er is geen bedrog in Zijn mond gevonden. Die, als Hij gescholden werd, niet wederschold, en als Hij leed, niet dreigde; maar gaf het over aan Dien, Die rechtvaardiglijk oordeelt. Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout; opdat wij, der zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen gij genezen zijt" ( 1 Petr.2:20-24).
Daar ligt dan juist, in de derde plaats, de bewaring tegen de doodslag, dat ons eigen ik sterft. Dat ook daarin, meer en meer de Geest van Christus gestalte moge krijgen in ons leven. Om ons van onze moordlust te verlossen, om ons van alle nijd te verlossen, om ons van alle toorn en van alle wraakgierigheid te verlossen, om ons juist van alle haat te verlossen.
Wanneer we 1 Johannes 3 voor ons hebben waarin ook gesproken wordt over de doodslag, over het haten van onze naaste, dan wordt daarin toch ook gesproken over die kostelijke Geest van Christus als de enige bewaring. Het laatste vers dat we gelezen hebben luidt: "En die Zijn geboden bewaart, blijft in Hem, en Hij in denzelven. En hieraan kennen wij, dat Hij in ons blijft, namelijk uit den Geest, Dien Hij ons gegeven heeft". Het gaat over de tweede tafel van de wet. De catechismus refereert daar ook aan, dat wij onze naaste lief zullen hebben als onszelf, dat wij de zelfliefde een klein beetje leren uitleveren, tegen de liefde voor onze naaste.
De doodslag: het wezen van de zaak en de wortel van de zaak vinden we in onszelf, maar de bewaring vinden we buiten ons in Jezus Christus, door de Heilige Geest. Dan wordt er gesproken dat we af zullen leggen al die haat, al die nijd, al die wraakgierigheid en al die toorn.
De tweede tafel van de wet, hoe zou die vervuld worden, gemeente? Nooit zonder in een rechte verhouding gezet te zijn tot de eerste tafel van de wet: God lief te hebben boven alles. Daar zal uit voortvloeien dat we ook weer zullen leren door de Geest van Christus, om onze naaste lief te hebben als onszelf.
Ik heb gezegd dat het zesde gebod gaat over leven en laten leven. Mochten we daar dan iets van leren, uit vrije genade, om te leven uit vrije genade en te laten leven uit de Geest van Jezus Christus: "Die, als Hij gescholden werd, niet wederschold, en als Hij leed, niet dreigde; maar gaf het over aan Dien, Die rechtvaardiglijk oordeelt".
Het is niet genoeg dat we onze nijd, onze toorn, onze wraakgierigheid en onze haat in zullen tomen. Gods gebod gaat veel dieper: dat we onze naaste lief zullen hebben als onszelf en dat we alle vriendelijkheid en barmhartigheid aan onze naaste zullen bewijzen en zijn schade, zoveel als ons mogelijk is, afkeren en zelfs onze vijanden goed zullen doen, geliefde gemeente.
Het is ook nu weer héél verootmoedigend, het brengt ons bij ons diepste bestaan. Het is een confrontatie met Jezus Christus Die gezegd heeft: "Dengene, die u aan de wang slaat, biedt ook de andere" (Luk.6:29).
De Geest van Jezus Christus is nodig, zowel als het bloed van Jezus Christus. Het bloed van Jezus Christus is nodig in de eerste plaats om ons te reinigen van alle zonden, ook van alle nijd, toorn, haat en wraakgierigheid.
Maar wat hebben we ook nodig de Geest van Jezus Christus om zachtmoedig, lankmoedig, barmhartig en vriendelijk te zijn jegens onze naaste. Dat worden vruchten van de Geest genoemd door Paulus in de Galatenbrief.
Moge de Heere Zijn Kerk, naast het bloed van Jezus Christus Gods' Zoon dat reinigt van alle zonden, ook uit genade veel schenken van de Geest van Jezus Christus tot vernieuwing des levens om God lief te hebben boven alles en onze naaste als onszelf. AMEN.